De jihadistische angstvisioenen van de NCTV (analyse int.)

In ‘De jihadistische angstvisioenen van de NCTV (II internationaal)’ een grove analyse van de internationale berichtgeving van de NCTV over de afgelopen tien jaar. Hier per jaar een grove analyse, een vogelvlucht, of om in de terroristische terminologie te blijven een drone vlucht. Alles wordt slechts aangestipt omdat het ondoenlijk is om op alle arrestaties en aanslagen uitgebreid in te gaan. Het gaat om het doorbreken van de denktrant, het doorbreken van de dreigingsbeeld diarree zoals elders beschreven wordt. Elke arrestatie wordt door de NCTV gevierd als een overwinning op de ‘vijand’, maar bij elke arrestatie hoort een verhaal. Soms worden de mensen meteen vrijgelaten, soms na maanden, jaren. Onschuldig, maar gebrandmerkt als terrorist, want dat is het beeld dat overblijft. En de aanslagen, mislukt of gelukt, zijn incidenten in de oorlog tegen de terreur. Een oorlog waar geen einde aan komt en die lijkt op een slag tussen goed en kwaad. We zijn beland in ‘Middle Earth’, ‘In de ban van de Ring’. De werkelijkheid is echter anders. Aanslagen zijn altijd doorspekt van mysteries waarbij inlichtingendiensten een belangrijke rol spelen. Voorkennis, afgebroken observaties, informanten, infiltranten en andere schimmenspelen, maar ook drone strikes, bombardementen, militaire operaties op een plaats en een aanslag in een stad of dorp ernaast. In een wereld die steeds meer wordt afgeschilderd als een bipolair speelveld strijden de zogenoemde geallieerden tegen de zogenoemde as van het kwaad, tegenwoordig steeds minder in de hoedanigheid van staten, maar steeds meer in de vorm van een groep ‘unlawful enemy combatants’. Wij, de westerse wereld, eigent zich de alledaagse waarheid van de oorlog tegen de terreur toe, een oorlog die oneindig is in tijd en geografie, maar ook in deelnemers. Deze vogelvlucht gaat deels van DTN naar DTN, en volgt een patroon van jaar in jaar uit. Tien jaar terreur, terreur van het dreigingsbeeld.

2005 Mondiale radicalisering
DTN-1 / 10 juni 2005
DTN-2 / 29 september 2005
DTN-3 / 5 december 2005

2006 De lange arm van al-Qaida
DTN-4 / 2 maart 2006
DTN-5 / 7 juni 2006
DTN-6 / 16 oktober 2006
DTN-7 / 20 december 2006

2007 Gevechtspauze PTSS NCTb
DTN-8 / 25 april 2007
DTN-9 / 4 juni 2007
DTN-10 / 9 oktober 2007
DTN-11 / 27 november 2007

2008 Jaar van de ongekende dreiging
DTN-12 / 5 maart 2008
DTN-13 / 9 juni 2008
DTN-14 / 9 september 2008
DTN-15 / 19 december 2008

2009 Nederland en haar strijdgebieden in de derde wereldoorlog
DTN-16 / 6 april 2009
DTN-17 / 19 juni 2009
DTN-18 / 11 september 2009
DTN-19 / 15 december 2009

2010 oorlogsmennerij en dreigingspropanda van een dienst
DTN-20 / 7 april 2010
DTN-21 / 18 juni 2010
DTN-22 / 13 september 2010
DTN-23 / 17 december 2010

2011 Spelen met bedreigingen, arrestaties en aanslagen
DTN-24 / 18 maart 2011
DTN-25 / 17 juni 2011
DTN-26 / 3 oktober 2011
DTN-27 / 12 december 2011

2012 Wie is het gevaarlijkst: armpje drukken met al-Qaida,
DTN-28 / 26 maart 2012
DTN-29 / 22 juni 2012
DTN-30 / 8 oktober 2012
DTN-31 / 17 december 2012

2013 Terreurfabriek
DTN-32 / 13 maart 2013
DTN-33 / 1 juli 2013
DTN-34 / 7 november 2013

2014 Duurzame dreiging
DTN-35 / 24 februari 2014
DTN-36 / 30 juni 2014
DTN-37 / 12 november 2014

2005 mondiale radicalisering

DTN-1 / 10 juni 2005

Bij de eerste DTN (juni 2005) worden internationale netwerken als Al-Qaida één op één gekoppeld aan een arrestatie in Nederland. “Het eerste vastgestelde en door aanhouding van betrokkene verijdelde geval van ‘zelfontbranding’ in Nederland kan hieraan worden toegeschreven.” Het gaat waarschijnlijk om de aanhouding van Wesam al Delaema en de man is al veroordeeld door de coördinator terrorismebestrijding voordat de rechter er aan te pas is gekomen. Zijn advocaat zegt in 2008 tegen Vrij Nederland: “Wij zijn nooit toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van dit Nederlandse onderzoek, waarbij zeker de nodige vragen zijn te zetten. Want hoe hard is die verdenking van zijn betrokkenheid bij terreurdaden nu?” (13 maart 2008). Het zou ook kunnen gaan om Bilal Lamrani, alleen was hij bekend bij justitie, had vastgezeten voor het bedreigen van Geert Wilders en “in de gevangenis had Bilal gevraagd hoe hij aan semtex kon komen en op zijn usb-stick waren handleidingen gevonden voor het maken van explosieven” (NRC Handelsblad 8 september 2007). Aan de arrestatie gaat een onheilspellende zin vooraf die de mondiale radicalisering op de kaart zet: “Diverse netwerken alsook individuen hebben het gedachtegoed van Al Qa’ida overgenomen en trachten de ideologie door missie en/of terrorisme tot uitdrukking te brengen.” De nuance is in het dreigingsbeeld niet terug te vinden. De internationale netwerken en de Nederlandse netwerken lijken één op één met elkaar verbonden in deze DTN. Veteranen trainen lokale mensen en de boel radicaliseert, gezien de twee beschreven arrestaties zijn grote vraagtekens te zetten bij de eenvoud van het bestempelen van lokale jongeren als Al-Qaida soldaten.

DTN-2 / 29 september 2005

De DTN (29 september 2005) die volgt, staat vooral in het teken van de aanslagen in London op 7 en 21 juli 2005. De dreiging was kritiek, althans dat suggereert het dreigingsbeeld, maar weer niet kritiek door de aanslagen in het Verenigd Koninkrijk. “In de maand juli 2005 was er sprake van een tijdelijke verhoging van de dreiging, die te maken had met het proces tegen de Hofstadverdachten.” Het DTN stelt bij de actuele dreiging dat “Nederland onverminderd in de belangstelling van potentiële terroristen staat. De militaire steun die Nederland levert aan de internationale strijd tegen het terrorisme draagt bij aan een hoog internationaal profiel van ons land.” De AIVD doet daarom onderzoek naar de bedreiging van het evenement Sail door al-Qaida (Elsevier “Al-Qa’ida dreigt met aanslag op Sail”). Het blijft onduidelijk of al-Qaida daadwerkelijk een bedreiging heeft geuit, hoewel de diensten onderzoek doen naar de berichten. De coördinator oordeelde namelijk dat “dergelijke verklaringen weinig geloofwaardig zijn.” Waarom de NCTb aan de geloofwaardigheid twijfelt wordt ook niet duidelijk, vooral ook omdat er onderzoek naar wordt gedaan. De coördinator wijst naar de media die angstgevoelens zouden aanwakkeren, maar maakt vervolgens niet duidelijk waarom het Sail incident in het dreigingsbeeld is opgenomen. Internationaal gaat het niet meer zozeer om netwerken alswel om de Nederlandse militaire aanwezigheid in Irak en Afghanistan. De Nederlandse aanwezigheid in die landen zou de “operationele keuze van jihadisten beïnvloeden en een belangrijke inspiratiebron voor radicalisering vormen.”

DTN-3 / 5 december 2005

In het derde DTN worden Nederlandse jongeren direct aan de mondiale terreurbeweging gekoppeld, Nederlandse jongeren die zich aangetrokken voelen tot de radicale islam lijken al bijna lid van al-Qaida: “in de context van mondiale radicaliseringsprocessen”. De NCTb bedoelt daarmee dat in andere westerse landen dezelfde processen plaatsvinden, “globale maatschappelijke processen”. Onduidelijk is waar die conclusie vandaan komt, het dreigingsbeeld stapelt verder. Het feit dat er van al-Zawahiri (kopstuk van al-Qaida) tegelijk een videoboodschap wordt uitgezonden als van een van de daders van de aanslagen in Londen, “in combinatie met voorlopige onderzoeksresultaten, wijst op een betrokkenheid van krachten buiten het Verenigd Koninkrijk.” Welke onderzoeksresultaten wordt niet vermeld. En of die onderzoeksresultaten zijn gedeeld is tevens twijfelachtig, want welke reden zouden de Engelse diensten hebben om dat wel te doen. De aanslagen in London zijn nooit grondig onderzocht en er heeft geen openbaar parlementair onderzoek plaatsgevonden zoals in Spanje. Enkele vragen zijn te vinden in het boek The London Bombings: An Independent Inquiry Van Nafeez Mosaddeq Ahmed. Verdachte Jean Charles de Menezes, een Braziliaanse Brit, werd op 22 juli 2005 door de politie met zeven kogels in zijn hoofd gedood. De man was ongewapend en onschuldig. Opvallend is dat de coördinator terrorisme bestrijding geen aandacht besteedt aan deze dode, noch aan de aanslagen op Bali op 1 oktober 2005, blijkbaar zijn die niet van belang voor het Nederlandse dreigingsbeeld, hoewel in Bali veel toeristen de dood vonden. Beide gebeurtenissen zetten namelijk vraagtekens bij de rol van overheden. Ten aanzien van de aanslagen op Bali heeft voormalig president van Indonesië Abdurrahman Wahid bijvoorbeeld in een interview met het Australische SBS’s Dateline aangegeven dat volgens hem politie en militaire officieren een rol hebben gespeeld bij de aanslagen. Hij maakte zich zorgen over de relaties tussen Indonesische autoriteiten en terroristen.

De toon is gezet in 2005. De NCTb ziet bestrijding van terreur als het aanzetten van de dreiging. Analyses van de dreiging zijn niet echt analyses, maar vetgedrukte krantenkoppen in een ambtelijke terreurbode. Duiding en analyse zoals een enkele keer de AIVD en de vroegere BVD dit middels door rapporten zoals ‘van Dawa tot Jihad’ heeft gedaan, komt niet overeen met het beleid van de dienst. Niet analyseren, maar aandikken is het devies.

2006 De lange arm van al-Qaida

DTN-5 / 7 juni 2006

In 2006 kristalliseert zich de internationale component van het dreigingsbeeld verder uit. “Het dreigingsbeeld voor Nederland is onlosmakelijk verbonden met internationale
Ontwikkelingen,” alsof Osama Bin Laden direct met Nederlandse radicale moslims spreekt. Aan de andere kant is “een direct effect van aanslagen elders is niet altijd aanwijsbaar,” staat in DTN 5 (7 juni 2006) bij internationale context. “Het jihadistische terrorisme in landen als Irak, Afghanistan en Indonesië doet afbreuk aan westerse belangen,” schrijft de NCTb. De oorlogen in Irak en Afghanistan worden eufemistisch aangeduid als conflictgebieden, brandhaarden alsof het alleen om “westerse belangen” zou gaan. Er woedt geen oorlog, de lokale bevolking telt niet meer mee en alles is terrorisme tegen ‘westerse belangen’. Het gevaar is “een «ideologische» wervingskracht waaruit radicalisering in het westen” voortvloeit en “de «export» van jihadistische strijders” (DTN 5).

DTN-4 / 2 maart 2006

Dat die internationale component nogal vaag is maakt een fatwa uit DTN-4 (2 maart 2006) duidelijk. “De authenticiteit van deze op internet geciteerde fatwa kan vooralsnog niet bevestigd worden,” schrijft de NCTb die de fatwa toeschrijft aan “Abu Musab al-Suri, volgens de dienst een van de belangrijkste Al Qa’ida ideologen.” Dat de fatwa op radicale websites staat en wordt verspreid is duidelijk, de coördinator heeft de fatwa daar vandaan. Direct contact met al-Qaida is er niet. En de cirkel is dan rond want de NCTb schrijft dat de fatwa “door veiligheidsautoriteiten serieus wordt genomen,” anders was deze niet in het dreigingsbeeld opgenomen. Dat deze opmerking angstgevoelens aanwakkert is duidelijk, maar wat deze opmerking bijdraagt aan het beter begrijpen van de dreiging van Nederland is onduidelijk. Ook de volgende paragraaf uit DTN 4 is onnavolgbaar. De coördinator stelt dat er een “overkoepelende jihadistische organisatie” in Noord-Afrika wordt opgericht en dat dat “een niet te veronachtzamen dreiging voor Europa” met zich meebrengt. Die dreiging komt voort uit de volgende redenering. De “Noord-Afrikaanse jihadistische netwerken hebben reeds contacten in Europa,” er zijn “veel Algerijnse en Marokkaanse migranten aanwezig in West-Europese” en de nieuwe organisatie heeft “waarschijnlijk een hoog netwerkkarakter”. Conclusie is dat alle Marokkaanse en Algerijnse Nederlanders deel uit maken van een netwerk en dat biedt “operationele voordelen” aan de “nieuwe organisatie.” En niet alleen Noordelijk Afrika staat in brand: “Overigens blijft ook het conflict in Irak als strijdtoneel” actief. De coördinator terreur timmert al bij het vierde dreigingsbeeld aan de weg, levensgevaarlijk is het in Nederland.

DTN-6 / 16 oktober 2006

Op 10 augustus 2006 worden 24 mensen aangehouden in het Verenigd Koninkrijk. Ze waren van plan om trans-Atlantische vluchten op te blazen. Enkele jaren later werden drie mannen veroordeeld. De coördinator oordeelt dat “de zaak van invloed is op de terroristische dreiging tegen het westen,” maar dat “er echter geen verbanden tussen deze zaak en Nederland is geconstateerd (DTN-6).” Ook vanuit Irak (de internationale jihadistische
Agenda), Afghanistan (mag evenmin onvermeld blijven), de oorlog tussen Israël en Libanon (hernieuwde inspiratiebron) en Noord-Afrika (mogelijke uitstraling van de Ontwikkelingen) zijn een bron van zorg voor de NCTb. Bij de achtergronden van die zorg wordt verwezen naar “jihadistische netwerken”, “reizende Irak-jihadisten” en “uitstraling”. Bij elke alinea van “Internationale dreiging en uitstraling naar Nederland” van DTN-6 (16 oktober 2006) moet de toenmalige coördinator Joustra toegeven dat er “geen aanwijzingen” en “geen directe dreiging” is. De coördinator klinkt bijna verongelijkt. Waarom? Zijn wij niet belangrijk genoeg? Vandaar dat de NCTb de paragraaf afsluit met: “Ondanks alle discussies en onderzoeken zijn er op dit moment geen overtuigende definitieve inschattingen van de slagkracht van de kern van al Qa’ida.”

DTN-7 / 20 december 2006

De laatste DTN-7 (20 december 2006) van het jaar borduurt voort op die kern van al-Qaida. “In toenemende mate komen aanwijzingen beschikbaar die suggereren dat de kern van al Qa’ida weer in staat zou zijn om ook in westerse landen, al dan niet met behulp van lokale netwerken, aanslagen te (laten) plegen,” stelt de NCTb. Dit gekoppeld aan “signalen en geruchten die duiden op een op handen zijnde grootschalige aanslag, georganiseerd door de kern van al Qa’ida” en “dat Nederland in september in een toespraak van kern al Qa’ida kopstuk Zawahiri werd genoemd,” lijken de situatie op scherp te zetten bij de terreurbestrijders. Alles loopt met een sisser af: “De dreiging is niet zonder meer van toepassing op Nederland.” In de paragraaf terrorisme loopt de coördinator alles af wat ons landje bedreigt. De op het internet beschikbare “zeer professionele handleidingen ten behoeve van fabricage en inzet van aanslagmiddelen.” De “«talibanisering» van de grens tussen Pakistan en Afghanistan” zijn van belang voor Nederland evenals “de contacten tussen dergelijke Marokkaanse netwerken (gearresteerde inwoners van Marokko) en geestverwanten in Nederland”. Daarnaast is er ook “het internetgebruik van jihadisten” en andere zaken die “zowel de gekende als de voorstelbare dreiging.” beïnvloeden. Het klinkt als de beruchte Donald Rumsfeld quote: “There are known knowns. These are things we know that we know. There are known unknowns. That is to say, there are things that we know we don’t know. But there are also unknown unknowns. There are things we don’t know we don’t know”.

De dreigingsbeelden hebben het karakter aangenomen van een patiënt die aan een zware angststoornis leidt. Alles heeft misschien te maken met het dreigingsniveau in Nederland, alleen zijn er geen aanwijzingen en het is onduidelijk wat het betekent voor Nederland. En de “intensieve media-aandacht voor dergelijke geruchten leidt er overigens wel toe dat een van de kerndoelen van terroristen wordt bevorderd: het verspreiden van angst,” staat in DTN-7. Waarom pompt de NCTb die geruchten dan opnieuw rond? Voegt daar het minder vage woord signalen aan toe en zegt dat de geruchten “de aandacht hebben van de Nederlandse diensten.” Wie leidt er nu aan een angststoornis? Want wie de internationale context van 2006 beschouwt, krijgt de indruk dat die “grootschalige aanslag” op Nederland slaat en dan wordt het dreigingsniveau verlaagd, niets aan de hand dus.

We zijn in 2006 toegetreden tot de kern van al-Qaida en eigenlijk zijn wij blind. We worden bedreigd door zowel gekende als voorstelbare bedreigingen. Alles kan, een vuile bom, vliegtuigen, bomauto’s, bomfietsen, het arsenaal is onbeperkt en eigenlijk weten we het niet. Donald Rumfeld, Secretary of Defense van de Verenigde Staten, had het al over de unknown unknowns in 2002, gelukkig is het in Nederland nog niet zo ver, want er zijn alleen nog maar known unkowns, voorstelbare bedreigingen.

2007 Gevechtspauze PTSS NCTb

DTN-8 / 25 april 2007

Begin 2007 wordt het dreigingsniveau verlaagd naar beperkt. De logica van de verlaging is niet te volgen. DTN-8 (25 april 2007) borduurt voort op de vorming van een “overkoepelende jihadistische organisatie” in Noord-Afrika. De Algerijnse groep Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat (GSPC) zou zich een jaar eerder hebben aangesloten bij al-Qaida, de dreiging was toen substantieel. Toen waarschuwde de NCTb voor Algerijnse en Marokkaanse netwerken in Europa, ook in Nederland. Begin 2007 lijkt er plotseling niets aan de hand, waarom wordt niet duidelijk. Als argument voert de coördinator aan dat de Noord-Afrikaanse groepen “deels uit pragmatisme hun operationele activiteiten momenteel vooral in de eigen regio opvoeren.” Om kort te gaan, de Noord-Afrikanen blazen alleen zichzelf op. De coördinator onderwijst dat “regionale aanslagen doorgaans minder voorbereidingen vergen dan transnationale.” Opvallend is ook dat een verwijzing naar de Algerijnse en Marokkaanse gemeenschap in Europa is weggepoetst uit dit stukje internationale context. Ook Afghanistan en Irak zijn van het dreigingsmenu verdwenen, vooral Afghanistan is opvallend in verband met de Nederlandse aanwezigheid daar in 2007. Die aanwezigheid was steeds de trigger voor aanslagen in eigen land, zo niet begin 2007, waarom blijft onduidelijk. Andere ambtenaar die de teksten schreef? Beter humeur van de coördinator? Weinig tijd voor de dreiging? Het blijft gissen.

DTN-9 / 4 juni 2007

Twee maanden later op 4 juni 2007 (DTN-9) is Afghanistan toch weer terug: “Het internationale profiel van landen die deelnemen aan de strijd in Afghanistan blijft hoog” en “Nederland is daardoor in bepaalde mate een voorstelbaar doelwit, zeker gelet op het parallelle profiel met bijvoorbeeld Duitsland.” Afghanistan was twee maanden daarvoor nog onvindbaar op de jihadistische landkaart, maar nu is Nederland een voorstelbare target. Hoe komt een dergelijk “in bepaalde mate voorstelbaar doelwit” dan tot stand. Noord-Afrikanen vechten op jihadistische strijdtonelen zoals Irak, Tsjetsjenië en Afghanistan, keren terug naar huis en plegen een aanslag, klaar is kees. Om het spannend te houden spreekt de coördinator van landen van herkomst dat lijkt te verwijzen naar Noord-Afrika, maar kan ook Nederland zijn want “gezien de contacten met en nabijheid van Europa zou dit ook gevolgen kunnen hebben voor de dreiging tegen Europa (waaronder Nederland).” Toch blijft het dreigingsniveau beperkt. Wil de coördinator ons geruststellen? Nee, we zijn een voorstelbaar doelwit en de trainees van al-Qaida keren terug, dus is een aanslag heel goed mogelijk. Het dreigingsniveau is maar net verlaagd of de verhoging is al weer in zicht. Binnen afzienbare tijd is de dreiging weer substantieel. De NCTb wil vooral de angst erin houden.

DTN-10 / 9 oktober 2007

DTN-10 (9 oktober 2007) pakt dan ook uit met arrestaties in Denemarken en Duitsland gerelateerd aan mogelijke aanslagen en enkele “terroristische incidenten” in het Verenigd Koninkrijk (zie ook: ‘De mist van aanslagen’ 5 september 2007 Buro Jansen & Janssen). Het lijkt alsof het steeds dichterbij komt. De dienst schrijft dat er “al langer berichten circuleren dat Europeanen in jihadistische trainingskampen in het Midden-Oosten worden opgeleid om in de toekomst aanslagen te plegen in hun thuisland.” Landen van herkomst zijn plots niet meer de Noord-Afrikaanse landen aan de Middellandse Zee, maar Noord-Europa. De Duitse situatie zou dat onderstrepen, maar zijn de circulerende berichten meer dan geruchten? Het wordt niet duidelijk wat de coördinator nu wil zeggen met de circulerende berichten. De dienst doet er niet veel aan om de angst weg te nemen: “Hieruit blijkt dat de lange arm van Al Qa’ida inmiddels verder reikt dan landen met een grote Pakistaanse gemeenschap,” klinkt het onheilspellend. De Pakistaanse buurman is plots ingedeeld in het ‘andere’ kamp. De NCTb gooit nog wat extra internationale olie op het vuur. De “snelle radicalisering en de ongebruikelijke achtergrond van de verdachten in het Verenigd Koninkrijk … een lastig voorspelbare dreiging tegen ons land is.” Sussende woorden zijn in de DTN’s van 2007 alleen nog even in een laatste alinea gezet, daar staat dan dat er “aanwijzingen ontbreken” en “het beeld van de door de Nederlandse diensten gekende netwerken vooralsnog niet verontrustend is.” Het ging in Engeland echter niet om ‘gekende’ netwerken, maar om ‘ongebruikelijke verdachten’ en daarom is er sprake van een ‘lastig voorspelbare dreiging’, dus zelfs die sussende woorden zijn misplaatst. Rumsfeld’s unknown unknowns doen hun intrede in Europa. Dan maar over naar de gewapende jihad in Afghanistan, dat is na drie jaar dreiging vertrouwd.

DTN-11 / 27 november 2007

Het laatste DTN van 2007 en ook de laatste met een beperkte dreiging op dat moment lijkt te willen suggereren dat de Nederlandse aanwezigheid in bijvoorbeeld Afghanistan minder problematisch is. Het is wel een inspiratiebron voor radicale jongeren hier maar “in deze netwerken zijn geen personen met kennis over de routes naar de strijdgebieden.” Ze kunnen niet afreizen omdat ze de weg niet weten, hoewel er wel “aanwijzingen zijn van financiële steun op beperkte schaal vanuit ons land aan in het Pakistaans/Afghaanse grensgebied aanwezige jihadistische groeperingen” en er zijn “transnationale netwerken, die ook in Nederland vertakkingen hebben.” De coördinator lijkt niet te kunnen besluiten. Er zijn geen contacten en daarom hebben de jongeren geen adres om naar toe te reizen, maar ze sturen wel geld en er zijn netwerken waar zij contact mee hebben. “De dreiging tegen Nederland of tegen Nederlandse belangen in het buitenland (lees militairen) kan op termijn toenemen,” schrijft de dienst. Daarmee is de NCTb weer terug bij de “contacten tussen lokale autonome netwerken en internationale netwerken, zoals kern al Qa’ida of daaraan gelieerde groepen.” Lokale netwerken zijn ook Nederlandse netwerken suggereert DTN-11, maar er is tegelijkertijd niets aan de hand. Er is wel een internationale context, maar omdat er geen aanwijzingen waren is die internationale context eigenlijk nutteloos. Polder jihadisten zijn blijkbaar anders dan Engelse, Duitse of Deense Jihadisten. De coördinator is echter niet zo snel van zijn angststoornis af te helpen want hij wil toch wel even de factoren noemen die “de voorstelbaarheid van de dreiging voor Nederland nader inkleurt.” Hierbij noemt hij dat bekeerlingen, moslimmigranten die zich nog maar kort hebben gevestigd in Nederland, voor de NCTb aan de lijst van mogelijk terroristen moeten worden toegevoegd omdat “deze groep aantrekkelijk als doelgroep is voor terroristische netwerken.”

De dreigingsbeelden lezen als Russisch roulette. Toch is het altijd substantieel of beperkt, maar nooit kritiek. Het is veilig om in het midden te gaan zitten. Het kan altijd misgaan, maar het is nog niet misgegaan of toch wel. Het is bijna alsof de coördinator aan PTSS leidt, een zwaar trauma heeft opgelopen en de omstandigheden zijn daar zodat het elk moment weer kan plaatsvinden. Nederland kende eerder aanslagen naast Pim Fortuyn en Theo van Gogh. De actie van Molukkers, maar ook de RAF, Rode Leger en andere groeperingen. Waar deze ingehouden angst van de terreurdienst voor staat is niet duidelijk. Gaat het hier om faalangst, politieke druk, gebrekkige analyse, gebrek aan kennis zoals later in 2014 zal blijken, de dienst geeft geen inzicht in haar eigen dreiging. In de komende jaren zal dieper op de arrestaties worden ingegaan. In 2007 worden hier de arrestaties in Denemarken, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk niet in perspectief gebracht, hoewel er vaak veel meer aan de hand is dan alleen maar de opmerking dat er terroristen zijn opgepakt. Hoe komt dat over? Er worden mensen gearresteerd, is dat rustgevend of is dat juist angstaanjagend? Betekenen arrestaties dat die ‘gevaarlijke mensen’ echt bestaan of betekent het dat er potentiële aanslagplegers zijn aangehouden en er niets aan de hand is? De dreigingsbeelden geven geen inzicht, doel is niet wegnemen, maar eerder toevoegen van angst.

2008 Jaar van de ongekende dreiging

DTN-12 / 5 maart 2008

Het zat al in de lucht in 2007, de dreiging nam toe, of was eigenlijk niet afgenomen, of was voorstelbaar, in ieder geval niet meer beperkt en daarom verhoogde de coördinator de dreiging naar substantieel in 2008 wat hem een vermelding in de Volkskrant en het NRC Handelsblad opleverde. Het zou allemaal te wijten zijn aan de “toegenomen internationale jihadistische invloeden” volgens DTN-12 (5 maart 2008). De NCTb stelt dat “de dreiging hoofdzakelijk uit gaat van door de kern van al Qa’ida aangestuurde of beïnvloede groepen uit Pakistan en Afghanistan. Tegelijkertijd verwijst de dienst naar arrestaties in Spanje van een groep Indiërs en Pakistani die “naast plannen voor aanslagen in Spanje zélf, ook doelen in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en Portugal op het oog hadden.” Het grote gevaar schuilde volgens de NCTb erin dat zij “vanuit het ene Europese land aanslagen in het andere worden voorbereid en gefaciliteerd,” en dat het gaat om een “ongekende dreiging.” Ook toen wilde men die vluchtgegevens van reizigers van binnen de EU verzamelen.
“Radicalisering, netwerkvorming en training vinden in het buitenland plaats,” waardoor de zichtbaarheid in Europa afneemt, daarbij wordt verwezen naar het jaar daarvoor en de Spaanse arrestaties. Probleem bij arrestaties is dat er nog geen rechter aan te pas is gekomen, waardoor als er niets is gebeurd de vraag gerechtvaardigd is of de versie van de overheid wel klopt. De CNI, de Spaanse inlichtingendienst, had wel aangegeven dat de mannen, vrouwen en kinderen aanslagen aan het voorbereiden waren. Nu waren er onderdelen voor explosieven gevonden, maar die waren ook weer niet helemaal duidelijk, en al snel werd duidelijk dat de Spaanse politie had opgetreden na een tip van een beschermde getuige die de mensen had aangewezen. De CNI en de Spaanse politie hebben een niet al te goede naam als het gaat over de behandeling van migranten en bij de aanslagen in 2004 in Madrid zijn grote blunders gemaakt voor de aanslagen. Bij El Tribunal Supremo, de Spaanse Hoge Raad, werden de straffen voor de Pakistani en de Indiërs verlaagd omdat el Supremo oordeelde dat de plannen voor een aanslag zich in een embryonaal stadium bevonden en er weinig motivatie voor het plegen van een aanslag was bij de leden van de groep. Van een dreigingsdeskundige verwacht je een zeker matigende houding, niet iemand die bij elke arrestatie moord en brand schreeuwt. Ook niet iemand die blij is om een nieuwe terreurclub te introduceren om te onderstrepen dat die ook een “uitgebreid ondersteuningsnetwerk heeft in Europa”, wat in het Spaanse voorbeeld in het geheel niet het geval was.

DTN-13 / 9 juni 2008

In DTN-13 (9 juni 2008) zijn de arrestaties in Barcelona al verworden tot een Barcelona-cel “met vertakkingen in verschillende Europese landen.” De Spanjaarden vragen alleen om de overlevering van een persoon uit Nederland, die in Breda is gearresteerd. Het is alsof de coördinator zich verkneukelt over de “Barcelona-cel” want “transnationale netwerken blijven in potentie risicovol. Door alle aandacht voor Pakistaanse netwerken lijkt al-Qaida op de achtergrond te verdwijnen, maar niets is minder waar. In het DTN wordt aangegeven dat al Qa’ida-leiders Bin Laden en Al Zawahiri via video en audio boodschappen zouden hebben gezegd dat “het beledigen van de profeet Mohammed, niet ongestraft kan plaatsvinden.” Hoe de beide heren dit precies hebben gezegd blijft onduidelijk aangezien er geen bronvermelding is gegeven. Europa zou zijn genoemd in het kader van de Deense Mohammed-cartoons. Of Nederland of andere landen ook zijn genoemd blijft onvermeld. De NCTb blijft even mysterieus als Al Zawahiri die zich volgens de dienst in een apart bericht zich zou hebben “gericht tot al Qa’ida in de Islamitische Maghreb (AQIM) en de Islamitische Staat in Irak (ISI) met het verzoek om acties uit te voeren tegen Europa en specifiek Denemarken.” Wat de geïnteresseerde lezer met deze opmerking moet blijft onduidelijk en gelukkig wordt het beeld beëindigd met de zin dat er geen nieuwe ontwikkelingen in de internationale jihad zijn sinds DTN-12. Maar die Al Zawahiri dan? Of was dat een Youtube clip waarvan de authenticiteit nog niet kon worden vastgesteld? Speelt hier hetzelfde als bij de nieuwe ster aan het terroristisch firmament, LIFG. De NCTb introduceerde de LIFG (Libyan Islamic Fighting Group) in DTN-12. De groep zou zich hebben aangesloten bij al Qa’ida in het najaar van 2007, waarom deze groep wordt vermeld blijft onduidelijk. Wil de dienst aangeven hoe al-Qaida oprukt in Noord Afrika?

DTN-14 / 9 september 2008

De drie maandelijks productie van een DTN en ook nog regelmatig een voortgangsrapportage terrorismebestrijding is geen sinecure. Was in 2005 nog enig enthousiasme te bespeuren in de teksten, mede door de steeds veranderende indeling, kopjes en positie van onderdelen in 2008 lijkt er langzaam een soort stroomlijning plaats te vinden. Om de lezer enigszins tegemoet te komen wordt zo nu en dan een nieuw woord in het beeld geïntroduceerd. En in DTN-14 (9 september 2008) is dat voorkeursdoelwit. Nederland is per 9 september 2008 “een van de voorkeursdoelwitten van internationaal opererende jihadistische netwerken.” De NCTb baseert zich hierbij op “berichten op internationale jihadistische web fora” en “uiteenlopende bronnen.” Welke bronnen dit zijn wordt niet nader gespecificeerd. En een aanslag in Nederland zou voor de hand liggen omdat “jihadisten het in de islamitische wereld verslechterde imago van de jihadistische strijd willen opvijzelen.” De coördinator heeft nog meer berichten opgevangen, namelijk dat “Westerse (waaronder Europese) rekruten in jihadistische trainingskampen van verschillende terroristische groepen in het Pakistaans/Afghaanse grensgebied.” Wat voor berichten mogen wij als lezers niet weten, ook blijft onduidelijk hoe serieus we die berichten moeten nemen. Het dreigingsbeeld somt op: “groepen werken samen”, “al Qa’ida zou op zoek zijn naar Westerse rekruten”, “dergelijke rekruten zouden mogelijk minder opvallen” en de Duitse politie uit zijn zorgen over “islamisten die zouden hebben verbleven of thans nog zouden verblijven in trainingskampen.” Eigenlijk een recept om niet meer de trein in te stappen, maar wacht eens. “al Qa’ida zou op zoek zijn” dus het is niet eens zeker dat ze op zoek zijn, is het een gerucht, bericht, tweet … En “zouden mogelijk minder opvallen” betekent dat ze gewoon niet opvallen of dat ze er nooit zullen komen en dus niet opvallen. En tot slot de Duitse federale politieagent die het heeft over “zouden hebben verbleven of thans nog zouden verblijven.” Hoeveel vaagheid kun je stoppen in een dreigingsbeeld om vervolgens te concluderen dat de dreiging substantieel is?

DTN-15 / 19 december 2008

Op 26 november 2008 vonden er een reeks terroristische bomaanslagen en schietpartijen plaats in het Indiase Mumbai. Elf leden van Lashkar-e-Taiba dringen het centrum van de stad binnen en doden 164 en verwonden meer dan 600 mensen. Aan de vooravond van de aanslagen speelt nog een Amerikaanse DEA dubbelspion, David Headley, een vreemde rol. Indiërs vragen zich af waarom de Amerikanen geen inlichtingen over hem hebben gedeeld voor de Mumbai aanslagen. DTN-15 volgt op 19 december 2008 en wijdt een zin aan de aanslagen: “Indiase Mumbai, eind november, illustreren daarnaast dat westerse personen en objecten in algemene zin doelwit vormen van jihadisten.” En dat terwijl de trainingskampen in Pakistan in alle voorgaande DTN’s hoog op de agenda stonden. En ook in DTN-15 wordt gewag gemaakt van de Pakistaanse terroristen kweekvijver: “Verschillende in het Afghaans/Pakistaanse grensgebied opererende jihadistische bewegingen” waaronder de Islamic Jihad Union waar Duitse jihadisten aan verbonden zouden zijn en “ontvoering van westerse diplomaten.” Het vijftiende dreigingsbeeld lijkt stiekem een propaganda oorlog met de ‘jihadisten’ aan te willen gaan. Het begint met Fitna, de film van Wilders “die door jihadisten wordt gezien als een belediging en provocatie.” Ze willen echter geen aanslag plegen in Nederland en Nederlandse doelen elders vanwege die belediging maar om ‘hun imago op te vijzelen’. De coördinator voegt daarom opnieuw een nieuw woord toe aan het terrorisme lexicon ‘exogene dreiging’. Deze is toegenomen in “het buitenland”. Daarvoor wordt verwezen naar Pakistan en naar AQIM en “daaraan gelieerde groepen die hun activiteiten geografisch steeds verder uitbreiden in Noord-Afrika. De Noord-Afrikanen zouden westerse bedrijven in de regio bedreigen en dat zou passen in het media-offensief ten aanzien van het opvijzelen van het imago van de jihadisten. En dat imago kreeg op 11 september 2008 een flinke knauw want het lukt al-Qaida volgens de NCTb niet om een aangekondigde video op internet te zetten.” Berichtgeving daarover op jihadistische websites geeft aan dat dit door jihadisten is ervaren als gezichtsverlies,” oordeelt de coördinator die voor het eerst zich van zijn offensieve kant laat zien. Het laatste dreigingsbeeld van Joustra is een plaagstoot van de UWV man aan het grote al-Qaida.

Terug naar de slag om Mumbai met zijn 164 doden en meer dan 600 gewonden. Slechts één zin wijdt de coördinator eraan. Misschien niet gek, want India is nu eenmaal ver weg. Een enkele toerist is voor de dienst niet belangrijk, hoewel in de toekomst zal blijken dat die aandacht er in sommige gevallen wel degelijk is. Waarom terug naar Mumbai? Om de Amerikaanse DEA agent David Headley en zijn rol bij de terreuraanslag die nooit echt helemaal is opgehelderd. Een dubbelagent die veel vragen oproept over voorkennis van de Amerikanen en waarom de Indiërs niet zijn gewaarschuwd. Komt een aanslag ons beter uit dan een kritische beschouwing van het inlichtingen en opsporingsapparaat? Dit laatste brengt ons weer bij Spanje en de transnationale terreurnetwerken. Met twee landen heb je al een transnationaal netwerk, maar wat voegt het toe aan het dreigingsbeeld. En wat zeggen arrestaties over dat beeld? Een stel immigranten worden gearresteerd. In Nederland ook regelmatig omdat een landgenoot of een autochtone Nederlander Meld Misdaad Anoniem heeft gebeld met een terreuralarm. De Spaanse Hoge Raad oordeelde dat de gearresteerde verdachten weinig motivatie hadden voor het plegen van een aanslag. Waren zij erin geluisd en droegen ze het brandmerk van de terrorist en was er geen weg meer terug naar een veroordeling? Of was er echt een transnationaal netwerk van ongemotiveerde terroristen? Dreigen is zo gebeurd, de dienst zal er niet snel voor worden vervolgd, veel andere Nederlanders wel. Dat geeft te denken.

2009 Nederland en haar strijdgebieden in de derde wereldoorlog

DTN-16 / 6 april 2009

Onder Erik Akerboom die op 1 april 2009 als nieuwe NCTb aantreedt, wordt er een vast omlijnde structuur van het dreigingsbeeld vastgelegd. Eerst een samenvatting, dan internationale dreiging, gevolgd door Europa, Nederland, polarisatie en weerstand. De koppen verschillen soms maar de vorm van het driemaandelijkse inlichtingenverslag is er. De eerste van zijn hand verschijnt op 6 april 2009. DTN-16 haakt aan op het Afghaans/Pakistaanse grensgebied waar groepen als de “kern al Qa’ida en de Islamic Jihad Union (IJU), de capaciteit en de wil hebben om westerse belangen aldaar en in Europa te treffen.” Kern al-Qaida slaat eigenlijk altijd op het duo Bin Laden en al Zawahiri, andere groepen als AQIM worden vaak geportretteerd als franchise ondernemingen van de ‘kern’. Er wordt een idee geschapen van een wijdvertakte multinationale organisatie, de internationale jihad, rond de ‘kern’. Coördinator Akerboom voegt aan de vertakkingen een nieuw land toe. “In Somalië zoekt de jihadistische groepering Al Shabaab aansluiting bij de
internationale jihad,“ schrijft de NCTb in 2009 terwijl de banden met al-Qaida al veel langer bestaan. Bij ‘netwerken in Europa’ komt het kern duo van al-Qaida opnieuw terug. Zij zouden hebben opgeroepen tot “wraakacties tegen het Verenigd Koninkrijk” tijdens de Israëlische bombardementen op Gaza begin 2009. Enige context van die oproep is niet te vinden in het DTN, wat het betekent voor de dreiging van Nederland evenmin.

DTN-17 / 19 juni 2009

In DTN-17 wordt opnieuw een franchise aan al-Qaida toegevoegd, Jemen. Eigenlijk is het onduidelijk waarom de coördinator Jemen in juni 2009 toevoegde, de aanslag op de Amerikaanse ambassade in Sana’a vond plaats op 17 september 2008 en de eerste schermutselingen vonden in de periode voor 2002 plaats, voor het bestaan van het DTN. De verschillende oorden aaneengeregen in de vorm van jihadistische strijdgebieden, zijn verworden tot battlefield locaties, onderdeel van de totale oorlog tegen terreur waar Nederland aan deelneemt. In de eerste vijf jaar van de NCTb, maar ook de vijf jaar die volgen, wordt geen aandacht besteed aan de achtergrond van de conflicten in de respectievelijke ‘jihadistische strijdgebieden’. Ze zijn ontmenselijkt als terrorisme haarden en voedingsbodems voor rekrutering. Soms staat er één zin in het dreigingsbeeld dat probeert te duiden waar de woede vandaan komt, maar meestal niets. In DTN-17 gaat het natuurlijk over de rekrutering in de Swat-vallei, de tribale gebieden bij de Pakistaans-Afghaanse grens, en over de kern van al-Qaida die onder druk wordt gezet. Dat die drone oorlog ook een keerzijde heeft lijkt enigszins te worden erkend: “De woede groeit mede omdat de aanvallen met onbemande vliegtuigen deels vanaf Pakistaans grondgebied zouden worden uitgevoerd,” maar vervolgens wordt er door gezapt naar “ontwikkelingen in de andere jihadistische strijdgebieden.” Van de terugkeerders “kan een grote dreiging uitgaan,” schrijft de coördinator. Bij de duiding kunnen zij aangestuurd worden, hebben ze een “jihadistische intentie” en hebben ze “terroristische vaardigheden opgebouwd”. Wat dit bijdraagt aan een beter begrip van de dreiging in Nederland is onduidelijk. De oorlog klotst al over onze schoenen zou je bijna denken, “intentie en vaardigheden”, het wachten is op de klap.

DTN-18 / 11 september 2009

“De dood van Mehsud in augustus 2009 bij een beschieting met een onbemand vliegtuig
is voor zowel de Pakistaanse als de Amerikaanse regering dan ook een belangrijke overwinning,” staat in DTN-18. De coördinator had tot dat moment geen aandacht besteed aan dhr. Baitullah Mehsud die blijkbaar zonder vorm van proces standrechtelijk geëxecuteerd mag worden van de Nederlandse regering. De Engelse krant The Guardian schrijft op 5 augustus 2009 dat zijn vrouw ook is gedood, net als zijn dokter en diens vrouw volgens The bureau of investigative journalism. Zijn vier kinderen raakten gewond bij de aanslag door de Amerikanen. Het DTN gaat gemoedelijk verder, de andere strijdtonelen passeren de revue. “Verder zijn er indicaties dat jihadisten vanuit Somalië aanslagen beramen op westerse doelen in Kenia en Ethiopië,” schrijft de NCTb, welke zijn onduidelijk, enige duiding ontbreekt opnieuw. Al-Shabaab, de Somalische organisatie, zou “ideologische aansluiting zoeken bij de internationale jihad”, en de derde wereldoorlog breidt zich verder uit. AQIM wordt ook opnieuw opgevoerd. Die breidt zijn actieradius ook uit. “Deze groepering is vooral actief in Algerije en ontplooit daarnaast activiteiten in het grensgebied van Algerije, Mauritanië, Mali en Niger,” licht de coördinator toe. Hoewel er in februari en december 2008 en in januari 2009 in totaal acht westerlingen werden ontvoerd in Tunesië en Niger, is dit de eerste keer dat het NCTb waarschuwt voor ontvoeringen in Noord-Afrika. Waarom de dreiging niet eerder is opgenomen in het DTN is onduidelijk, helemaal omdat na januari 2009 er vooral gewapende confrontaties plaatsvonden tussen AQIM en het Algerijnse leger. Bijna de gehele moslimwereld is ondertussen verworden tot battle zone volgens politieman Akerboom: “Ook in andere delen van de wereld waar de jihad zich kan manifesteren, blijft een dreiging van ontvoering van westerlingen, en daarmee ook Nederlanders, bestaan.” Ook in Europa zijn we niet veilig: “De trend dat internationale jihadistische groeperingen Europees grondgebied nog steeds zien als een doelwit, handhaaft zich.” Het loopt allemaal met een sisser af: “Hoewel concrete aanslagplannen niet onderkend zijn.”

DTN-19 / 15 december 2009

We leven ondertussen na vijf jaar DTN in een totaal oorlogsveld, “ook in andere delen van de wereld waar de jihad zich kan manifesteren, blijft een dreiging van ontvoering van westerlingen, bestaan,” maar toch verlaagt de coördinator het dreigingsniveau naar beperkt eind 2009. Akerboom zal tijdens de rest van zijn termijn als coördinator het niveau niet meer verhogen. Wat is er gebeurd? Zijn er internationale veranderingen? De coördinator beweert in deze DTN plotseling dat de kern van al-Qaida, u weet wel het duo Bin Laden en Al Zawahiri, onder druk staat. Ook zijn ‘wij,’ de westerlingen, in het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan aan de winnende hand. Enige achtergrond over deze gebieden is ons onthouden, het zijn jihadistische strijdgebieden, punt. Toch is de oorlog niet voorbij, gelukkig voor de coördinator: “Ondanks de toegenomen militaire druk slagen de Pakistaanse Taliban er echter nog steeds in om in hoog tempo aanslagen in het land uit te voeren.” En niet alleen daar is het onveilig ook in Afghanistan “winnen de Afghaanse Taliban
aan kracht.” En “elke vorm van triomf van de Taliban is een overwinning voor het jihadistische terrorisme.” De kern van al-Qaida is aan de andere kan ook weer niet vleugellam. Ze maken allerlei “geluids- en videoboodschappen gericht aan Europa” en volgens de NCTb gaat de dreiging uit van “al Qa’ida gerelateerde groeperingen.” Opnieuw zijn de rekruten “het grootste veiligheidsrisico” opnieuw uit het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan, waar ‘wij’ aan de winnende hand zouden zijn.

Om te onderstrepen dat we eigenlijk constant door het oog van de naald kruipen, somt de coördinator drie incidenten op. De eerste gaat over een kernaanval: “Zo zijn er aanwijzingen dat ‘Al Qa’ida in de Islamitische Maghreb’ (AQIM) een inmiddels aangehouden Frans-Algerijnse kernfysicus heeft aangespoord om een aanslag te plegen op Franse bodem,” stelt DTN-19. Het gaat om Adlène Hicheur, een succesvol wetenschapper verbonden aan het Frans-Zwitserse CERN. Zeshonderd wetenschappers riepen in januari 2012 op voor zijn vrijlating. Tijdens een periode dat hij ziek was en onder de morfine zat, communiceerde hij per email met Phenixshadow, het pseudoniem van Mustapha Debchi volgens de Franse inlichtingendiensten. Vraagtekens bij deze claim van de DCRI, de Franse geheime dienst, zijn op zijn plaats. In de vuile oorlog in Algerije wordt een mistig spel gespeeld door inlichtingendiensten zoals Lounis Aggoun en Jean-Baptiste Rivoire in Françalgerie: Crimes et Mensoges d’etats en Mohammed Samraoui in Chronique des Annees de Sang duidelijk aantonen. De volgende casus van Akerboom maakt dit evenzeer duidelijk. De Deense inlichtingen- en veiligheidsdienst (Politiets Efterretningstjeneste, de PET) en de Amerikaanse Federal Bureau of Investigation (FBI) hebben naar eigen zeggen met de aanhoudingen van twee individuen in de Verenigde Staten (VS) het risico van een aanslag in Denemarken gereduceerd,” schrijft hij. Het gaat om David Coleman Headley en Tahawwur Hussain Rana. Rana, een voormalig dokter en zakenman, die Headley de mogelijkheid had geboden om naar Denemarken af te reizen als werknemer van Rana’s Far North Side immigration bedrijf. Headley had het idee om een aanslag te plegen op de kantoren van de krant de Jyllands-Posten. Of Rana in de val is gelokt door Headley blijft onduidelijk, punt is dat veel zogenoemde terrorisme comploten door de FBI zelf in elkaar zijn gezet in de Verenigde Staten (The Terror Factory: Inside the FBI’s Manufactured War on Terrorism) David Headley was een DEA dubbelspion, speelde een dubieuze rol in de Mumbai aanslagen waar 164 mensen het leven verloren en was vooral op de vlucht voor de Indiase politie. En dan de ‘lone wolf’ ( een verhullend concept zie: ‘Breivik’s misdaad staat niet op zichzelf’, Buro Jansen & Janssen) die op 12 oktober 2009 een aanslag zou hebben willen plegen op een militaire kazerne. Hij werd geportretteerd als fanaticus, maar aan de andere kant stelt een journalist van Cronaca Qui dat Mohamed Game was komen klagen bij de krant over de slechte omstandigheden waaronder hij leefde. Wat er precies is gebeurd, zal misschien over jaren pas duidelijk worden als overheidsdocumenten openbaar worden gemaakt.

Context is het woord dat als een rode draad ontbreekt in de dreigingsbeelden. Uitgangspunt van de DTN’s kan zijn het afschilderen van de wereld als een groot inferno van Dante. Dat is betrekkelijk eenvoudig. Je zet wat aanslagen op een rij en stelt dat de kern van al-Qaida een Youtube filmpje heeft gemaakt waarbij ze Nederland op een wereldbol aanwijzen. Dit roept echter allerlei vragen op. Wie zijn die mensen van de kern, hoe echt is het filmpje, wie hebben het bekeken en hoe serieus nemen die de heren Bin Laden en Al Zawahiri. Daarnaast is er ook een andere context. Wat is er aan de hand in het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan. Welke rol speelt de Pakistaanse geheime dienst? In het geval van Mumbai moet daar nog aan toegevoegd worden welke rol Amerikaanse diensten en hun spionnen spelen. En met die spionnen komen we bij een arrestatie die een aanslag zou hebben voorkomen, maar hebben die diensten niet door een dubbelspion zelf angst en terreur gezaaid? Door de wereld plat te maken, tweedimensionaal, ontstaat er een wereld van zwart-wit. Goed en kwaad. Monsters en elfen en doet het er niet meer toe wat er in Jemen, Somalië of elders is gebeurd, gebeurt of gaat gebeuren. Natuurlijk is dreiging gekoppeld aan een industrie en overheidsfinanciering, maar wie dreiging zaait zal terreur oogsten, want veelal onschuldige mensen komen in de knel in een oorlog, ook een oorlog tegen terreur.

2010 oorlogsmennerij en dreigingspropanda van een dienst

DTN-20 / 7 april 2010

Het jaar 2010 opent op een geweldige manier voor de NCTb, meer dreiging kun je je niet wensen. Gelukkig wordt in DTN-20 (7 april 2010) alles op een hoop gegooid zodat we toch nog een overzichtelijke jihadistische oorlog hebben en blijft de dreiging op miraculeuze wijze beperkt. De Internationale context wordt volgens de coördinator gekenmerkt door een “veelvormigheid van de internationale terroristische dreiging”. Volgens Akerboom betekent dit dat “in een context van diverse regionale conflicten en internationale brandhaarden de
wereld te maken kreeg met verschillende terroristische acties, waarbij de uitvoerders
qua achtergrond verschilden.” “Veelvormigheid” en “verschillende achtergronden”, maar gelukkig allemaal vanuit dezelfde hoek, namelijk kern van al-Qaida, dat in 2009 nog in het nauw zat maar zich razendsnel als een veelkoppig monster heeft ontwikkeld. Het draait wel allemaal om al-Qaida hoewel de “kern van al Qa’ida” verzwakt is, maar toch in staat is om aanslagen over de hele wereld te plegen. Dit zou tot uitdrukking komen door “een Amerikaanse legerpsychiater die dertien militairen op de basis Fort Hood, Texas, doodde”, de “mislukte aanslag op de Deense tekenaar van de omstreden spotprenten in Aarhus, Denemarken”, “de verijdelde aanslag tegen de vlucht naar Detroit” en een mislukte aanslag in Saoedi-Arabië waar niets over wordt gemeld. De man in Aarhus, Mohamed Geele drong het huis in van cartoonist Kurt Westergaard met een bijl en een mes. De man zou ook contacten hebben met al-Shabaab en verschillende keren naar de hoorn van Afrika zijn afgereisd. Nicholas Kamwende, hoofd van de Kenya’s antiterrorisme politie vertelde de New York Times dat hij informatie heeft gedeeld met de Deense ambassade, zoals over mogelijke connecties van Geele met plannen voor een aanslag. Dhr. Geele kwam als migrant naar Denemarken in 1995, trouwde en kreeg drie kinderen. Zijn ex-vrouw vertelde de Jyllands-Posten, de krant waar de Mohammed-cartoons van Westergaarde werden gepubliceerd, dat de PET, de Deense inlichtingendienst, zou hebben geprobeerd Mr. Geele te rekruteren in 2006. Het blijft onduidelijk welke rol de PET heeft gespeeld en of er fouten zijn gemaakt bij de surveillance van Geele. Zijn verhaal heeft veel weg van dat van Mohammed Bouyeri, hij is waarschijnlijk ook benaderd. Was hij informant van de AIVD? En dan de schietpartij op 5 november 2009 op de militaire basis Fort Hood. Majoor Nidal Malik Hasan schoot dertien militairen neer op een Amerikaanse basis. Het verhaal is te complex voor de NCTb, dus wordt alleen de aanslag vermeld want Nidal Hasan was misschien gelovig, maar leek het Amerikaanse leger niet te haten. Hij steunde militairen die terugkeerden uit Irak en Afghanistan. Hij stond op de nominatie om te worden uitgezonden, maar wilde dat niet, hij kende de gruwelijkheden van de oorlog maar al te goed. Hij postte op Scribd verhalen over zelfmoordaanslagen onder de naam Nidal Hasan, maar de FBI die kennis had genomen van de berichten lijkt niet tot actie zijn over gegaan. Dit laatste geldt ook voor Umar Farouk Abdulmutallab die op vlucht 253 van Northwest Airlines van Lagos via Amsterdam naar Detroit zijn vieze onderbroek tot ontploffing probeerde te brengen. Ook bij Abdulmutallab zijn er vele vragen te stellen waaronder die over zijn blijkbaar niet opgemerkte reisbewegingen, zijn vader, een Nigeriaanse bankier en voormalig regeringsfunctionaris, die de Amerikaanse ambassade in Abuja (Nigeria) waarschuwde voor zijn zoon die naar Jemen zou zijn vertrokken en de radicale islam aanhing, het niet intrekken van het visum van de man en het feit dat hij met zijn vieze onderbroek door diverse veiligheidscontroles, ook in Amsterdam, was gekomen. Akerboom beschuldigd in DTN-20 AQAS (“Al Qa’ida op het Arabische Schiereiland “) van “overtrokken propaganda-uitingen”, maar laat zelf geen gelegenheid onbenut om aan te geven hoe gevaarlijk ze zijn, zonder een serieuze duiding van het incident te geven, aan te geven wat de omvang en slagkracht van de groep is of achtergronden van het conflict dat al jaren speelt in Jemen te vermelden. De oorlog blijft voortduren, heerlijk simpel. De terugkerende conclusie van het Nederlands internationale profiel is dat van een “jihadistische perceptie van het islamdebat in Nederland, evenals de rol van Nederland als medestander van de VS en Israël.” Misschien is dat profiel wel een correcte omschrijving en zit daar een vraag in voor de coördinator?

DTN-21 / 18 juni 2010

DTN-21 (18 juni 2010) staat in het teken van de propaganda, daartoe worden verschillende woordvoerders en ideologen van de jihadistische strijd opgevoerd. Deze worden in de spotlight gezet omdat opnieuw de slagkracht van de “kern al Qa’ida onder druk staat.” De standrechtelijke executies door onbemande vliegtuigen zouden de druk op al-Qaida opvoeren. Aan de andere kant lijkt het heel goed te gaan met de multinationale onderneming Jihad Ltd. “Omdat de slagkracht van diverse aan kern al Qa’ida gelieerde franchises elders in de wereld blijft bestaan, en kern al Qa’ida zich in naam kan verbinden aan aanslagen die worden gepleegd door haar ‘filialen’, blijft van het totaalpakket (inspirator, instigator, uitvoerder) toch nadrukkelijk een internationale dreiging bestaan voor het Westen,” schrijft de coördinator. Vandaar de aandacht voor de inspiratie, lees branding. Akerboom schrijft dat de communicatie afdeling van de “kern al Qa’ida” gewijzigd is van oproepen tot “spectaculaire aanslagen” naar “zogeheten lonewolf-aanvallen”. De coördinator verbindt dit aan de verminderde slagkracht van de “kern”, “dit kan indiceren dat er voor zulke complexe aanslagen thans onvoldoende potentie is.” Aan de andere kant wijst de dienst naar allerlei transnationale complotten, niet echt lone-wolf aanvallen, die voorheen vanuit Afghanistan en nu uit Pakistan worden ‘geïnitieerd’. De coördinator verwijst naar een “complot om de Zweedse cartoontekenaar Lars Vilks te vermoorden (zie DTN20), ), is hiervan een goed voorbeeld”. Voor de poging tot brandstichting bij het huis van cartoonist Vilks in mei 2010 zijn twee broers, Kosovaarse Zweden, aangehouden en veroordeeld. Ook een lezing van Vilks werd verstoord en de politie moest ingrijpen, maar van een transnationale jihadistische link was geen sprake. In DTN-20 ging het trouwens niet over een Zweedse cartoonist, maar om een Deense. De ophef over een cartoon van Vilks, net als andere cartoons ging het internet over en er waren bedreigingen, maar in het onderzoek naar de twee broers kwam een link naar een al-Qaida filiaal niet terug. Propaganda komt niet alleen van de “kern al Qa’ida,” maar ook van de coördinator zelf. Akerboom toont zich als ex-politieman tevreden met “meer liquidaties van terroristen die zich in het westen van Pakistan schuilhouden.” En terwijl in Pakistan er wordt gebombardeerd lijkt dat niet van invloed op de dreiging op Time Square in hartje New York waar de Pakistaanse Amerikaan Faisal Shahzad zijn Nissan Pathfinder met draaiende motor en alarmlichten verkeerd parkeert om de auto met vooral kunstmest tot ontploffing te brengen. De coördinator is maar wat blij met deze terugkeerder want dit zou aantonen dat die trainingskampen levensgevaarlijk zijn. “De terroristische dreiging vanuit Pakistan komt deels van westerse jihadisten die in trainingskampen in Pakistan zijn getraind en vervolgens terugkeren naar het Westen,” stelt DTN-21. Opnieuw zijn er echter veel vragen bij de mislukte aanslag van Faisal Shahzad. Zelfs bij rechts Amerika leven er vele vragen. Zo formuleert Judith Miller van Fox News tien vragen over het werk van de FBI en de CIA, welke training de man dan zou hebben gehad met zo veel gestuntel, maar zelfs “when, where, why, and how was Faisal Shahzad radicalized? How did a happy-go-lucky Facebook guy, married with two kids and apparently doing OK in America, go from watching “Everyone Loves Raymond” – listed as one of his favorite TV shows – to Peshawar for terrorist training and back to Times Square to kill his fellow Americans?” Zij had een elfde vraag kunnen toevoegen aan de lijst, een vraag die verschillende senatoren stelden, namelijk waarom Tehrik-e-Taliban (TTP) niet als buitenlandse terroristische organisatie was aangemerkt door de Amerikanen. Het dreigingsbeeld is vooral een gruwelverhaal. Alles is mogelijk overal in de wereld en begrijpen willen we het vooral niet. Zo kabelt de dreigingsrivier verder, een verdere uitbreiding van de battleground. Naast de Hoorn van Afrika, het Arabisch Schiereiland en de regio Niger/Mali maakt de NCTb zich op voor een zeeslag met de “jihadistische maritieme slagkracht”. Vervolgens speculeert de coördinator samen met niet nader genoemde “veiligheidsdiensten” er een alinea lang op los wat allemaal mogelijk is, hoewel “er amper aanwijzingen zijn dat de intentie leidt tot daadwerkelijke activiteiten op dit gebied.” “Echter, individuele aanslagen tegen schepen … worden voor mogelijk gehouden. Piraten zouden … activiteiten voor al Shabaab kunnen ontplooien. Een mogelijke samenwerking zal … ingegeven zijn vanuit zakelijke in plaats van ideologische motieven.” De NCTb ziet patronen en veelvormige gevaren opdoemen omdat het een illustratie is van “het sluiten van zakelijke allianties met niet ideologisch gemotiveerde gewelddadige groepen of criminelen.” Volgens Akerboom is “dit ‘huurlingenconcept’ ook bekend van onder andere Al Qa’ida in de Islamitische Maghreb (AQIM) inzake een deal met Toearegs in Mali en Niger,” wat hij beschreven zou hebben in DTN-20, maar niet in de hier beschreven versie van DTN-20 is te vinden.

DTN-22 / 13 september 2010

DTN-22 (13 september 2010) borduurt voort op de uitbreiding van de fronten in de totale oorlog tegen terreur waar Nederland aan meedoet. “Het gist steeds meer in een breed scala aan landen, waardoor het dreigingsbeeld diffuser is geworden,” merkt de coördinator prozaïsch op. “De bewegingsvrijheid en slagkracht van kern al Qa’ida staan al langere tijd onder druk,” merkt Akerboom op alsof hij zelf aan het front staat. “Zo werd op 21 mei 2010 opnieuw een belangrijke operationele leider van kern al Qa’ida gedood” schrijft de dienst. De geëxecuteerde operationele leider van al-Qaida zal niet Fatima zijn of Nisar of hun moeder, evenmin Naeem en zijn moeder. Drie of vier kinderen werden ook vermoord door de “zogeheten «drones», onbemande vliegtuigen,” maar dat is niet te vinden in het DTN. En hoewel de ‘kern’ verzwakt is, gaat de verspreiding van de “jihadistische ideologie via het internet onverminderd voort.” Plotseling wordt er aandacht besteed aan de Youtube boodschap van de Amerikaan Adam Yahya Gadahn die zich richt tot president Obama. Waarom de coördinator nu aandacht besteedt aan een bericht van Gadahn is onduidelijk, want de Amerikaan is al sinds 2004 een al-Qaida media ster en zijn oproep rond de schietpartij op Fort Hood in maart 2010 (zie DTN-20) is veel directer. Volgens Akerboom hebben de “voorbije jaren aangetoond dat sommige personen zowel in landen met een overwegend islamitische bevolking als in seculiere westerse landen zich laten inspireren door de jihadistische propaganda,” De voorbeelden van de afgelopen jaren zijn echter veel complexer dan een één op één relatie tussen een video boodschap en een aanslag. De aanslag op een politiebureau in Bogojno in Bosnië-Herzegovina laat dat ook zien. Het NCTb schrijft: “De dader was een extremist die toegaf deel uit te maken van een grotere groep,” staat in DTN-22 en wordt vervolgd met een mogelijke relatie met oude netwerken en de jarenlange rust in het land. De dader blijkt niet een extremist te zijn, maar een lokale crimineel die de aanslag zou hebben uitgevoerd in opdracht van een radicale moslim groep. Het lijkt allemaal simpel voor de dienst, jihad in de Europese achtertuin. Probleem is dat het nooit simpel is, ook niet op de Balkan. De publicatie ‘Assessing the potential for renewed ethnic violence in Bosnia and Herzegovina’ geeft dit fijntjes aan en wijst op de grote hoeveelheden wapens en explosieven die overal in Bosnië-Herzegovina liggen, de etnische spanningen tussen Serven en Bosniërs, de haat van jongeren tegen de corrupte regering en overheidsdiensten en de waardering die de dader van de aanslag van veel jongeren krijgt. Het is eenvoudig de jihadisten de schuld te geven van alles, maar dat levert slechts een spookbeeld op, geen dreigingsbeeld. Zo ook de aanslagen op twee doelen in Kampala, Oeganda. Al snel werd al-Shabaab, de inofficiële franchise van al-Qaida in Somalië aangewezen en deze gaf ook graag toe, maar allerlei ongerijmdheden blijven ook hier onaangeroerd. Eén ervan is de vraag waarom er een aanslag werd gepleegd op the Rugby Club, een plaats waar veel critici van generaal Museveni, de leider van het land, samenkwamen. En die vraagtekens kunnen ook worden gezet bij de halleluja stemming over de arrestaties in bijvoorbeeld Marokko. “In Marokko werd eind april een cel van een transnationale groep van 24 personen gearresteerd op verdenking van rekrutering en het voorbereiden van aanslagen. Een band met al Qa’ida wordt vermoed,” schrijft de coördinator. Waarom het NCTb geen melding maakt van verdwijningen, martelingen en valse beschuldigingen die worden gemeld door mensenrechtenorganisaties en de Verenigde Naties blijft onduidelijk. En tot slot de arrestaties van drie mannen met betrekking tot een mogelijke terroristische aanslag in Noorwegen. Omdat de arrestanten een Oeigoer, Oezbeek en een Iraakse Koerd zijn, zou er volgens de NCTb sprake zijn van een “transnationale jihadistische netwerk”, Noorwegen zou op het “jihadistische netvlies” zijn verschenen door de cartooncrisis en al in 2006 door al-Qaida zijn bedreigd. De Oezbeek nam zelf contact op nadat hij had vernomen gebrandmerkt te zijn als al-Qaida operative. Zie daar de lange arm van de terreur club die wil toeslaan. De mannen zeiden onschuldig te zijn, ze hadden wel waterstofperoxide, aceton en handleidingen verzameld, maar verschilden van mening over het doel van hun mogelijke aanslag. De drie ontkenden enige betrokkenheid bij al-Qaida of een trainingskamp in Pakistan te hebben bezocht. Nog voor het proces was begonnen waren zij door overheid en media bestempeld als een transnationale jihadistische cel.

DTN-23 / 17 december 2010

DTN-23 (17 december 2010) oordeelt dat Nederland een “hoog internationaal profiel” heeft “vanwege de vermeende discriminatie van moslims en gepercipieerde belastering van de islam en de profeet Mohammed” Er zijn twee zaken die opvallen in de opening van deze DTN. Met “vermeende discriminatie van moslims” impliceert de NCTb dat de dienst van mening is dat er geen discriminatie van moslims in Nederland plaatsvindt, ditzelfde geldt voor de “belastering van de islam” Daarnaast geeft de verwijzing naar het webmagazine ‘Inspire’ aan dat de dienst ervan uitgaat dat de propaganda van al-Qaida effectief is, per slot van rekening wordt al jaren in de DTN’s verwezen naar video- en audioboodschappen. Het is onduidelijk op basis waarvan de dienst tot deze conclusie is gekomen. Een gelimiteerd onderzoek van een Amerikaanse student aan The University of Texas komt in 2013 tot de conclusie dat de veronderstelling dat al-Qaida mensen rekruteert via online propaganda is “not based in reality and is not a threat warranting the discussion it receives” (Analyzing the effectiveness of al Qaeda’s online influence operations by means of propaganda theory). De NCTb is zelf ook onzeker over de berichten, maar schrijft dat sommige “berichten, die veelal waren gebaseerd op onbevestigde informatie, het beeld van een algemene, acute dreiging” kunnen creëren. Wie analyseert echter de dreiging, je zou toch verwachten dat de dienst dat doet, maar die lijkt zich te distantiëren door te stellen dat er “verwarrende berichten over terroristische dreiging” worden geschapen, die dienst doet daar met veel enthousiasme aan mee. Vraag blijft natuurlijk waarom keer op keer een verwijzing naar online activiteiten wordt gedaan in DTN’s. Daarnaast schrijft de coördinator dat mensen “de intentie hebben westerse doelen te treffen, maar dat zij dit voornemen ook ten uitvoer willen brengen.” Akerboom duidt op verschillende gebeurtenissen. Ten eerste twee bompakketten die met UPS en FedEx vanuit Jemen werden verzonden en werden onderschept. De beoogde doelwitten bleken niet meer in gebruik bij joodse instellingen. De Saoedische geheime dienst had de Amerikaanse gewaarschuwd over de bompaketten. De bommen zouden worden verstuurd vanuit Jemen waar natuurlijk een franchise van al-Qaida gevestigd is. Dat in de oorlog tegen terreur de Amerikanen, onze ‘bondgenoten’, Jemen op grote schaal bestoken met Hellfire raketten wordt door de coördinator niet benoemd. Ten tweede beschrijft de NCTb twee ‘mislukte’ aanslagen in Stockholm en Kopenhagen. Bij de aanslag op 11 december 2010 in een winkelstraat kwam de dader, de Iraakse Zweed Taimour Abdulwahab al-Abdaly, om het leven. Of de autoriteiten voorkennis hadden van de aanslag blijft onduidelijk, maar er zijn verschillende ongerijmdheden. Eén ervan is een bericht van een medewerker van het Zweedse leger aan een bekende enkele uren voor de aanslag die door het Zweedse persbureau TT gepubliceerd werd: “If you can, avoid Drottinggatan today. A lot could happen there … just so you know.” De Zweedse geheime dienst Sapo probeerde de berichtgeving van TT in diskrediet te brengen. Bij een andere mislukte aanslag op 10 september 2010, waarbij de dader, Lors Doukaev, zichzelf in een hotelkamer verwondde, lijken de geheime diensten en/of niet met elkaar, en/of niet met de politie gecommuniceerd te hebben, en/of de verdachte om onduidelijke redenen niet meer hebben geobserveerd en/of andere steken hebben laten vallen. De Belgische krant schrijft dat de Belgische diensten in januari 2010 zijn gewaarschuwd dat Doukaev aanwezig was geweest bij een reünie van radicale moslims in oktober 2009. Vervolgens heeft men geprobeerd Doukaev te vinden in zijn woonplaats Liège, maar toen hij daar niet was, hebben de diensten om onduidelijke redenen zijn zaak laten vallen. In tegenstelling tot de berichtgeving over de schermutselingen in de oorlog tegen terreur is de coördinator zeer nuchter als het over veertien bompakketten die door Griekse anarchisten aan “de regeringsleiders van Frankrijk,
Duitsland en Italië, aan diverse ambassades in Athene en aan enkele internationale organisaties” zijn gestuurd. De actie moet “in de nationale Griekse politieke context worden bezien” terwijl ook naar de Nederlandse ambassade een pakket zou zijn gestuurd dat niet is aangekomen. Tot slot passeren alle fronten van de totale oorlog de revue en is er enige teleurstelling over het gebrek aan media boodschappen door het duo Bin Laden en Al Zawahiri en arrestaties in diverse Europese landen. Daarover meer in DTN-24.

Regelmatig worden er mensen aangehouden en soms ook veroordeeld omdat zij haat zouden zaaien, ook wel opruiing genoemd. Het is iets anders dan bedreiging, hoewel er wel een element van bedreiging in zit. In sommige landen kunnen mensen worden vervolgd voor het verheerlijken van terrorisme, enigszins verschillend van opruiing omdat het niet per se aanzet tot haat, eerder gaat het om het juichen om een aanslag, na de daad dus. Verheerlijken van terrorisme is in letterlijke zin enthousiasme tonen voor aanslagen op onschuldige burgers. Nu lijkt de coördinator daar ook een handje van te hebben. Regelmatig komt het voor dat hij zich enthousiast toont over de standrechtelijke executie van mensen zonder vorm van eerlijk proces. Amerikanen bombarderen iemand en de coördinator staat er juichend bij. Natuurlijk zou het betoog kunnen zijn dat deze mensen gruweldaden hebben gepleegd en dat het moeilijk is ze te arresteren, hun executie is noodzakelijk om slachtoffers in de toekomst te voorkomen. Als die persoon dan alleen geëxecuteerd zou worden, is voor te stellen dat dat argument nog enige legitimiteit heeft, al is dat al twijfelachtig. Probleem is echter dat de persoon nooit alleen wordt vermoord door een Hellfire raket. Vaak zijn vrouwen, kinderen en derden ook het slachtoffer. Past dan enthousiasme voor een standrechtelijke executie? Nee dat zou verheerlijking van geweld tegen burgers zijn. Waarom doet de coördinator dat dan? De dienst stelt dat de ‘tegenstander’, lees de ‘jihadisten’ veel propaganda voeren op het internet, en dat die propaganda zou leiden tot aanslagen. Wat doet de coördinator echter zelf in zijn DTN’s? Propaganda voor geweld tegen onschuldige burgers, aanzetten van geweld tegen bevolkingsgroepen elders? Of is dat onderdeel van de strijd? Welke propaganda is dan erger? Verheerlijking van standrechtelijke executies of verheerlijking van aanslagen of zijn beide eigenlijk hetzelfde? En is het claimen van een aanslag niet hetzelfde als het toeschrijven van een aanslag aan een fictieve groep zoals bij het Zweedse en het Noorse voorbeeld? Zijn de propagandamiddelen van de dienst met haar DTN’s eigenlijk niet dezelfde propaganda als de Inspire’s van al-Qaida? Voeg enthousiasme over standrechtelijke executies toe aan het ontbreken van context, duiding en achtergrond van zowel conflicten in diverse landen als arrestaties, dan lijkt het handelen en het schrijven van de dienst veel op oorlogsmennerij, het ophitsen, aanjagen van een oorlog. Is dat eigenlijk niet opruiing, haat zaaien. Helemaal nu het al lang en breed bekend is dat drone aanvallen zeer ineffectief zijn. Ja, soms wordt een commandant van al-Qaida of een andere groep gedood, maar het aantal burgerslachtoffers is vele malen groter. De dienst doet aan oorlogspropaganda, hoewel het onze dreiging zou moeten duiden. Van die duiding komt natuurlijk niets als de dienst zelf onderdeel is van die dreiging.

2011 Spelen met bedreigingen, arrestaties en aanslagen

DTN-24 / 18 maart 2011

Dat het niet eenvoudig is elke drie maanden een origineel rijtje bedreigingen op te lepelen om de natie van voldoende spanning te voorzien laat DTN-24 (18 maart 2011) zien. Een deel van de paragraaf ‘Kern DTN24’, niet te verwarren met kern al-Qaida, lijkt gekopieerd van de dreiging uit december 2010. De “vermeende discriminatie”, de “gepercipieerde belastering”, de “intentie van de jihadistische groepen”, “verwarrende soms tegenstrijdige en onheilspellende mediaberichten”, de Griekse bompakketten en een aanslag in het winkelcentrum van Stockholm (zie hierboven). Opvallend is wel dat voor het eerst de coördinator duidelijk aangeeft dat “voor een juist beeld van die dreiging het van belang blijft te onderkennen dat er mondiaal, naast overeenkomsten, belangrijke verschillen bestaan tussen verschillende jihadistische groeperingen” en “dat er ook “tussen landen de dreiging er anders kan uitzien”. Het blijft onduidelijk op wat voor wijze de coördinator gaat bijdragen aan het “onderkennen van overeenkomsten en/of verschillen”. Het opnieuw benoemen van bedreigingen uit het buitenland uit een oude DTN lijkt verder ook niet bij te dragen aan een gebalanceerd beeld van de dreiging. Na een korte passage over de Arabische lente waarbij Hosni Mubarak en Zine el-Abidine Ben Ali respectievelijk van Egypte en Tunesië worden betiteld als president en niet als dictator en er eufemistisch gesproken wordt over “maatschappelijke onvrede met de politieke en sociaaleconomische situatie” in de landen, komt het internationale front in de oorlog tegen terreur weer aan bod. In Irak gaat het over Islamitische Staat in Irak (ISI) en niet over de toenemende zorgen over president Maliki en langzaam ontluikende protesten van achtergestelde soennieten in het land. Natuurlijk komen AQIM, al-Shabaab en AQAS ook even aan bod om vervolgens enkele regels aan een aanslag op het Moskouse vliegveld Domodedovo op 24 januari 2011 te besteden waar 35 mensen om het leven kwamen en 180 gewonden vielen. Er wordt gespeculeerd wie de daders zouden kunnen zijn, maar niet vermeld dat de Russische geheime dienst, de FSB, een week voor een aanslag op het vliegveld waren gewaarschuwd voor een aanslag op Domodedovo. De Engelsen arresteerden in december 2010 twaalf mannen, “uit voorzorg gearresteerd op verdenking van het voorbereiden van een terroristische aanslag.” Een jaar later werden vier mannen veroordeeld voor voorbereidingshandelingen voor een aanslag, vijf voor hand en spandiensten en drie waren al eerder vrijgelaten. De mannen hadden volgehouden dat ze onschuldig waren, maar gezien de hoge straffen bekenden zij schuld. Wat de werkelijke plannen waren blijft onduidelijk, het werd ze aangewreven dat ze het blad Inspire in huis hadden. De Zweedse en Deense politie arresteerden op 29 december 2010 vijf mensen. Zij werden verdacht van het beramen van een aanslag het Deense dagblad Jyllands Posten, in 2012 werden zij veroordeeld. En ook Nederland komt voor in het rijtje samen met België, Duitsland en Oostenrijk. Er worden drie mensen in Amsterdam aangehouden, de inzet was hoog, ze zouden worden verdacht van aanslagen op doelen in België en ondersteuning van de gewapende strijd in “klassieke strijdgebieden”. In eerste instantie werden de drie Nederlanders door de rechtbank in Antwerpen vrijgesproken, maar in hoger beroep werden zij toch veroordeeld. Zij worden dan plots bestempeld als de leiders van het netwerk dat mensen wilde rekruteren en geld inzamelen voor de gewapende strijd in Tsjetsjenië. In Frankrijk werden vijf mensen op 9 november 2010 aangehouden die er van werden verdacht bedreigingen te hebben geuit tegen Dalil Boubakeur, voorganger van de grote moskee in Parijs, en een trainingskamp van radicale moslims te hebben bezocht. Wat er met de arrestanten is gebeurd, is vervolgens onduidelijk. De coördinator vermeldt om onduidelijke redenen niet de aanhouding van elf verdachten in Frankrijk begin oktober 2010 waarbij allerlei wapens in beslag werden genomen. Dit beeld komt vaker voor. Op 1 december 2010 arresteerde de Spaanse politie negen verdachten, allemaal gerelateerd aan terrorisme verdenkingen. Het toverwoord terrorisme wordt vaak gebruikt voor het aanhouden en lang vastzetten van mensen. De koppen in de kranten zijn vet en op de voorpagina. Wat er werkelijk aan de hand is wordt vaak niet duidelijk. De dienst NCTb doet precies hetzelfde, maar dan driemaandelijks, van enige reflectie is geen sprake. In Spanje heeft de krant Infolibre onderzoek gedaan naar de arrestaties op grond van terrorisme sinds 11-M (11 maart 2004) tot begin 2013 in Spanje. Op 9 april 2013 publiceerden zij hun gegevens. Van de 500 arrestanten zijn er 50 veroordeeld, de rest heeft net als de veroordeelden lang, vaak maanden of jaren, in voorarrest gezeten voordat ze werden vrijgelaten in verband met gebrek aan bewijs.

DTN-25 / 17 juni 2011

DTN-25 van 17 juni 2011 kabbelt rustig verder op de wereldwijde strijdgebieden. “Op dit moment zijn Afghanistan/Pakistan, Jemen, Somalië en Noord-Afrika de belangrijkste jihadistische strijdtonelen,” schrijft de dienst alsof dat de afgelopen jaren niet zo was. Het wordt niet duidelijk wat er veranderd is, de stabiliteit is nu in deze DTN vergroot terwijl dat kort geleden was verkleind, het leger moet terrein prijs geven, terwijl we enige tijd geleden door de standrechtelijke executies met drones toch aan de ‘winnende’ hand waren. Jemen, hetzelfde verhaal. AQAS had volgens de coördinator moeten reageren op de onrusten in het land dat zich al jaren in onrustig vaarwater bevindt. “Het is opvallend dat AQAS tot op heden amper formeel heeft gereageerd op de onrust in het land,” schrijft een van Akerboom’s ambtenaren. In Somalië zijn ‘wij’ aan de winnende hand, maar in Noord-Afrika weer aan de verliezende door een aanslag in Marrakesh terwijl het in Marokko toch zo goed ging. Bij de internationale context wordt ook ingegaan op de dood van Osama Bin Laden. “De dood van Osama Bin Laden … is een klap voor kern al Qa’ida,” beschrijft Akerboom de actie van Amerikaanse soldaten. Geen woord over de noodzakelijkheid van waarheidsvinding en rechtsgang. Een klap voor de kern, maar het duo Bin Laden en Al Zawahiri was allang uitgespeeld als we jarenlange sage over de twee mogen geloven. En de coördinator moet dat nu ook toegeven. “Toch is het nog maar de vraag of de dood van Bin Laden de jihadistische beweging ernstig zal verzwakken,” stelt de NCTb. En dan schiet een 21 jarige jongeman, Arid Uka, die afkomstig is uit Kosovo twee Amerikaanse militairen dood en verwondt er twee op de luchthaven van Frankfurt. En de man, die een levenslange gevangenisstraf krijgt, zegt dat hij zich wilde wreken op verkrachting van moslim meisjes in Afghanistan. In de discussie over de aanslag wordt verwezen naar lone-wolves en de propaganda van de jihadi’s maar de propaganda clip waar Uka naar verwijst als zijn reden voor zijn actie, ‘American Soldiers Rape our Sisters! Awake Oh Ummah’ is een clip uit de film Redacted van Brian De Palma, waar de scene een nagespeelde gebeurtenis is van de verkrachting en moord van het 14 jarige meisje Abeer Qasim al-Janabi en drie andere familieleden door Amerikaanse soldaten in Irak. De vijf soldaten zijn veroordeeld in de Verenigde Staten, maar in een wereldoorlog tegen terreur is dat volstrekt onzichtbaar. Ondanks de dreiging van “zogeheten ‘lone wolves’ die een reëel risico blijven vormen”, arrestaties in Noordrijn-Westfalen begin mei 2010 en een Nederlander die omkwam bij de aanslag in Marokko is er volgens Akerboom niets aan de hand, de dreiging blijft beperkt.

DTN-26 / 3 oktober 2011

De obsessie met de jihadi’s duurt voort in DTN -26 (3 oktober 2011). De kern van al-Qaida is volgens deze DTN “de laatste jaren verzwakt”. En opnieuw wordt een ode aan de drone- aanvallen bezongen: “Bij deze aanvallen zijn verschillende kopstukken van de groepering om het leven gekomen.”
En we zijn aan de winnende hand: “Ook de dood van Osama Bin Laden is een serieuze klap voor de groepering.” Geen dreiging zou je zeggen, maar eigenlijk is er niets veranderd. Want “tegenover de verzwakking van kern al Qa’ida (lees het duo) staat dat de dreiging van haar
regionale takken en van solistisch opererende jihadisten zijn toegenomen.” Zie hier de voortdurende oorlog in Jemen met hoofdrolspeler AQAS, andere delen van het Midden-Oosten, Noord-Afrika met hoofdrolspeler AQIM die ook actief is geworden in de westelijke Sahel en de Hoorn van Afrika, met hoofdrolspeler al-Shabaab die nog steeds aan de verliezende hand is. En dan is daar plots een andersoortige aanslag die door de coördinator “niet-jihadistisch terrorisme” wordt genoemd. De zin “deze aanslagen zijn te kenmerken als terroristische daden” geeft aan dat de dienst enigszins in twijfel was geraakt door het andere karakter van deze aanslag en door de vele aandacht voor de kern van al-Qaida en de jihadistische strijdgebieden. Dat een aanslag zoals gepleegd door Anders Breivik heel goed ook in Nederland kan plaatsvinden, had drie maanden eerder de schietpartij in Alphen aan de Rijn aangetoond. De NCTV, sinds 1 juli 2011 de nieuwe naam van de NCTb, is echter vooral bezig met de gebruikelijke jihadi-termen zoals “geradicaliseerde eenlingen”. Gelukkig bevestigt de Noorse veiligheidsdienst dit: “zij gaat er vooralsnog vanuit dat Breivik alleen handelde en classificeert hem als een geradicaliseerde eenling.” De NCTV betitelt deze eenlingen gemakshalve als “gefixeerde dan wel verwarde” mensen, met als gevolg dat elke vorm van waarheidsvinding bij voorbaat al geblinddoekt plaatsvindt. Profiel klaar, oordeel klaar, wachten op de volgende aanslag, we gaan door met het dreigingsspel.

DTN-27 / 12 december 2011

Het dreigingsbeeld van december 2011 laat opnieuw zien hoe weinig interesse de coördinator heeft in basaal rechtstatelijk denken. We zijn in oorlog, een totale oorlog tegen een abstractie terreur, en bij een oorlog horen blijkbaar burgerslachtoffers, en blijkbaar interesseert het de Nederlandse overheid het niet dat burgers worden gedood. Nederland hanteert niet zelf het wapen, maar we maken ook geen bezwaar als de Amerikanen dood en destructie aanrichten elders, zijn dat de ‘westerse waarden’? DTN-27 (12 december 2011) verhaalt opnieuw dat de “kern al Qa’ida” opnieuw is verzwakt, Bin Laden is dood, maar ook een nieuwe ster in de al-Qaida leiding van Attiyah Abd al-Rahman is standrechtelijk geëxecuteerd door een drone. De coördinator is tevreden, de dood van deze man verlicht “het dreigingsbeeld voor het Westen enigszins”. De tweede man van het duo Bin Laden, Al-Zawahiri wordt door de dienst onder druk gezet om eens te laten zien waar al-Qaida nog toe in staat is: “Mede vanwege zijn belofte om de dood van Bin Laden te wreken staat al-Zawahiri onder druk om de operationele slagkracht van kern al Qa’ida te bewijzen.” Ook al-Awlaki, de Jemenitische ideoloog, is doodgeschoten door de Amerikanen met een Hellfire raket en dat zou een stevige dreun zijn voor de propaganda machine van de jihadi’s. Akerboom schrijft echter niet dat ook de zestienjarige zoon van al-Awlaki bij de drone aanval om het leven is gekomen, ook niet dat al-Awlaki in principe verdachte was, dat er misschien een Jemenitische rechtszaak is geweest, maar dat het land niet bekend staat om de eerbiediging van de mensenrechten, dat al-Awlaki zowel Amerikaan als Jemeniet was en dat de Amerikaanse overheid al-Awlaki nog nooit heeft aangeklaagd voor terrorisme. Een andere Amerikaan, Samir Khan, schrijver en uitgever van het blad Inspire werd ook vermoord door de Hellfire raket. Khan is ook nog nooit veroordeeld of aangeklaagd. De coördinator is oprecht enthousiast en denkt dat de overwinning nabij is: “De verwachting is dat beide jihadisten met hun capaciteiten en uitstraling lastig te vervangen zullen zijn.” Aan de andere kant moet Akerboom toegeven dat “al-Awlaki in jihadistische kringen zal blijven voortleven als ‘martelaar’” en als inspiratiebron. De al-Qaida franchise in Jemen lijkt gewoon verder te gaan en hetzelfde geldt voor AQIM in Noord-Afrika en de Islamitische Staat in Irak in het Midden-Oosten. Steeds nadrukkelijk komt ook Libië naar voren in het rijtje jihadistische strijdgebieden al dan niet gerelateerd aan AQIM. De opsporings- en inlichtingendiensten worden opnieuw lof toegezwaaid alsof er aanslagen zijn voorkomen: “In de periode rondom de tiende gedenkdag van ‘9/11’ zijn in diverse Europese landen (Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zweden, Duitsland en Finland) aanhoudingen verricht om jihadistische aanslagen te voorkomen of ondersteuningsactiviteiten te stoppen.” Details onthoudt de coördinator omdat de werkelijkheid altijd iets complexer is dan een terreur-bericht. In Finland ging het om twee Somalische Finnen, mensen die enkele honderden euro’s hadden overgemaakt aan al-Shabaab, een kwam al snel vrij, de andere werd vervolgens beschuldigd van het rekruteren van iemand voor de gewapende strijd, de rechtszaak loopt nog. In Zweden werden vier mensen gearresteerd voor het plegen van een aanslag op een kunsthal en kunstenaar Lars Vilks, zij werden een jaar later vrijgesproken van de beschuldigingen, een was al veel eerder vrijgelaten. In Noorwegen werd een verdachte aangehouden bij terugkomst uit Saoedi-Arabië, het Noorse openbaar ministerie wilde niet aangeven waarvan de verdachte beschuldigd werd. Zijn advocaat zei tegen het dagblad Aftenposten “that he links his client’s arrest to “nerves” tied to the September 11 memorials.” In Berlijn werden op 8 september 2011 twee mannen aangehouden op verdenking van het voorbereiden van een aanslag, de twee werden een maand later vrijgelaten in verband met gebrek aan bewijs. In Birmingham, Engeland, werden zes mensen aangehouden op 27 september 2011 en anderhalf jaar later veroordeeld voor een poging om een aanslag te plegen op een demonstratie van de extreem rechtse English Defence League (EDL). Zie hier een grote diversiteit onder de arrestanten, maar gelukkig maakt de Nederlandse dienst het ons gemakkelijk, alles moeten we zien in het kader van de oorlog tegen terreur. Het jaar wordt afgesloten met een opmerkelijke alinea. De coördinator vermijdt het woord Arabische lente zorgvuldig in 2011 en hetzelfde geldt voor de Occupy beweging in vooral de VS of de Indignados in Spanje. Nu zijn dat buitenparlementaire protestbewegingen, dus die horen niet thuis in een terreur beeld, dus positief dat de coördinator geen directe lijn doortrekt tussen de kern van al-Qaida en protest bewegingen. Niet noemen betekent echter niet dat ze niet het DTN staan. “In andere Europese landen laten gebeurtenissen zien dat een verergerende economische crisis maatschappelijke instabiliteit kan veroorzaken en de kans op ideologisch geïnspireerd geweld kan doen toenemen,” schrijft de dienst met een verwijzing naar onder andere de Indignados, Occupy en andere protest bewegingen tegen het neoliberale beleid als onderdeel van het dreigingsniveau. Protest bewegingen zijn toch onderdeel van terreurdreiging.

Aan spelen met dreiging zitten verschillende facetten. Ten eerste is er het element van de kern van al-Qaida dat de afgelopen jaren centraal stond bij de toe- en afname van de bedreiging van Nederland. De dood van Osama Bin Laden en andere leiders van de groep veranderden daar niets aan. Ten tweede hoort bij het spel ook het claimen van een aanslag. Bij gewoon politiewerk, een moord, een spectaculaire overval, een mediagenieke crime staan er meestal diverse mensen in de rij om zich als dader aan te geven. Het lijkt onwaarschijnlijk maar het is een van de redenen waarom een bekentenis zonder aanvullend bewijs eigenlijk waardeloos is. Zo niet bij terroristische aanslagen, claimen is bekennen is veroordeling, meestal doodstraf die dan door een Hellfire raket wordt uitgevoerd. Dat dit voor de rechtstaat niet echt reclame is, schijnt niet door te dringen tot de dienst die bij elke standrechtelijke executie een gat in de lucht springt. Ten derde hoort bij het dreigingsspel een constante stroom arrestaties. Dit zijn natuurlijk allemaal terroristen, dat maakt het dreigingsbeeld ook eenvoudig. De overheid arresteert een terrorist, het woord verdachte van een strafbaar feit komt niet voor in vocabulaire van de dienst, en klaar is kees. Dat deze verdachten soms maanden zo niet jaren opgesloten zitten zonder vorm van proces lijkt niet interessant, maar als je dreiging serieus zou nemen, dan is dat natuurlijk de manier om haat tegen het zogenoemde ‘vrije westen’ te creëren. Het Spaanse onderzoek waarbij 10% van de arrestanten ook daadwerkelijk veroordeeld is, waarbij nog niet naar de veroordelingen zelf is gekeken, roept veel vragen op. Ten vierde spelen details, specifieke informatie, achtergronden en andere relevante zaken geen rol bij het dreigingsspel van de NCTV, we moeten het toch eenvoudig houden is het devies. Arrestanten zijn terroristen, aanslagen zijn jihadistische aanslagen of lone-wolves die natuurlijk in meerderheid jihadistisch zijn en de oorlog kan voortduren. Het einde van het spel is nooit in zicht, dreigingsspel met alleen maar hindernissen om aan waarheidsvinding te doen.

2012 armpje drukken met al-Qaida

DTN-28 / 26 maart 2012

Naar aanleiding van de aanslagen van Anders Breivik in Noorwegen voegt de coördinator sinds eind 2011 nog een lijstje allerhande bedreigingen op in het DTN. De keuze is nogal arbitrair. Akerboom stelt in DTN-28 (26 maart 2012): “Na de geweldsdaden van Breivik in Noorwegen toonden ook andere Europese incidenten aan dat deze dreiging meer dan theoretisch is.” Wat betekent “meer dan theoretisch”? Dat het plaatsvindt, ja dat hebben de slachtoffers gemerkt. Wat zegt het echter over de zin van een dreigingsanalyse of de zin van een veiligheidsapparaat. Die vraag is niet interessant voor de dienst en dat wordt nog eens duidelijk in de beschrijving van de tragedie van Alphen aan de Rijn. De schietpartij in het winkelcentrum dat past in het plaatje van de lone wolves van de NCTV. “Ook de Nederlandse gewelddadige eenling … Van der Vlis (Alphen aan de Rijn 2011) liet niets na waaruit een helder motief bleek.” Langzaam zal die eenling een bedreigingselement worden, maken de DTN’s voor de toekomst duidelijk. “Woede tegen de samenleving of de staat, een fascinatie voor wapens en psycho-sociale problemen spelen vaak een rol bij dergelijke geweldsdaden van eenlingen. Hoewel het geen extremisme of terrorisme in de traditionele zin van het woord betreft, zijn er belangrijke overeenkomsten qua geweldsvorm, doelwitten en maatschappelijke onrust,” stelt de dienst. Geen woord over het falende veiligheidsapparaat en over weggemoffelde documenten. Hoe kun je dan ooit een goede dreigingsanalyse maken? Hoe kun je überhaupt dreiging analyseren als je eigen functioneren en falen een van de grootste risico’s zijn? Aan de Döner-Morde besteedt de coördinator een zin: “In Duitsland werd bekend dat tien onopgeloste moorden op voornamelijk Turkse allochtonen uit de periode 2000–2006 waren gepleegd door de Nationalsozialistischer Untergrund, een rechts-extremistische groep.” Case closed, maar wie zowel de berichtgeving in 2012 volgde, als het langslepende onderzoek en proces moet tot de conclusie komen dat inlichtingendiensten een belangrijke rol speelden bij de aanslagen en daarmee de continue dreiging in Duitsland voor de Turkse Duitsers. En dan de schietpartij in Luik op 13 december 2011. Volgens de NCTV was het “opnieuw een voorbeeld van een «spreeshooting»,” maar had evenzeer een voorbeeld kunnen zijn van een miskleunend veiligheidsapparaat. Knack schrijft op 15 december 2011: “Nordine Amrani, de dader van de aanslag in Luik, is op 5 oktober 2010 vrijgelaten ondanks negatieve adviezen van parket en gevangenisdirectie. Ze vonden dat hij een gevaar was voor de maatschappij en achtten het risico op herhaling van criminele feiten te groot.” Nu is het makkelijk om de rechtbank als schuldige aan te wijzen, maar tijdens de zitting waren parket en gevangenisdirectie plotseling niet meer negatief over de vrijlating. Ook de relatie tussen de politiek, maatschappelijke spanningen en aanslagen vermijdt de dienst. In Florence schoot ook op 13 december 2011 Gianluca Casseri “een sympathisant van het neo-fascisme vijf Senegalezen neer en doodde daarbij twee van hen,” is de enige zin die de coördinator aan deze gebeurtenis wijdt. Geen opmerking over de politiek van Silvio Berlusconi, Lega Nord, de toegenomen spanning ten aanzien van migranten in Italië en daarmee ook moslims. Ook de zin “opnieuw zond een anarchistische groep, dit keer uit Italië, bombrieven naar doelen in Rome, Frankfurt en Parijs,” vraagt om enige uitleg aangezien het erop lijkt alsof iedereen zomaar een bombrief kan ontvangen uit Italië. Bij de bompakketten uit Griekenland stond nog vermeld dat het een interne zaak was, de Italianen lijken rond 12 december 2011 ad random mensen aan te schrijven, maar het lijkt allemaal met de Griekse crisis samen te hangen. Het laatste Europese incident is een aanslag op het kantoor van het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo. “De aanslag werd niet geclaimd, waardoor niet is vast te stellen of jihadistische motieven een rol speelden,” schrijft de NCTV terwijl het tijdschrift op het punt stond een nummer uit te geven met de profeet Mohammed als hoofdredacteur. Zonder claim is het volgens de coördinator niet vast te stellen of “jihadistische motieven een rol speelden.” Alsof een claim daar honderd procent zekerheid over schept. De NCTV beweert al jaren dat “de slagkracht van kern al Qa’ida is aangetast,” maar besteedt toch steeds ruime aandacht aan ‘onze belangrijkste tegenstanders’. De al-Qaida filialen richten zich volgens de coördinator “op zowel de gewapende als de politieke strijd in delen van Afrika en Azië”. Zo komen de Taliban in Afghanistan, AQAS in Jemen en AQIM in Noord-Afrika ter sprake. Zij zouden in ‘eigen land’ bezig zijn, maar dat lijkt een breed begrip want AQIM ontvoert op 25 november 2011 een Nederlandse toerist, Sjaak Rijke, in Mali. Somalië komt niet echt ter sprake want ook al staat al-Shabaab “onder grote druk”, neemt de terreurdreiging in Kenia toe. Het terroristische waterbed is gelukkig ook in de Hoorn van Afrika geschapen. Zo ook in Egypte waar “een nieuwe jihadistische groep actief is in de Sinaï.” En voor het eerst komt Syrië aan de orde, al is het slechts een voetnoot: “Het gewapend conflict in Syrië gaat vooralsnog door.” En een nieuw front is geopend in de Filippijnen waar een Nederlandse toerist, Ewald Horn, wordt ontvoerd door Abu Sayyaf. Coördinator Akerboom sluit wel weer positief af met enkele standrechtelijke executies. Het gaat hierbij om de “uitschakeling van verschillende strijders en kaderleden, vooral door toedoen van luchtaanvallen” en “de uitschakeling van al Awlaki en Samir Khan” waardoor “het internetmagazine «Inspire»” niet meer verscheen. Ondanks de propaganda motor gaat blijkbaar de inspiratie van mensen wel door zo oordeelt de NCTV naar aanleiding van “opnieuw diverse arrestaties in Europa en Noord-Amerika.” Zo wordt Spanje genoemd waar vijf mensen werden gearresteerd op verdenking van het ondersteunen van AQIM, enkele dagen later worden zij vrijgelaten. Niet jihadi arrestaties vermeldt de coördinator niet? Onduidelijk is waarom, want de Spaanse politie arresteerde in dezelfde periode tien mensen voor het aanzetten tot aanslagen van de ETA. In Engeland werd een grote groep mensen van Pakistaanse afkomst aangehouden. Vier mannen, Shahid Khan, Khobaib Hussain, Ishaaq Hussain en Naweed Ali, werden 40 maanden later vrijgelaten. Zij waren naar Pakistan gegaan om getraind te worden in de befaamde trainingskampen op de grens met Afghanistan, maar kwamen nooit aan. Een man, Irfan Naseer, kreeg levenslang, hij zou de leider van de groep zijn die nog geen doel had. In Duitsland werden in 2011 in totaal vier mannen aangehouden die volgens de Duitse diensten op het punt stonden een aanslag te plegen. De New York Times kopte bijvoorbeeld: “Al Qaeda attack was thwarted by three arrests, Germany says.” Het proces nadert zijn einde in 2014 en de advocaten klagen in Der Spiegel dat de inlichtingendiensten grote invloed hebben op het proces en dat “dokumente massiv geschwärzt seien worden.” Die hand van inlichtingen en opsporingsdiensten in terrorisme zaken is in de Verenigde Staten nog sterker. Er worden veel mensen gearresteerd, meestal gaat het om twee of drie mensen tegelijk en meestal is er een FBI undercover agent of informant betrokken bij het verstrekken van plannen, vuurwapens of explosieven. The Guardian schrijft op 16 november 2011 “fake terror plots, paid informants: the tactics of FBI ‘entrapment’ questioned,” dat de methoden van de FBI ter discussie staan.

DTN-29 / 22 juni 2012

De obsessie met de slagkracht van de kern van al-Qaida duurt ook in DTN-29 (22 juni 2012) voort. Eigenlijk lijkt het al jaren, dat het eindelijk afgelopen is, maar als een cliffhanger in een slechte B-film duurt het eindeloos voort. “Toch is nog niet gezegd dat kern al Qa’ida er niet meer toe doet of dat de dreiging vanuit de jihadistische beweging is afgenomen,” niets veranderd dus sinds 11 september 2001. De coördinator ontwikkelt geregeld nieuwe theorieën en inzichten, zo ook in deze dreigingsanalyse. “Via bepaalde sleutelfiguren slagen sommige jihadistische groeperingen en netwerken er in onderling verbonden te zijn,” schrijft Akerboom maar noemt geen namen. De “kern al Qa’ida maakt deel uit van deze «coalitie van internationale netwerken»,” waarmee de opmerking over de slagkracht eigenlijk volstrekte onzin is. Ex-politieagent Akerboom ontpopt zich plots ook als kenner van de interne jihadi politiek: “Zo is de focus van de strijd – lokaal, regionaal of internationaal – lang niet altijd gelijkluidend en vormt die menigmaal een twistpunt tussen of binnen jihadistische groepen.” De terreur dienst heeft zich blijkbaar verdiept in “strategie, capaciteiten en vooral ook praktische mogelijkheden om westerse belangen te treffen.” En daar is de verzwakte kern van al-Qaida weer die volgens de NCTV lijkt in te spelen op “de ontwikkelingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, waar de strijd tegen regimes mogelijk meer aandacht van al Qa’ida krijgt,” zo lijken de ambtenaren te concluderen uit de fictieve notulen van de gevaarlijke al-Qaida club. Ondertussen lijkt het gehele Midden-Oosten en Noord-Afrika in brand te staan. De dienst noemt de fronten op van Afghanistan, Pakistan, Jemen, Irak, de Maghreb-landen, Mali, Niger, Somalië, Filippijnen en nu ook Syrië waar in beperkte mate jihadisten betrokken zijn bij de burgeroorlog, maar wel Europese jihadisten. Dat het beeld van de oorlog tegen terreur complexer is dan de dienst wil geloven komt soms naar boven in de dreigingsbeelden. Akerboom schrijft bijvoorbeeld over Afghanistan dat “ondanks forse en langdurige inspanningen er nog altijd geen sprake is van wezenlijke andere krachtsverhoudingen tussen ISAF en de Afghaanse Taliban.” De vier zinnen die volgen logenstraffen een tweepolige wereldoorlog, maar van enig diepere analyse wil de coördinator niet weten. “Een koranverbranding op een ISAF-basis” en “een schietpartij door een militair uit de VS waarbij burgers zijn gedood” hebben volgens de NCTV tot grote woede onder de bevolking geleid en die is “niet alleen een religieus, maar ook een uitgesproken anti-Amerikaans karakter” en “tegen de buitenlandse aanwezigheid in het algemeen.” Zie daar wat er ook aan de hand kan zijn en alsof de Afghanen het voorbeeld gaven, valt ook Noord-Mali ten prooi aan een woedende bevolkingsgroep: “«Al Qa’ida in de Islamitische Maghreb» (AQIM) liftte mee met de strijd van opstandige Toeareg-stammen voor een eigen staat in Noord-Mali.” Hoewel de dreiging vooral elders is, wil de coördinator ook wel kwijt dat het hier, ‘de westerse wereld’, ook flink uit de hand kan lopen. Hij wordt in maart 2012 op zijn wenken bediend, Mohammed Merah schiet op klaarlichte dag drie joodse kinderen en de leraar van hun school dood. Hij had al eerder drie Franse soldaten doodgeschoten. Merah een Algerijnse Fransman, en niet een Franse Algerijn zoals Akerboom suggereert, zou in Afghanistan en Pakistan hebben gevochten en terug zijn gekeerd. Zie hier de teruggekeerde jihadist die levensgevaarlijk is. Er zijn echter veel vragen met betrekking tot de relatie tussen Merah en de DCRI, de Franse inlichtingendienst. Het lijkt erop dat de inlichtingendienst Merah al langer in de gaten hield, net als Mohammed Bouyeri en de AIVD. Daarnaast was de politie gewaarschuwd voor zijn radicalisering door de moeder van een vriend van Merah. Tijdens de anderhalve dag van de omsingeling van het appartement, waar Merah zich had opgesloten, wilde hij de lokale DCRI agent spreken die hij kende. Wat de connectie tussen Merah en de DCRI precies was zal nooit duidelijk worden, daar hebben geheime diensten geen baat bij, en gelukkig past de teruggekeerde jihadist in het dreigingsbeeld.

DTN-30 / 8 oktober 2012

Zo kabbelt de dienst rustig verder. De coördinator heeft een luisterend oor gelegd bij de kern van al-Qaida en die heeft het moeilijk, zo bericht hij in DTN-30 (8 oktober 2012). “Intern wordt gesproken over vertrek” uit de het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan en voor het “netwerk wordt het steeds lastiger om de uitstraling als hoeder van de mondiale jihad te behouden.” Op basis van de gehanteerde netwerktheorie zou de NCTV tot de conclusie moeten komen dat niet de kern maar de filialen voor de stootkracht zorgen. Even verder in de analyse wordt dit ook erkend: “Tot slot zijn er aanwijzingen voor een groeiende samenwerking tussen de verschillende regionale jihadistische groeperingen in vooral Afrika.” Het gaat volgens de NCTV wat minder in Somalië en Jemen, maar in Kenia en Syrië lijken nieuwe fronten te ontstaan, en misschien elders in Afrika en het Midden-Oosten. Akerboom suggereert dat al-Qaida daar misschien een “nieuwe safehaven zal gaan” vinden. Het feit dat de moslimbroeders in Egypte in juni 2012 de president leveren, betekent meteen voor de dienst dat er “toegenomen ruimte is voor jihadisten” in dat land. Zonder namen te noemen verwijst de coördinator naar “de oude jihadistische netwerken in Egypte” waarmee hij waarschijnlijk de moslimbroeders bedoelt. “Safe havens” genoeg in de totale oorlog tegen terreur, als Egypte of Syrië geen opties meer zijn dan is er altijd nog Noord-Mali waar AQIM actief is die ons via Al Jazeera op de hoogte stelt van het wel en wee van de ontvoerde Sjaak Rijke. Wat de Nederlandse overheid doet blijft volstrekt onduidelijk. Het gevaar komt volgens de coördinator ook dichterbij, namelijk in Bulgarije, Duitsland en België. “Verder was er de afgelopen periode sprake van een escalatie van geweld in België en Duitsland, waar zich salafisten met geweld tegen de overheid (België) of tegen vermeende tegenstanders van de islam (Duitsland) hebben gericht.” In België wordt de Rida-moskee in Anderlecht aangevallen door Rachid El Bouckhari met mes en bijl. Hij sticht brand in het gebouw waarna de imam overlijdt aan rookvergiftiging. In Bonn, Duitsland, loopt een demonstratie tussen radicale moslims en een extreem rechtse groep Pro NRW volledig uit de hand. De politie die tussen de partijen is opgesteld wordt bekogeld met stenen en stokken. Vervolgens steekt één van de moslim demonstranten twee politieagenten neer. In het Verenigd Koninkrijk arresteerde de politie een groep mannen die een aanslag wilden plegen op een demonstratie van de extreemrechtse English Defense League. Zij kwamen te laat en werden na de demonstratie gearresteerd. De coördinator concludeert dat “ook hier het ontstaan van (gewelddadige)
tegenstellingen onder extremisten kan worden gesignaleerd.” Enige relatie met de totale oorlog tegen terreur, de internationale politiek in zowel Noord-Afrika en het Midden-Oosten, de wijze waarop de moslimgemeenschap in ‘de westerse wereld’ wordt neergezet, wordt niet getrokken. Het zijn de extremisten, eerst alleen jihadi’s, nu ook nog extreem rechts. In Amerika vallen al de eerste doden als op 5 augustus 2012 een man het vuur opent bij een Sikh-tempel en zeven mensen doodt. Voor de coördinator alle gelegenheid om met woorden als “gewelddadige eenling” en “neonazistische skinhead” een link te leggen naar Breivik, maar iets wringt. Sikhs zijn geen moslims, ook geen hindoes, het zijn misschien wel migranten in de Verenigde Staten maar waar is de jihadistische link die de dienst probeert te tekenen. Welke bijdrage aan de dreiging levert de dienst eigenlijk zelf? Het kan ook anders. Terwijl Israël en de Verenigde Staten al naar Hezbollah en Iran wezen bij de aanslag op een bus met Israëlische toeristen in Bulgarije waar zeven doden vallen, probeert de agent Akerboom zich aan de feiten te houden: “Op dit moment is nog niet duidelijk wie achter deze aanslag zit.” Twee jaar later blijkt dat de Israëlische geheime dienst een man runt die een belangrijke rol speelt bij de buitenlandse operaties van Hezbollah. Welke rol hij heeft gespeeld bij de aanslag in Bulgarije is niet duidelijk, de coördinator zal daar echter niet over rapporteren in zijn dreigingsbeelden, want zelfreflectie staat niet op het menu van de dienst.

DTN-31 / 17 december 2012

Leek het in het vorige dreigingsbeeld er nog even op dat de kern van al-Qaida toch echt in het nauw was, de dreiging in december 2012 laat een ander beeld zien. Leken ze in DTN-29 al de koffer hebben gepakt, in DTN-31 zijn “de vooruitzichten voor de thuisbasis van kern al Qa’ida zijn wisselend.” De “kern al Qa’ida zou al lang uit Afghanistan verdreven” en de tribale gebieden in Pakistan liggen continu onder luchtaanvallen en toch neemt het aantal aanslagen in Afghanistan toe. De coördinator stelt dat “de terugtrekking van ruim
dertigduizend Amerikaanse soldaten zijn tol eist” en dat “de geboekte resultaten achter lopen op de oorspronkelijke ambities.” De oorlog tegen terreur is als een bosbrand waar de ‘westerse landen’ zo nu en dan wat vuur op gooien door drone aanvallen, door bepaalde etnische groepen voor te trekken, bepaalde groepen buiten te sluiten, democratische processen te negeren zoals in Egypte en dan verbaasd te zijn dat de brand niet uitgaat. Ze, de jihadisten, zitten ook overal achter: “De reacties in de islamitische wereld op de islamfilm ‘Innocence of Muslims’ hebben laten zien hoe eenvoudig radicale moslims geloofsgenoten kunnen mobiliseren. In meer dan twintig landen gingen grote aantallen demonstranten de
straat op om hun afkeer van de VS en het westen te tonen.” Akerboom sombert: “Er zijn meer jihadgebieden dan ooit en er is meer belangstelling voor de jihadgebieden vanuit Nederland dan ooit.” Naast de gebruikelijke conflicten Afghanistan, Somalië, Jemen, Noord-Afrika, “Mali kan zich als jihadistische vrijplaats verder ontwikkelen”, dienen Egypte, Syrië en Irak zich opnieuw aan. Dat Mohamed Morsi in Egypte is gekozen interesseert de coördinator niet, in plaats van in bikini met D-reizen naar Sharm el Sheikh, lijkt de coördinator J-reizen op het spoor met Egypte als ultieme bestemming: “Ook Egypte lijkt in toenemende mate een alternatief te vormen voor de klassieke jihadistische reisbestemmingen.” Erg diep gaat de analyse van de burgeroorlog in Syrië niet: “Syrië lijkt zich tot een nieuw jihadgebied te ontwikkelen met een aanzuigende werking op jihadgangers uit de Arabische wereld maar ook uit Europa.” Alles draait om jihadisten en jihad strijd en helemaal niet om die dictator waar wij altijd zo prettig handel mee dreven. En in Irak geen interesse in de groeiende etnische burgeroorlog die aanvankelijk vooral het karakter van vreedzaam protest had. “De situatie in Irak heeft met het vertrek van de VS uit Irak eind 2011 tot een opleving van de activiteiten van al Qa’ida in Irak (AQI) geleid.” En het westen had nog wel een zo vredelievende democratische president als Maliki in het zadel geholpen. “Het aantal jihadistische strijders alsmede het aantal aanslagen zijn meer dan verdubbeld,” stelt de NCTV onheilspellend. En “de dreiging voor Nederland is namelijk in belangrijke mate een afgeleide van de internationale dreiging,” dus elke dreiging elders is een beetje een dreiging voor ‘ons’. Daarom is de “jihadistische dreiging in Europa nog steeds aanwezig”, maar kan de coördinator er eigenlijk niets over zeggen want “de jihadistische dreiging is in verschillende gedaantes aanwezig.” Vervolgens komen arrestaties in België aan bod van mensen die wilden afreizen naar Somalië en/of Syrië. En passant wordt geschreven dat de “salafisten een nieuw offensief tegen Duitsland” zijn begonnen. In Frankrijk worden op 6 oktober 2012 twaalf mensen gearresteerd naar aanleiding van een aanslag op een Joodse winkel. Een verdachte, Jeremie Louis-Sydney, komt om in vuurgevecht met de politie, vijf anderen worden na enkele dagen vrijgelaten. Er worden wapens en onderdelen van explosieven in beslag genomen. In de Franse media worden de plannen van de Cannes-Torcy cel, waartoe de arrestanten zouden behoren, vergeleken met de aanslagenreeks uit de jaren negentig. De coördinator is plotseling heel nuchter en heeft het over een “de kleinschalige aanslag op een joodse winkel”. Ook stelt hij dat er sprake zou zijn van “jihadisme van eigen bodem voeden” wat dat ook moge betekenen. De vergelijking met de jaren negentig, de Franse GIA cel (de militaire tak van de Algerijnse moslim partij FIS), kan ook opgevat worden als een vraag over de betrokkenheid en/of kennis van de Franse inlichtingendiensten bij diverse aanslagen toentertijd. Deze vraag is ook relevant voor de Döner moorden in Duitsland. De coördinator schrijft dat “de overheid er rekening mee houdt dat van het
justitiële onderzoek naar de NSU en eventuele ondersteuners een dreiging verhogende werking zou kunnen uitgaan.” Probleem is dat door betrokkenheid van Verfassungsschutz, de Duitse inlichtingendienst, het vernietigen van bewijs door de overheid, informanten, de vraag is over welke dreiging de dienst het heeft. Dreiging van de verdachten, waarvan er slechts één nog in leven is of dreiging van de staat die op allerlei manieren blijkbaar van de aanslagen op de hoogte was, maar verzuimde in te grijpen.

Je zou zeggen dat de overheid een bepaalde verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van informatievoorziening naar de burger over de dreiging die op hen afkomt. Daar past een zekere voorzichtigheid bij zoals bij een aanslag op een bus in Bulgarije: “Op dit moment is nog niet duidelijk wie achter deze aanslag zit.” Aan de andere kant is het voor het evalueren van de ernst van de dreiging noodzakelijk om zicht te hebben op de rol van de overheid bij die aanslag. Was er voorkennis, speelde informanten/infiltranten een rol etc. Als een bom is afgegaan of een persoon is vermoord, kan het antwoord niet meer zijn dat methoden van de diensten moeten worden beschermd. Blijkbaar hebben die diensten gefaald en moet de werkwijze tegen het licht worden gehouden. Neem de Döner-Morde in Duitsland. Als jaar in jaar uit mensen gedood worden van een bepaalde etnische minderheid, dan kun je spreken van een duidelijke dreiging, zeker als dit moorden zijn in een specifieke gemeenschap zoals de Turks-Duitse gemeenschap. Als vervolgens bij toeval de mogelijke daders worden gevonden dan lijkt de dreiging duidelijk afgenomen, want de mensen die moorden zijn er niet meer. Als echter blijkt dat de inlichtingendiensten een veel grotere rol speelden bij de aanslagen dan is die dreiging niet verminderd, de staat is er namelijk nog steeds. In het geval van de Döner-Morde is er bijvoorbeeld een informant die een belangrijke rol speelde en hebben de inlichtingendiensten allerlei bewijsmateriaal vernietigd. Bij terreur en dreiging zijn er altijd twee tunnels in het spel. De tunnel die bijvoorbeeld alleen maar oog heeft voor het jihadistische gevaar zodat er niet gekeken wordt naar het Oekraïense luchtruim. De andere tunnel is de tunnel waar de diensten zelf in zitten die afgesloten is van de buitenwereld en die bewust of onbewust een spel speelt met de werkelijkheid. Die tunnel zal nooit worden ontsloten, want de diensten hebben daarbij veel te veel te verliezen. De zogenoemde lone-wolf Mohammed Merah in het Toulouse drama. Hij kan zijn verhaal niet meer vertellen, maar hij blijkt wel om zijn ‘contactpersoon’ bij de DCRI te hebben gevraagd. Wat voor rol speelde die contactpersoon, welke rol speelde de DCRI, voor wie werkte Merah, het zijn allemaal vragen die niet zijn beantwoord. Voor de dienst NCTV is Merah gelukkig een teruggekeerde jihadist die mensen doodschoot, de lone-wolf die toeslaat op scooter en met geweer, de terrorist die militairen en joden doodt, het bevestigt allemaal ons schrikbeeld. De dreiging duurt voort. Wat echter pas echt gevaarlijk is, is een overheid die geen openheid biedt over zijn methoden en middelen, dan kan er namelijk van alles gebeuren, zie de dood van Theo van Gogh, maar ook het neerschieten van vlucht MH17.

2013 Terreurfabriek

DTN-32 / 13 maart 2013

Een nieuw jaar, een nieuwe ambtenaar, en een nieuw dreigingsbeeld, het is een stuk gevaarlijker in maart 2013, DTN-32 (13 maart 2013). Naast de Nederlandse situatie stelt coördinator Schoof dat de situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten gewijzigd zijn. Het is echter onduidelijk hoeveel meer dreiging die veronderstelde wijziging inhoudt. Schoof blijft net als zijn voorganger geobsedeerd door de kern van al-Qaida, maar nog steeds is onduidelijk wat hun kracht is en ook lijkt nog steeds ‘de kern’ “de intentie te hebben de wijk te nemen uit het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan.” Schoof heeft dat van onbevestigde berichten, welke bronnen de coördinator heeft is onduidelijk. Naast de kern zijn er de filialen en die zijn onverminderd actief, daar lijkt ook niets veranderd. Over Syrië schrijft de NCTV dat daar jihadistische groepen actief zijn, dat was ook al bekend in 2012. Volgens de coördinator zou het gevaar schuilen in “vereniging van diverse jihadistische strijdgroepen”, maar van enige onderbouwing van die vaststelling is geen sprake. Schoof zapt snel door naar het volgende front Noord-Afrika. De Fransen hebben geïntervenieerd in dat land en er was sprake van “militair succes”. Waar in DTN-29 nog sprake was van Toeareg-stammen die in Noord Mali in opstand kwamen en werden ondersteund door AQIM, een opstand die in DTN-30 en 31 werd gereduceerd tot de creatie van een “safe-haven” voor jihadisten. Nu hebben de Fransen, met steun van de Nederlanders het gebied weer ‘bevrijd’, maar het is onduidelijk wat de lokale bevolking daar mee opschiet en van vindt. De mening van de lokale bevolking in de jihadistische gebieden komt nergens ter sprake. Hetzelfde geldt voor de gijzeling van honderden werknemers van de Algerijnse gasinstallatie van het Britse BP, het Noorse Statoil, het Japanse JGC Corp en het Algerijnse Sonatrach. De dienstdienst lijkt te weten dat de gijzeling geen “vergelding voor de interventie” in Mali kan zijn omdat de voorbereidingen van die actie voor de interventie was begonnen. De NCTV had dan ook kunnen weten dat de gijzelnemers waarschijnlijk hulp hebben gekregen van ontevreden werknemers die in 2012 hadden gestaakt voor betere arbeidsomstandigheden, waaronder zelfs een hongerstaking. Kort voor de gijzeling waren werknemers van plan opnieuw te gaan staken. Daarnaast stelt een voormalig bestuurslid van Statoil dat het Noorse bedrijf de veiligheidssituatie in Algerije volledig heeft onderschat, om kort te gaan er waren te weinig beveiligingsmensen. En tot slot zijn er vele vragen over de wijze waarop het Algerijnse leger de bevrijdingsactie had georganiseerd, waarbij veel gegijzelden de dood vonden. En nog steeds is er nog veel onduidelijk over de gijzelactie. Misschien was AQIM betrokken, maar de werkelijkheid is toch echt complexer dan de lijn interventie, gijzeling, aanslag in Europa. Voor het gemak wordt naast Algerije ook Libië op de jihadistische hoop gegooid, al lag die daar al geruime tijd. Begin 2013 was het onrustig in Benghazi, Libië. Die onrust werd tastbaar doordat de auto van de Italiaanse consul generaal werd beschoten. Het vreemde is dat vervolgens de dienst de situatie als ernstig moet worden bestempeld terwijl in DTN-30 en DTN-31 Libië niet eens voorkwam. Terwijl de Amerikaanse ambassadeur, een diplomaat en twee CIA officieren op 11 september 2012 bij aanslagen om het leven kwamen. Waarom de coördinator deze dodelijke aanslag op een Amerikaanse ambassadeur weglaat wordt niet duidelijk. Het kan ermee te maken hebben dat de aanslagen in Benghazi duidelijk maken dat het meestal te simpel is om alles jihadistisch te noemen. Er zijn veel vragen met betrekkingen tot de Amerikaanse ambassade in Benghazi zoals waarom de beveiliging in handen was gegeven van the February 17th Martyrs Brigade, een groep die banden zou hebben met aan al-Qaida gelieerde groepen. Wat voor rol speelde de ondersteuning van de Syrische oppositie met wapens vanuit Benghazi bij de aanslag? Vragen die niet te vinden zijn in de DTN’s want daar gaat het om dreiging en angst niet om duiding en analyse. En nu Schoof toch bezig is in DTN-32, wordt Egypte ook maar aan de rij battlefields toegevoegd. We vergeten even dat er een democratische president is gekozen en dat het land net is ontwaakt van de dertig jaar durende dictatuur van Mubarak, maar de NCTV ziet vooral “de opbouw van een groot en regionaal vertakt jihadistisch netwerk.” De dienst weet dat “binnen het netwerk de wens leeft strijders op te leiden om op termijn ook doelen in West-Europa te treffen.” Volgens de coördinator zijn de Egyptische veiligheidsdiensten niet slagvaardig ondanks de miljarden steun van de Amerikanen en wil de gekozen president Morsi niet optreden, terwijl hij geen enkele controle over het leger had. Uiteindelijk krijgt ‘het westen’ weer een dictator terug, op 8 juni 2014 pleegt generaal al-Sisi een staatsgreep. Aan de overige fronten van de wereldoorlog tegen terreur, Afghanistan, Pakistan, Jemen, Somalië, Indonesië, besteedt de NCTV weinig aandacht, “de tendens is dat ze opnieuw ook westerse doelen op de korrel willen nemen,” is nog steeds de conclusie. De coördinator sluit de internationale dreigingsindicatoren af met drie losse gebeurtenissen in Europa die iets over de dreiging in Nederland zouden moeten zeggen. Schoof is echter onduidelijk over reden van de opname van de drie voorbeelden in het DTN. Ten eerste werd in november 2012 Bruno Kwiecień gearresteerd. Hij wordt aangemerkt als “een kleine terroristische cel”, terwijl hij waarschijnlijk alleen opereerde. Hij wilde het parlementsgebouw opblazen en viel bij zijn leerlingen op de school waar hij lesgaf op omdat hij vertelde dat hij de regering wilde omverwerpen. Het grote verschil met Breivik is dat het Kwiecień niet zozeer om de islam ging. Hij dacht dat Polen werd bestuurd door buitenlanders en hij hield die regering verantwoordelijk voor “de slechte economische situatie.” Het tweede voorbeeld is de aanslag op drie vrouwen van Koerdische afkomst die betrokken waren bij de PKK. Los van de vraag wat de moord op drie Koerdische vrouwen te maken heeft met een Poolse chemicus, speelt er bij de aanslag in Parijs ook de complexe relatie tussen Europa en Turkije mee, waardoor de waarheid met betrekking tot de moorden waarschijnlijk nooit boven tafel komt. De Franse justitie wees als mogelijk verdachte Omer Guney aan. Guney werd soms als chauffeur door de Koerdische beweging ingehuurd. Enkele Koerden beweerden dat Guney anti-PKK was en een Turkse nationalist en hij zou ook contact hebben gehad met twee agenten van de Turkse inlichtingendienst in de periode voor de moorden. Vervolgens wordt er op het treinstation van Bonn een tas gevonden met explosieven. Volgens de autoriteiten is de ‘bom’ niet ontploft door een haperende ontsteking. De coördinator schrijft dat “de autoriteiten nog in het duister tasten over de daders en motieven, maar vermoed wordt dat de aanslagpoging een islamistische achtergrond heeft.” De NCTV baseert dat vermoeden op de arrestatie van enkele radicale moslims, die echter weer moeten worden vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. De mislukte aanslag van 5 februari 2013 op Lars Hedegaard was wel een aanslag van een persoon met radicale motieven, maar dat was niet duidelijk op 13 maart 2013 toen het DTN verscheen. Na de aanhouding van Basil Hassan in Turkije in april 2014 volgde een vreemd steekspel tussen de Deense en Turkse autoriteiten. Basil Hassan kwam vrij bij een gevangenenruil met ISIS en hoewel de Deense autoriteiten zich furieus toonden wisten zij al twee maanden van de vrijlating en hielden het net als de Turken stil.

DTN-33 / 1 juli 2013

Daar waar in de voorgaande DTN’s de ontwikkelingen van zogenoemde “kern al Qa’ida” door de coördinator op de voet werden gevolgd, is de kern of soms ook het duo Bin Landen en Al Zawahiri, van het toneel verdwenen in DTN-33 (1 juli 2013). De wereldoorlog tegen terreur woedt echter in volle hevigheid verder en lijkt zich als een bosbrand verder uit te breiden. “In Jemen is de dreiging die uitgaat van ‘Al Qa’ida op het Arabisch Schiereiland’ (AQAS) de afgelopen tijd niet wezenlijk veranderd,” schrijft Schoof. “In Somalië heeft al-Shabaab sinds de zomer van 2011 terrein verloren, maar is niet verslagen,” schrijft de dienst in juli 2013 toen nog niet de lange reeks aanslagen in Kenia waren begonnen. Aan de andere kant van het Afrikaanse continent ontwikkelt Nigeria zich tot een nieuw front. Boko Haram kwam slechts een keer eerder voor in het DTN in december 2010. In Nigeria is de oorlog langzaam in alle omvang losgebarsten. Natuurlijk gaat het de dienst alleen om “het gevaar voor ontvoering van westerlingen”, daardoor zal het land de komende dreigingsanalyses ook niet meer van de frontlijsten verdwijnen. Afghanistan, waar ‘Nederland’ achter de Amerikanen aan geprobeerd heeft de situatie te stabiliseren stevent volgens de NCTV af op een burgeroorlog. “Het land gaat strijdend de politieke en militaire transitie van 2014 tegemoet waardoor de kans op een burgeroorlog toeneemt.” In Mali hobbelen we achter de Fransen aan en mengt Nederland zich in een oorlog tussen het Franse, Tsjaadse, Malinese leger en niet alleen jihadisten, maar ook allerlei ontevreden bevolkingsgroepen. De coördinator veegt alles gemakshalve op de hoop van de jihadistische vrijstaat, waardoor verspreiding van het geweld naar Algerije, Niger, Libië, Mauritanië en Burkina Faso kan plaatsvinden. Algerije en Libië kunnen al langzaam definitief aan het lijstje fronten worden toegevoegd. Ook de gehele Arabische Lente ziet de coördinator als een gevaar voor Nederland.
Tunesië komt langzaam onder het juk uit van een dictatuur van decennia en dat zorgt voor enige democratie en ademruimte voor de bewoners van dat land. In plaats van een uitgestoken hand, ziet de coördinator alleen maar gevaren, vooral voor zichzelf. “De grootste salafistisch-jihadistische beweging ‘Ansar Sharia’ heeft haar koers verhard en gekozen voor een openlijke confrontatie met de autoriteiten en spelen er zorgen over de dreiging van tussen de 800 en 5.000 Tunesische Syriëgangers bij terugkeer.” Van wie die zorgen zijn, maakt Schoof niet duidelijk, maar waarschijnlijkheid van zijn dienst zelf. Egypte heeft begin 2013 nog net een democratie, geen dictatuur die de bevolking onderdrukt, maar de coördinator had al in DTN-32 Egypte onder de moslim broeders afgeschilderd als een favoriete bestemming voor jihad-reizen. “In Egypte verslechtert de politieke, economische en veiligheidssituatie zienderogen,” schrijft de NCTV over een land in transitie die twee dagen later weer een dictatuur wordt, maar dat lijkt de dienst beter uit te komen. Het grootste gevaar gaat volgens de coördinator uit van de situatie in Syrië. Eufemistisch spreekt Schoof over een patstelling tussen “het Syrische leger en de gewapende oppositie.” Over de dictatuur van Assad geen woord en de dienst is slechts gefocust op woorden als “jihadistische netwerken”, “jihadistische
uitvalsbasis”, “jihadistische strijders”. De dienst stelt vast dat “het aantal jihadistische strijders trouwens maar een fractie van de totale oppositie”, maar toch spreekt de NCTV van een “aanzuigende werking op geradicaliseerde jongeren.” Met in het achterhoofd de opkomst van IS in zowel Irak als Syrië moet de vraag gesteld worden welke inlichtingen de dienst verzamelt. Over Irak in DTN-32 van maart 2013 en DTN-33 van juli 2013 geen woord, terwijl de situatie in dat land al vanaf 2012 explosief te noemen was gezien de grote tegenstellingen tussen Soennieten en Sjiieten in dat land. Ook daar is Nederland achter de Amerikanen aan een interventie ingestapt. En dan vindt er op 15 april 2013 een aanslag plaats op de marathon van Boston. Alsof het een geschenk uit de hemel was voor de dienst want “de aanslag heeft in de afgelopen periode intensief doorgewerkt op de risicobelevenis in het Westen,” schrijft de coördinator. Gevaar voor evenementen, de NCTV legt de link naar “‘Apeldoorn’ en de ‘Damschreeuwer’ op het netvlies, met alle veiligheidsrisico’s van dien.” “De tot nu toe bekende feiten sluiten een variant van terrorisme van eigen bodem niet uit,” borduurt de dienst verder op de evenementen en eenlingen, en natuurlijk “zelfgemaakte explosieven aan de hand van instructie uit het propagandablad ‘Inspire’”. Het blad van de man die zonder vorm van proces door de Amerikanen is vermoord. De eenvoud van de analyse van Boston is stuitend, vooral ook omdat zichtbaar wordt hoever de dienst vast zit in een tunnelvisie die elke vorm van zinvol redeneren uit de weg gaat. De aanslagen van Boston zijn omringd door allerlei mysteries, uiteenlopend van het feit dat de FBI de daders al lang voor de aanslagen in de gaten hield, de rol van een informant, de dood van een goede vriend van de broers tijdens zijn verhoor door de FBI over de aanslagen in Boston, de vreemde omstandigheden van de dood van de andere broer bij zijn achtervolging en schietpartij, en nog veel meer vragen die ook door gevestigde media als The Boston Globe en The Washington Post worden gesteld. Boston gaat naadloos over in twee steekpartijen in London en Parijs. Bij een steekpartij in Woolwich vond een Britse militair de dood, maar de dader was blijkbaar bekend bij MI5 en MI6 en zelfs benaderd om voor hen als informant te werken. Wat er is gebeurd in die relatie met de inlichtingendiensten is niet duidelijk. En ook de dader van de steekpartij in het Parijse La Defense was bekend bij de Franse politie. De Franse militair overleefde de aanslag. De coördinator legt geen directe link tussen de steekpartij in La Defense en de Franse interventie in Mali, maar suggereert dit wel. Hij schrijft dat het past in “het verschijnsel waarbij jihadisten zich meer lijken te richten op het plegen van kleinschalige en simpele aanslagen” en “na de Franse interventie in Mali zijn de dreigementen van AQIM tegen Frankrijk alleen maar frequenter geworden.” De internationale dreiging voor ons land wordt op een vreemde manier afgesloten met de vredesonderhandelingen tussen Turkije en de PKK. Na ook decennia van oorlog en vele slachtoffers een positieve ontwikkeling, maar niet voor de dienst want die ziet alleen maar “een fragiel proces dat door een relatief klein incident aanzienlijk kan worden verstoord.” Een dienst die slechts chocolade koppen van bedreigingen overneemt, zonder diepgang en analyse, schets geen dreigingsbeeld, maar creëert terreur.

DTN-34 / 7 november 2013

Het is als met de woorden “de vermeende discriminatie van moslims” en “de gepercipieerde beledigingen van de islam” die de coördinator sinds enkele jaren gebruikt. De zin is niet veranderd waarmee Schoof wil aangeven dat het allemaal onzin is. Vervolgens wordt een directe link met legitiem doelwit en een aanslag tot een bizar fenomeen. “Na de arrestatie van een vrouwelijke verdachte van rekrutering voor de jihad” werd er “op internationale jihadistische websites … opgeroepen aanslagen te plegen in Nederland,” schrijft de coördinator. Verder geen uitleg. Zit hier een diepere analyse achter? Nee. Heeft er duiding plaatsgevonden van deze oproepen? Nee. Wat wil de coördinator hier mee? Laten zien dat elke reaguurder met een bericht in het DTN kan komen? Is dit een zinvolle manier om dreiging te analyseren? Hetzelfde geldt voor de kern van al-Qaida. Sinds jaar en dag is de dienst geobsedeerd door deze kern, in het verleden nog wel eens aangeduid als het duo OBL en AZ, maar het wel en wee, van zwakte tot verhuizing werd regelmatig door de NCTV uit de doeken gedaan. In DTN-34 (7 november 2013) heeft de kern een nieuwe Brand kern-AQ, alsof dat iets zegt over de dreiging, maar het gaat verder. “Kern al Qa’ida (kern-AQ) tracht vanuit die rol invloed uit te oefenen op de filialen van AQ. In het geval van ISIL is er sprake van het negeren van opdrachten van kern-AQ,” schrijft de coördinator. JaN volgt wel de instructies op van kern-AQ, gaat Schoof verder, alsof het om een analyse van een aflevering van Goede Tijden, Slechte tijden gaat. AQAS en kern-AQ zijn twee handen op een buik, maar AQAS trekt zich niets aan van AQ verhaalt de coördinator verder. In eerdere dreigingsbeelden ging het nog over het verhuizen van kern-AQ, maar nu gaat het over verschuiven, verschuiven van het zwaartepunt, verschuiven van “de jihadstrijd brengen naar het brongebied van de islam”. En plotseling is de dreiging groter omdat de wereldoorlog tegen terreur nu op onze stoep zou staan, maar wat is er veranderd sinds de afgelopen DTN’s? Over welke dreiging en angst hebben we het? De dienst schrijft: “Onbetrouwbaar bleek uiteindelijk de informatie over een vermeend AQ-plot begin augustus tegen hogesnelheidstreinen.” Waarom is dat een dreiging en komt die onbetrouwbaarheid door een slechte dienst die waarde hecht aan geruchten en roddel over AQ? De NCTV typt de dreiging over van de Amerikanen die begin augustus 2013 waarschuwen voor aanslagen op ambassades “in het Midden-Oosten en Noord-Afrika”. Schoof benadrukt nog dat “de dreiging een serieus karakter had.” Het bleek allemaal mee te vallen, “de dreiging bleek uiteindelijk gevormd te worden door AQAS en vooral voor Jemen te gelden.” De dienst is echter niets te verwijten want AQAS is een “veerkrachtige organisatie” schrijft de NCTV bij internationale context alsof een verontschuldiging is. Jemen krijgt nog meer aandacht in deze DTN door een bericht op internet, Afghanistan en Pakistan zijn geen interessante fronten meer. In Mali wordt de indruk gewekt dat ‘wij’ aan de winnende hand zijn. Libië en Algerije zijn ook afgevoerd. De coördinator heeft het over “de bredere Sahelregio, de Hoorn van Afrika en Nigeria en de verschillende landen in Noord-Afrika,” de interventies en drones blijken hun werk te doen. De terreur brand grijpt flink om zich heen. In Syrië gaat het natuurlijk alleen om de “aanwezigheid van honderden westerse jihadisten”. De opkomende burgeroorlog in Irak door de onderdrukking van Soennieten en de ontwrichting van de regio door de burgeroorlog in Syrië is geen issue voor de ambtenaar. Hij ziet slechts terugkerende jihadisten die “op termijn zouden kunnen worden ingezet voor aanslagen in het Westen.” Mogelijke dreiging op termijn wordt in een angstpsychose altijd werkelijkheid binnen korte termijn en dat laat Kenia zien. Met drones, Ethiopische en andere soldaten is de burgeroorlog verhevigd in Zuid- en Centraal-Somalië en het AQ filiaal Al-Shabaab verspreid. Het gevolg: meerdere aanslagen in de regio waaronder een op het Westgate winkelcentrum in Nairobi, Kenia met 67 burgerslachtoffers. En Egypte glijdt volgens de NCTV ook verder af tot een volwaardig front in de oorlog tegen terreur met aanslagen op “de Egyptische Minister van Binnenlandse Zaken”, “statelijke doelwitten” en “een Aziatisch vrachtschip in het Suezkanaal”. Volgens de coördinator waren de mannen die de raketwerper hanteerden “in de veronderstelling dat dit een westers schip was,” alles draait gelukkig om het ‘westen’. In dat kader wordt ook terloops gemeld dat “twee Nederlandse jihadisten werden aangehouden in verband met betrokkenheid bij financiële logistieke activiteiten van een terroristische cel in Egypte.” Op welke arrestanten de dienst duidt is niet duidelijk. In augustus werden drie Nederlanders in Egypte aangehouden. Twee journalisten, Bud Wichers en Tahir Osman Hamde, en de Nederlander Ahmed D. die later het land mag verlaten en in Turkije opnieuw wordt aangehouden op last van de Amerikanen. De Nederlandse ambassade maakte zich zorgen om de detentie van Ahmed D. die ook nog eens in zijn cel werd benaderd door de Britse geheime dienst. Dat de dienst NCTV blij is met de nieuwe machthebbers in Egypte die stevig optreden blijkt uit de weinig veroordelende woorden: “machtsovername door militairen en de afzetting van president Morsi.” Schoof spreekt niet van een militaire coup of een nieuwe dictator al-Sisi. Een weinig onderzoekende houding is ook te zien bij een herhaling van zetten rond de Boston aanslagen. In DTN-34 worden deze opnieuw aangehaald om de “de jihadistische dreiging in Europa en Noord-Amerika” te onderstrepen, om opnieuw te stellen dat “jihadisten uit het Westen zich meer richten op het plegen van kleinschalige en simpele aanslagen” en natuurlijk het concept van de “gewelddadige eenlingen of een klein aantal personen” meer krediet te geven. Bij gebrek aan jihadistische aanslagen moet de coördinator toegeven dat er “niet uitsluitend door de jihadistische dreiging” bestaat. Dat die dreiging in de verschillende DTN’s van 2013 toeneemt, daar verbaasd de dienst zich niet over. Er wordt ook niet gespeculeerd over de toename, het gaat namelijk alleen om de dreiging. De coördinator beschrijft drie arrestaties In Engeland, Duitsland en Frankrijk. In Duitsland, Zwitserland en Nederland worden zes mensen gearresteerd die een weerwolf organisatie zouden willen oprichten. De overheid moest toegeven dat er geen bewijsmaterialen en concrete plannen waren gevonden. De ambtenaar spreekt van “een aanslag die mogelijk zou worden uitgevoerd met behulp van een bom geïnstalleerd in een modelvliegtuig.” In Frankrijk werd een 23 jarige luchtmacht sergeant aangehouden op verdenking van het voorbereiden van een aanslag met zijn wapen op een moskee. De NCTV schrijft dat “de verdachte «naar extreemrechts neigende denkbeelden» zou hebben”, maar vergeet te melden dat de moslim gemeenschap naar aanleiding van de arrestatie het islamofobe klimaat in Frankrijk aan de kaak stelde. Islamofobie niet alleen van een select gezelschap, maar van een grotere groep Fransen. En in Engeland wordt de 25-jarige Oekraïner Pavlo Lapshyn veroordeeld voor het doodsteken van de 82-jarige moslim Mohammed Saleem en het plegen van een aanslag op de Tipton moskee. Pavlo Lapshyn was in april 2013 net aangekomen in het Verenigd Koninkrijk na het winnen van een prijs in Oekraïne om ervaring op te doen in dat land. Hij had de prijs ontvangen in aanwezigheid van de Britse ambassadeur in Oekraïne. Wat de jongeman tot de aanslagen heeft bewogen wordt door de NCTV verklaard als een “racistische moord” en “het plaatsen van drie bommen“.

De dienst ontpopt zich in 2013 als een terreurfabriek. De nieuwe coördinator Dick Schoof heeft daar vast een rol bij gespeeld. Zonder dat de omstandigheden in het buitenland daadwerkelijk veranderden, werd het dreigingsniveau verhoogd naar substantieel, hoewel onduidelijk is welke leidende parameters daarvoor gehanteerd zijn. Wie om zich heen zou kijken en de tijd heeft om de dreiging te analyseren en dat verwacht je van een coördinator, zou een voortrekkersrol verwachten bij de duiding. Niets is minder waar. De dienst ziet het liefst overal gevaar. Egypte kiest president Morsi, misschien niet de keuze van de NCTV, maar toch een democratische keuze. In plaats van het omarmen van de democratie, ziet de dienst alleen maar gevaren. De coördinator haalt dan ook opgelucht adem als de dictatuur in ere wordt hersteld door het Egyptische leger. Eenzelfde scenario leek zich af te spelen in Tunesië, maar daar hebben de Tunesiërs het hoofd koel gehouden. De coördinator niet. Wie de gigantische bosbrand in het Midden Oosten en een groot gedeelte van Noord-Afrika ziet, zou zich de vraag moeten stellen, hoe kunnen wij dit doorbreken? Dit lijkt niet interessant voor de NCTV, hoe meer geweld, aanslagen en dreiging hoe beter is het devies. Neem Mali. Daar zijn Toearegs in het Noorden boos over achterstelling en claimen een deel van het land. Nu wordt een deel van die coup ook door AQIM geclaimd, maar de Toearegs geven aan dat er iets mis is, zij willen meer rechten. Het indelen van deze nomadische stammen in het jihadistische kamp en de jihadistische vrijplaats zorgt voor een versimpeling van de politieke werkelijkheid waardoor de Toearegs in de toekomst waarschijnlijk zullen weigeren met de regering en haar bondgenoten te praten en te onderhandelen. Het simplisme van het reduceren van een conflict tot jihadistische groeperingen zal op de langere termijn alleen maar erger worden. Zie Soennieten in Irak die als enige bondgenoot nog jihadistische strijders vonden in hun conflict met de Iraakse regering. De verdeel en heers die de dienst propageert en uitvent is dreiging verhogend en dat roept al vragen op. Oorlog, burgeroorlog en aanslagen zijn niet te reduceren tot goed en kwaad, tot zwart en wit, tot terrorist en ‘ons’. Die versimpeling hercreëert een koude oorlog met haar slagvelden overal in Afrika, Azië en Latijns-Amerika en uiteindelijk steeds meer in Europa. De dienst lijkt echter behoefte te hebben aan terreur en transformeert zich langzaam tot een terreurfabriek, zoals de FBI in de Verenigde Staten mensen via informanten en infiltranten voorziet van wapens en explosieven (The Terror Factory: Inside the FBI’s Manufactured War on Terrorism). Mensen zijn boos over wat er in de wereld gebeurt, dat is logisch, zeker in een globaliserende wereld. De meeste mensen zullen die boosheid nooit omzetten in daden, sommige wel als zij de wapens door een informant of infiltrant krijgen uitgedeeld. Zijn zij dan schuldig? Of probeert de staat tot geweld aan te zetten? En zolang het niet mis gaat, lijkt er niets aan de hand, maar wat als een dergelijk terreurplot uit de hand loopt en er wel slachtoffers vallen? Wie eindeloos dreigt en dreigt zal uiteindelijk beloond worden en dat laat 2014 zien.

2014 Duurzame dreiging

DTN-35 / 24 februari 2014

Kern AQ zoals de legerleiding van onze vijand ‘terreur’ binnen de NCTV wordt genoemd lijkt in het DTN van 24 februari 2014 aan de winnende hand. Terreur ambtenaar Schoof moet toegeven dat “ook op het gebied van propaganda de omstandigheden momenteel in het voordeel van kern al Qa’ida en gelieerde groepen werken.” Dat groepen als JaN (Jabhat al-Nusra of JN) en ISIL (IS of ISIS) wel degelijk fundamenteel van elkaar verschillen is voor de coördinator niet interessant. Hij noemt nog wel dat de “weerstand (tussen ISIL en andere groepen) begin 2014 uitmondde in een grootschalig gewapend offensief van andere rebellengroepen tegen de ISIL.” Het gaat volgens de coördinator vooral om “de buitenlandse strijders van de ISIL en hun gezinnen,” maar daarmee wordt voorbijgegaan aan de vele clans en lokale groepen die vechten in de beide landen. Het lijkt even of de NCTV over zijn eigen schaduw heenstapt en een poging doet iets dieper op de materie in te gaan: “Er zijn verschillende berichten die aangeven dat JaN aan de kant van de rebellen tegen de ISIL vecht. Dit is een opvallende ontwikkeling, omdat beide groepen (JaN en ISIL) aan al Qa’ida verwant zijn.” Als de dienst zich vervolgens waagt aan een korte analyse over Syrië dan wordt alles weer teruggebracht naar de oorlog tegen terreur want het land zou zich ontwikkelen als “een vrijhaven waar, analoog aan Afghanistan in het verleden, een internationaal gezelschap van strijders in het gedachtegoed van al Qa’ida wordt geschoold, training krijgt en concrete ervaring en contacten opdoet.” De decennia lange burgeroorlog met inmenging van het Verenigd Koninkrijk, Rusland, de Verenigde Staten, andere naties en partijen wordt even onder het tapijt geveegd. We houden het simpel, de legers van de tegenstanders staan aan de poorten van Europa: “Het feit dat Syrië dicht bij Europa ligt, is tegen deze achtergrond zorgelijk.” In de wereldoorlog tegen terreur is de tegenstander hetzelfde ook al heeft ie misschien andere namen. De internationale dreiging is verengd tot Syrië en een beetje Jemen waar AQAS weer sterker is geworden, dankzij of ondanks de drones, dat laat de NCTV in het midden. Somalië is twee zinnen waard, Al-Shabaab is aan de winnende hand. Mali ook twee zinnen, maar dat front lijkt stabiel. En Egypte zijn wij dankzij de militairen weer aan de winnende hand want volgens de ambtenaar is “de afgelopen maanden de repressie tegen de jihadisten verder opgevoerd.” Het lijkt erop alsof de coördinator blij is met een dictatuur, geen woord over de moslimbroeders als politieke partij, democratie en rechtstaat. Daar waar in alle voorgaande DTN’s er nog twijfel was over de slagkracht en vestigingsplek van de kern-AQ weet Schoof het nu zeker: “Voor kern al Qa’ida zijn deze voor haar gunstige ontwikkelingen de voornaamste reden geweest om het afgelopen jaar het zwaartepunt van de globale jihad te verleggen van Afghanistan-Pakistan naar het Midden-Oosten. De groep zet daarbij zwaar in op de strijd in Syrië.” De dienst spreekt van een ware luchtbrug tussen Afghanistan-Pakistan en Syrië omdat de kern “het afgelopen jaar de verplaatsing van honderden jihadisten vanuit Afghanistan-Pakistan naar Syrië heeft gefaciliteerd.” In zijn kantoor zal Schoof met Stratego elementen het speelveld opnieuw indelen. Het is bijna kruip in de huid van want de NCTV weet ook dat niet alleen “«gewone» strijders, maar ook om personen die een hogere functie bekleden binnen kern al Qa’ida” voor Syrië hebben gekozen. De hele aanleiding van de oorlog is verdwenen uit het dreigingsbeeld, dictator Assad komt slechts ter sprake omdat hij steun krijgt van Hezbollah waardoor de stabiliteit van Libanon weer gevaar loopt door een toenemend aantal aanslagen in dat land. En de steun van Hezbollah heeft volgens de dienst “de afgelopen tijd geleid tot het oplopen van spanningen tussen soennieten en sjiieten.” En die tegenstelling heeft volgens de NCTV “ontwrichtende werking” op Irak alsof de onrust in Irak een gevolg is van de burgeroorlog in Syrië. Geen woord over de onderdrukking van de Soennieten tijdens het Amerikaanse bewind, de groeiende spanning tussen soennieten en sjiieten door de geparachuteerde Iraakse leiders en ook geen woord over de vele vreedzame protesten die voorafgingen aan een grote opstand van soennieten. De analyse van de dienst is simpel: “Door aanslagen van de ISIL is de algehele veiligheidssituatie in dat land achteruitgegaan.” En wat Irak overkomt kan ons ook overkomen, lijkt Schoof te suggereren. Europa is dichtbij Syrië, “er wordt in toenemende mate ook heen en weer gereisd tussen Syrië en Europa” en “Franse terugkeerders, bijvoorbeeld, kunnen vanwege de open grenzen in het Schengengebied ook besluiten een aanslag te plegen in België” alsof de coördinator al wist dat dat zou gaan gebeuren. Alles staat in het teken van “risico”, “aanslagplannen”, “een radicaliserende en rekruterende rol”, “een actieve, faciliterende rol” en nog veel meer dreiging. Het is bijna zo dat de aanslag nu elk moment kan plaatsvinden en dan is er toch iemand bij de dienst die nog een beetje gezond verstand heeft: “Tot slot moet niet uit het oog worden verloren dat van een aantal van de terugkeerders geen directe dreiging uitgaat.”

DTN-36 / 30 juni 2014

Hoewel er nog veel onduidelijkheid is over de achtergrond van de terroristische aanslag in Brussel in het Joods Museum op 24 mei, wijst alle informatie erop dat die werd uitgevoerd door een jihadistische terugkeerder die gevochten had in Syrië. Deze aanslag illustreert de dreiging die uitgaat van de terugkeer naar Europa van jihadisten die in Syrië hebben deelgenomen aan de strijd. Deze dreiging was voor de NCTV de belangrijkste reden om in maart 2013 het dreigingsniveau te verhogen van ‘beperkt’ naar ‘substantieel’. De door een Fransman uitgevoerde aanslag in Brussel toont aan dat de dreiging die uitgaat van teruggekeerde jihadisten voor heel Europa geldt. Verder blijkt dat terugkeerders ook in een ander land dan hun land van herkomst aanslagen kunnen plegen. Dat betekent dat in potentie alle in Europa teruggekeerde Syriëgangers ook voor Nederland een dreiging kunnen vormen. En het land of ondertussen landen waar die terugkeerders vandaan komen zijn vooral Irak en Syrië en in mindere mate Libanon. Door de jihad bril van de dienst wordt alles ‘evil’ wat daar gebeurt. Fundamentele vragen gaat de NCTV zoals gewoonlijk uit de weg. IS (ISIL of ISIS) is het kwaad en “de militaire opmars van deze terroristische organisatie in Irak in juni 2014 is een gevaarlijke ontwikkeling, mede omdat het een aanzuigende werking kan hebben op westerse jihadisten.” Nieuwe jihadi’s komen er aan schrijft coördinator Schoof. Twee alinea’s verhaalt de ambtenaar nog over de strijd tussen Jabhat al Nusra (JaN, JN) en ISIL, de “kritiek op de voorman van kern al Qa’ida, Ayman al-Zawahiri,” op jihadistische Geenstijl- achtige websites en de mogelijke “tweedeling binnen de mondiale jihadistische beweging”. De coördinator insinueert dat de kans op aanslagen zal toenemen door die tweedeling al zegt hij dat niet hardop. Enerzijds zegt hij namelijk dat “uit profileringsdrang de groeperingen zelfs meer ijver aan de dag zouden kunnen leggen bij het uitvoeren van aanslagen in het Westen,” en anderzijds “zal de dreiging tegen het Westen hierdoor hoogstwaarschijnlijk niet veranderen.” Nu had een zinvolle analyse kunnen zijn als de coördinator had bedacht dat het misschien waardevol was de hand uit te steken naar een van de partijen, maar in een zwart-wit wereld is praten met gelabelde terroristen uitgesloten. Enkele maanden later strijden ISIL en JN gezamenlijk tegen de Verenigde Staten en zijn bondgenoten. Eigenlijk is ambtenaar blij met zoveel dreiging, de aandacht in de media wordt alleen maar groter. Het gebrek aan analyse is ook zichtbaar in de beschrijving van het conflict tussen soennieten en sjiieten. Over Irak schrijft de NCTV dat “de ontwikkelingen kunnen leiden tot een burgeroorlog tussen de soennieten en sjiieten in Irak.” De burgeroorlog was allang aan de gang, eigenlijk sinds 2004 toen de Amerikanen huishielden in Fallujah. Na het vertrek van de Amerikanen in december 2011 escaleerde de oorlog opnieuw. De discriminatie van soennieten, begonnen onder het Amerikaanse regime, nam grote vormen aan en uiteindelijk explodeerde de situatie. Vervolgens schrijft de terreur functionaris dat de “beelden van gewelddadigheden begaan door de ISIL wereldwijd hebben geleid tot een golf van verontwaardiging,” en is het beeld bevestigd dat er maar een partij het kwaad is, IS of eigenlijk de jihadistische beweging. Dat de eindeloze burgeroorlog in Syrië ook tot een tweestrijd leidt tussen de soennieten en de sjiieten en daarbij destabiliserend werkt voor de rest van de regio, dringt langzaam door tot de dienst. “De activiteiten van JaN en de ISIL richten zich ook op Libanon, een buurland van Syrië.” Het gaat hierbij om aanslagen op Hezbollahdoelwitten, een politieke partij waarvan de militaire tak wordt aangemerkt als terroristische organisatie. Hezbollah steunt het regime van Assad, net als Iran. Volgens de NCTV profiteert “het Assad-regime van de grote verdeeldheid onder de gewapende oppositie en de strijd van verschillende groepen tegen de ISIL,” maar weerhoudt het de dienst niet om vooral ISIL als het gevaar te zien, vooral omdat zij een “groot gebied in het Midden-Oosten” controleren, volgens de coördinator een “safe haven”. Een zogenaamd “safe haven” was een van de redenen om in te grijpen in Mali. En terwijl Nederland de Fransen ondersteunt, lijkt de veiligheidssituatie er niet veel beter op te worden: “Rebellengroepen alsmede jihadistische groepen blijven de veiligheidssituatie in Noord-Mali negatief beïnvloeden.” De ambtenaar pruttelt nog even dat het “de Afghaanse Taliban niet gelukt was om de presidentverkiezingen in Afghanistan van april en juni 2014 met grote aanslagen te verstoren,” maar voor de rest is er weinig positiefs aan dat front te melden: “Wel voerde de Taliban in de aanloop naar de verkiezingen terroristische aanslagen uit.” En in Jemen blijkt een drone oorlog ook niet echt een oplossing voor vrede: “De dreiging tegen de veiligheidsautoriteiten en westerse belangen in Jemen blijft onverminderd hoog.” Een minder eurocentristische houding zou de conclusie hebben getrokken dat de drone aanvallen voor de lokale bevolking ook ontwrichtend werken. Het zelfde geldt voor de Hoorn van Afrika inclusief Kenia. Ook daar is door de ‘internationale gemeenschap’ ingegrepen maar blijft “de positie van al-Shabaab in Somalië en Kenia sterk.” En de regio destabiliseert verder met Djibouti misschien als nog een dominosteen. Hoewel Boko Haram al enkele keren was genoemd leek de groep nog niet toegetreden tot de jihadistische cirkel van de NCTV, maar in mei ontvoert Boko Haram honderden leerlingen van een meisjesschool en dat “heeft geleid tot internationale ophef en bemoeienis.” Boko Haram is echter niet uit het niets ontstaan en heeft alles te maken met politieke leiders, legerleiding en een economisch beleid dat het westen door de jaren heeft gesteund. Het bestempelen van de groep tot het ultieme kwaad is niet de oplossing voor het conflict, maar eerder de oorzaak zoals AQAS, al-Shabaab, al-Qaida en de vele andere groepen laten zien. Ondertussen is Libië als volwaardig lid aan de lijst fronten van de wereldoorlog tegen terreur toegevoegd, evenals Egypte dat in 2014 door de coördinator wordt verrijkt met een nieuwe afkorting, ABaM of Ansar Bayt al-Maqdis. Geen woord over de militaire dictatuur, de slachting onder vreedzame betogers, de vele arrestaties, ook van journalisten, en de staatsterreur. Het is wachten op een opstand zoals IS, de coördinator is echter vooral bezig met de mogelijke westerse doelen. De dienst wijst ook naar het gevaar voor de burgerluchtvaart, maar kijkt zoals later blijkt al tijden de verkeerde kant op: “De aanwezigheid van manpads (Man-portable air-defense systems) bij ABaM en de capaciteit om deze te gebruiken, vormen een blijvend risico voor de burgerluchtvaart boven de regio.”

En dat die mogelijke doelen boven en in Europa kunnen liggen maakte de 29 jarige Fransman Medhi Nemmouche duidelijk. “Hij wordt verdacht van het neerschieten van enkele bezoekers bij het Joods Museum in Brussel op zaterdag 24 mei 2014.” De coördinator lijkt blij met deze aanslag van een terugkeerder: “De belangrijkste component van deze dreiging is de jihadgang vanuit nagenoeg alle westerse landen naar Syrië en de daaraan verbonden risico’s van terugkeerders.” Hij gaat echter nog verder want had hij niet gewaarschuwd voor grensoverschrijdende jihadisten in Europa. “De aanslag in Brussel bevestigt het grensoverschrijdende karakter en de ernst van de huidige jihadistische dreiging.” Die ernst is echter een probleem. Medhi Nemmouche was bekend bij inlichtingendiensten, niet alleen in Frankrijk, maar ook zijn rol bij IS in Syrië. Zijn ‘nom de guerre’ was Abou Omar en hij was de beul van IS, herinnert de Franse journalist Nicolas Hénin zich, die bijna een jaar gegijzeld was door IS. Voor de coördinator is het alleen “nog onduidelijk waarom de verdachte specifiek het Joodse museum in Brussel als doelwit uitkoos.” Vervolgens beschrijft de coördinator hoe slim Nemmouche heen en weer kon reizen tussen Syrië en Europa en in Europa, maar zegt daar niet bij dat de DCRI of DGSE de man in de gaten hield en dat die observatie net voor de aanslag in Brussel stopte. Vervolgens duurde het nog enige tijd voordat de douane en niet de inlichtingen- en opsporingsdiensten de man in het zuiden van Frankrijk arresteerde wat op zich ook opmerkelijk is. Wat er precies is gebeurd en wat er allemaal misging zal waarschijnlijk nooit duidelijk worden, probleem is dat dat de mythe vorming van de ‘evil jihad’ zal vergroten. De NCTV voert nog wel de arrestatie van Ibrahim Boudina op 11 februari 2014 op om te laten zien dat de Europese opsporings- en inlichtingendiensten wel degelijk effectief kunnen zijn. Ook in Engeland werd een man, Ian Forman, gearresteerd en veroordeeld voor het maken van explosieven en het plannen van aanslagen op moskeeën in de Merseyside area. Hij had extreemrechtse denkbeelden en haat tegen moslims op sociale media geuit en was opgevallen door zijn zoektocht naar handleidingen voor explosieven op het internet. Spanningen in de wereld zijn echter niet in te delen in twee kampen zoals de oorlog in Syrië, Irak of elders laten zien. De coördinator veegt Ian Forman op een hoop met Frazier Glenn Cross die in twee joodse gemeenschapshuizen in de Amerikaanse stad Kansas City drie mensen doodschoot. Misschien zijn beide extreem rechts, maar hun achtergronden zijn zeer verschillend en om ze beide te bestempelen als “gewelddadige eenlingen” is ook te eenvoudig want Frazier Glenn Cross was een voormalig leider van de Ku Klux Klan.

DTN-37 / 12 november 2014

Gelukkig gaat de laatste DTN van 2014 weer helemaal over het jihadisme. De dienst kan het bijna niet meer bijbenen: “De ontwikkelingen in het Midden-Oosten gaan zo snel dat verschillende andere regionale conflicten, en veel daarmee samenhangend of opkomend jihadistisch geweld enigszins uit beeld dreigen te raken.” In DTN-36 schreef de NCTV vooral over Syrië en Irak en leek de rest van de fronten van de wereldoorlog tegen terreur te zijn vergeten. Volgens de coördinator ligt dat aan de “versnelling in de dynamiek tussen de conflicten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, de daar opererende jihadistische groepen en jihadistische bewegingen in het Westen.” De beperkte analyse die de dienst besteedt aan de situatie is simpel: “regionale conflicten en hernieuwd zelfvertrouwen” jagen de boel aan. Ook gebruiken jihadisten sociale media, al is daar al tien jaar sprake van in de DTN’s en is het “jihadistische wereldbeeld nog steeds levensvatbaar binnen Westerse democratieën.” Er is na tien jaar wel enig inzicht gekomen in het functioneren van de dienst zelf: “Westers overheidsoptreden tegen het jihadisme en de recente geweldescalatie tussen het Westen en jihadistische groepen in Syrië en Irak lijken deze dynamiek eerder te versnellen dan te temperen.” De dienst blijft het gelukkig allemaal jihadistische strijdgebieden noemen zodat het zwart-wit denken in stand blijft. Het oude rijtje Jemen, Afghanistan, Irak, Mali, Somalië was al uitgebreid met Libië, Egypte en Nigeria, maar de coördinator voegt daar in deze DTN ook Algerije, Tunesië, Kenia, Libanon, Jordanië, delen van Zuid-Azië en zelfs Turkije en Saoedi-Arabië aan toe. De coördinator spreekt over een “spill-over effecten van de daar voortwoedende conflicten naar buurlanden zoals Turkije, Jordanië en Libanon. ” Bij de conflicten gaat het om Irak en Syrië, Jemen en Egypte wordt daarbij niet genoemd, maar de coördinator erkent dat de instabiliteit ook gemakkelijk kan overslaan zoals in Irak gebeurde. Bij de passages over Irak gaat het alleen over het feit dat “de deelname van Nederland aan de militaire coalitie die in Irak tegen ISIS vecht, Nederland nadrukkelijker in beeld heeft gebracht bij jihadisten.” Het gevaar schuilt natuurlijk onder de “uitreizigers en terugkeerders”, maar nu ook onder de “niet-uitgereisde jihadisten” of mogelijk nog niet uitgereisde jihadisten. Wel spreekt de ambtenaar over “het Amerikaanse offensief”, geen woord over de mensenrechten schendingen door de groepen die Nederland steunt wel over de mensenrechten schendingen door IS. De dienst meldt wel dat “ISIS gebruik maakt van extreem geweld tegen burgers en tegenstanders, hetgeen een grote vluchtelingenstroom heeft veroorzaakt.” Opnieuw vermeldt de coördinator niet dat er al miljoenen vluchtelingen waren voor de opkomst van IS. De NCTV vermeldt de onthoofdingen en de opgevoerde militaire campagne van de Amerikanen. Terwijl Nederland meedoet aan de bombardementen van door de Amerikanen gekozen doelen stelt de dienst dat het “niet duidelijk is welke effecten dit op de slagkracht van ISIS en het ‘kalifaat’ gaat hebben”. Dat kalifaat versterkt volgens de coördinator “de verdeeldheid binnen de wereldwijde jihadistische beweging.” Volgens de dienst kan de “onenigheid binnen de jihadistische beweging tussen kern al Qa’ida en ISIS een dreigingsverhogende factor zijn”. Daarbij gaat het natuurlijk alleen om de dreiging voor het Westen en “daarmee mogelijk ook Nederland.” De onenigheid tussen kern-AQ en IS (Islamitische Staat) is sinds maanden een favoriet thema van de coördinator, maar het is onduidelijk waarom. De jihadistische veenbrand lijkt zich razendsnel te verspreiden, de coördinator moet dat ook onderkennen. De ruzie tussen kern-AQ en IS lijkt door de bombardementen van de Amerikanen en hun Nederlandse vriendjes niet echt aangewakkerd, maar eerder verminderd. Grote groepen strijders van andere groepen ondersteunen IS nu in hun strijd tegen de Amerikanen en hun bondgenoten. De situatie wordt nog complexer als bedacht wordt dat diezelfde Amerikanen met hulp van de Israëli strijders van Jabhat al Nusra (JaN) steunen met wapens en munitie, waarbij de vraag zich oproept waar die wapens uiteindelijk belanden. Heel langzaam ontstaat er een palet zoals dat tijdens de oorlog tegen de Russen in de jaren tachtig te zien was met de door de Amerikanen gesteunde Moedjahedien en een door de Russen gesteunde regering. Alleen is de situatie in Syrië nog complexer en explosiever dan de situatie in Afghanistan toen er al veel strijdgroepen waren die door diverse landen waaronder ook Iran en Saoedi-Arabië werden gesteund. Nederland doet nu mee aan een totale burgeroorlog in twee landen die vermengd is met de wereldoorlog tegen terreur en diverse proxy oorlogen. Om aan te geven dat die wereldoorlog nog steeds op onze stoep kan komen te staan, onderstreept de ambtenaar nogmaals het gevaar van terugkeerders, uitreizigers en niet-uitgereisden. Om met de terugkeerders te beginnen refereert de dienst aan Noorwegen: “In Noorwegen was er eind juli 2014 tijdelijk sprake van een ISIS-gerelateerde terroristische dreiging.” Waarom het tijdelijk was, wat er aan de hand was en hoe ernstig mag de lezer niet weten. Blijkbaar had een buitenlandse inlichtingendienst gemeld dat er ‘terugkeerders’ op reis waren richting Noorwegen en dat zij van plan waren om een aanslag te plegen. Waarom dit tot een verhoogde staat van paraatheid met duizenden politiefunctionarissen en militairen heeft geleid wordt niet duidelijk. Of het met de missers ten aanzien van de aanslagen van 2011 te maken heeft wordt ook niet duidelijk. Of er überhaupt een dreiging was blijft in het midden. En dan zapt coördinator Schoof naar Australië en zegt dat “de Australische autoriteiten twee separate terroristische plots voorkomen die beide aan ISIS of ISIS-aanhangers gerelateerd kunnen worden.” Daar werden 800 overheidsfunctionarissen ingezet om 15 personen aan te houden waarvan er een in isolatie is geplaatst. Volgens de advocaten van de verdachte Omarjan Azari is het enige bewijs van de overheid een verkeerd vertaald telefoongesprek. Of dit waar is of niet maakt eigenlijk niet uit, maar de vraag is of de dreiging reëel is en op zijn minst zou de overheid daarover kunnen communiceren. Communicatie en informatie ontbreken vaak bij aanslagen. Ook bij de nieuwe categorie ‘jihadisten’ de niet-uitgereisden zoals de coördinator een nieuwe dreiging identificeert naar aanleiding van “twee gevallen van aanslagen door vermoedelijke jihadisten op militairen” in Canada. De niet-uitgereisde Canadezen die de aanslagen pleegden waren volgens de NCTV “jihadisten, die in eigen land geradicaliseerd waren”, “vermoedelijke jihadisten” en “niet-uitgereisde jihadisten”. Zoals altijd bij terroristische aanslagen zijn er veel onbeantwoorde vragen, zoals hoe Michael Zehaf-Bibeau, de schutter bij het oorlogsmonument en in het parlement, in het bezit is gekomen van een jachtgeweer en auto terwijl hij in de daklozen opvang verbleef en een flink strafblad had. Ook is er opnieuw de vraag wat voor kennis opsporings- en inlichtingendiensten hadden met betrekking tot Michael Zehaf-Bibeau en de andere verdachte van een aanslag met een auto, Martin Couture Rouleau. Beide mannen waren bekend bij de overheid. En dan zijn we weer terug bij de aanslag in Brussel door Mehdi Nemmouche die volgens de coördinator duidelijk maakt dat “teruggekeerde jihadisten min of meer eigenstandig besluiten een aanslag te plegen in eigen land of daarbuiten.” Op basis waarvan de ambtenaar tot deze conclusie is gekomen wordt niet duidelijk, het is gewoon waar en de dreiging is echt want “dat komt tot uitdrukking door allerlei aanhoudingen.” De coördinator stelt dat “begin oktober een ISIS-gerelateerd plot in het Verenigd Koninkrijk door de politie werd opgerold.” Nu werden er vier mannen in Engeland gearresteerd. Een werd al snel vrijgelaten en de drie verdachten van een mogelijke terroristische aanslag zullen tot april 2015 in voorarrest zitten. Veel duidelijk is er niet en het is nogal voorbarig deze verdachten al af te schilderen als terroristen, al is een voorarrest van zes maanden al een straf van formaat. En die aanhoudingen vinden niet alleen in België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk plaats maar ook in Nederland Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland en Spanje. Welke dreiging er van de verdachten is uitgegaan wordt niet duidelijk, want “in algemene zin betroffen de aanhoudingen personen die in Syrië waren geweest, van plan waren om naar Syrië af te reizen of financiële steun zouden hebben verleend aan terroristische organisaties.” Met de arrestaties van de families in Huizen in gedachten, die uit elkaar werden gerukt, kinderen in pleeggezinnen geplaatst, is de vraag van wie de dreiging eigenlijk komt, van deze mogelijke uitreizigers of van de staat.

Laten we bij de laatste arrestaties beginnen. Twee echtparen met kinderen zouden volgens de overheid op het punt staan naar Syrië te vertrekken. Er vindt een terreuroperatie plaats. Deze arrestaties vloeien voort uit tien jaar dreigingsbeeld. Na de netwerken waren het de jihadisten, de uitreizigers, de terugkeerders, de niet-uitgereisde jihadisten en de mogelijk nog niet uitgereisde jihadisten. Het klinkt allemaal als de woorden van Donald Rumsfeld die hier al eerder bij de dreiging in 2006 werden aangehaald: “There are known knowns. These are things we know that we know. There are known unknowns. That is to say, there are things that we know we don’t know. But there are also unknown unknowns. There are things we don’t know we don’t know”. In potentie is iedereen een gevaar, zelfs de kinderen, hoe jong ook. Een overheid die op deze wijze zegt ‘terreur’ te bestrijden is niet alleen de weg kwijt, maar is zelf terreur. Er was geen directe dreiging in de zin van een mogelijke aanslag op wandelaar, fietser, auto, bus, trein, vliegtuig of een ander mens of object. Er was ook geen informatie ten aanzien van een directe aanslag op een al dan niet mogelijk doel. Er was alleen het gerucht dat de families Nederland zouden willen verlaten. Dat lijkt na deze staatsterreur meer dan logisch, zou je in een land willen leven waar de wens om naar elders te verhuizen al genoeg is om als terrorist te worden bestempeld?
De dienst is bezig met families die willen verhuizen naar een regio die in oorlog is. Nu kun je daar bezwaar tegen hebben, maar om hen meteen lidmaatschap van een terroristische organisatie aan te wrijven lijkt gebaseerd op een zwart-wit denken dat Syrië in twee kampen deelt, als je niet met ons bent dan ben je een terrorist ( “if you are not with us you are with the terrorists”). Nu is dat allemaal erg lastig in Syrië maar waar ook ter wereld eigenlijk. De partijen zijn legio. Er is dictator Assad met zijn aanhang, vaak ook lid geweest van de as van het Kwaad, zoals de Amerikanen het versimpelen. Dan zijn er de Koerden, vaak ook gelabeld als terroristen zoals de PKK. En diverse andere groepen al dan niet gesteund door het ‘westen’, Iran, Saoedi-Arabië of een ander land. Dan zijn er de Amerikaanse en ‘onze’ bombardementen met hun vele burgerslachtoffers. Allemaal partijen met bloed aan hun handen, dus misschien is afreizen naar een streek in oorlog niet de beste optie voor kinderen, maar is dat terroristisch en past daar een operatie bij die mensen alleen maar vervreemdt van enige rechtsorde?
In die dreigingsdenktrant is de dienst bezig met die families terwijl een van haar taken ook is de bescherming van de burgerluchtvaart. Stel nu dat er een bericht was binnengekomen dat vliegtuigen bij bosjes uit de lucht zijn geschoten in Oost Oekraïne, wat zou dan een gepaste reactie zijn geweest? Waarschijnlijk het tot nader order vermijden van het gebied, want je weet nooit. En zou die houding eigenlijk ook niet een logische analyse zijn geweest van een gemiddelde krantenlezer ten aanzien van de situatie in Oost Oekraïne? Die had dat misschien al eerder geconcludeerd, aangezien de raketten daar al langer door de lucht vlogen. Was een verschil van enkele kilometers een oplossing? In theorie wel, maar aangezien het gebied zich ontwikkelde tot een volwaardige burgeroorlog en tevens dreigde te worden opgeschaald tot een oorlog tussen grootmachten, had een verstandig nuchter denkende ambtenaar voorgesteld om tot nader order het gebied te mijden, je weet immers maar nooit.
Een ambtenaar die angst en terreur zaait zal dat niet bedenken, die is bezig met legergroen op straat, met het toeschrijven van elk incident aan een steeds groter wordend jihadistische leger en het achtervolgen van kinderen die naar Syrië willen vertrekken. Daarom is het ook interessant dat de ambtenaar geen woord vuil maakt aan Oekraïne in zijn dreigingsbeelden van 2014 want dat past niet in het denken van islamitische terreur die de wereld verovert. Nee, Syrië en Irak staan in brand en dat heeft een aanzuigende werking, uitstralende werking, dat slaat op ons terug. Wensdenken van een paranoïde terreur ambtenaar. Helaas voor de dienst stonden die landen al langer in brand en mede door toedoen van het westen is het niet meer een brand, maar is de boel geëxplodeerd. Natuurlijk alleen maar goed voor de dienst die daarom namens Schoof stelt dat we niet paranoia moeten zijn, maar wel alert. Wat dat inhoudt blijft duister? Is iedereen plots inlichtingen- en opsporingsambtenaar in dienst van de dienst. Het lijkt erop alsof de coördinator al tien jaar in een waan van zwart-wit denken leeft. Een Amerikaanse wereld die democratie zou brengen in landen als Afghanistan en Irak. Landen die in tien jaar dreiging niet meer weg te denken zijn uit de DTN’s. De dienst is allang niet meer alert, maar uitermate paranoia, levend in een waan die de veiligheid in gevaar brengt. MH17 is daar het voorbeeld van.

Buro Jansen & Janssen, 25 maart 2015

artikel

artikel als pdf

De jihadistische angstvisioenen van de NCTV (internationaal) (kort)

De Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) is allang niet meer alert, maar uitermate paranoia, levend in een waan die de veiligheid in gevaar brengt. MH-17 is daar het voorbeeld van.

Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland (DTN) worden gekenmerkt door een hitserigheid van een blogtekst of tweet zonder duidelijke bronvermelding en achtergrond. Het lijkt veel weg te hebben van een mening over de toestand in de wereld, een soort G.B.J. Hiltermann. Een mening die niet bedoeld is om angst weg te nemen, want een aanslag is immer voorstelbaar, reëel en wij zijn eigenlijk altijd voorkeursdoelwit en soms gelegenheidsdoelwit.

Wie tien jaar DTN doorspit, weet niet meer dan wat internationale kranten over mondiale zaken hebben gepubliceerd, enkel nog meer gestript van elke vorm van verdieping, duiding, analyse. De internationale context van het dreigingsbeeld wordt gepresenteerd zonder achtergrond, zonder duidelijke beredenering van verbanden, zonder bronnen, zonder concrete aanwijzingen. Maar met veel geruchten, berichten, voorstelbaarheden, aannemelijkheden en andere vage veronderstellingen over mogelijke gevaren zonder enige aanwijzing.

Aanslagen, brandstichtingen, mislukte aanslagen en complotten worden gepresenteerd als strijdmomenten op het wereldwijde battlefield. De rol van opsporings- en inlichtingendiensten wordt nooit nader benoemd, geanalyseerd, doorgrond. Ook discrepanties in de officiële versies van de incidenten komen niet aan de orde. We zijn steeds door het oog van de naald gekropen. Ook wordt er nergens rekenschap gegeven van de ‘collateral damage’, de vele burgerslachtoffers bij standrechtelijke executies in de zogeheten jihadistische strijdgebieden. We zijn in oorlog en bang en alles lijkt geoorloofd. De internationale terreur van het dreigingsbeeld.

Us against them

Waarom wordt het internationale nieuws in de NDT’s doorgenomen? Het antwoord van de NCTV is dat er een directe link is tussen groepen als al-Qaida, IS en radicale moslims in Nederland. Radicalisering via het internet, middels aanzuigende werking, terugkeerders, jihadgangers, wereldnieuws in het teken van radicalisering in Nederland, gekoppeld aan aanslagen.

Is er meer dan wereldnieuws in de vorm van vette koppen dat in de DTN’s wordt vastgelegd? Nee, wat er ter plaatste aan de hand is, is niet meer interessant. Het perspectief zijn de jihadistische strijdgebieden die de slagvelden van de mondiale oorlog tegen de terreur voorstellen. Lokale historie, omstandigheden en ontwikkelingen zijn niet van belang. Er wordt een bipolaire wereld geschapen, ‘us against them’, ‘you are with us or with the terrorists.’

Wordt duidelijk of inlichtingenbronnen of inlichtingen analyses een extra dimensie geven aan het dreigingsbeeld? In tien jaar dreiging wordt niet gepoogd grip te krijgen op de groeiende veenbrand die in het Midden-Oosten en noordelijk Afrika woedt. Er wordt gesproken over de-radicalisering, het tegen gaan van extremisme en polarisatie alsof het ziekten zijn, maar de eigen radicalisering van de dienst en van de Nederlandse overheid in relatie tot de war on terror en ten aanzien van de battlefields wordt niet onderzocht.

Overstijgt het internationale deel van de dreiging het niveau van een tweet over Poetin, Russisch materieel in Oost-Oekraïne, militaire vliegtuigen die uit de lucht zijn geschoten, protesten in Irak, de slag om Raqqa of ontwikkelingen in Noord-Mali? Nee, sommige aanslagen worden afgedaan met één regel, enkele incidenten krijgen meer aandacht, meestal om het eigen gelijk van de dienst aan te tonen. Zoals ‘terugkeerders’ die iets gedaan hebben en daarom het grote gevaar vormen.

De indruk ontstaat dat Europa onder vuur ligt, maar dat heeft vooral te maken met de voorkeur bij de NCTV. Alles buiten Europa, Canada, de VS en Australië wordt slechts zeer beperkt aangestipt, tenzij er een westerling slachtoffer van een aanslag of ontvoering is geweest. Wat voor indruk laat de terreurdienst achter ten aanzien van de ‘eigen’ inlichtingen verzameling, het uitwisselen van data tussen diensten onderling en de aanwezigheid van goede analisten die in staat zijn het diverse materiaal te duiden? Zou het bijvoorbeeld hebben uitgemaakt als de diensten die de NCTV coördineert een afgevaardigde in Kiev (MH-17) zouden hebben gehad?

Politiek document

De inlichtingen die de dienst presenteert, hebben het karakter van korte nieuwsberichten met zwaar aangezette koppen. Natuurlijk stelt de dienst dat in het kader van de ‘veiligheid van de staat’ het niet mogelijk is om bronnen te vermelden, alle inlichtingen prijs te geven en specifieker te zijn over gebeurtenissen. De terreurdienst krijgt haar informatie uit handen van politie- en inlichtingendiensten die hun informatie weer betrekken van buurtagenten, regionale en criminele inlichtingendienst medewerkers, geheime diensten van landen en andere bronnen. Ongeveer 70 tot 80 procent van de informatie is afkomstig uit openbare bronnen zoals kranten, lokale bladen, Facebook, Twitter, internet.

Het bipolaire wereldbeeld van de NCTV beïnvloedt het dreigingsbeeld zodanig dat twijfel, nuance en perspectief volledig ontbreken, vandaar de blinde vlek voor Oekraïne, de blinde vlek ten aanzien van de controle op wapenvergunningen, de blinde vlek voor de economische crisis. Alles is jihad en dreiging is synoniem aan radicaal jihadistisch extremisme. Hebben DTN’s daarom het karakter van een jaarverslag van een inlichtingendienst? Ja, misschien iets specifieker, maar verwacht geen nauwgezette informatie, duidelijke analyse, duiding of verdieping.

Een DTN is een dreigingsbeeld, een soort jaarverslag van de geheime dienst over de gevaren voor de staat, een soort weerbericht, waarbij een regenbui voorspelbaarder is dan de mogelijke gevaren of een aanslag. Iedere trouwe krantenlezer kan het zelf schrijven, en met een beetje politiek gevoel ook nog diverse politiek groepen, bewegingen of etnische gemeenschappen aanwijzen als zijnde ‘staatsgevaarlijk’.

Jaarverslagen van inlichtingendiensten zijn over het algemeen zeer vaag. Ze wekken de indruk dat de diensten veel weten, maar geven geen enkel inzicht in de werkelijke aard van die kennis. Het DTN lijkt daarop, al ontbeert het de typisch cryptische geheime dienst taal. Uiteindelijk zijn jaarverslagen van inlichtingendiensten en dreigingsbeelden politieke documenten, want de term staatsgevaarlijk is een rekbaar begrip in verschillende politieke contexten.

Potentieel jihadisme

Er vanuit gaande dat inlichtingendiensten een groot deel van hun informatie uit openbare bronnen putten, moet geconcludeerd worden dat eigenlijk steeds weer dezelfde set aan bronnen wordt geraadpleegd. Bronnen die het gevaar, de dreiging en de potentie van het jihadisme onderstrepen. Analyses die trachten anders aan te kijken tegen de ‘oorlog tegen de terreur’ zijn niet terug te vinden in dreigingsbeelden.

Daarnaast valt op dat de internationale component in het dreigingsbeeld van het ministerie van Veiligheid en Justitie groot is in verhouding tot de nationale component. Al-Qaida, al Nusra of een andere club zet in een online magazine (Inspire bijvoorbeeld), op sociale media of een live podcast dat Geert Wilders opnieuw de islam beledigd heeft en daarom onthoofd moet worden of dat Nederland gestraft moet worden. Deze tweet, fatwa, artikel of opmerking vindt zijn weg naar het eerst volgende DTN.

Probleem bij deze internationale context is dat de vraag in hoeverre er een relatie is met een dreiging voor Nederland onduidelijk is. In DTN-4 wordt bijvoorbeeld een fatwa van Abu Musab al-Suri aangehaald. Deze Syrische Spanjaard, geboren onder de naam Mustafa bin Abd al-Qadir Setmariam Nasar, zou in Pakistan zijn gearresteerd en door de Amerikanen aan Syrië zijn uitgeleverd waar hij nog gevangen zit. De coördinator schrijft dat ‘de authenticiteit van deze op internet geciteerde fatwa vooralsnog niet bevestigd kan worden’, maar is alvast in het DTN opgenomen, want de fatwa wordt door ‘veiligheidsautoriteiten serieus genomen.’

Dat is helder, deze fatwa wordt vermeld in het dreigingsbeeld, maar als de authenticiteit niet is gecheckt, wat zegt dit dan over de dreiging? Wat is het nut de fatwa op te nemen in het dreigingsbeeld? Bericht de coördinator ook in het volgende DTN dat de authenticiteit van de fatwa al dan niet is vastgesteld? Nee, de terreurdienst bericht niet langer over deze fatwa en ook niet over de heer Abu Musab al-Suri die blijkbaar zijn dreigingsdoel voor de terreurdienst heeft vervuld. Abu Musab al-Suri komt nooit meer in de dreigingsbeelden terug, zelfs zijn arrestatie en de uitlevering aan dictator Assad niet.

Voorstelbaar

Maak uzelf gek, lijkt het devies van de opstellers van het DTN. Dat de Nederlandse aanwezigheid in Afghanistan, Irak of Mali een directe bedreiging is voor de militairen aldaar (‘Nederlandse belangen’) is volstrekt logisch. ‘Wij’ doen namelijk mee aan een oorlog, een oorlog tegen de terreur, een burgeroorlog. In een oorlog vallen slachtoffers, vooral burgers, maar soms ook militairen. In Afghanistan en Irak woedt vooral een Amerikaanse oorlog, in Mali een Franse.

Dat burgerslachtoffers onder de Afghaanse bevolking door toedoen van Nederlandse militairen direct zullen leiden tot een massaslachting in het Utrechtse winkelcentrum Hoog Catharijne, is minder voorstelbaar, hoewel niet onaannemelijk. De broer van een slachtoffer zal heel boos zijn en de Nederlanders wat aan willen doen, maar pakt hij ook meteen een Kalasjnikov in de hand en de bus naar Nederland?

Het woord voorstelbaar komt regelmatig voor en ja, als Nederland blijft meedoen aan de ‘war on terror’ dan is alles heel voorstelbaar aangezien deze oorlog geen grenzen kent, want voor ‘ons’ heeft het geen grenzen dus voor de ander, de tegenpartij, ook niet. Nederland neemt deel aan een wereldwijde oorlog. Ook ambassades, bedrijven, toeristen die werken of verblijven in landen als Jemen en Libië zullen een groter gevaar lopen betrokken te raken bij schietincidenten of aanslagen. Allemaal heel voorstelbaar aangezien er in die landen sprake is van een burgeroorlog.

Betekent dat ook dat het gevaar direct op Nederland is te betrekken? Syrië ligt op ruim 3.000 kilometer afstand van ons land, Libië op ruim 2.000 kilometer. Grote afstanden die misschien wel overbrugt worden door zogenoemde terugkeerders, maar zijn dat dan ook meteen aanslagplegers die de burgeroorlog willen verplaatsen? Voegt het opschrijven van de mogelijkheid, de voorstelbaarheid of reële kans op een aanslag iets toe aan het idee van de dreiging?

Gebeurtenissen elders hebben niet meteen hun weerslag in Nederland, meestal niet. Ebola in West-Afrika betekent niet meteen dat hier de epidemie om zich heen slaat, zelfs niet als iemand ziek wordt. Ditzelfde geldt voor bedreigingen. Bij ebola wordt geprobeerd de angst in te dammen, bij de vermeende dreiging wordt alles uitvergroot, de diensten en de industrie zijn daarbij gebaat. Hoe meer angst hoe beter.

Krachtmeting

De NCTV begon haar werkzaamheden in 2004, het jaar waarin Theo van Gogh werd vermoord en ondertussen Madrid hard werd geraakt als gevolg van aanslagen op treinen. In het eerste DTN komen deze aanslagen nog even terug in de vorm van een overzicht van de mogelijke targets (onder het kopje doelwitten), hard targets (diplomatieke en militaire objecten), soft targets (zoals het WTC in New York) en ‘doelwitkeuze zonder precedent’ (Theo van Gogh).

Bij de omschrijving van doelwitten wordt opnieuw niet vermeld dat we in principe in oorlog zijn, ‘in oorlog met terreur’, als dat al mogelijk zou zijn. Nederland heeft nooit afstand genomen van het Amerikaanse beleid. Na de invasie van Irak was Nederland er als de kippen bij om naast de Amerikanen actief mee te doen, ook al speelden we geen rol bij de directe invasie.

De oorlog tegen de terreur is een eindeloze oorlog, want terreur kan in wezen alles zijn. Wilders noemde in 2005 Marokkaanse Nederlandse jongeren al straatterroristen. We lopen daarom dagelijks door een oorlogsgebied, de wereld. De NCTV presenteert die dreiging alsof het westen geen rol speelt bij het creëren van het gevaar, alsof wij slechts slachtoffers zijn.

Aan de andere kant probeert de terreurdienst een soort strijd aan te gaan met een andere partij. De dreigingsbeelden schetsen het beeld alsof Nederland aan het armpje drukken is met al-Qaida, vaak kern al Qa’ida of kern-AQ genoemd. Het gaat dan om het duo Bin Laden al Zawahiri alsof het om een nieuw cabaretduo gaat, maar de coördinator is bloedserieus. Wat deze krachtmeting met de veiligheid in Nederland te maken heeft, is onduidelijk. Het lijkt er vooral op dat de NCTV de krachtmeting tussen de Amerikanen en al-Qaida probeert na te bootsen.

Bij die krachtmeting heeft de VS laten zien dat zij internationaal recht en mensenrechten aan de laars lapt. Dat die krachtmeting misschien tot gevolg heeft gehad dat Saddam Hoessein na tientallen jaren van Amerikaanse steun is opgehangen, en dat de Taliban is verdreven na tientallen jaren van Amerikaanse steun in de oorlog tegen de Russen, lijkt schril af te tekenen tegen de totale chaos die zich nu ontvouwt in Afghanistan, Irak en andere delen van het Midden-Oosten en noordelijk Afrika.

De unknown unknowns

Vanuit het standpunt van de ‘Rule of Law’, iets dat de laatste jaren in de dreigingsbeelden regelmatig ter sprake komt, is de samenwerking van Nederland met mensen, groepen en staten met een twijfelachtige status opvallend. In de Afghaanse oorlog van 2001 ondersteunden de Amerikanen met Nederlandse steun mensen als Abdul Rashid Dostum, Haji Muhammad Muhaqqiq, Abdul Rasul Sayyaf en Abdul Malik Pahlawan. Personen die bekend staan om hun terreur tegen de burgerbevolking in de gebieden die zij controleerden, en de vele mensenrechtenschendingen.

Eenzelfde cyclus van terreur lijkt zich in de afgelopen jaren opnieuw te herhalen door de nauwe samenwerking met dictaturen als Algerije, Saoedi-Arabië, Egypte en staten met een erbarmelijke mensenrechtenstatus, denk aan Jordanië, Turkije en Marokko. De NCTV-coördinator heeft het over bekende en onbekende dreigingen in de oorlog tegen de terreur van de kant van de terroristen, maar diezelfde Rumsfeld’s unknown unknowns doen zich voor bij de partners van contraterrorisme, namelijk de voorstelbare martelingen, standrechtelijke executies, doodseskaders, oneerlijke processen. Uiteindelijk zullen de unknown unknowns diep in het Nederlandse beleid sluipen.

Die unknown unknowns doen zich bij elke aanslag voor, maar niet in de vorm van de plegers, maar van de grote onbekende, de rol van opsporings- en inlichtingendiensten. In Madrid 2004 vielen 191 doden en naast veel meer ongerijmdheden bleek het dynamiet dat bij die aanslagen is gebruikt afkomstig van een politie-informant. Dit soort onbekende maar voorstelbare ongerijmdheden komen meestal niet aan het licht, in Spanje wel omdat daar een parlementair onderzoek naar de aanslagen heeft plaatsgevonden.

In Mumbia vielen bij diverse aanslagen in 2008 in totaal 164 doden. Daarbij zijn vragen gerezen ten aanzien van de rol van een Amerikaanse DEA-agent David Headley, die later weer in een ander terreurcomplot zal opduiken. Was hij een dubbelagent, bespeelde hij de Amerikanen, vertelde hij hen niet de volledige waarheid, of werd hij zelf bespeeld? De waarheid betreffende deze unknown unknows zal waarschijnlijk pas over vele jaren bekend worden, als overheidsorganen die waarheid al willen prijs geven.

Relatief weinig veroordelingen

Die grote onbekende is ook de melder van een terroristisch plot, waar de inlichtingendiensten en de politie massaal op los gaan. In de afgelopen tien jaar zijn hiervan in eigen land veel voorbeelden te vinden, van het Rotterdamse havenplot (juli 2005) tot aan het Ikea plot (2009) en het Somalische belhuis plot (2010).

In het buitenland vinden dit soort arrestaties ook regelmatig plaats. De Spaanse krant Infolibre becijferde dat slechts 10 procent van alle arrestaties op grond van terrorisme sinds 11-M (11 maart 2004) tot begin 2013 in Spanje hebben geleid tot een veroordeling. Veel van de mensen die niet worden veroordeeld, zitten net als de veroordeelden vaak maanden of jaren in voorarrest vast, zonder vorm van proces. En als ze dan veroordeeld worden, hangt er een zweem van ‘in de val gelokt’ rondom de zaak.

In Amerika is de rol van de FBI via informanten en infiltranten die mensen voorzien van plannen, wapens en explosieven bij terreurcomplotten gedocumenteerd in het boek The Terror Factory: Inside the FBI’s Manufactured War on Terrorism. In Spanje oordeelde de Spaanse Hoge Raad dat verdachten weinig motivatie hadden voor het plegen van een aanslag. Zij werden wel veroordeeld, maar kregen lagere straffen dan verwacht voor het vermeende transnationale netwerk. En vanwaar besteedde de Spaanse Hoge Raad aandacht aan het ‘gebrek aan motivatie’, wat betekent dat voor de werkelijke waarde van het terreur plot?

Bij een dreigingsanalyse past niet het vermelden van het bestaan van een transnationaal terrorismenetwerk met tentakels vanuit Marokko, Algerije en Pakistan tot in de diepste uithoeken van ons land, gelet op de opmerkingen van de NCTb over Algerijnse, Marokkaanse of Pakistaanse netwerken. Het zet aan tot polarisatie en het bejegenen van andere Nederlanders met achterdocht en haat. Het is des te kwalijker als die netwerken ook nog niet eens echt blijken te bestaan, maar slechts gebaseerd op geruchten of hersenspinsels van de terreurdienst zelf.

Context

Context is het woord dat als een rode draad ontbreekt in de dreigingsbeelden. Context is duiding, inzicht in de personen die als verdachten zijn gearresteerd, een beeld van de ‘mogelijke tegenstanders van het westen.’ Zonder context bestaat er slechts een spookbeeld van een ongedefinieerde ander, een duivel, een kwade genius, de as van het kwaad met gevaar, dreiging, angst en oorlog tot gevolg. Zonder analyse wordt de wereld plat, tweedimensionaal, verworden alle Jemenieten tot al-Qaida strijders en is er geen interesse meer voor wat er in die zogenoemde jihadistische strijdgebieden gebeurt.

Analyse en duiding van terroristische aanslagen is van essentieel belang. Het is daarbij vaak schimmig wat er is gebeurd en wie ervoor verantwoordelijk is. Bij een aanslag op een bus met Israëlische toeristen in Bulgarije schrijft de coördinator dan ook: ‘Op dit moment is nog niet duidelijk wie achter deze aanslag zit.’ Een dergelijke zin komt zelden voor in de dreigingsbeelden van de afgelopen tien jaar, terwijl het meestal niet kraakhelder is.

Neem de Döner-Morde, oftewel NSU-Morde in Duitsland. Acht Turkse Duitsers, een Griekse Duitser en een Duitse agent worden tussen 2001 en 2006 vermoord, naar later zou blijken door een rechts-extremistische groepering. Bij toeval werden de verdachten in 2011 aangetroffen, twee dood en een in leven. Het lijkt zo eenvoudig, dit waren rechts-extremistische terroristen, maar dan blijkt dat een informant een belangrijke rol heeft gespeeld bij de moorden en dat inlichtingendiensten allerlei bewijsmateriaal hebben vernietigd. Plotseling wordt het allemaal veel complexer.

Publicaties van agenten van de Duitse inlichtingendiensten, zoals Geheime Informanten van Rolf Grössner, over de daden van de rechts-extremisten maken de situatie nog onheilspellender. Want waren nu die drie extreem-rechtse personen de terroristen of kwam het gevaar van een andere kant, van de inlichtingendiensten zelf die toekijken en niets doen zodra er strafbare feiten werden gepleegd?

De Döner-Morde maken duidelijk dat de wereld niet zwart-wit is, bij elk terreurplot is dit te zien. Want waarom wilde de zogenoemde lone-wolf Mohammed Merah van het Toulouse drama op het laatste moment bij de belegering van het appartement waar hij zich verschanst had, zijn DCRI (Franse AIVD) contactman spreken? Merah kan zijn verhaal niet meer navertellen, als hij dat al zou willen, de staat houdt de kaken stijf op elkaar. Wat rest is het beeld van een teruggekeerde jihadist die mensen doodschoot, de lone-wolf die toeslaat op scooter en met geweer, de terrorist die militairen en joden dood. Het bevestigt ons schrikbeeld, het dreigingsbeeld van de terreurdienst NCTV, maar is dat het verhaal?

Vernauwd bewustzijn

Verhalen die een vernauwd bewustzijn creëren van de wereld, een tunnel, waarin de vijftig grijs tinten niet meer zijn te ontwaren. Wat alleen zichtbaar wordt zijn de jihadistische kampen en vrijplaatsen, niet de achtergestelde Toearegs die strijden voor hun rechten. Wat alleen maar zichtbaar is, zijn de raketwerpers of man-portable air defense systemen (manpads) en niet de misschien moeizaam ontluikende democratie met Moslimbroeders in Egypte. Wat alleen maar wordt gezien is ISIL, ISIS of IS en niet de jarenlange onvrede onder de soennieten, hun vreedzame protest en de bloedige onderdrukking van demonstraties door de Iraakse regering met steun van het westen.

Het Westen, waaronder met name de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk, heeft decennialang een belangrijke rol gespeeld bij het in stand houden van dictaturen in het Midden-Oosten. Nederland heeft ook gebruik gemaakt van die onderdrukkende regimes, en doet dat nog steeds. Er werd lange tijd met het regime van Assad handel gedreven, er werden zelfs producten geleverd die gebruikt kunnen worden voor de productie van chemische wapens. Er wordt handel gedreven met Saoedi-Arabië. De dictatuur van Algerije is als verlicht despoot toegetreden tot de partners bij het contraterrorisme-beleid en de ‘Rule of Law.’

Dat dit woede opwekt, is niet langer een vraag maar een logisch gevolg van het gevoerde economisch en geopolitiek beleid. De meeste mensen zullen die boosheid nooit omzetten in daden. Sommigen misschien wel als zij het plan, de wapens en de explosieven door een informant of infiltrant krijgen aangeleverd, maar zelfs dan, zo laten de Amerikaanse voorbeelden zien, twijfelen veel mensen bij het plegen van geweld.

Wie de ‘Rule of Law’ écht serieus neemt, zal afstand moeten nemen van in ieder geval de VS. Om diverse redenen, zoals de drone bombardementen/standrechtelijke executies, Guantanamo Bay, martelingen, rendition, gebrekkig rechtssysteem gebaseerd op plea bargain en vele andere zaken. Maar internationaal gezien vooral om het ontbreken van de erkenning van het Internationale Strafhof. Misschien niet het meest effectieve deel van de Verenigde Naties, maar als je ‘Rule of Law’ serieus neemt, zou je kunnen stellen dat erkenning van het Strafhof een ‘must’ is.

Verwrongen wereldbeeld

Wie het internationale beleid van de VS volgt, dat ook nog samenwerkt met landen als Algerije en Saoedi-Arabië, krijgt een verwrongen beeld van de rechtsorde, een rechtsorde die gebaseerd is op een ‘wij-zij’ denken en niet op rechtsstatelijk denken, waarbij een onafhankelijke partij ingebracht bewijs beoordeelt voordat iemand geëxecuteerd wordt.

Wie ‘terreurbestrijding als mensenrechten bescherming’ definieert, zoals de NCTV doet, en tegelijkertijd met dubieuze partners die bestrijding uitvoert, legt eerder de nadruk op de strijd in plaats van mensenrechten. De rechtsorde is er dan niet meer, wat rest is een bipolaire wereld waar geëist wordt dat er gekozen wordt: ‘Either you are with us or you are with the terrorists.’

Neem een van de laatste arrestaties van 2014 in Nederland. Twee echtparen met kinderen zouden volgens de overheid op het punt staan naar Syrië te vertrekken. Er vindt een terreuroperatie plaats. Deze arrestaties vloeien voort uit tien jaar dreigingsbeeld. Na de netwerken waren het de jihadisten, de uitreizigers, de terugkeerders, de niet-uitgereisde jihadisten en de mogelijk nog niet uitgereisde jihadisten.

Het klinkt allemaal als de woorden van Donald Rumsfeld: ‘There are known knowns. These are things we know that we know. There are known unknowns. That is to say, there are things that we know we don’t know. But there are also unknown unknowns. There are things we don’t know we don’t know.’ In potentie is iedereen een gevaar, zelfs kinderen, hoe jong ook. Een overheid die op deze wijze zegt ‘terreur’ te bestrijden is niet alleen de weg kwijt, maar creëert zelf terreur.

Er was in het geval van de aangehouden gezinnen geen directe dreiging in de zin van een mogelijke aanslag op wandelaar, fietser, auto, bus, trein, vliegtuig of een ander mens of object. Er was ook geen informatie ten aanzien van een directe aanslag op een al dan niet mogelijk doelwit. Er was alleen het gerucht dat de families Nederland zouden willen verlaten. Dat lijkt na deze staatsterreur meer dan logisch. Zou je in een land willen leven waarbij de wens om naar elders te verhuizen al genoeg is om als terrorist te worden bestempeld?

MH-17

Het gekke is dat het contrast met het neergeschoten lijnvliegtuig MH-17 niet groter kan zijn. De NCTV is bezig met families die willen verhuizen naar een regio die in oorlog is. Nu kun je daar bezwaar tegen hebben, maar om hen meteen lidmaatschap van een terroristische organisatie aan te wrijven, lijkt gebaseerd op een zwart-wit denken dat Syrië in twee kampen deelt: als je niet met ons bent, dan ben je een terrorist (‘if you are not with us you are with the terrorists’).

Nu is dat allemaal erg lastig in Syrië. Je hebt dictator Assad met zijn aanhang, vaak ook lid geweest van de As van het Kwaad zoals de Amerikanen het versimpelen. Dan zijn er de Koerden, vaak gelabeld als zijnde terroristen zoals de PKK. En diverse andere groepen, al dan niet gesteund door het ‘westen’, Iran, Saoedi-Arabië of een ander land. Dan heb je ook nog de Amerikaanse en ‘onze’ bombardementen met hun vele burgerslachtoffers. Allemaal partijen met bloed aan hun handen, dus misschien is afreizen naar een streek in oorlog niet de beste optie voor je kinderen, maar is dat terroristisch en past daar een operatie bij die mensen alleen maar vervreemd van enige rechtsorde?

In die dreiging denktrant is de NCTV bezig met deze families, terwijl een van haar taken is de bescherming van de burgerluchtvaart. Stel nu dat er een bericht was binnengekomen dat vliegtuigen bij bosjes uit de lucht werden geschoten in Oekraïne, wat zou dan een gepaste reactie zijn geweest? Waarschijnlijk het tot nader order vermijden van het luchtruim boven dat gebied, want je weet maar nooit. De doorsnee krantenlezer zal dit vorige zomer al eerder hebben geconcludeerd, aangezien de raketten daar al langer door de lucht vlogen.

Zou een verschil van enkele kilometers in vliegroute voor MH-17 een oplossing zijn geweest? In theorie wel, maar aangezien het strijdtoneel in het gebied zich ontwikkelde tot een volwaardige burgeroorlog en tevens dreigde te worden opgeschaald tot een oorlog tussen grootmachten, had een verstandig en nuchter nadenkende ambtenaar gesteld om tot nader order het gebied te mijden.

Niet paranoïa maar alert

Een NCTV-coördinator die angst en terreur zaait, zal zoiets niet bedenken. Die is bezig met legergroen op straat, met het toeschrijven van elk incident aan een steeds groter wordend jihadistisch leger en het achtervolgen van kinderen die naar Syrië willen vertrekken. Daarom is het ook interessant dat de coördinator geen woord vuil maakt aan Oekraïne in zijn dreigingsbeelden van 2014 want dat past niet in het denken van islamitische terreur die de wereld verovert.

Om dezelfde reden maakte zijn voorganger geen woord vuil aan de slachting in het winkelcentrum in Alphen aan de Rijn in 2011 of 30 april 2009 in Apeldoorn. Nee, Syrië en Irak staan in brand en dat heeft een aanzuigende werking, uitstralende werking, dat slaat op ons terug. Wensdenken van een paranoïde terreurambtenaar. Helaas voor de NCTV stonden die landen al langer in brand en mede door toedoen van het westen is het niet meer een brand, maar is de boel inmiddels geëxplodeerd.

Natuurlijk alleen maar goed voor de NCTV, die dan ook namens terreurambtenaar Schoof stelt dat we in 2015 niet paranoia moeten zijn, maar wel alert. Wat dat inhoudt blijft duister. Is iedereen plots inlichtingen- en opsporingsambtenaar in dienst van de terreurdienst? Het lijkt erop alsof de coördinator al tien jaar in een waan van zwart-wit denken leeft. Een Amerikaanse wereld die democratie zou brengen in landen als Afghanistan en Irak. Landen die in tien jaar dreiging niet meer weg te denken zijn uit de DTN’s.

Buro Jansen & Janssen

Find this story at 25 March 2015

The article as pdf

Dubieus onderzoek van VU en NSCR naar cybercriminaliteit

Medewerkers van de Vrije Universiteit en het NSCR hebben in samenwerking met het Openbaar Ministerie ruim 2.000 personen geënquêteerd voor een onderzoek naar cybercriminaliteit. De respondenten is niet verteld dat zij benaderd zijn omdat zij als veroordeelden of verdachten te boek staan.

In juni dit jaar zijn allerlei mensen benaderd voor een onderzoek van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam en het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Het betreft personen die door het ministerie van Veiligheid en Justitie ervan worden verdacht zich in het verleden schuldig te hebben gemaakt aan enigerlei vorm van cybercriminaliteit, of daarvoor zijn veroordeeld. Dat wordt echter niet vermeld in de brief die is gedateerd van 15 juni 2015 en ondertekend door prof.dr. Wim Bernasco (VU Amsterdam/NSCR) en Marleen Weulen Kranenbarg, MSc (NSCR).

 

Het NSCR maakt deel uit van de NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Op haar website stelt de NSCR dat zij ‘zich toelegt op fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar criminaliteit en rechtshandhaving.’ Het instituut werd in 1992 opgezet door het toenmalige Ministerie van Justitie en de Universiteit van Leiden. Op dit moment wordt het NSCR mede gefinancierd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Vrije Universiteit.

 

Het onderwerp van de uitnodigingsbrief betreft ‘Onderzoek NL-ONLINE-OFFLINE‘ waaraan respondenten kunnen deelnemen middels een online survey. Op de gerelateerde website wordt gesproken van een onderzoek onder dezelfde naam. Het lijkt allemaal volstrekt onschuldig aangezien er gesproken wordt over de ‘kennis van computers en het internet en over uw ervaringen met online en offline veiligheid.’ Respondenten wordt voorgehouden dat zij een tegoedbon van Bol.com, VVV of Zalando ontvangen ter waarde 50 euro (vet gedrukt!). Daarnaast wordt expliciet vermeld dat de mening van respondenten voor de onderzoekers van groot belang is.

 

CyberCOP

 

In werkelijkheid wordt het onderzoek niet NL-ONLINE-OFFLINE genoemd maar ‘Cyber Crime Offender Profiling (CyberCOP): the human factor examined.‘ Oftewel, onderzoek naar het profiel van de cybercrimineel, want de menselijke factor moet natuurlijk een beeld/profiel scheppen van de persoon van de ‘crimineel’ ten behoeve van de opsporing door het ministerie van Veiligheid en Justitie en haar diensten. Het onderzoek richt zich dus op verdachten en plegers van cybercriminaliteit en niet zomaar op kennis en ervaringen met computers, internet en veiligheid. Een medewerkster van het Openbaar Ministerie (OM) laat weten dat de uitnodigingsbrief zo is opgesteld dat ‘niet op te maken is dat de respondent zelf verdachte is geweest van een delict.’

 

Uit het besluit van het Agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR), de dienst waarvan onderzoekers de adressen van de respondenten gekregen heeft, blijkt in het geheel niet dat het uitsluitend om verdachten of veroordeelden gaat. ‘In het verzoek van 10 juni 2014, 2014-0000658731, heeft het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving verzocht om autorisatie voor de systematische verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen in verband met het uitvoeren van het onderzoek CyberCrime Offender Profiling (CyberCOP): the human factor examined.’

 

Artikel 2 lid 1 van het besluit luidt: ‘Aan de onderzoeksinstelling wordt op zijn verzoek een gegeven verstrekt dat is vermeld op de persoonslijst van een ingeschrevene, indien het een gegeven betreft dat is opgenomen in bijlage II bij dit besluit.’ Het BPR heeft op 26 februari 2015 toestemming verleend voor het verstrekken van gegevens. Uit bijlage 1 van het besluit blijkt duidelijk dat het om daders gaat. Of het ook gaat om verdachten maakt het besluit niet duidelijk. ‘Het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving is recentelijk begonnen aan een meerjarig onderzoeksproject naar de plegers van cybercrime.’

Bij navraag blijkt dat het onderzoek ook gericht is op daders: “Voor dit onderzoek zijn zowel personen benaderd die ooit verdacht zijn geweest van het plegen van een online delict als personen die ooit verdacht zijn geweest van het plegen van een offline delict.”

 

Als een van de respondenten de onderzoekers van het NSCR benaderd, wordt gesteld dat ook slachtoffers benaderd zijn. Het BPR maakt echter helemaal geen melding van slachtoffers in het besluit. Er is dus geen toestemming verleend voor het verkrijgen van gegevens over slachtoffers van cybercriminaliteit. Slachtoffers zijn dus niet benaderd. Bijlage 1 stelt dat het bij ‘centraal doel/probleemstelling van het onderzoek’ gaat om ‘het zicht krijgen op (verschillende typen) cybercriminelen, hoog-risico groepen te identificeren en effectievere en beter gerichte interventies en sancties ontwikkelen.’ De onderzoekers schrijven in een email bericht met vragen over het onderzoek dat zij “niet alleen geïnteresseerd zijn in offline en online daderschap, maar ook in de vraag of deze mensen wel eens slachtoffer worden. Vandaar de keuze voor deze meer algemene naam en beschrijving.”

 

Daders en verdachten

 

Het onderzoek is duidelijk gericht op daders en verdachten van cybercriminaliteit. De medewerkers van het NSCR stellen dat het onderzoek dat uitgevoerd wordt op basis van de gegevensverstrekking uit de BRP zich richt op ‘bekende plegers van cybercriminaliteit (op basis van door het Openbaar Ministerie aan ons verschafte verdachten-registraties).’

 

Er is een selectie gemaakt bestaande uit 1.050 verdachten van cybercrime-delicten en 1.050 verdachten van overige delicten, in totaal 2.100 personen. ‘Zij worden bevraagd over hun achtergronden, motieven, persoonlijkheid en sociale netwerken.’ De steekproef is volgens de medewerkster van het OM uitgevoerd middels een ‘abstractie van registers’. Daarvoor zijn twee selectiecriteria gebruikt. Een daarvan houdt in dat de pleger zijn delict in de periode tussen 2000 en 2014 moet hebben gepleegd. Het lijkt dus te gaan om mensen die veroordeeld zijn, maar een medewerkster gaf ook dat het ook om verdachten gaat.

 

De vragenlijst voor de respondenten is opmerkelijk omdat het vragen oproept waarvoor de verstrekte antwoorden zullen worden gebruikt. De respondenten worden uitgedaagd om hun kunde te tonen en er worden technische vragen gesteld. Een van de respondenten heeft de indruk dat de onderzoekers de respondenten proberen te stimuleren om zich te bewijzen om aan een van de stereotyperingen van cybercriminelen te voldoen.

 

In het onderzoek wordt om zeer specifieke daderkennis gevraagd, maar daarnaast ook kennis die voor opsporingsdiensten van groot belang kan zijn, zoals bijnamen van kennissen, delicten die recent zijn begaan en de contacten van de respondent. Het wordt duidelijk dat de vragen zijn gericht op wat het onderzoek zegt te te bestuderen: ‘de typische persoonlijkheidskenmerken van cybercriminelen, hun sociale (criminele) netwerken, hun primaire motivaties en hun criminele carrière.’ De onderzoekers stellen in de bijlage van het BPR besluit dat het onderzoek zich richt op de gelijkenis tussen ‘cybercriminelen’ en ‘criminelen uit de offline wereld’, hun persoonlijkheid en of ‘ze deel uit maken van criminele organisaties.’

 

Wetenschappelijk onderzoek is noodzakelijk, maar waarom wordt de respondenten niet verteld dat het in dit geval niet over computers, internet en veiligheid gaat? Het onderzoek lijkt onafhankelijk, maar er is op allerlei fronten samenwerking met het openbaar ministerie en de respondenten wordt dat niet gemeld. Het is duidelijk dat de onderzoekers bang zijn dat als de geadresseerden dat weten ze niet meedoen. De respondenten worden dus als een soort geblinddoekt proefdier behandeld voor een onderzoek dat niet het echte onderzoek is wat uitgevoerd wordt.  Waarom wordt de  werkelijke naam van het onderzoek niet aan de geadresseerden gegeven? Waarom wordt de bijlage van het besluit van Agentschap BPR niet aan de geselecteerden toegestuurd? Waarom staat in de aanvraag bij BPR niet de naam van het NL-ONLINE-OFFLINE onderzoek?

 

In antwoord op vragen over het onderzoek, wordt geen antwoord gegeven op de vraag waarom niet de werkelijke naam van het onderzoek aan de proefpersonen is vermeld. Wel schrijven de onderzoekers: “In de brief vermelden wij expliciet niet dat er in dit onderzoek personen zijn aangeschreven die ooit verdacht zijn geweest van een strafbaar feit. De reden hiervoor betreft het waarborgen van de privacy omdat het altijd mogelijk is dat iemand anders dan de aangeschreven persoon de brief open maakt.”

 

De onderzoekers stellen dat zij: “Bij al onze onderzoeken hanteren wij een uitgebreide en zorgvuldige toetsingsprocedure voordat deze worden uitgevoerd. Hierbij wordt de opzet van het onderzoek en de benaderingswijze van de respondenten getoetst door zowel het College van Procureurs Generaal van het Openbaar Ministerie en tevens voorgelegd aan de commissie Ethiek Rechtswetenschappelijk & Criminologisch Onderzoek van de Rechtenfaculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarnaast wordt er een melding gedaan bij het College Bescherming Persoonsgegevens. In deze procedure wordt de meest zorgvuldige benaderingsmethode bepaald. Dit is ook gebeurd voor het NL-ONLINE-OFFLINE onderzoek.”

 

Middels de Wet Openbaarheid van Bestuur zijn bij het ministerie van Veiligheid en Justitie en het College van Procureurs Generaal stukken opgevraagd over het NL-ONLINE-OFFLINE onderzoek. Beide bestuursorganen stellen dat zij geen stukken met betrekking tot dit onderzoek hebben. In een presentatie over het onderzoek ‘Cyber Crime Offender Profiling (CyberCOP): the human factor examined’ worden de volgende partners van VU en NSCR genoemd: “Team High Tech Crime, Nationale Politie Landelijk Parket, Openbaar Ministerie en Reclassering Nederland.”

 

Vermanende woorden

 

NL-ONLINE-OFFLINE is een profielonderzoek van de overheid over cybercriminelen. Het heet geen NL-ONLINE-OFFLINE maar ‘Cyber Crime Offender Profiling (CyberCOP): the human factor examined.‘ Hierbij gaat het vooral om mogelijke interventies en sancties. Aan het einde van de enquête wordt het de respondenten nog eens benadrukt hoe belangrijk het wel niet is dat zij de vragen serieus hebben ingevuld. Hiervoor wordt hen een vraag voorgelegd om te controleren of ze wel écht de vragen goed hebben gelezen en beantwoord. Want als dat niet het geval is, lopen zij de beloning van 50 euro mis.

 

Na deze vermanende woorden wordt de respondent het volgende voorgelegd: ‘Voor wetenschappelijk onderzoek is het relevant om de gegevens die u zojuist heeft verstrekt te koppelen aan gegevens die over u bekend zijn in lokale of landelijke registers (zoals het Sociaal Statistisch Bestand en het Justitieel Documentatie Systeem). Dit zal alleen gebeuren als u hiervoor toestemming geeft. Uiteraard zullen ook die gegevens uitsluitend worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden en volstrekt vertrouwelijk behandeld, anoniem verwerkt en veilig bewaard worden.’

 

Nu hebben de onderzoekers in Bijlage 1 van het besluit van het Agentschap BPR aangegeven dat ‘de gegevens uit de BRP worden gebruikt om een vragenlijst op te sturen naar de persoon.’ Er wordt tevens vermeld dat ‘op geen enkel moment tijdens het onderzoek een persoon herleidbaar wordt gerapporteerd.’ Dit zal mogelijk betrekking hebben op het doorgeven van mogelijke strafbare feiten die de respondenten in de enquête hebben ingevuld.

 

Er wordt in de bijlage echter niet vermeld dat de verstrekte gegevens van de ondervraagde worden gekoppeld aan de data van justitie: ‘koppelen aan gegevens die over u bekend zijn in lokale of landelijke registers.’ In principe hoeft dat natuurlijk niet omdat die gegevens niet in het bezit zijn van het Agentschap BPR, maar het roept wel vragen op over de mate van ‘eerlijkheid’ van de onderzoekers en het openbaar ministerie.

 

Volgens de onderzoekers wordt “geen van de verzamelde gegevens gedeeld met derden, ook niet met het OM. Er zal nooit zonder expliciete toestemming van de respondent koppeling plaatsvinden met data van het OM. Het OM heeft ons enkel geholpen met het verzenden van de brieven. Het OM en het BPR helpen echter niet alleen bij de mailing aan de proefpersonen, ook bij het koppelen aan ‘gegevens die over u bekend zijn in lokale of landelijke registers (zoals het Sociaal Statistisch Bestand en het Justitieel Documentatie Systeem)’. Dit zou anoniem zijn, maar dat kan niet bij koppeling aan die bestanden, daarnaast krijgt iedere proefpersoon een persoonlijke deelnamecode, die maar een keer is te gebruiken.

 

Lok-onderzoek?

 

Het VU/NSCR-onderzoek is gericht op cyber profiling. Daarvoor worden personen benaderd die zelf niet weten dat ze benaderd zijn als veroordeelde of verdachte. Zij krijgen een vragenlijst voorgelegd waarmee ze uit de tent worden gelokt om daderkennis te presenteren. Maar dat niet alleen, ook info over mogelijke mededaders en andere gegevens over strafbare feiten waarvoor zij veroordeeld zijn, en/of mogelijke strafbare feiten die zij recentelijk zouden hebben gepleegd en waarvoor zij niet veroordeeld zijn. Dit laatste over de connecties van de respondent is natuurlijk gericht op het in kaart brengen van criminele netwerken.

 

Verdachten worden ook op deze wijze benaderd, dus het zou net zo goed een lok-onderzoek kunnen zijn. Vraag is of de respondenten op hun rechten ten aanzien van de gegevens die zij mogelijk prijsgeven, zijn gewezen? Waarom spelen de onderzoekers geen open kaart omtrent het werkelijke doel van het onderzoek? Vanwaar die omslachtigheid en vaagheid? Is dit een wetenschappelijk onderzoek waarbij geënquêteerden worden ingelicht over de ware doelstelling, of is hier soms sprake van een phishing expeditie van een instituut dat gefinancierd wordt door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en direct samenwerkt met het OM? Probeert het openbaar ministerie via een onderzoek het zwijgrecht te ondermijnen of te omzeilen?

 

Respondenten zijn reeds strafrechtelijk vervolgd of niet verdachten meer omdat er geen bewijs werd gevonden voor hun schuld. Toch worden zij verleid om aan te geven met wie, waar, wanneer en waarom zij mogelijke strafbare feiten hebben begaan. Los van het profiling en phishing gedeelte van het onderzoek, roept de aanpak vragen op over de wetenschappelijke verantwoording ervan. Want welke serieuze data levert het op om de stoere veroordeelde en/of verdachte cyber criminelen uit de tent te lokken om hun kunde te tonen en met wie ze contact hebben. Het enige waar het onderzoek op gericht lijkt te zijn is de bevestiging van bestaande stereotypering over de cyber criminelen. Dat is zowel voor de wetenschap als voor de opsporing weinig vruchtbaar.

 

 

Buro Jansen & Janssen, augustus 2015

 

 

Brief aan respondenten

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/briefvanvunscraanproefpersonen.pdf

 

besluit agentschap BPR

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/besluitBPRinzakeonderzoek.pdf

Welkomstekst bij onderzoek NL-Online-Offline

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/Welkomnlonlineoffline.pdf

 

presentatie over het onderzoek Cyber Crime Offender Profiling (CyberCOP): the human factor examined

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/NWOCyberCrimemetTeamHighTechCrimeetc.pdf

 

Media smullen van G4S ‘terreurexpert’

Hij duikt de afgelopen jaren geregeld op in de media als ‘onafhankelijk’ expert op het gebied van terreur, Glenn Schoen. Hij verkondigt doemscenario’s die de overheid dienen aan te sporen het pakket aan veiligheidsmaatregelen verder op te schroeven. Schoen echter is werkzaam voor de private beveiligingsfirma G4S, in wezen verkoopt hij zijn product.

Glenn Schoen is een graag geziene gast in de wereld van de media. Van het tv-programma Dit is de dag van Tijs van de Brink, BNR nieuwsradio, Pauw en Witteman, Met het Oog op Morgen tot aan Hubert Smeets van NRC Handelsblad: ze maken allemaal dolgraag gebruik van de diensten van Schoen. Hij wordt onder andere omschreven als ‘terrorisme deskundige/expert’, ‘terreurdeskundige/expert’, ‘Al Qaida deskundige/expert’, ‘veiligheidsdeskundige/expert’, ‘veiligheidsanalist’ en ‘beveiligingsdeskundige’.

Waaraan hij al deze titels te danken heeft, is niet altijd even duidelijk. Schoen heeft geen indrukwekkende publicatielijst op zijn naam staan. Wie een boek van hem probeert te vinden, raakt teleurgesteld. Ook artikelen van zijn hand in de media zijn moeilijk te vinden. Zelfs op de website van G4S, het beveiligingsbedrijf waar hij voor werkt, bevat geen publicaties onder de naam van Schoen.

Hans Beerekamp schrijft in een van zijn tv-recensies in NRC Handelsblad (11-02-14) dat Glenn Schoen een ‘praktijkman’ is, ‘in de hoogtij van wat toen steevast werd aangeduid als ‘moslimterrorisme’ werd nog wel eens een praktijkman (Glenn Schoen was de bekendste) voor de camera gehaald.’ Volgens Beerekamp willen ‘we (de media red.) tegenwoordig toch liever een wetenschapper.’ Wie echter de mediastatus van Schoen bekijkt, constateert dat hij nog steeds een graag geziene gast is op radio en tv, maar ook in de geschreven media.

In de NRC wordt hij zelfs twee dagen eerder dan de angehaalde tv-recensie van Beerekamp door journalist en ‘Ruslandkenner’ Hubert Smeets geciteerd in relatie tot de veiligheid van de Olympische Winterspelen in het Russische Sotsji: “Neem van mij aan dat de Russen voor een goede package zorgen: politieauto’s, motorrijders, busjes”, zo weet Schoen te melden.

Dokter Clavan

Er is sprake van een aantal opvallende zaken die aan het optreden van Schoen in de media ten grondslag liggen, maar ook de manier waarop de media met de man omgaan, baart enig opzien. De wijze waarop Schoen bijvoorbeeld zijn mening verkondigt, getuigt van een hoog ‘dokter Clavan’ gehalte. Misschien niet geheel vergelijkbaar met het niveau van het gesprek tussen interviewer Hobbema (acteur Wim de Bie) en dokter Clavan (Kees van Kooten) tijdens een tv-uitzending van Keek op de Week (12-11-89), maar veel recente opmerkingen van Schoen echoën het typetje van Van Kooten na:

Hobbema: “Dokter Clavan, het gaat allemaal ongelooflijk snel hè?”
Clavan: “Meneer Hobéma, het gaat eh, ongelooflijk snel.”
Hobbema: “In een week tijd treedt de regering af, er komt een nieuw Politbureau, een vervroegde Partijconferentie… het is toch niet gering, hè, wat daar gebeurt?”
Clavan: “Als u nagaat dat in één week tijd de regering aftreedt, dat er een nieuw Politbureau wordt benoemd, dat er een vervroegde Partijconferentie wordt uitgeschreven… Dat is niet gering hoor, wat daar gebeurt.”
Hobbema: “En dan de Muur, die eigenlijk geen functie meer heeft…”
Clavan: “De Muur heeft eigenlijk geen functie meer.”

Taalhistoricus Ewoud Sanders schreef in zijn boek Jemig de pemig! (2000, etymologiebank.nl) dat de personage van dokter Clavan voortkwam uit het feit dat de ontwikkelingen (in Oost Europa red.) zo snel gingen en zo onduidelijk waren dat de gemiddelde leek die z’n krant had gelezen en naar CNN had gekeken, er evenveel zinnigs over kon opmerken als een wetenschapper die er jaren voor had doorgeleerd. Het was alom koffiedik kijken, speculeren en zinnen vullen zonder veel te zeggen.’ Schoen is dan wel geen wetenschapper, hoewel hij soms MA (Master of Science) achter zijn naam laat zetten, maar gebruikt veel van de technieken van dr. Clavan.

In het artikel van Smeets over Sotsji, hoewel geen tv/radio, lijkt de conversatie van Hobbema en Clavan te worden gespiegeld. Smeets schrijft: ‘De politie krijgt ondersteuning van 23.000 mannen en vrouwen van het paramilitaire Ministerie voor Noodtoestanden.’ Smeets gaat verder over de draconische maatregelen die de Russen hebben afgekondigd. Dan volgt een vraag aan Glenn Schoen over de beveiliging van de Nederlandse hoogwaardigheid bekleders in Sotsji. Het antwoord van Schoen is dan zoals boven weergegeven: “Neem van mij aan dat de Russen voor een goede package zorgen: politieauto’s, motorrijders, busjes.”

Op 17 maart 2014 wordt Schoen uitgenodigd door BNR Nieuwsradio voor een item over de verdwenen Boeing 777 van Malaysia Airlines (MH370) vanwege de lading en of het vliegtuig gekaapt zou kunnen zijn. De interviewer: “Want die theorie van die kaping is een hele serieuze aan het worden?” Schoen antwoordt: “Ja, dat is een hele serieuze aan het worden. Als we kijken naar hoe het toestel is gevlogen, wat er nodig moest zijn om het te veranderen. Welke route die initieel heeft gekozen? Het moment van de vlucht waarop het is gekozen?”

De Nuclear Security Summit van 24 en 25 maart in Den Haag vormde een van de hoogtepunten voor Schoen. Veel journalisten vonden hun weg naar onze ‘terrorisme-expert’. Journalisten van onder andere het Dagblad van het Noorden, diverse edities van het Algemeen Dagblad, het Parool, De Nieuws BV van de VARA en het NOS Journaal raadpleegden hem. In het Parool (22-03-14) wordt Schoen geciteerd: ‘Volgens Schoen draait het allemaal om het afdekken van voorspelbare en voorstelbare risico’s. “De groepen moeten van elkaar gescheiden blijven; je wilt niet dat een Amerikaanse delegatielid wordt aangereden door een bakfiets.”’

‘Gevaarlijke wereld’

De gemeenplaatsen die Schoen keer op keer herhaalt, lijken voor de media aantrekkelijk. Hij spreekt heldere en duidelijke taal. Er is echter ook iets anders waarom de man een graag geziene gast is. Hij vertegenwoordigt een groot deel van de journalistieke wereld die geen kritiek heeft op politie, justitie en inlichtingendiensten. Woorden als repressieve tolerantie, repressie, doorgeslagen veiligheidscultuur, gewelddadig politie-optreden en overmatige inbreuk op de burger- en mensenrechten wensen veel media niet langer in hun programma’s horen. Het gevaar van nu vormt bij de media het islamitisch terrorisme, de zelf ontbrandende burger, de eenzame waxinelicht-gooier en andere randverschijnselen van deze samenleving.

Schoen sluit naadloos aan bij deze ideologie van de veiligheidsstaat. In het Financieele Dagblad (20-08-13) wordt hij geciteerd: “Als een van de kernactiviteiten houdt Al Qaida zich al tien jaar bezig met het kijken naar treinen als doelwit.” Voorbeelden hiervan zijn de aanslagen op treinen in Madrid in 2004 en op de Londense metro in 2005. “Dergelijke aanvallen zijn moeilijk te voorkomen. Het spoor is onderdeel van onze kritische infrastructuur, het is kwetsbaar, een aanslag werkt ontregelend. En helaas heeft een aantal incidenten laten zien dat je veel slachtoffers kunt krijgen”, aldus de veiligheidsexpert. Het artikel is geschreven naar aanleiding van een artikel in het blad Bild waarin beweerd wordt dat ‘veiligheidsdiensten gewaarschuwd hebben voor mogelijke aanslagen op zowel treinmaterieel als spoorinfrastructuur.’

Veel van wat Schoen zegt is een open deur: “Een aanslag werkt ontregelend, je krijgt veel slachtoffers”. Het ontbreekt de man aan kritische analyse: “Dergelijke aanvallen zijn moeilijk te voorkomen.” Analyses van de aanslagen in Madrid en Londen, en de betrokkenheid en het falen van politie en inlichtingendiensten daarbij, zijn niet besteed aan Glenn Schoen.

“We leven in een gevaarlijke wereld”, zegt hij aan het eind van een tv-uitzending van Dit is de dag met Tijs van den Brink (02-12-13). Het item gaat over het benaderen ven studenten die protesteerden tegen het bezuinigingsbeleid van de regering door de AIVD. Natuurlijk vindt Schoen het goed dat de dienst alles doet om de veiligheid van Nederland te waarborgen. Van den Brink is het helemaal met Schoen eens en stelt geen enkele kritische vraag aan de ‘terreurdeskundige’. Ook vraagt de interviewer niet naar het bedrijf waar Schoen voor werkt. De EO heeft Schoen in de Rolodex staan, want hij treedt er geregeld op bij ‘veiligheidsvraagstukken’.

Dubbele tong

Niet alleen de media zijn van hem gecharmeerd, ook in de semi-academische wereld van inlichtingen- en veiligheidsstudies is Glenn Schoen veelvuldig te vinden. Assistent Professor Giliam de Valk, docent aan de UvA, geeft samen met Schoen les aan de European Security Academy. Hun module is ‘Direction’ genaamd: ‘Voorafgaand aan het diner wordt een praktisch verband gelegd via global threats.’ De module behandelt onder andere de dreigingsmatrix en informatiepositie. Over Schoen staat geschreven dat hij ‘G4S Risk Advisory’ is en blijkbaar kennis heeft over ‘global threats’ en informatieposities van overheden en bedrijven.

Enkele jaren geleden heeft Professor Dr. Rob de Wijk van The Hague Centre for Strategic Studies Schoen uitgenodigd voor de derde internationale masterclass over ‘International Emergency Management and specifically Consequence Management: try to prepare for the unthinkable disaster!’ Schoen sprak tijdens dit evenement in december 2011 over de bedreigingen van de moderne samenleving. Een jaar eerder waren de heren al gezamenlijk naar buiten getreden met het verhaal dat er sinds 11 september 2001 “zeker vijftig omvangrijke terroristische aanslagen van moslimextremisten in Europa voorkomen” (AD, 25-09-10). Schoen stapte in 2010 over van Ernst & Young naar G4S. Ook Edwin Bakker, hoogleraar Terrorisme aan de Universiteit Leiden, kent Glenn Schoen al jaren en deelt vaak zijn mening over veiligheid en terrorisme in de media.

Hans Beerekamp schrijft in zijn tv-rubriek van 11 februari 2014 dat Schoen zo vaak optreedt omdat ‘de meeste mensen die er echt iets vanaf weten er niet over mogen praten.’ Volgens de NRC-journalist zouden mensen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de mensen zijn ‘die er echt iets vanaf weten.’ Wie de kritische literatuur over het veiligheidsbeleid volgt, zal concluderen dat geheime diensten het meestal niet echt zo goed lijken te weten. De mogelijke val van de Muur ontging de CIA in het geheel, evenals de aanslagen van 11 september 2001. Ook de AIVD en haar voorloper de BVD hadden veel zaken niet door, zoals de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh.

Het gaat dus niet om de expertise van Schoen, maar om zijn mening die werd gevormd door zijn ‘professionele’ carrière. En daar doet zich iets geks voor. Wie in de krantenbank zoekt op de naam Glenn Schoen komt de expert of deskundige Schoen vaak tegen. Dat de man deskundige is, wordt overal vermeld, maar slechts in een derde van de artikelen over Schoen in Lexis Nexis van de afgelopen jaren wordt tevens de naam vermeld van het bedrijf waarvoor hij heeft gewerkt. Ook op radio en tv wordt vaak niet vermeld dat Schoen werkzaam is voor de beveiligingsindustrie.

Is dat dan zo belangrijk? Als Schoen zegt dat ‘we in een gevaarlijke wereld leven’, ‘treinen gevaar lopen’ en ‘elke massa is doelwit’ (Parool, 11-07-05), moet de mediaconsument weten dat hier iemand spreekt die zijn boterham verdient met beveiligen. Het aandikken van het gevaar kan, indirect, extra inkomsten voor het bedrijf waar Schoen voor werkt opleveren.

Inlichtingen- en beveiligingsadviezen in de commerciële wereld, maar ook in de publieke sector hebben zowel te maken met omzet als met politieke kleur. Glenn Schoen werkt al sinds 1988 in dienst van de commerciële inlichtingenwereld. Eerst onder de vleugels van Noel Koch, een hard-liner die diende onder president Nixon en Reagan, en sinds 2006 als beveiligingsanalist voor Ernst & Young en G4S. Het feit dat hij voor G4S, het grootste beveiligingsbedrijf van de wereld, werkzaam is, maar ook nog eens een groot deel van zijn professionele carrière bij bedrijven van een conservatief uit de rangen van Nixon, zegt iets over zijn mening omtrent beveiliging en hoe de wereld in elkaar zit.

Private inlichtingenwereld

Schoen kan dus in principe over alles meepraten. Of het nu gaat over Sotjsi, verdwijntips voor Holleeder, benaderen van studenten door de geheime dienst, Osama Bin Laden, een verdwenen Boeing, beveiliging rond de Olympische Spelen of de NSS; hij heeft een antwoord paraat. Hij werkt al vele jaren in de wereld van het op commerciële basis verzamelen van inlichtingen en adviezen geven over beveiliging. Een lucratieve wereld, zoals hij zelf ooit eens als veiligheidsadviseur van Ernst & Young duidelijk maakte. “Wereldwijd gaat er 53 miljard om in de beveiligingsindustrie”, zegt Glenn Schoen, terrorisme-expert van Ernst & Young. “Meer dan in de film- en de muziekindustrie bij elkaar.”(Vrij Nederland, 10-02-07)

Schoen begon zijn analytische carrière in 1988 bij International Security Management Inc. (ISM Inc.), een bedrijf uit het Amerikaanse Maryland. ISM Inc. is een zogenoemd beveiligings-adviesbedrijf. Het verdient zijn geld met het verkopen van reis- en veiligheidsadviezen aan bedrijven en vakantiegangers. De meeste van die adviezen bestaan uit het opnieuw verpakken van overheidsinformatie, maar ook uit het bijhouden van berichtgeving door de internationale media.

In 1998 legde Schoen uit dat het beter is om het Midden-Oosten te vermijden. ‘Certain Islamic countries pose the biggest threat, security consultants like Schoen say, especially Iraq, Jordan, Yemen’, tekent de Seattle Times News Services (15-02-98) op uit de mond van Schoen. Schoen’s informatie is echter grotendeels afkomstig van overheidsorganen en uit de media. ‘The State Department has issued an alert urging American travelers to be aware of government warnings and travel advisory updates stemming from anxieties in the Persian Gulf’, wordt enkele regels eerder aan de opmerking van Schoen vermeld.

In het algemeen volgen private inlichtingenbedrijven de overheidsinformatie op de voet en ‘verkopen’ die door aan bedrijven en individuen. Een woordvoerder van het State Department legt Schoen bijna de woorden in de mond, al gebruikt die dan niet de namen van specifieke landen: ‘“While at this time we know of no specific threats to U.S. citizens or interests overseas in relation to the present situation in Iraq, we cannot discount the possibility of random acts of anti-American violence”, a spokesman said.’

De baas van International Security Management Inc. is Noel Koch die in 1986 ook de president wordt van een ander commercieel inlichtingenbedrijf, Transecur inc. Dit bedrijf wordt omschreven als een ‘web-based’ beveiligings-/adviesbedrijf dat inlichtingen over mogelijke gevaren verschaft aan bedrijven, overheden en rijke families. Koch werkte in de jaren ’80 onder president Reagan als assistent van de minister van Defensie en als directeur speciale planningen van het Amerikaanse ministerie van Defensie. Daarvoor was hij tevens speciaal assistent van president Nixon. Hij leidde het eerste onderzoek naar de aanslagen op de Amerikaanse ambassade in Beiroet in 1983. Koch is duidelijk een hardliner en warm pleitbezorger van de private beveiligingswereld. Schoen heeft vanaf eind jaren ’80 voor hem gewerkt.

Eind jaren ’90 verkaste Schoen van International Security Management Inc. naar Transecur inc. waar Koch ook de baas van is. In 2004 opent Transecur een Europees kantoor in Den Haag. Koch benoemt Schoen tot directeur analytische diensten. Business Wire (01-06-04) omschrijft Schoen als een expert op het terrein van ‘European and Middle Eastern sub-conflicts, and special interest activism’.

Dat Schoen een goede leerling van Koch is geweest, blijkt uit een presentatie tijdens een conferentie in Polen, oktober 2012. Onder de titel ‘Terrorism in Europe: Perspectives on 2013-2014’ vertelt Schoen over hoe “the terrorist threat from various quarters – leftwing, rightwing, Jihadist, separatist, activist – is evolving.” Links, rechts, activist, of separatist, het zijn allemaal jihadi en gevaarlijk, zo is de ‘overtuiging’ van Schoen.

Media-carrière

In 2005 verlaat Schoen, na 18 jaar werkzaam voor Noel Koch te zijn geweest en na een jaar als Europese directeur van Transecur, zijn post en treedt in dienst van Ernst & Young als veiligheidsadviseur. In dat jaar begint ook zijn Nederlandse media-carrière. In Amerika had hij ook al een status als mediadeskundige opgebouwd, maar de Amerikaanse Nederlander moet in Holland natuurlijk een nieuwe status zien op te bouwen.

Dit gaat hem goed af, mede dankzij de hoogleraren Rob de Wijk en Edwin Bakker. In 2010 beweren de Wijk en Schoen beiden dat de inlichtingendiensten vijftig aanslagen hadden weten te voorkomen sinds 2001. Veel bewijs hadden ze er niet voor, maar de twee ‘terreurdeskundigen’ uit zowel de publieke als de private sector kregen veel aandacht in de media. In 2010 stapt Schoen over naar G4S om daar de post ‘risk advisory’ in te vullen. Op de website van G4S is te lezen dat ‘Security en Safety Risk Management een groeiende noodzaak’ zijn.

Glenn Schoen werkt ondertussen bijna vier jaar als veiligheidsadviseur bij het grootste beveiligingsbedrijf ter wereld. G4S is daarnaast de een na grootste werkgever op aarde met meer dan 600.000 werknemers en biedt oplossingen voor zo’n beetje alles, waarbij het niet altijd alleen om veiligheid draait.

G4S verzorgt de beveiliging op vliegvelden, voor de Olympische Spelen, regeringsgebouwen, havens, allerlei instituties van de Verenigde Naties, niet gouvernementele organisaties, banken en andere commerciële bedrijven, mijnen, olievelden en installaties, kerncentrales. Maar het bedrijf is ook actief bij het geldtransport, in het gevangeniswezen, politiewerk, ambulancewerk, vluchtelingengevangenis en uitzettingen, huisarrest toezicht. G4S is op vele plaatsen doorgedrongen in de haarvaten van de samenleving. Een allround bedrijf, net als Schoen die van alle markten thuis is en overal kan aanschuiven.

Bij al die mediaoptredens werd Schoen sinds 2010 nooit iets over zijn eigen bedrijf gevraagd. Tijdens de elfde European Security Conference & Exhibition in april 2012 hield hij een lezing over ‘Olympic Terrorism Concerns – Past & Present’. Niemand in de zaal zal hem lastige vragen hebben gesteld over het aanstaande debacle dat G4S in de zomer van dat jaar ontketende. Het bedrijf bleek niet in staat om genoeg beveiligers te rekruteren en voor een deugdelijk veiligheidsplan te zorgen. Het Britse leger moest uiteindelijk uitrukken om de Olympische Spelen in Londen door te kunnen laten gaan.

Iedere burger kan bedenken dat een van de eerste vereisten voor het voorkomen van aanslagen een goede beveiliging is. Daar hoef je geen deskundige of expert voor te zijn. Schoen is nooit over het disfunctioneren van G4S bij de Olympische Spelen in Londen ondervraagd. Ook rond het WK voetbal in Zuid-Afrika (2010) en de Olympische Winterspelen (2014) is Schoen over terreurdreigingen in de media verschenen.

Schandalen

Na het fiasco rond de gebrekkige beveiliging rond de Olympische Spelen van 2012 in Londen stapelden de schandalen rond G4S zich op. De schandalen speelden zich vooral af in Engeland, maar dit is deels bedrog aangezien de Britse media veel publiceren over het bedrijf en haar medewerkers. Het gaat dan om uiteenlopende zaken, zoals het oplichten van de overheid bij een programma voor het controleren van mensen onder huisarrest. G4S heeft de overheid rekeningen gestuurd van mensen die allang geen huisarrest meer hadden, of die overleden waren.

De dood van een invalide man die werd vervoerd door een ambulance van G4S, het uitzetten van een zwangere vrouw die op het punt stond te bevallen, de dood van een vluchteling door toedoen van G4S-bewakers die de man voorafgaande ook nog racistisch zouden hebben bejegend, de slechte staat van de opvang voor asielzoekers waarbij de lokale overheid moest ingrijpen, zijn slechts enkele andere voorbeelden van de vele schandalen rond het bedrijf.

In het buitenland is het niet veel beter gesteld. G4S stuurde slecht getrainde labiele bewakers naar Irak die elkaar doodschoten en verwondden. In de VS konden mensen zomaar het terrein van een uraniumverrijkingsfabriek, beveiligd door G4S, oplopen. In Israël werkte G4S mee aan de afsluiting van de bezette gebieden, de West Bank en de Gaza-strook. Ook verzorgde het bedrijf de beveiliging van gevangenissen waar Palestijnse politiek gevangenen en kinderen worden opgesloten.

In Australië stierven vluchtelingen en gevangenen in de slecht geprivatiseerde gevangenissen van G4S, terwijl in Zuid-Afrika gevangenen werden gemarteld middels elektroshocks en plat spuiten. De meeste media schreven een nieuwsbericht over de martelingen en noemden G4S. In De Groene Amsterdammer beschrijft freelance-journalist Ruth Hopkins het onderzoek naar de behandeling van de gevangenen door G4S. Enkele media besteedden er iets meer aandacht aan, maar Glenn C. Schoen is in het openbaar nooit naar de situatie in de gevangenissen in Zuid-Afrika gevraagd.

Kritiekloze media

Begin dit jaar stonden de kranten vol van een personeelsstaking bij G4S wegens dreigende ontslagen. Dit als gevolg van de bezuinigingen en sluitingen van gevangenissen door het ministerie van Veiligheid en Justitie. Door middel van bezettingen, demonstraties en picket-lines probeerden de werknemers de directie van G4S op andere gedachten te brengen. De media-aandacht voor werknemers die worden ontslagen staat in schril contrast met de aandacht die de vele burger- en mensenrechtenschendingen door G4S krijgt.

Schoen’s regelmatige mediaoptredens blijven ondertussen gewoon doorgaan. Op 8 maart 2014 treedt hij op als veiligheidsdeskundige in het NOS radioprogramma Met het Oog op Morgen, zonder de vermelding dat hij voor G4S werkt. Hij wordt gevraagd naar de mogelijkheid van een terroristische aanslag op vlucht MH370 van Malaysia Airlines. Op 11 april 2014 zit hij in de uitzending van WNL Opiniemakers van de publieke omroep over het feit dat er geen particuliere beveiligers worden toegelaten op Nederlandse koopvaardijschepen.

Tussendoor verschijnt er een interview met hem op de G4S website. Schoen geeft daarin aan dat “G4S zowel in een adviesrol als een operationele rol betrokken was bij de NSS. Als kleine schakel in een enorme operatie, heb ik persoonlijk invulling mogen geven aan de adviseursrol.” Naast zijn eigen ‘bescheiden’ rol, noemt Schoen ook de rol van het gehele bedrijf waar hij voor werkt. “Naast de massale inzet van politie en defensie, droegen ook veel beveiligers uit de private sector een steentje bij op het gebied van security en safety. G4S leverde ongeveer 1.100 extra diensten tijdens de NSS”, wordt uit de mond van Schoen opgetekend.

Natuurlijk wordt Schoen niet gevraagd waarom G4S eigenlijk niet de gehele beveiliging heeft mogen uitvoeren. Het Olympisch debacle zal G4S zo snel mogelijk willen vergeten. Over wat er dan met de adviezen van Schoen is gebeurd, wil de tekstschrijver van de website van G4S ook al niet weten, maar het artikel is dan ook bedoeld als promotie van de beveiligingsbranche en specifiek G4S.

Toch is er niet zoveel verschil tussen het optreden van Glenn C. Schoen op de website van G4S en zijn optreden in de Nederlandse media. Waarom de beveiliger met alle egards wordt ontvangen, lijkt minder met zijn expertise te maken te hebben dan met zijn onkritische houding ten aanzien van de veiligheidsstaat. Als beveiliger is het logisch om de wereld als het inferno van Dante te omschrijven, hoe gevaarlijker, hoe meer business. Voor de journalistiek lijkt in principe hetzelfde uitgangspunt te gelden. Geweld en ellende verkopen nu eenmaal beter dan het verhaal dat de meerderheid van de Nederlanders elke dag zonder problemen zal doorkomen.

Toch verwacht je van de journalistiek wel enige mate van feitenonderzoek, en op z’n minst dat de achtergrond van de ‘deskundige’ of ‘expert’ expliciet wordt vermeld. Het weglaten van de naam van het bedrijf waar Schoen voor werkt, geeft eigenlijk aan dat de media niet geïnteresseerd is in de werkelijke feiten ten aanzien van de veiligheid, maar graag een mening wil horen die overeenkomt met die van de journalist. Bij de berichtgeving over het veiligheidsbeleid in Nederland of elders wordt bijna nooit voor een kritische insteek gekozen. Het optreden van Schoen in de media is daar dan ook een schoolvoorbeeld van.

Find this story at June 2014

or as pdf

Het verwrongen wereldbeeld van de NCTV (kort)(nationaal)

Dick Schoof, coördinator van de NCTV, oogt al geruime tijd paranoia. In zijn DTN’s zoekt hij onder iedere steen naar het jihadistische gevaar.

De coördinator terrorismebestrijding stelt in het tweede dreigingsbeeld [DTN-2, september 2005] dat ‘het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.’ Deze conclusie, die wordt getrokken naar aanleiding van de aanslagen in Londen van juli 2005, is tekenend voor de rest van het dreigingsbeeld van de afgelopen tien jaar. Eigenlijk is de NCTb niet verantwoordelijk, maar zij waarschuwt wel, al lijkt het erop dat steeds naar het verkeerde gevaar wordt gekeken.

De traumatische gebeurtenissen van het afgelopen decennium in dit land (Alphen a/d Rijn 2011, Apeldoorn 2009, Amsterdam 2004) zijn niet jihadistisch van aard, maar volgens de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) schuilt het grote gevaar wel degelijk in de jihadistische moskeeën, stichtingen, organisaties, netwerken, predikers, ronselaars, jihadgangers, terugkeerders, de niet-afgereisden en anderen die worden ingedeeld als vijanden van het westen.

Ongekende netwerken

De bipolaire wereld die door de NCTV wordt geschetst, begint in het eerste dreigingsbeeld van 2004 met een direct verband tussen Nederlandse jongeren en groepen als al-Qaida. In de jaren die volgen wordt de beschrijving van het jihadistische gevaar niet minder maar meer, terwijl er niets gebeurt van jihadistische zijde. Uiteindelijk is de dienst aan het wachten op de aanslag en stelt terreurambtenaar Schoof na de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo dat men alert moet zijn, maar niet paranoïde.

De link tussen Nederlandse jongeren en de grote terrorismewereld van al-Qaida en andere notoire groepen, kwam in de eerste jaren van het DTN voort uit de moord op Theo van Gogh, de Hofstadgroep (naamgeving door de AIVD) en de mensen rondom Samir A. In de loop der jaren zijn deze groepen gedefinieerd als jihadistische netwerken. De laatste jaren moet de coördinator toegeven dat deze netwerken stuurloos, doelloos en zonder leider zijn, maar dat heeft hun gevaar sinds de moord op Van Gogh niet verminderd.

Uiteindelijk valt uit de dreigingsbeelden niet te concluderen of er daadwerkelijk een uitgebreid netwerk van jihadisten bestaat. In 2006 komt de term ‘ongekende netwerken’ op, die de dreiging omvattender en complexer maakt. Ongekende netwerken zijn netwerken waar de terreurdienst geen weet van heeft, maar die volgens de coördinator wel bestaan. Het is als de unknown unknowns van voormalig minister van Defensie van de VS Donald Rumsfeld, onbekende gevaren die we niet kennen. De ongekende netwerken zijn in dit geval de unknown knows.

De coördinator gaat er vanuit dat deze netwerken een gevaar vormen, maar weet niet of ze er zijn. AEL, Sharia4Holland, Behind Bars en Hizb-ut Tahrir (HuT) worden genoemd als ‘belangrijke’ groepen die een centrale rol in de jihadistische netwerken zouden spelen, maar veel onderbouwing voor deze stelling levert de NCTV niet.

Daarbij is opvallend te noemen dat zodra een groep als Sharia4Holland nog maar net is opgericht de overheid met haar volle gewicht zich op de club heeft gestort en al snel labelt als zijnde extremistisch, jihadistisch of terroristisch. Of de groepen ondergronds verder zullen gaan, is moeilijk te zeggen, want vergaderen, samenkomen en discussiëren zijn grondwettelijke rechten en geen terroristische activiteiten als de groepen zelf niet terroristisch zijn.

Gaza-protesten

De zomer van 2014 vormde voor de NCTV tot nu toe het jihadistische hoogtepunt, met een demonstratie op 24 juli ten tijde van de Israëlische militaire belegering van Gaza in het kader van de operatie Operation Protective Edge. Tijdens deze demonstratie in de Haagse Schilderswijk werden IS-vlaggen meegedragen hetgeen tot een tegendemonstratie leidde op 10 augustus 2014. Die zomer was überhaupt gevuld met protesten in het hele land naar aanleiding van het conflict tussen Israël en Palestina waarbij 72 Israëli’s en rond de 2100 Palestijnen om het leven kwamen.

De ophef rond de demonstratie van 24 juli 2014 staat in schril contrast met een vergelijkbare demonstratie op 21 december 2013. Groot verschil met 2014 was dat er eind 2013 geen alles vernietigende operatie van het Israëlische leger gaande was. Dit laatste zorgde voor een heftig debat over leuzen, spandoeken en demonstraties, waardoor het leek alsof de Schilderswijk in brand stond.

Voor de NCTV maakte dat geen verschil, de dreiging bleef substantieel, de aanslag reëel. Protesten en demonstraties worden door de dienst altijd in verband gebracht met radicalisering en polarisatie, de laatste jaren consequent onder het kopje geweld, ook al is er niets of weinig gebeurd. Hierbij kan het om allerlei vormen van protest gaan. Graffiti, een tentenkamp van vluchtelingen, een protest tegen een moskee, een verstoring van een debat; alles wordt in de hokjes polarisatie, radicalisering, extremisme, terrorisme geplaatst.

De mensen die protesteerden werden eigenlijk standaard extremisten genoemd en incidenten direct gekoppeld aan extremisme, met verharding als resultaat. Waarbij consequent het jihadisme het grootste gevaar vormt. De tolerantie van de overheid ten aanzien van protest en anderssoortige meningen is in tien jaar sterk afgenomen. De taal van de repressieve tolerantie om burgers in het gareel te houden, wordt in de loop der jaren steeds indringender. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de protesten tegen de gaswinning in Groningen in het terrorismebeeld van coördinator Schoof terecht komt.

Verbreding

Om radicalisering en polarisatie aan te pakken, zet de NCTV steeds vaker ‘professionals’ in. In tien jaar DTN’s worden, naast de medewerkers van inlichtingen- en opsporingsdiensten, steeds meer mensen uit zorg en onderwijs aan de lijst van terrorismebestrijders toegevoegd. Eerst ging het hierbij nog om leraren, jeugdwerkers en medewerkers van het Centrum voor Werk en Inkomen. Zodra Dick Schoof de zetel van coördinator bezette, werden daar ook vertrouwenspersonen aan toegevoegd.

Deze tendens, iedereen medeverantwoordelijk maken voor het anti-terrorismebeleid, houdt gelijke tred met de verbreding naar terreinen als migratie, internet, media en financiën. Daarbij wordt in eerste instantie terrorisme als argument voor stringentere wetgeving gebruikt, vervolgens criminaliteit, voetbalsupporters en tot slot dissidente geluiden.

Zo komt het onderwerp van de Passenger Name Records (PNR) in DTN-11 (2011) op de agenda. In DTN-15 (2008) en DTN-17 (2009) wordt expliciet terrorismebestrijding vermeld. In DTN-21 (2010) spreekt de Nederlandse overheid nog over ‘doelbinding, proportionaliteit en privacy van de reiziger.’ In DTN-25 (2011) is het argument al opgerekt tot ‘het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en zware criminaliteit (EU PNR).’ In 2013, DTN-33 is een bredere behoefte het uitgangspunt geworden. ‘De behoefte om passagiers- en reserveringsgegevens te gebruiken voor het tegengaan van jihadgang, maakt deel uit van een bredere behoefte aan het gebruik hiervan in de strijd tegen zware criminaliteit, zoals mensenhandel en terrorisme.’

Of die behoefte reëel is, de passagiersgegevens ook daadwerkelijk nut hebben, is niet van belang. Ratio en feiten zijn niet aan de NCTV besteed. Eerst zijn de salafisten het grote kwaad en zouden ze al twintig jaar lang de moskeeën in Nederland langzaamaan overnemen, om vervolgens in 2010 plotseling partners van de overheid te zijn geworden in de bestrijding van de jihad. In 2011 komen de salafisten zelfs in het geheel niet voor in het dreigingsbeeld. Vanaf 2012 zijn de salafisten weer terug maar vormen in Nederland geen gevaar, terwijl zij in het buitenland wel degelijk een bedreiging vormen.

Onwaarheden

De NCTV slingert regelmatig wetenswaardigheden de wereld in die vervolgens weer even snel verdwijnen. Zo wordt in DTN-22 (2010) gesteld dat verschillende bevolkingsgroepen (Koerdische, Pakistaanse, Molukse, Somalische) een voedingsbodem zouden zijn voor radicalisering. De NCTV presenteerde een literatuurstudie en een niet representatieve steekproef als wetenschappelijk onderzoek. De Molukkers vallen al na drie maanden af als blijkt dat zij het slachtoffer zijn geworden van brandstichting, bekladding en schoten.

De Somalische brandhaard smeult nog even verder, ook omdat de CBS de ‘wetenschappelijke’ studie zou hebben bevestigd. De NCTV lijkt tevens gelijk te krijgen als eind 2010 twaalf Somaliërs worden aangehouden in het kader van een terroristische Kerst plot. De Somalische Nederlanders blijken echter niets te hebben misdaan. Wat de overheid uiteindelijk achterlaat is een aantal gestigmatiseerde landgenoten met het label terrorist en veel vernielde eigendommen. Vervolgens zijn de Somalisch-Nederlandse extremisten van de terreurkaart van de coördinator verdwenen.

De onwaarheden van de NCTV vallen niet alleen op bij de arrestaties, zoals die van de twaalf Somalische Nederlanders in 2010 of de zeven Marokkaanse Nederlanders in 2009 tijdens het IKEA plot. Zo worden CBRN-incidenten (chemische, biologische, radiologische of nucleaire middelen) gepresenteerd als aanstaand gevaar, terwijl het de grote vraag is of radicalen in Nederland daar überhaupt naar op zoek waren of zijn. In tien jaar tijd noemt de NCTV slechts één voorbeeld van een aanslag met chloor in Irak. Of chloor daadwerkelijk het middel van de aanslag was of dat het toeval was dat de vrachtwagen met chloor werd gebruikt, is onduidelijk.

Ook bij de zelfgemaakte explosieven stelt de NCTV keer op keer dat bij veel aanslagen in Europa huis, tuin en keuken bommen zijn gebruikt. Bij de aanslagen in Madrid echter werd gebruik gemaakt van regulier dynamiet, geleverd door een informant van de overheid. In Londen werden, volgens de minimale informatie die er over de aanslagen beschikbaar is, ook reguliere explosieven gebruikt. Daarnaast was er sprake van allerlei exotische pogingen die mislukten. Enkel Anders Breivik was in staat om genoeg kunstmest met nitraatzouten en benzine te verzamelen waarmee een bom kon worden gebouwd. Maar alleen al die hoeveelheid kunstmest met nitraatzouten roept allerlei vragen op.

Verwarde mannen

Breivik was overigens niet de aanleiding van de pilot ‘solistische dreigers’ van het KLPD, maar het rapport ‘Individuele bedreigers van publieke personen in Nederland’ (COT, Verwey-Jonker Instituut en Zorg Consult Nederland). Dit rapport behandelt overigens wel de problematiek rondom het bedreigen van politici en Breivik had het met het doodschieten van 77 socialistische jongeren in Noorwegen in 2011 duidelijk gemunt op de politiek.

Het onderzoek en de pilot van de KLPD volgden op de handelwijze en motieven van Karst Tates, die op 30 april 2009 met een auto een mislukte aanslag pleegde op het koninklijk gezelschap in Apeldoorn. Tates definiëren als verwarde gek komt zowel de onderzoeksinstituten als de overheid goed uit. NCTV-coördinator Akerboom van dat moment schreef in het voorwoord van het rapport dat ‘onderzoek als dit letterlijk van levensbelang is.’ Hij sprak juli 2010 over ‘inzet’ en ‘effectieve maatregelen’ en vervolgens schoot Tristan van de Vlis op 9 april 2011 wild om zich heen in een winkelcentrum in Alphen aan de Rijn.

Zowel de gebeurtenissen op 30 april 2009 als op 9 april 2011 vonden hun weg niet in het dreigingsbeeld van de NCTV, zij passen namelijk niet in het jihadistische wereldbeeld van de dienst. Of de NCTV medeverantwoordelijk was voor deze aanslagen valt moeilijk vast te stellen. De NCTV stelde wel steeds in de DTN’s voorafgaande de aanslagen dat een aanslag op handen is, dus de daden van Tates en Van de Vlis, en later de neergeschoten MH-17, kunnen in dat licht worden gezien. De dienst had de samenleving gewaarschuwd, alleen bedoelde de coördinator daarmee geen aanslag uitgevoerd door een ‘niet-jihadist.’

De jihadist is terrorist in de ogen van de NCTV, alles wordt in dat vertoog gepropt. Twee niet-werkende bomkoffers in Duitsland zijn een aanslag, drie keer een aanslag met metalen platen op een hoge snelheidstrein incidenten. De laatste aanslagen worden niet vermeld in het DTN. In het eerste geval werden twee moslims aangehouden en dus is er het jihadistische terreur.

Een groep mensen die een Oezbeekse verzetsgroep IMU steunde, werd gearresteerd en door de NCTV geportretteerd als zijnde facilitators van de jihad. Geen woord over Oezbekistan, de mensenrechten aldaar en het feit dat IMU voor 2001 nog wel op enige positieve aandacht in het westen kon rekenen. Nu zijn het jihadisten en dienen zij het schrikbeeld van de terreurdienst.

Ongenuanceerd

De film van Wilders, Fitna, beheerste het dreigingsbeeld van 2008, maar waar die dreiging uit bestond kon de NCTV niet duidelijk maken. De moslimgemeenschap reageerde namelijk nogal cool op de film die zeker geen bijzondere productie bleek. Voormalig NCTV-coördinator Joustra kon het niet uitstaan dat er geen grote rellen waren uitgebroken en Nederlandse ambassades waren afgebrand.

Niet alleen rondom arrestaties en aanslagen rapporteert de NCTV ongenuanceerd. Ook ten aanzien van het internet en blogposts heeft de een jihadistische bril opgezet. De dienst spreekt al van het jihadistische internet en blaast berichten van reageerders op tot oneindige proporties.

In 2012 gaat de NCTV nader in op een oud gerucht uit 2008 dat ‘Nederland zou toestaan dat er een erotische film over de vrouwen van profeet Mohammed zou worden gepubliceerd’ omdat het gerucht tot ‘een bedreiging tegen Amsterdam, tegen Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en tot vier demonstraties bij de ambassade in Tripoli’ zou hebben geleid. Voor het vaststellen van de ernst is er meer informatie nodig, maar die geeft de coördinator niet.

De demonstraties in Tripoli waren niet al te groot en hebben de internationale media niet gehaald vanwege de beginnende burgeroorlog in Libië. Het is daarom ook niet vast te stellen of ze plaats hebben gevonden. Over de aard van de dreigementen valt niets te zeggen, want de inhoud wordt door de dienst niet vrijgegeven. Dreigementen via sociale media vinden echter dagelijks in groten getale plaats. Alleen al op Twitter worden volgens de politie per dag 35.000 dreigementen geuit, waarvan er 200 serieus worden genomen.

Jihadgangers

En dan zijn er natuurlijk de ‘jihadgangers’ of Syrië-gangers. Deze Nederlandse staatsburgers hebben in ieder geval de linguïstieke strijd verloren. Jihad, jihadisering, jihadisme, het zijn allemaal synoniemen geworden voor terroristen, terroristisch, terrorisme. Aan de andere kant hebben zij winst geboekt doordat de NCTV de j-reizigers niet alleen ziet als een constante vorm van zorg, maar ook als een constante vorm van statistisch goochelwerk.

Wie de berichten in de dreigingsbeelden van de afgelopen jaren doorneemt, krijgt de indruk dat er sprake is van honderden, zo niet duizenden reizigers en terugkeerders. Dit terwijl het eigenlijk om een handvol mensen gaat. Mensen die naar de jihadistische strijdgebieden trekken, wordt al gemeld in het eerste dreigingsbeeld uit 2004: Samir Azzouz onderweg naar Tsjetsjenië.

Voormalig coördinator Akerboom schetst een beeld van meerdere signalen, groei, enkele uitreizen, maar ook dat het vaststellen van het aantal lastig is. ‘Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland, is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt [DTN-27, 2011].’ ‘Het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied is in de afgelopen jaren gegroeid.’ [DTN-28, 2012] ‘Ook in de afgelopen periode zijn weer enkele uitreizen naar jihadistische strijdgebieden vastgesteld.’ [DTN-30, 2012]

Coördinator Schoof probeert die aantallen wel te noemen. In DTN-32 (2013) zijn het ‘tientallen personen in Nederland die alleen of in kleine groepjes naar landen als Egypte en Syrië reisden.’ In DTN-33 zijn het er tussen de vijftig en de honderd. ‘In augustus het aantal jihadistische uitreizen van Nederland naar Syrië weer toe nam in vergelijking met de maanden hiervoor’ (DTN-34, 2013).

In de inleiding van DTN-35 stelt Schoof dat ‘het aantal uitreizigers vanuit Nederland nog steeds stijgt.’ In DTN-36 ging het om ‘een continue aanwas van uitreizigers.’ In DTN-37 heeft die ‘gestage toename van uitreizigers zich voortgezet zodat inmiddels in de afgelopen twee jaar rond de 160 personen zijn uitgereisd (cijfers per 1 november 2014).’ Alle aandacht van de afgelopen jaren gaat uit naar de 160 Nederlandse jongeren waarvan volgens de NCTV er ‘rond de honderd Nederlanders nog in het strijdgebied aanwezig zijn, onder wie zo’n dertig vrouwen.’

Stempel terrorist

De uitreizigers, terugkeerders, de mensen die willen uitreizen en degen die niet kunnen uitreizen zijn in feite in de ogen van de NCTV al terrorist. Dit terwijl de coördinator moet toegeven dat ‘de strafrechtelijke aanpak van vermoedelijke rekruteurs en van terugkeerders die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie en/of betrokken zijn geweest bij (oorlogs)misdaden te kampen heeft met problemen met betrekking tot de bewijsgaring.’

Let op het taalgebruik, er is al vastgesteld dat er sprake is van deelname aan een terroristische organisatie, maar de bewijsgaring is moeilijk. Hoe Schoof tot die conclusie komt, is niet duidelijk. In DTN-34 [eind 2013] waren ze nog waarschijnlijk allemaal bij Jabhat al Nusra terecht gekomen. In DTN-35 [begin 2014] is de coördinator er zeker van dat alle Nederlanders ‘bij JaN (Jabhat al Nusra) zijn terecht gekomen.’ Een half jaar later ‘bij minimaal drie jihadistische strijdgroepen; de meerderheid valt onder Jabhat al Nusra (JaN) en ISIS, een minderheid bevindt zich bij Jund al-Aqsa (JaA).’ [DTN-37]

De NCTV heeft dit allemaal vastgesteld terwijl er problemen zijn bij de bewijsgaring. Begin 2014 is de dienst ook in juridische zin overtuigd van het feit dat de terugkeerders terroristen zijn: ‘Duidelijk is verder dat de meeste jihadstrijders in Syrië strijdervaring opdoen, gruwelijkheden plegen en door radicaliseren.’ Op basis waarvan de coördinator tot deze conclusie komt is onduidelijk, de dienst claimt dat ‘de Nederlandse jihadgangers op dit moment voetsoldaten zijn voor deze strijd.’

Het zijn ‘voetsoldaten’ in de oorlog die de NCTV graag wil voeren. De notie dat in Syrië een dictator al decennialang aan de macht is en een deel van het volk zich wil bevrijden van deze dictatuur, is in de dreigingsbeelden niet terug te vinden. Het woord burgeroorlog ten aanzien van Syrië komt in 2011 en 2012 niet voor in het vocabulaire van de dienst. In 2013 en 2014 wordt de burgeroorlog in Syrië in vier van de zes dreigingsbeelden vermeld. In slechts één van alle dreigingsbeelden van de afgelopen tien jaar wordt melding gemaakt van tienduizenden doden. [DTN-33] De miljoenen vluchtelingen en de ontwrichting van een hele regio, de dienst maalt er niet om.

Oorlogsretoriek

Alles dient de oorlogsretoriek van de NCTV. Het vermelden van burgers, burgerslachtoffers en vluchtelingen is daarom niet interessant. In de drang om te scoren werkt de dienst samen op zowel bilateraal als multilateraal vlak met landen als Marokko, Algerije, Saoedi-Arabië, Egypte, Jordanië, Pakistan en andere landen die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten.

Twee dictaturen waren zelfs uitverkoren als sparringpartners in het contraterrorisme beleid: Algerije en Saoedi Arabië. De coördinator was enigszins teleurgesteld dat er wat verschillen zijn ‘in historische, culturele, religieuze en politieke context.’ De Algerijnse dictatuur doet ook nog mee aan een instituut ter bevordering van de rule of law.

Of het beleid van de NCTV effect heeft, is eigenlijk niet meer belangrijk. Analyses betreffende het eigen functioneren behoren niet tot het repertoire van de coördinator. Deze jihadistische oorlog van de NCTV heeft niets met veiligheid te maken, de neergeschoten vlucht MH-17 is daarvan het bewijs. Waarom de dienst de basisveiligheid van de burgerluchtvaart niet op orde heeft, is niet interessant. Er moet op jihadi’s worden gejaagd waarvoor het schetsen van een zo noodlottig mogelijk beeld van de moslimgemeenschap de belangrijkste voorwaarde is.

Buro Jansen & Janssen, 25 maart 2015

artikel

artikel als pdf

Het verwrongen wereldbeeld van de NCTV (I analyse Nederland)

In de internationale analyse gaat het vooral over de directe link tussen internationale gebeurtenissen en het mogelijke gevaar in Nederland. Nu blijft dat natuurlijk koffiedik kijken. Hypothetisch kan iedereen die gaat deelnemen aan de gewapende strijd in bijvoorbeeld Syrië een tegenstander worden en bij terugkeer, hier willen toeslaan. Die gedachtegang vloeit voort uit de realiteit van de oorlog tegen de terreur, waar Nederland aan deelneemt. Wij zijn in oorlog met een fictieve tegenstander, terreur. Iedereen kan daartoe worden gerekend en hoewel definities van terrorisme gepresenteerd worden als objectieve gegevens, is terreur altijd politiek en de oorlog tegen de terreur ook.

In dat licht moet niet alleen de internationale component van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) worden bekeken, maar ook de nationale component. De schutter(s) van Toulouse, Brussel, Parijs of andere plaatsen zijn niet exemplarisch voor iedere terugkeerder uit een van de zogenoemde jihadistische strijdgebieden. Dat is een versimpeling van een terrorisme plotten en als het zo zou zijn, zouden er veel vaker aanslagen worden gepleegd. Ook zijn de schutters geen voorbeelden van de haat tegen Joden of een aanval op de vrijheid van meningsuiting, ook dat zou een veel te simpele analyse zijn van de aanslagen. De schietpartijen zijn vooral een voorbeeld van een complexe samenhang van politieke groepen en individuen, inlichtingen- en opsporingsdiensten, militaire interventies in burgeroorlogen in de wereld en een polarisering van de politiek ten aanzien van de radicale islam. Europa, het westen, en Nederland presenteren zich als een redelijke entiteit, een objectieve politiek alsof zij niets misdaan heeft en het kwaad over zich is gekomen. Bij de internationale analyse wordt de analogie met de Hobbit gebruikt, met ‘Middle Earth’ uit ‘In de ban van de Ring’, het paradijs tegen het kwaad. Paradijs, ten koste van wat en wie eigenlijk, want het ‘westen’ is niet ‘Middle Earth’ in een vacuüm. En daar zit de complexiteit, helemaal in een geglobaliseerde wereld. Oorlogen in Afghanistan, Irak, Somalië, Syrië en in andere landen hebben alles met Europa en Nederland te maken, ‘ons’ handelen heeft consequenties op de lange termijn. Eerst Saddam Hoessein decennia lang steunen, vervolgens afzetten en het land aan zijn lot over laten en polariseren door bepaalde groepen te bevoordelen en anderen achter te stellen. Hetzelfde recept wordt keer op keer herhaald, in Afghanistan, Libië, Somalië, Jemen, Egypte en vervolgens speelt het westen alsof het onschuldig is. Complexiteit zit ook in de rol van inlichtingendiensten. Werkte Mohammed Merah voor de Direction centrale du renseignement intérieur (DCRI, de Franse AIVD)? Hij vroeg naar zijn contactpersoon (runner) op de laatste dag van de belegering van het appartement waar hij zich had verschanst. De observatie van Mehdi Nemmouche werd kort voor de aanslag afgebroken en de dader wist enige tijd uit handen van de politie te blijven en werd in het zuiden van Frankrijk gearresteerd. Die complexiteit is niet alleen aanwezig in Frankrijk of in de zogenoemde jihadistische gebieden, ook in Nederland. Zie de moord op Theo van Gogh en de onduidelijkheden ten aanzien van Mohammed Bouyeri. Is hij benaderd? Hoe close werd de hofstad groep geobserveerd, wat is er fout gegaan of is het niet verkeerd gegaan? Gezien de betrokkenheid van de AIVD bij de Antheunisstraat waar twee leden van de hofstad groep werden aangehouden, zat de geheime dienst dichter op de huid van de verdachten dan uit allerlei rapportages is gebleken. Terreur is politiek en terrorismebestrijding ook. Dit tekent tien jaar dreigingsbeelden. Dreiging die vooral jihadistisch wordt geportretteerd, angst die niet wordt weggenomen, maar keer op keer reëler wordt voorgesteld alsof Toulouse, Brussel, Boston, Ottawa in Nederland liggen en de verdachten/daders Nederlanders zijn of naar Nederland onderweg zijn. Probleem is dat door verhalen plat te presenteren, de dreiging niet meer imaginair is, maar werkelijkheid wordt, terwijl niet alleen fysiek veel plaatsen niet in Nederland liggen, ook de werkelijkheid van elke verdachte/dader meer lagen heeft dan de simpele terugkeerder, uitreiziger, niet-uitgereisde jihadist, het nieuwe woord voor terrorist, doet vermoeden. De wereld wordt plat voorgesteld alsof er twee partijen zijn, goed en slecht, maar de wereld, mensen ook verdachten en daders zijn complexer dan zwart-wit tekeningen. De wereld wordt in de dreigingsbeelden voorgesteld als een cartoon, een zwart-wit representatie die alleen maar kan leiden tot meer mensen die het gevoel hebben partij te moeten kiezen, tot meer polarisatie, meer dreiging, meer geweld. Tien jaar dreigingsbeeld, maar ook 14 jaar ‘War on Terror’ laten dat dagelijks zien in een zich langzaam ontwikkelende mondiale oorlog, tegen wat? Tegen terreur, maar terreur van wie, de terreur van het dreigingsbeeld. Hier vooral aandacht in vogelvlucht voor het nationale gevaar in de vorm van verdachte/daders, polariserende mensen, radicaliserende burgers en een steeds extremistischer wordende overheid en politiek. Jaar in jaar uit, van DTN op DTN is in ieder geval opvallend dat in tien jaar terreurbeleid van de NCTV weinig woorden over fatale missers van arrestaties en terreuralarmen op onder andere 22 juli 2005, 12 maart 2009, 24 december 2010, 29 augustus 2014 en over fatale aanslagen op 2 november 2004, 30 april 2009, 9 april 2011 en 17 juli 2014 worden vuil gemaakt.

2005 Met een gestrekt been erin
DTN-0 / 24 januari 2005
DTN-1 / 10 juni 2005
DTN-2 / 29 september 2005
DTN-3 / 5 december 2005
Conclusie DTN 2005

2006 jihadistische managementtraining voor de NCTb
DTN-4 / 2 maart 2006
DTN-5 / 7 juni 2006
DTN-6 / 16 oktober 2006
DTN-7 / 20 december 2006
Conclusie DTN 2006

2007 de ongekende dreiging, Joustra goes Rumsfeld
DTN-8 / 25 april 2007
DTN-9 / 4 juni 2007
DTN-10 / 9 oktober 2007
DTN-11 / 27 november 2007
Conclusie DTN 2007

2008 NCTB lijdt aan het ‘sudden jihad syndrom’
DTN-12 / 5 maart 2008
DTN-13 / 9 juni 2008
DTN-14 / 9 september 2008
DTN-15 / 19 december 2008
Conclusie DTN 2008

2009 het theater van de dreiging
DTN-16 / 6 april 2009
DTN-17 / 19 juni 2009
DTN-18 / 11 september 2009
DTN-19 / 15 december 2009
Conclusie DTN 2009

2010 de solistische dreigende dienst weet wel raad met eenlingen
DTN-20 / 7 april 2010
DTN-21 / 18 juni 2010
DTN-22 / 13 september 2010
DTN-23 / 17 december 2010
Conclusie DTN 2010

2011 Alphen aan de Rijn ligt niet in Nederland
DTN-24 / 18 maart 2011
DTN-25 / 17 juni 2011
DTN-26 / 3 oktober 2011
DTN-27 / 12 december 2011
Conclusie DTN 2011

2012 burgers, burgerslachtoffers doen er niet toe in de oorlog tegen de terreur
DTN-28 / 26 maart 2012
DTN-29 / 22 juni 2012
DTN-30 / 8 oktober 2012
DTN-31 / 17 december 2012
Conclusie DTN 2012

2013 de coördinator wil wat meer actie en geen gebrekkige extremistische activiteiten
DTN-32 / 13 maart 2013
DTN-33 / 1 juli 2013
DTN-34 / 7 november 2013
Conclusie DTN 2013

2014 welkom bij de oorlog van de terreur
DTN-35 / 24 februari 2014
DTN-36 / 30 juni 2014
DTN-37 / 12 november 2014
Conclusie DTN 2014

2005 Met een gestrekt been erin

DTN-0 / 24 januari 2005

De coördinator opent 2005, het eerste jaar dat de DTN’s verschijnen, met de moord op Theo van Gogh. Over de moord en de vele vraagtekens met betrekking tot de verdachte Mohammed Bouyeri en de rol van de AIVD geen letter. Ook rond de verwonding van politieagenten in het Laakkwartier in Den Haag bij de bestorming van een AIVD huis aan de Antheunisstraat waar twee verdachten zich ophielden. “Na de moord op de heer Van Gogh is naast de verdachte van die moord, Mohammed B, een aantal andere personen aangehouden. In het totaal gaat het om 12 personen, waar onder ook de twee mannen die op 10 november 2004 in het Laakkwartier in Den Haag zijn aangehouden.” Naast de moord op van Gogh komen de verdachten van een voorbereiding op een aanslag in het DTN aan bod. Een van de verdachten wordt genoemd, Samir Azzouz. Zijn naam komt in veel DTN’s terug, in DTN-7, 8, 11, 15, 28 en 31. De naam van Samir A. wordt zo vaak genoemd alsof de NCTb een knuffel terrorist nodig heeft voor haar bestaansrecht. Aan de andere kant wordt de naam van een stichting die vervolgd wordt, wordt niet vermeld. Volgens de NCTb wordt de stichting al Haramain Humanitarian Aid vervolgd door het OM omdat “deze stichting in verband wordt gebracht met terroristische activiteiten.” Ook vermeldt de coördinator niet dat een ambtsbericht van de AIVD aanleiding is voor de vervolging. De inhoud van dit bericht is later van belang bij de verslaglegging over de geheimzinnige stichting. De kop is eraf voor de terreurstichting en het tij zit mee. De AIVD krijgt meer geld dus de coördinator zal op termijn ook een deel van de koek krijgen.

De moord op Theo van Gogh is net als de aanslagen van 11 september 2001 op het WTC in New York een aanjager voor onderzoek en wet- en regelgeving. Terrorismebestrijding gaat hand in hand met migratie maatregelen (vreemdelingentoezicht en grensbewaking), controle op reisbewegingen (databanken van passagiersgegevens), maar ook internet surveillance (in directe relatie met de bestrijding van kinderporno), de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit (wapenhandel) en financiële controle (witwassen). In het nulnummer van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) tekent zich deze ontwikkeling meteen al af met veel overleg met de Amerikanen en op Europees niveau. Naast de ontwikkeling van veel van deze repressieve maatregelen is het aanpakken van polarisatie en radicalisering een terugkerend onderwerp. DTN-0 pakt meteen flink uit. “Radicalisering beperkt zich namelijk niet tot de islamitische gemeenschappen. Nederland is de afgelopen jaren ook geconfronteerd met gewelddadig dierenrecht activisme, rechts-extremistisch geweld en radicaal anti-globalisme.” De coördinator noemt geen details zodat onduidelijk is wat voor gevaar die radicalisering voor Nederland heeft gezorgd. De dienst wil echter onderstrepen dat deze onbekende radicalisering ook strafrechtelijk zal worden aangepakt. De NCTV heeft een onderzoek aangekondigd naar “de bruikbaarheid van het strafrechtelijk instrumentarium bij het beschermen van democratische waarden en normen, met het oog op het huidige verschijnsel van radicalisme.”

Om duidelijk te maken waar de dienst toe in staat is wordt een geheimzinnige casus beschreven. “De NCTb concludeert dat de organisatie waarom het in de pilot ging, een voorbeeld is van een organisatie waarop de in die brief uitgelegde wijze van verstoren kan worden toegepast.” Bij de ‘pilot’ gaat het om een organisatie die men wil verstoren, of lastig vallen, overheidsterreur, vergelijkbaar met de Bibob. Strafrechtelijk is er niets aan de hand, maar een bedrijf, stichting, vereniging krijgt geen vergunning vanwege ‘samengebrachte’ informatie. De coördinator omschrijft dit als volgt: “Er is evenwel onvoldoende grond voor strafrechtelijk, bestuursrechtelijk dan wel civielrechtelijk ingrijpen.” In DTN-0 is voor onvoldoende het woord vooralsnog toegevoegd, want de dienst vindt de organisatie ‘fout’. De ‘organisatie’ is een stichting en een aan deze stichting gelieerde moskee, waarschijnlijk gaat het om de Stichting As-Soennah. Volgende de NCTb “vinden activiteiten plaats onder de vlag van deze organisatie die als anti-integratief zouden kunnen worden beschouwd, leent de organisatie zich mogelijk als een broedplaats voor radicalisering, is er sprake van een potentieel aantrekkelijke omgeving voor rekruteurs en is de financiële huishouding is niet transparant.” Let op de woorden “zouden kunnen worden” in het kader van de activiteiten, “mogelijk” in het kader van broedplaats en “potentieel” bij rekruteurs. Alleen over de financiën lijkt de dienst een duidelijke positie in te nemen, die zijn “niet transparant”. Wat dat inhoudt maakt de coördinator echter niet duidelijk, het zou ook kunnen betekenen dat de dienst daar geen inzage in heeft en waarom zou zij daar inzage in moeten hebben?

De dienst schetst vervolgens een beeld van het ‘verstoren’, waaruit moet blijken dat de NCTb haar tanden kan laten zien. In ambtenarentaal stelt de dienst: “Door de NCTb is een pakket maatregelen ontwikkeld dat de overheid ter beschikking staat om zeer gericht op deze casus (“maatwerk”) te interveniëren in het radicaliseringsproces.” Vervolgens schetst de coördinator dat hij diverse andere diensten op de niet strafbare organisatie kan afsturen: “Het ministerie van Buitenlandse Zaken en de IND bij specifieke evenementen in de moskee en gerichte, risico gestuurde controles (binnenlands vreemdelingentoezicht, buitengrensbewaking en Mobiel Toezicht Vreemdelingen (MTV)) ten tijde van zo’n evenement.” Het blijft niet bij migratie maatregelen ook financiële controleurs wordt op de stichting en de moskee afgestuurd. “Het ministerie van Financiën kan relevante kredietinstellingen attenderen op een stichting in verband met het geconstateerde verhoogde risico van directe of indirecte betrokkenheid bij terrorisme/extremisme. De Belastingdienst controleert de stichting met als doel meer inzicht te verkrijgen in financiële geldstromen en huishouding van de stichting.” En de dienst laat het daar niet bij, want de ‘organisatie’ moet op de knieën worden gedwongen: “De wijkagent wordt ingezet bij preventief toezicht op wijkniveau en de lokale overheid wordt geïnformeerd over de radicaliseringsproblematiek zodat op lokaal niveau bijvoorbeeld de voorwaarden voor de vestrekking van subsidies/vergunningen verscherpt worden toegepast.” Gaat dit om Al Qa’ida? Nee, dit gaat om een ‘organisatie’ waarbij “onvoldoende grond is voor strafrechtelijk, bestuursrechtelijk dan wel civielrechtelijk ingrijpen.” Onschuldige burgers dus. In landen als Rusland en China en andere repressieve regimes gebeurt dit ook, blijkbaar ziet de dienst die landen als haar grote voorbeelden.

DTN-1 / 10 juni 2005

In het eerste ‘echte’ DTN stroopt de coördinator de mouwen verder op. In internationaal opzicht lijkt de dienst zich te willen meten met Al Qa’ida. “De islamistische-terroristische dreiging voor Nederland gaat nog steeds in belangrijke mate uit van islamistische netwerken. De grootste huidige dreiging uitgaande van het Al Qa’ida netwerk voor Nederland ligt besloten in de proliferatie van zijn gedachtegoed.” Proliferatie is een woord dat niet snel gebruikt wordt en meestal is het gebruik in samenhang met massavernietigingswapens zoals ook in DTN-5 en DTN-7. Het gebruik van proliferatie in relatie tot Al Qa’ida lijkt iets te willen aangeven. De eerste coördinator is er snel van afgestapt, de laatste coördinator heeft het in ere hersteld vooral in de laatste DTN-37 van 2014. Het is onduidelijk of er binnen de NCTb een discussie over het woord is geweest, maar proliferatie gebruiken in relatie tot radicale moslim jongeren die dan gelijk worden gesteld aan massavernietigingswapens gaat nogal ver.

Net als radicale moslim jongeren in verband brengen met proliferatie is verstoren ook een stigmatiserende maatregel, maar behoort volgens de dienst tot haar instrumentarium en past in een rechtsstaat. Dat Al Qa’ida al doorgedrongen is in de Hollandse polder blijkt volgens de coördinator uit “het ontstaan van lokale terroristische netwerken van in Nederland geboren moslims.” De coördinator geeft niet aan om hoeveel netwerken het gaat, ook niet wat de overheid met deze blijkbaar terroristische netwerken doet, want als ze al terroristisch zijn, waarom zijn er geen netwerken opgerold, behalve de al opgerolde hofstad groepen en de groep rond Samir A.? De enige arrestatie waar de coördinator wel over bericht is de “aanhouding van betrokkene verijdelde geval van ‘zelfontbranding’” wat eigenlijk in tegenspraak is met de genoemde ‘terroristische netwerken’. Op deze arrestatie wordt in de internationale analyse van de DTN’s dieper op ingegaan.

‘Zelfontbranding’ heeft alles te maken met radicalisering en die radicalisering moet verstoord worden zoals al duidelijk werd bij de geheimzinnige ‘organisatie’. Volgens de coördinator zijn de motieven voor jongeren om te radicaliseren sinds de moord op van Gogh veranderd. “In het recente verleden werden deze motieven ontleend aan de strijdgebieden waar een nationalistische of islamistische strijd plaatsvond of plaatsvindt (zoals het Midden-Oosten, Afghanistan tijdens de Sovjetbezetting, Bosnië en Tsjetsjenië). Nu lijkt de afkeer zich steeds sterker te richten tegen het Westen in zijn algemeenheid dat wordt gezien als de ‘onrechtvaardige’ macht tegenover moslims. Het recente optreden van het Westen in Afghanistan en Irak vormt een extra impuls, waarbij de afkeer zich ook specifiek tegen Nederland richt.” Het is interessant hoe de dienst doet alsof de coördinator boven de strijdende partijen staat en zelf geen onderdeel uitmaakt van de ‘War on Terror.’

Verhoudingen in het Midden-Oosten zijn in de loop der jaren niet echt veranderd. Veel landen worden geleid door dictators met steun van het ‘vrije’ westen. Afghanistan was in eerste instantie geen moslimstrijd zoals de NCTb dat tracht te definiëren. De Afghanen hebben diverse keren tegen de Engelsen gevochten, vervolgens tegen de Russen en daarna tegen de Amerikanen en hun bondgenoten. Het zou ook als antikoloniale oorlog kunnen worden gedefinieerd, een zelfbeschikkingsoorlog. De platte analyse van de verschuiving van ‘een nationalistische of islamistische strijd’ naar een ‘anti-westerse strijd’ ontbeert enige analyse van tevens zeer verschillende landen en hun geschiedenis. De tweedeling past wel in de framing van radicale moslims als tegenstanders van “het optreden van het Westen in Afghanistan en Irak.” Dit bipolaire denken versterkt zichzelf in de loop van de DTN’s.

De coördinator legt nog wel een link met het klimaat in Nederland: “Radicaliseringsprocessen binnen moslimgemeenschappen worden ook gevoed door de xenofobe soms racistische houding en gewelddaden van rechtsdenkende jongeren.” Het woord xenofoob wordt drie keer gebruikt in de DTN’s, de laatste keer in DTN-10 in 2007. Daarna lijkt het westen niet meer xenofoob, maar zijn de rollen omgedraaid, want is er “vermeende discriminatie van moslims.” In de internationale analyse van de DTN’s wordt nader op deze opmerking van de coördinator ingegaan. Het gebruik van het woord xenofoob bij Nederland sluit ook meer aan bij “een niet te onderschatten belasting voor de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen in Nederland,” zoals de NCTb schrijft. Bij vermeende discriminatie is er niets aan de hand in Nederland en ligt het aan de moslims zelf. En dat brengt de coördinator weer terug bij zijn favoriete topic, polarisatie en radicalisering.

In de afgelopen tien jaar is niet duidelijk wie de aanjagende factor is bij meer repressie, zijn het moties van politiek partijen of zijn het de ambtenaren zelf? Bij de “aanpak gebruik internet en satellietzenders voor radicale en terroristische doeleinden,” lijkt het op aandringen van politieke partijen, maar in de loop der jaren is de dienst maar al te enthousiast om een website neer te halen. Onderscheid tussen radicaal en terroristisch is bij de omschrijving van de maatregelen weggevallen en voor de NCTb gaat het al lang niet meer over uitingen, maar ook communicatie over die uitingen. “De aanpak beperkt zich overigens niet tot de bestrijding van radicale uitingen; ook communicatie die anderszins dreigend kan zijn, wordt in de totaalaanpak betrokken.” En ook al wordt er nu misschien alleen aandacht aan radicale moslim jongeren besteed, doel is dat de aanpak het hele politiek spectrum bestrijkt: “Tenslotte is het van belang dat de aanpak zich richt op uitingen vanuit zowel radicaal-islamistische, als links- en rechtsextremistische hoek.”

DTN-2 / 29 september 2005

Soms is het belangrijk te beseffen dat er weinig is gebeurd in Nederland. Dit is belangrijk omdat bij de drie maandelijkse productie van het Dreigingsbeeld de indruk bestaat dat Nederland elke keer door het oog van de naald is gekropen. Zo ook de tweede DTN. In DTN-2 worden dreigementen genoemd. Ten eerste is er de “veronderstelde dreiging” tegen Sail in Amsterdam. Op de dreigingsanalyse rond Sail wordt in het internationale deel uitvoeriger ingegaan. Joustra schrijft dat er “een tijdelijke verhoging van de dreiging was, die te maken had met het proces tegen de Hofstadverdachten.” Daarnaast schrijft hij dat er “op grond van informatie van de inlichtingendiensten, rond enkele personen beveiligingsmaatregelen worden genomen.” Bij de tweede dreiging, de rechtszaak, waren er geen inlichtingen maar is de dreiging verhoogd. In het derde geval was er informatie van geheime diensten waardoor de dreiging rond personen is verhoogd. Hoe realistisch die inlichtingen waren en of het niet allemaal met de angst voor aanslagen zoals in Londen te maken had, wordt niet duidelijk.

Het gebeurde wel allemaal in juli 2005 en het lijkt allemaal in direct verband te staan met die aanslagen. Wie de dreigingsanalyse van de coördinator leest moet ook tot die conclusie komen. Hij schrijft namelijk dat “Nederland onverminderd in de belangstelling van potentiële terroristen staat.” De dienst gaat nog even verder: “Radicaliseringsprocessen, zoals de verdachten van de aanslagen in Londen die hebben doorgemaakt, blijven ook in Nederland onveranderd een punt van grote zorg.” Twee maanden na de aanslagen in London weet de coördinator alles over de mogelijke daders en hoe zij tot hun daad kwamen. En Joustra is niet meer te stuiten: “De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) heeft een fenomeenbeschrijving van zelfmoordterrorisme opgesteld en een quick scan uitgevoerd naar mogelijkheden om barrières op te werpen tegen zelfmoordterroristen. De conclusie daarvan is dat het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.”

Let wel: de dienst die de dreiging voor Nederland moet analyseren, schrijft in het tweede dreigingsbeeld dat “het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.” Als dat zo is, is het dan misschien geen idee om de organisatie maar meteen op te heffen, want wat betekenen alle mogelijk bedreigingen dan door en voor een rechtszaak en personen? Wat voor inlichtingen en/of informatie zijn die bedreigingen gebaseerd? Dat is volstrekt onduidelijk. En dat is ook het beeld dat over het internationale deel van de DTN’s ontstaat. Er wordt niets geduid, niets geanalyseerd en vooral weinig losgelaten over de informatie achter de dreigingen. Het resultaat is een verband tussen “een toenemende polarisatie tussen moslims en niet-moslims”, “deze polarisatie blijft een voortdurende bron van zorg”, “uitval en ontsporing van met name jongeren” naar “polarisatie kan bijdragen aan radicalisering” en “de recente ontwikkelingen maken opnieuw het belang duidelijk van een kabinetsbreed beleid gericht op tegengaan van radicaliseringsprocessen.”

De coördinator noemt de aanslagen in London niet, maar recente ontwikkelingen lijken daar op te hinten. Aan de andere kant weet de coördinator niets van radicalisering want er kunnen geen barrières worden gevonden om het ontwikkelingsproces van de zelfmoordterrorist tegen te gaan. Er is een cirkelredenering ontstaan, die uiteindelijk tot meer vaagheid en minder analyse leidt. Blijkbaar is het gevaarlijk en mogen we blij zijn dat we nog niet zijn opgeblazen. En dat is ook het gevoel van veel Nederlanders omdat “ongeveer de helft van alle Nederlanders (55%) de kans «zeer groot» tot «tamelijk groot» acht dat in Nederland binnen afzienbare tijd een terroristische aanslag zal plaatsvinden.” Veel van deze burgers hebben ook behoefte aan informatie over terrorisme en het aantal mensen dat vindt dat “de overheid onvoldoende informatie verstrekt is gegroeid van 47% naar 60%” en “het vertrouwen in die informatievoorziening is gedaald.” Of daar vage berichtgeving over Sail en andere bedreigingen behulpzaam bij zijn is de grote vraag. De NCTb start daarom in 2006 een campagne ‘Nederland tegen terrorisme’ en bericht in de DTN’s 5, 7, 11, 13, 15 en 17 over die campagne.

DTN-3 / 5 december 2005

Bij gebrek aan echte dreiging lijkt de coördinator verder af te dwalen in de theoretische dreigingsanalyses. Het is pas het derde dreigingsbeeld en de dienst weet het zeker. “Wat betreft de binnenlandse factoren vallen de afgelopen periode enkele ontwikkelingen op die alleen in de context van mondiale radicaliseringsprocessen goed kunnen worden geduid. Dit houdt in dat de ontwikkelingen in Nederland onderdeel zijn van globale maatschappelijke processen die in veel westerse landen vergelijkbare patronen vertonen en slechts een zeer klein deel van de allochtonen en autochtonen betreffen.” In de internationale analyse van de DTN’s wordt meer ingegaan op de veronderstellingen dat in alle westerse landen dezelfde “globale maatschappelijke processen” plaatsvinden. Welke dat precies zijn maakt de coördinator niet helemaal duidelijk, want het zijn “vergelijkbare patronen” die “slechts een zeer klein deel van de allochtonen en autochtonen betreffen.” Waar de dienst die kennis vandaan heeft is niet duidelijk, maar het gaat natuurlijk over radicalisering en terrorismevorming.

Volgens de NCTb gaat het als volgt: “Allereerst bevinden zich in toenemende mate autochtone bekeerlingen in een overwegend individueel radicaliseringsproces. Sommigen raken zelfs betrokken bij de ondersteuning van terroristische activiteiten. De toegenomen geweldsbereidheid van dergelijke bekeerlingen is een zorgwekkende ontwikkeling. Verder ontvangt de politie inmiddels veelvuldig meldingen over personen die zich in een radicaliseringsproces lijken te bevinden. Dit heeft overigens voor een deel te maken met de toegenomen maatschappelijke alertheid ten aanzien van eventuele radicaliseringsprocessen. Veel van deze personen blijken criminele antecedenten te hebben.” Het is onduidelijk of de coördinator het in deze hier over Nederland heeft als het gaat over autochtonen die zich bekeren en individueel radicaliseren en ook nog aan terrorisme ondersteunen doen. Als dit bericht op Nederland zou slaan, zou deze zin worden gevolgd door een arrestatie, waarmee de dienst duidelijk zou maken ook daadwerkelijk alert te zijn.

In de eerste regel van de acute dreiging schrijft de coördinator dat “met de recente aanhoudingen weliswaar een acute specifieke terroristische dreiging aanzienlijk is verminderd, maar dat dit geen aanleiding is het algemene dreigingsniveau te verlagen.” De arrestatie zou ook de dreiging verminderen want de bekeerlingen zouden een “toegenomen geweldsbereidheid” hebben en met de arrestatie wordt verondersteld dat dit allemaal is afgenomen. Blijkbaar is dat niet het geval, waarom wordt niet duidelijk. De politie krijgt tevens veel radicaliseringssignalen en die radicaliserende mede-Nederlander is meestal ook nog crimineel. Nederland staat op exploderen zou je zeggen en dat blijkt ook want alle Nederlanders zijn alert en zijn de bron van die “eventuele radicaliseringsprocessen.” Twee alinea’s van analyse van het terrorisme gevaar komen uiteindelijk samen bij een angstig volk dat allerlei mensen aangeeft bij de politie. De coördinator duidt niet, lijkt de alertheid van het land geweldig te vinden en het gevaar lijkt alleen maar groter te worden dus de medelanders nog alerter. De spiraal van gevaar is eindeloos, want de radicale moslims zijn ook loverboys, trouwen en die meiden zijn ook extremistisch. De ‘loverboy’-achtige processen blijven in 2006 nog actief, dan verdwijnt die analyse van de coördinator uit de latere DTN’s.

Onderdeel van de “globale maatschappelijke processen” zijn ook de “geconstateerde toename van het aantal hoger opgeleiden onder rekruten” en “radicaliseringsprocessen binnen het onderwijs.” Of die kennis van globale processen werkelijk zijn, wordt niet duidelijk, de dienst schrijft een paar regels boven de radicalisering van het onderwijs dat er “vooralsnog geen informatie beschikbaar is over van buitenaf geregisseerde radicaliseringsprocessen in het Nederlands hoger onderwijs.” Dreigingsbeeld als middel om polarisering aan te wakkeren lijkt het recept. Datzelfde geldt voor die “recente aanhoudingen.” De coördinator licht de aanhoudingen niet toe en het zou om de volgende kunnen gaan. “In december 2005 worden twee jongens Remi D. en Melvin R. gearresteerd in Dauwendaele. De jongens zijn een film aan het opnemen waarbij een van de twee een bivakmuts draagt, een mes trekt en de ander aanvalt. De jongens staan duidelijk te filmen. Buurtbewoners bellen de politie die groots uitrukt. De jongens belanden in de cel en krijgen een taakstraf.” Of “Amal A. die op 3 november 2005 wordt gearresteerd in Rijswijk wegens mogelijke betrokkenheid bij terroristische activiteiten. Op 9 november 2005 wordt zij vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.” Man gearresteerd op 28 oktober 2005 die wordt vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Of een man die bij de Schipholbrand in de nacht van 25 en 26 oktober 2005 om het leven komt. Of de arrestatie op 14 oktober 2005 van een groep rond Samir A., maar als dat zo was dan had de coördinator zijn naam genoemd, want hij is de knuffelterrorist van de dienst. Blijft de vraag open welke aanhouding de coördinator bedoelt.

Ditzelfde geldt voor het gedeelte over het verstoren van zogenoemde radicaliseringshaarden. De coördinator komt niet meer terug op de geheimzinnige ‘organisatie’ uit DTN-0 waar eigenlijk niets mee mis was, maar mogelijk iets mis was en daarom dienden die stichting en moskee verstoord te worden. De dienst schrijft: “Een radicaliseringshaard is een organisatie of stichting die als voedingsbodem fungeert voor radicaliseringsprocessen.” Of er dergelijke organisaties bestaan is onduidelijk. Dezelfde passage komt in DTN-9 (2007) terug, daar is de zin bijgevoegd: dat “om operationele redenen geen openbare mededeling kan worden gedaan over de betreffende organisaties en de maatregelen die reeds zijn en nog worden getroffen.” Radicaliseringshaarden komen in de eerste twee jaar van de NCTb veel voor, daarna veel sporadischer. De coördinator wil nog wel even kwijt dat “de verstoringsacties uiteraard plaats vinden binnen de grenzen van de wet,” alsof hij eigenlijk ook wel beseft dat het verstoren weinig rechtsstatelijk is.

Dit wordt duidelijk uit de passage “vreemdelingrechtelijke aanpak” bij het verstoren van organisaties en mensen. De coördinator schrijft dat “de betrokken vreemdelingen veelal gebruik blijken te maken van rechtsmiddelen, zoals een verzoek om opheffing van vreemdelingenbewaring en het instellen van bezwaar en beroep tegen de beëindiging van verblijf of tegen de ongewenst verklaring.” Die vreemdelingen blijken zelfs kennis te hebben van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en dit zorgt er alleen maar voor dat deze vreemdelingen niet mogen worden uitgezet. “Dit alles leidt er toe dat de effectuering van de vreemdelingrechtelijke maatregelen vertraging oploopt,” besluit hij. Het feit dat de coördinator zelf niet naar artikel 3 van het EVRM heeft gekeken, maakt misschien de radicalisering van de coördinator zelf duidelijk.

Conclusie DTN 2005

In het nulnummer van het DTN maakt Joustra duidelijk dat terrorisme, extremisme, radicalisering, polarisatie één en hetzelfde is en dat er geen verschil is tussen de radicale islamitische, extreemrechtse of anti-globalisme gemeenschap. Verdachten worden het liefst al als veroordeelden gepresenteerd en concrete feiten wordem niet vermeld. Het lijkt alsof het allemaal vooral heel mistig moet blijven, zo vaag mogelijk als inlichtingen jaarverslagen. Het strafrecht moet worden ingezet tegen radicale stemmen en de integrale aanpak van terrorisme strekt zich uit in alle facetten van de samenleving. Geen analyse, context, onderzoek van wat er fout ging bij de moord op van Gogh, nee doorpakken nu het kan op een repressieve manier. De dienst trakteert de lezers op een spannend verhaal over een organisatie die fout is. Lees: “het Kwaad” met een hoofdletter K. Probleem is dat er niets strafrechtelijks, bestuursrechtelijks danwel civielrechtelijks mankeert aan de ‘organisatie’. De organisatie is onschuldig, maar niet voor de dienst. De coördinator stelt dat er verstoord moet worden, want de ‘organisatie’ is fout. Zie hier in het nul nummer van het DTN waar tien jaar ondermijning van de rechtsstaat mee begint. Bij DTN-1 zijn de radicale islamitische jongeren aan de beurt die vergeleken worden met massavernietigingswapens en is discriminatie van moslims alleen “vermeend”, in de hoofden van diezelfde moslims dus. In DTN-2 wordt de dreiging opgeschroefd door London, al is onduidelijk of er echt aanwijzingen zijn en het vooral een schrikreactie op de aanslagen in London is. De coördinator weet echter alles al van die aanslag en stelt dat “het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.” Let wel de dienst die de dreiging voor Nederland moet analyseren, schrijft in het tweede dreigingsbeeld dat “het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.” Als dat zo is, is het misschien een idee om de organisatie maar meteen op te heffen, want wat betekenen alle mogelijk bedreigingen dan van een rechtszaak en voor personen? Wat voor inlichtingen en/of informatie zijn die bedreigingen gebaseerd? Dat is volstrekt onduidelijk. Het jaar wordt afgesloten met DTN-3 en globale maatschappelijke processen, mondiale radicaliseringsprocessen, niet vast te stellen geregisseerde radicaliseringsprocessen in het Nederlands hoger onderwijs en een stel arrestaties waarover de dienst niets vermeld, waardoor onduidelijk blijft wat dat voor het gevaar voor Nederland betekent. Het eerste jaar DTN van de NCTb, een dienst die met een gestrekt been de rechtsstaat intrapt. Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, de terreur van de dienst die zegt terrorisme te bestrijden, maar die vooral op allerlei fronten bezig is de rechtsorde uit te hollen. De terreur van de NCTb.

2006 jihadistische managementtraining voor de NCTb

DTN-4 / 2 maart 2006

Het eerste DTN van 2006 is een opmerkelijk document. De toon is anders, de dreiging echter hetzelfde. Het is het eerste DTN waarin het over de kans op een zelfmoordaanslag in Nederland wordt gespeculeerd: “Dit betekent dat de kans reëel is dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat een dergelijke aanslag ook de vorm van een zelfmoordaanslag kan aannemen.” In DTN-2 kwam de zelfmoordaanslag voor als een aanslag die niet voorkomen kan worden, maar niet als een mogelijke aanslag in Nederland. Waarom de coördinator nu zelfmoordaanslag als dreiging gebruikt is onduidelijk. De dienst heeft geen aanwijzingen voor een op handen zijnde aanslag. De dienst beschrijft netwerken van radicale jongeren, die in de gaten worden gehouden en tevens worden er verdachten gearresteerd. De dreiging verandert niet, niet door de arrestaties, niet door het zicht op de netwerken. “Gelukkig hebben in het verleden diverse aanhoudingen in verband met terroristische activiteiten een acute dreiging kunnen wegnemen of op zijn minst tijdelijk kunnen verminderen. Tot een duurzame verlaging van het algemene dreigingsniveau hebben de aanhoudingen echter niet geleid.”

De Hofstad groep wordt specifiek genoemd: “In Nederland doen veiligheidsautoriteiten onderzoek naar diverse terroristische netwerken. Het Hofstad-netwerk is een spraakmakend voorbeeld van een van de netwerken. De publieke aandacht voor de activiteiten van de leden van dit specifieke netwerk is begrijpelijk, maar dat mag er niet toe leiden dat het gevaar van andere netwerken genegeerd of onderschat wordt.” Gewone stervelingen begrijpen er volgens de NCTb niets van want “de dreiging voor Nederland is namelijk veel complexer en omvattender dan de dreiging die in enkele concrete zaken de afgelopen tijd een rol heeft gespeeld.” De dreiging is complexer en omvattender, er staat een zelfmoordaanslagpleger op de stoep, en dat is geen concrete zaak. Nee, het gevaar is onzichtbaar en de coördinator is de enige die het ziet en er voor waarschuwt. De toon is gezet. Wie de inleiding van DTN-4 heeft gelezen stopt met alles wat hij of zij aan het doen is en rent naar de bunker, niet alleen is er een zelfmoordaanslag in aantocht, er is potentieel iets veel ergers aan de hand, alleen niemand weet het behalve de dienst.

Wie vervolgens toch doorleest raakt verstrikt in een doolhof van rekrutering, training en ideologie. Volgens de coördinator vinden de trainingen niet meer fysiek plaats maar in de vorm van studeren op afstand met de NCOI bijvoorbeeld. “Met het verdwijnen van het gros van de fysieke trainingskampen in Afghanistan en Pakistan zijn veel jihadisten inmiddels aangewezen op deze virtuele trainingsmogelijkheden op het internet. Van de laagdrempelige beschikbaarheid van gedetailleerd en in aanleg professioneel trainingsmateriaal gaat een aanzienlijk risico uit.” Deelname aan deze online jihadistische universiteit is door zelfrekrutering. De bijpassende ideologie is de klassieke gewelddadige takfir-ideologie, een gemuteerde takfir-ideologie of de neo-takfir-ideologie. Volgens de coördinator verschuift de ideologie van de cursisten aan het virtuele jihadistencollege en door de laagdrempeligheid groeit de beweging als kool: “Hier komt bij dat radicaliseringsprocessen onder een deel van de totale moslimbevolking en sommige bekeerlingen in Nederland onverminderd voortschrijden. Tot de aanhangers behoort inmiddels een snel groeiende groep geradicaliseerde jongeren.”

De combinatie van “een deel van de totale moslimbevolking”, onduidelijke netwerken en zelfmoordaanslagen suggereert een ophanden zijnde explosie. De coördinator vist daar ook naar: “Een en ander impliceert dat het soms felle publieke debat in Nederland over de islam het risico met zich meebrengt dat ook ons land op enig moment het mikpunt kan worden van radicaal-islamitische agitatie,” schrijft hij over de boosheid onder moslims over de spotprenten van Kurt Westergaard. “Radicaal-islamitische agitatie” klinkt toch even anders dan de dreiging van een zelfmoordaanslag en lijkt dichter bij de waarheid dan ronkende berichten over onzichtbare netwerken en virtuele jihadistische soldaten. Dat de coördinator het begin 2006 niet helemaal helder meer zag blijkt uit de laatste twee zinnen van ‘ontwikkelingen in Nederland’. “Niet alleen confrontaties tussen bevolkingsgroepen maar ook een uit onzekerheid of antipathie gegroeide scheiding in de Nederlandse samenleving zou op termijn de dreiging negatief kunnen beïnvloeden. Hoewel het daar geen rassenrellen betrof, gaat van de heftigheid van de recente onlusten in Frankrijk een waarschuwing uit voor onderschatting of ontkenning van risicovolle processen die in afgescheiden groepen of door de afscheiding van groepen plaatsvinden.” Het lijkt alsof de coördinator teleurgesteld is over het gemis aan rassenrellen want “hoewel het daar geen rassenrellen” zijn, “gaat van de heftigheid een waarschuwing uit voor onderschatting of ontkenning van risicovolle processen” in groepen, lees netwerken. In de internationale analyse van de DTN’s komt Donald Rumsfeld regelmatig terug met zijn ‘unknown unknowns’, Joustra wilde heel graag in zijn voetsporen treden.

DTN-5 / 7 juni 2006

De dreiging blijft substantieel en het deel van de moslimgemeenschap dat radicaliseert, lijkt explosief toe te nemen. De redenering is als volgt: “Controversiële debatten of artistieke uitingen over de islam, … zijn een vermeende aanval op de islam.” Alleen de radicale moslims ergeren zich hieraan en zij winnen “zowel op het internet als in een steeds groter wordend aantal moskeeën snel aan invloed”. Waarom winnen zij aan invloed? Zij maken “bij voorkeur gebruik van de Nederlandse taal, waardoor een steeds grotere groep jonge moslims wordt bereikt met alle radicaliseringsrisico’s van dien.” Zie hier de potentiële netwerken. Ze zijn er nog niet, maar komen er aan. De Nederlandse taal baart de coördinator zorgen: “Op het internet speelt zich een vergelijkbare ontwikkeling af. Zowel het naar het Nederlands vertaald jihadistisch materiaal als ook het aantal Nederlandstalige websites met radicale inslag is in de afgelopen periode in aantal toegenomen.” De dienst is bang voor “de salafistische krachten die hun antiwesterse en anti-integratieve retoriek aan een breder publiek” zouden kunnen overbrengen. Wel in de Nederlandse taal, want zo gedesintegreerd zijn deze mensen ook weer niet.

Voortbordurend op die netwerken spint de coördinator een complex verhaal van nationale en internationale netwerken, agenda’s, doelwitten en professionaliteit. “Hierbij valt op dat dergelijke binnenlandse netwerken een meer internationaal georiënteerde agenda ontwikkelen. De aandacht voor potentiële doelwitten zou van het binnenland kunnen verschuiven naar het buitenland. Meer voor de hand liggend is echter, dat de internationale agenda op de korte termijn naast de nationale agenda komt te staan. Een veiligheidsrisico vormt de naar verwachting verhoogde professionaliteit van diverse netwerken door inbreng van internationaal beschikbare expertise.” Wie denkt dat dit jihadistische managementtaal is vergist zich. De coördinator ziet al een zelfmoordaanslag met een vuile bom. “Het risico dat terroristen zich in de toekomst zullen gaan bedienen van niet-conventionele wapens (chemisch, biologisch, radiologisch of nucleair, CBRN) wordt voor Nederland voor de korte termijn ingeschat als klein maar reëel.” Klein zou gering zijn, reëel een inschatting, maar reëel is werkelijk, dus waar de coördinator de aanwijzingen vandaan heeft is onduidelijk, er is potentie hoewel gering, maar hoe reëel is onduidelijk.

De dienst gaat iets dieper in op de virtuele rekrutering, training en netwerken. In tegenstelling tot maart 2006 lijkt het mee te vallen. Het zou slechts gaan om het ontwikkelen van netwerken en nog niet bestaande netwerken. “Het internet biedt ook mogelijkheden om virtuele netwerken te vormen waarbij geen of nauwelijks fysiek contact vereist is,” denk hierbij aan sociale media. “In dat geval zouden niet alleen totaal nieuwe netwerken kunnen ontstaan, maar ook interacties tussen diverse typen fysieke en virtuele netwerken kunnen toenemen.” De coördinator heeft het nu slechts over mogelijkheden, maar blijkbaar staat alles in de kinderschoenen. “Vooralsnog kent het ontstaan van zuiver virtuele netwerken echter zijn beperkingen. Leden van virtuele netwerken zullen in de regel pas tot het ontplooien van gezamenlijke activiteiten overgaan wanneer er sprake is van daadwerkelijk onderling vertrouwen.” Dit in tegenstelling tot de eerste zin van ‘Terrorisme en rekrutering’: “De aanzienlijke dreiging van binnenlandse netwerken beïnvloedt onverminderd het dreigingsbeeld.”

Waar die dreiging vandaan komt is onduidelijk, tevens of de coördinator ergens zicht op heeft. Hij schrijft: “Het aantal meldingen van de politie over personen die een radicaliseringsproces door zouden maken blijft stabiel.” Dit suggereert alsof er zicht is op aantallen, ernst, netwerkvorming en andere aspecten. Niets is minder waar want, “hierbij dient te worden opgemerkt dat het om niet nader geanalyseerde signalen gaat.” Er is geen zicht op de radicalisering, maar er is wel radicalisering. Vervolgens gaat de dienst nader in op het leger, toch niet een plek waar je een zelfmoord terrorist los wilt laten. Alsof er niets aan de hand is schrijft de NCTb: “Het aantal meldingen over mogelijke radicalisering onder personeel binnen de krijgsmacht neemt geleidelijk toe. Ook zijn er aanwijzingen dat defensiepersoneel in contact staat met radicale groeperingen en instanties, zoals enkele islamitische stichtingen en moskeeën, dan wel daarin participeren.” Netwerken, zelfmoordaanslagen, vuile bom: alles komt dichterbij en dan: “De signalering van radicalisering binnen de krijgsmacht kan overigens ook het gevolg zijn van een toenemende alertheid binnen de krijgsmacht en hoeft niet noodzakelijkerwijs het gevolg te zijn van een toename van radicalisering.” De coördinator biedt geen uitsluitsel en wil nog wel even kwijt dat hij bij het armpje drukken met de geradicaliseerde netwerken een punt heeft gescoord, al lijkt het leger al in handen van de radicale moslims. “Het vonnis inzake het Hofstadnetwerk is een tegenslag voor het netwerk, omdat leden tot celstraf zijn veroordeeld voor terroristische misdrijven.”

Het Nederlandse publiek waardeert de coördinator. Volgens de NCTb lijkt de campagne “«Nederland tegen terrorisme» gunstig uit te pakken.” Er worden meer meldingen gedaan bij Meld Misdaad Anoniem en men is niet banger geworden. Waar die meldingen over gaan, schrijft de coördinator niet, maar of dit meldingen zijn over toename van radicalisering in het leger of de onbekende radicalisering waar de politie geen zicht op heeft is onduidelijk. De coördinator is tevreden over het Nederlandse publiek. Die tevredenheid vertaalt zich ook in een leger nieuwe rekruten voor het terreurbeleid van de NCTb. “Bestuurders, gemeenten, scholen en instellingen binnen de justitiële (jeugd)keten,” in de loop der jaren worden steeds meer mensen betrokken bij het beleid van de coördinator om radicalisering op te sporen, dreiging in te schatten en allerlei andere veiligheidstaken op zicht te nemen.

Deze ontwikkeling van het terroriseren van de samenleving heeft grote gevolgen zoals de toekomstige dreigingsbeelden laten zien. De oorlog tegen de terreur vindt zijn weg in allerlei beleidsterreinen en onderdelen van de samenleving zoals internet (“monitoring, surveillance, opsporing”), media (“zenders die zich mogelijk schuldig maken aan het uitzenden van antisemitische uitspraken en/of andere radicale uitingen”), dieper in de politie-haarvaten (“taakuitbreiding van het KLPD omvat onder andere het opstellen van een criminaliteitsbeeldanalyse (CBA) terrorisme, opsporingsonderzoeken terrorisme, structureel produceren van kwalitatief goede dreigingsmeldingen, dreigingsinschattingen en dreigingsanalyses en persoonsbeveiliging”), migratie (“Grensbewaking en identiteitscontrole”/ “Internationale samenwerking bij grensbewaking”), militarisering van de veiligheid (“het project «Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking» (ICMS)”) en financiën. Of dat nog iets met de werkelijkheid te maken heeft, lijkt niet meer de vraag.

Een volgens de dienst in DTN-0 duistere stichting, Al Haramain Humanitarian Aid, werd vervolgd voor “terroristische activiteiten” en is op 5 januari 2006 vrijgesproken door het Hof Amsterdam omdat de “werkzaamheden of het doel van deze stichting niet in strijd zijn met de openbare orde.” De wens om terreur te oogsten lijkt onderdeel van de DTN’s geworden. De coördinator is blij met een veroordeling en gaat persoonlijk de strijd aan met de leden van de Hofstad groep of andere netwerken. “Bilal L. werd ten eerste schuldig bevonden aan voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven en ten tweede aan rekrutering voor de gewapende strijd.” Bilal Lamrani was duidelijk boos op de samenleving. Hij had eerder vastgezeten voor het bedreigen van Geert Wilders en “in de gevangenis had Bilal gevraagd hoe hij aan semtex kon komen en op zijn usb-stick waren handleidingen gevonden voor het maken explosieven” (NRC Handelsblad 8 september 2007). Zie ook de internationale analyse van de DTN’s.

DTN-6 / 16 oktober 2006

Dreigingsbeelden worden gepresenteerd als afwegingen. De balans tussen dreigingen, aanwijzingen en weerstand vormen de basis van een ‘complexe’ formule waaruit dan het dreigingsniveau rolt, groen, geel, oranje of rood. DTN-6 geeft aan dat een “afweging van de nationale en internationale dimensie van de dreiging afgezet tegen de weerstand op basis van de bij de NCTb aangeleverde dreigingsinformatie tot deze conclusie leidt.” De coördinator schrijft dat “dit beeld de resultante is van een aantal uiteenlopende ontwikkelingen,” alsof het om een algoritme gaat van dreigingssoftware. Conclusie is dat: “de kans op een aanslag in Nederland reëel blijft.” Wat deze dreigingsexercitie voor meerwaarde heeft is onduidelijk. Als burger moet ik rekening houden met een aanslag op mijn trein, is in wezen wat de coördinator zegt. ‘Veiliger kunnen we het niet maken, angstiger wel,’ lijkt het devies. Hoewel de kans op een aanslag reëel is en blijkbaar blijft voor een bepaalde ongedefinieerde periode, schrijft de coördinator ook dat er “geen concrete dreiging” is.

Niets aan de hand zou je zeggen, maar de dienst heeft het hier over “gekende terroristische netwerken in Nederland”. Hoewel de coördinator het niet zegt impliceert “gekende netwerken” dat er ook ongekende of onbekende netwerken zijn die omschreven worden als “onvoorspelbaar en dynamisch” met een “aanzienlijke transnationale dimensie”. Is er nu niets aan de hand, kan vandaag een bom ontploffen of weet de coördinator het eigenlijk helemaal niet en goochelt hij wat met zijn dreigingsvocabulaire? De woordkeuze is ook explosief. Er zijn “kleine kringen van radicale moslims die bijzonder licht ontvlambaar zijn” en er moet rekening worden gehouden met “spontane uitbarstingen van individuen en groepjes.” Dit explosieve mengsel wordt nog verergerd door een “steeds toenemende radicalisering onder moslims in Nederland”. Eigenlijk is het verbazingwekkend dat niet al het halve land in vlammen is opgegaan, gezien het brandbare taalgebruik van de NCTb.

De nationale dreiging is in een alinea samen te vatten volgens de dienst, met woorden als “gekende terroristische netwerken”, “licht ontvlambaar”, “spontane gewelddadige uitbarstingen” en een verwijzing naar twee bomkoffers die eind juli 2006 in Duitse treinen waren geplaatst. Twee Libanezen werden voor het bomkoffercomplot veroordeeld tot twaalf jaar en levenslang. De beide mannen zeiden dat zij met opzet de koffers hadden gebouwd om niet te ontploffen. De coördinator verwees niet naar een ‘aanslag’ met een metalen plaat op een internationale trein van Amsterdam naar Frankfurt op 29 januari 2006 of twee aanslagen in april en juni 2004 met vier metalen platen op een sneltrein bij Castrop-Rauxel. Het Duitse voorbeeld laat zien dat de relatie tussen moslims en een poging om schade toe te brengen aan een trein een aanslag is en een ongedefinieerde aanslag op een trein als incident niet de moeite van het publiceren waard is. Het jihadistische vocabulaire is alom aanwezig zodat het zelfs niet-jihadistische dreiging definieert. Voor Anders Breivik stelt de coördinator terreur in twee zinnen: “De aanhouding van 17 extreemrechtse potentiële terroristen in België laat zien dat een escalatie van politiek geweld uit niet-jihadistische hoek als risico serieus moet worden genomen.” Veel van de arrestanten kwamen kort na de aanhouding weer vrij.

Het niet-jihadistisch gevaar heeft wel degelijk iets met het jihadistisch gevaar te maken. Bij polarisatie schrijft de coördinator: “In de afgelopen periode was er sprake van diverse gevallen van interetnisch geweld. In meer dan de helft van die gevallen is duidelijk sprake van extreemrechts geweld door Lonsdale jongeren, Skinheads en de Nationale Alliantie.” Of het hierbij is gekomen tot een confrontatie tussen de jihadisten en de niet-jihadisten is onduidelijk, ook laat de dienst in het midden om hoeveel en wat voor gevallen het ging. De radicalisering vindt dus blijkbaar aan beide kanten van de medaille plaats, maar eigenlijk is het allemaal jihadisering: “Waar in het verleden incidenteel personen met een Turkse achtergrond opdoken in lokale jihadistische netwerken met vooral een Noord-Afrikaans karakter, duiken nu kleine groepen jongeren op die als geheel lijken te jihadiseren.” De coördinator is blij om weer terug te zijn bij zijn jihadistisch vijandbeeld, want in een tweepolige wereld, past niet-jihadistische dreiging alleen als moslims ook gejihadiseerd zijn. De moslims zijn een gevaar: “De aanhoudende radicalisering onder een deel van de moslimjongeren in Nederland is een zorgwekkende ontwikkeling die de dreiging ook op langere termijn aanzienlijk blijft beïnvloeden.”

DTN-7 / 20 december 2006

DTN-7 borduurt voort op DTN-5 als het om de al dan niet reële dreiging gaat. Ten eerste zijn “er geen concrete aanwijzingen dat nationale netwerken aanslagen voorbereiden,” maar het gevaar is wel reëel. Dat komt door “de voortdurende radicalisering” die zelfs ondanks de weerstand doorzet, waardoor je de indruk hebt dat half Nederland aan het radicaliseren is. Hoe dat komt verklaart de coördinator door islamitische radicalisering door jongerenpredikers die lezingen verzorgen. Daarnaast vormen de “«informele islamitische huwelijken», waardoor vrouwen onder invloed komen van radicaal-islamitische netwerken” volgens de dienst een groot gevaar. Het is volgens de NCTb namelijk “gebleken dat deze huwelijksvorm breder verspreid is binnen moslimkringen dan voorheen werd aangenomen.” Vervolgens stelt de coördinator dat “geen aanwijzingen” en “toenemende radicalisering” wel degelijk leiden tot “enkele risicovolle internationale ontwikkelingen” die uitmonden in “een materialisering van de ongekende dreiging.” Bij de internationale analyse van de DTN’s wordt aandacht besteedt aan de ‘unknown unknowns’ van Donald Rumsfeld.

De coördinator doelt op “gelijkgezinde individuen die elkaar makkelijk weten te vinden en aan de ontplooiing van terroristische activiteiten werken. Jongeren kunnen in een tijdsbestek van enkele maanden zelf een dergelijke operationele cel vormen. Dergelijke processen lijken deels buiten de tot nu toe bekende patronen van terroristische netwerken te vallen, en kunnen in potentie ook in Nederland plaatsvinden.” Of dit allemaal ook echt is, of door de coördinator uit zijn duim gezogen, blijft onduidelijk. Alles is natuurlijk mogelijk, maar om dreiging te baseren op alles wat mogelijk is, lijkt niet een beeld maar een schrikbeeld te willen opwekken. Ditzelfde lijkt ten grondslag te liggen aan de Marokkaanse netwerken die kunnen zorgen voor de “mogelijke import van jihadistische elementen.” “Niet uit te sluiten valt dat er contacten zijn tussen dergelijke Marokkaanse netwerken en geestverwanten in Nederland.” De gedachtegang lijkt te zijn: In Marokko worden verdachten aangehouden in het kader van terrorisme onderzoek. In Nederland wonen Marokkaanse Nederlanders, die hebben vast familie en vrienden daar. Misschien is een van de verdachten bevriend met iemand in Nederland, die kan ook deel zijn van het netwerk en zo is het allemaal bedreigend.

In deze wereld van onbekend gevaar en totale oorlog, ziet de coördinator ook een toenemende polarisatie en valt het hem op dat “ten opzichte van de vorige rapportageperiode meer gewelddadige interetnische incidenten bij de politie bekend zijn geworden. Bij meldingen over rechts-extremisme is vaak sprake van geweld. Ook het online rechtsradicalisme baart zorgen. Tevens bestaan er zorgen over het verschijnsel van onverdraagzaam isolationisme bij sommige groepen moslims in Nederland. In deze kringen worden intolerante opvattingen gehuldigd over andersdenkenden en andersgelovigen.” Of de dienst het nu over zichzelf heeft is onduidelijk. Worden er diverse incidenten op een hoop gegooid? Of is er werkelijk iets aan de hand. Het wordt niet duidelijk, er lijken zelfs “parallelle machtsstructuren” te zijn of te ontstaan.

Bij het tegengaan van radicalisering lijkt de coördinator de oorzaken te willen bestrijden zoals discriminatie op de arbeidsmarkt, maar tegelijkertijd blijft de inzet vooral repressief zoals bijvoorbeeld het inzetten van het maatschappelijk middenveld als anti-terreur brigades: “Hierbij valt te denken aan het opzetten van een gebiedsgerichte aanpak, het activeren en ondersteunen van professionals (agenten, leraren, jeugdwerkers, medewerkers van het Centrum voor Werk en Inkomen e.d.).” Deze multidisciplinaire verstoring van de overheid wordt ook toegepast op zogenoemde ‘radicaliseringshaarden’. In DTN-0 was de coördinator nog openhartig over de weinig rechtsstatelijke Bibob middelen om een ‘organisatie’ op de knieën te krijgen, nu kan de dienst daar niet meer zo openhartig over zijn. “Om operationele redenen kan geen openbare mededeling worden gedaan over de organisaties die als radicaliseringshaard zijn aangemerkt en de maatregelen die worden getroffen.”

Het gebrek aan respect voor de rechtsstaat bij de coördinator is ook af te lezen uit de wijze van rapportage over gerechtelijke uitspraken. De coördinator beschrijft een uitspraak van de rechtbank in de zaak van ex-verdachten uit de zogenaamde Arles-zaak. “De rechtbank heeft, evenals in een eerdere schadevergoedingszaak van een ex-verdachte van een terroristisch misdrijf, besloten tot een veel hogere schadevergoeding dan standaard wordt toegekend.” De coördinator is daar ongelukkig mee want “het risico is aanwezig dat uitgekeerde gelden gebruikt zullen worden voor ondersteuning van terroristische activiteiten.” Waar deze mening van Joustra op is gebaseerd, is onduidelijk. De verdachten zijn namelijk onschuldig en hebben onschuldig in de gevangenis gezeten en eisen daarom een schadevergoeding. Joustra steunt daarom ideeën van zijn VVD-partijgenoot Frans Weekers, later staatssecretaris van Financiën in het eerste en tweede kabinet Rutte, die een “algemene en wettelijke schadevergoedingsregeling voor ex-verdachten van terrorisme” wilde.

Conclusie DTN 2006

Dreigingsanalyse is niet eenvoudig. Hoe moeten signalen worden beoordeeld en wat kan er nu wel of niet gebeuren? Achteraf gezien, als er iets al dan niet gebeurd is, is het makkelijk praten over het al dan niet zwaar aangezette dreigingsbeeld. De dienst heeft dus een moeilijke taak, maar is dat in werkelijkheid ook zo. De coördinator krijgt informatie van verschillende opsporings- en inlichtingendiensten. Op basis van die informatie, meestal verwoordt in ontwikkelingen en aanwijzingen, wordt een inschatting van het gevaar gemaakt. Aan de andere kant van het spectrum van de enigszins concrete informatie zijn er de veronderstellingen, de mogelijkheden, de fantasieën van de dienst zelf. En die waandenkbeelden zijn eindeloos, want in een bipolaire wereld, waarbij de andere partij is verworden tot de as van het kwaad, zijn het demonen waar tegen gevochten moet worden. En demonen zijn duivels, schimmen in een verder vredige wereld. Om niet het verwijt te krijgen dat de dienst niet had gewaarschuwd is de dreiging altijd reëel en is het niveau substantieel. Zo ontstaan ook gedachten over zelfmoordaanslagen die niet alleen niet voorkomen kunnen worden (DTN-2), maar die ook echt kunnen plaatsvinden (DTN-4). We moeten voorbereid zijn en of de dienst er zicht op heeft is onduidelijk. Er zijn allerlei netwerken waar wij geen zicht op hebben, wij, het Nederlandse publiek. “De dreiging is complexer en omvattender” en alleen de coördinator is bij machte om de terroristische netwerken te doorgronden. Toch is onduidelijk of de NCTb er daadwerkelijk zicht op heeft, want veel van de netwerken zijn virtueel en niet gekend, de woorden complex en omvattender zijn daarom verhullend. Ondanks deze onduidelijkheid over de kennis van de coördinator is voor de NCTb één ding wel duidelijk. De dreiging is alleen jihadistisch, want voor een ander beeld is geen plaats in de schrikbeelden van de dienst. Twee niet werkende bomkoffers zijn een aanslag en drie keer een aanslag met metalen platen op een hoge snelheidstrein zijn incidenten, zonder noemenswaardige vermelding in het DTN. In het eerste geval zijn twee moslims aangehouden en dus is het jihadistische terreur, in het tweede geval is er misschien niet eens onderzoek gedaan, de coördinator is er niet in geïnteresseerd. Het tweede jaar van het DTN, 2006, markeert de opkomst van de ongekende netwerken die in 2007 volledig tot ontplooiing komen. Ook de terrorisering van de samenleving in zijn geheel krijgt steeds meer vorm in 2006. Iedereen wordt ingezet op zoek naar het gevaar, naast agenten worden leraren, jeugdwerkers, medewerkers van het Centrum voor Werk en Inkomen e.d. ingezet in de speurtocht naar de radicalisering. Later worden daar ook vertrouwenspersonen en anderen aan toegevoegd. En terreurbeleid wordt toegepast op steeds meer geledingen van de samenleving zoals internet, media, migratie, militarisering van de veiligheid en financiën. De dienst heeft in het derde jaar van haar bestaan haar vleugels uitgeslagen, niemand kan meer om de schrikbeelden heen.

2007 de ongekende dreiging, Joustra goes Rumsfeld

DTN-8 / 25 april 2007

Na twee jaar gespannen te hebben gewacht op de aanslag, moet Joustra bekennen dat het toch allemaal wat overdreven was. Het eerste jaar DTN’s werd gekenmerkt door de nasleep van de moord op Theo van Gogh en de spanning rond Samir A. Toch bepaalden deze twee elementen slechts een klein deel van de dreiging voor Nederland volgens de dienst. De toenemende radicalisering, rekrutering en training hadden de overhand. Begin 2007 blijkt er plots toch een ander inzicht. De coördinator stelt dat “sinds dreigingsbeelden uit oktober 2006 er sprake leek van een afname van de concrete dreiging in Nederland die zich doorzette.” Waarom hij de tekst in de verleden tijd schrijft is onduidelijk, want zijn conclusie is dat de dreiging ook echt is afgenomen, maar blijkbaar twijfelt hij zelf nog. “Naast deze afname van de concrete binnenlandse dreiging, die vermoedelijk van langere duur zou zijn, bleken potentiële dreigingen zich niet te concretiseren,” vervolgt hij alsof er een lange periode van rust aan zal komen, maar dat zal niet langer dan een jaar zijn. Hij stelt dat bij het besluit om van substantieel naar beperkt te gaan “het zwaartepunt van de dreigingsafweging naar de potentiële dreiging, onder andere vanuit de aanwezige radicalisering in Nederland, alsmede naar de internationale context en het internationaal profiel van Nederland.”

Dreiging is geen wetenschap, maar wie DTN’s van 2005 en 2006 doorneemt krijgt het idee dat de boel op ontploffen staat, terug naar beperkt lijkt een anticlimax. “De situatie rond de gekende jihadistische netwerken in Nederland is opnieuw als vrij rustig te omschrijven,” stelt de NCTb in april 2007 terwijl een paar maanden eerder nog de gehele radicale moslimgemeenschap aan het radicaliseren was. In een paar maanden blijkt het overheidsbeleid effectief in het bestrijden van het jihadisme, “bij nog bestaande netwerken is sprake van een kloof tussen het jihadistische ideaal en de praktijk.” Tevens zou er geen leiderschap zijn bij de toekomstige aanslagplegers, alsof de dienst zit te wachten op een goed geoliede bende die dood en verderf zaait.

Het is onduidelijk wat de dienst nu wil zeggen, want hoewel er geen leiderschap is, neemt het salafisme hand over hand toe in Nederland. “Het salafistische gedachtegoed heeft in 2005 en 2006 sterk aan invloed gewonnen in Nederland.” Salafisme lijkt ook hot te zijn: “Los van de verbreiding van het salafisme is er sprake van een levendige jeugd- en internetcultuur waarin vooral de polemiek tussen sympathisanten van de gewelddadige en niet-gewelddadige jihad opvalt.” Eigenlijk is er niets veranderd na 2006. Ook qua polarisatie is er niets veranderd stelt de coördinator, misschien is het zelfs verslechterd: “Het aantal interetnische conflicten is wederom toegenomen. De omvang van ongeorganiseerd extreemrechts is in deze rapportageperiode toegenomen.” Om de polarisatie nog even kracht bij te zetten stelt de coördinator dat er ook “confrontaties met antifascisten zijn”, soms zelfs heimelijk. Heimelijk is ook het optreden van de overheid in het kader van de zogenoemde ‘radicaliseringshaarden’: “In het afgelopen jaar zijn in het kader van de aanpak van enkele radicale salafistische moskeeën op zowel nationaal als lokaal niveau diverse maatregelen uitgevoerd.” Of deze weinig rechtsstatelijk druk van de overheid zin heeft gehad is onduidelijk want “Ondanks de druk op de salafistische moskeeën is in het afgelopen jaar het zelfvertrouwen van de salafistische centra en de ideologische beïnvloeding vanuit de moskeeën onverminderd toegenomen.”

DTN-9 / 4 juni 2007

Het tweede dreigingsbeeld met beperkt niveau begint met een geruststellende alinea: “De concrete dreiging is inmiddels gestabiliseerd op het niveau zoals beschreven in het vorige dreigingsbeeld.” Al was het geschetste beeld in DTN-8 niet helder, het is natuurlijk prettig dat de dreiging in werkelijkheid beperkt is, de dienst heeft niet gelogen. De alinea die volgt verstoort dit beeld volledig. Dacht Nederland net dat er niets aan de hand is, moet er wel rekening worden gehouden met een vuile bom. “De kans dat bij een eventuele aanslag in Nederland chemische, biologische, radiologische of nucleaire middelen (CBRN) worden gebruikt is net als in 2006 klein maar reëel.” Wat de coördinator met deze CBRN-dreiging wil zeggen is onduidelijk, de massavernietigingswapens komen sinds DTN-5 in de oneven DTN’s elke keer terug (DTN-5, 7, 9, 11, 13, 15, 17, 19, 21, 23, 25, meestal een DTN met een voortgangsrapportage terrorismebestrijding). Om de dreiging kracht bij te zetten stelt de NCTb dat “er dit jaar weer enkele CBRN-incidenten in het buitenland te noteren vallen, zoals het gebruik van chloor als middel voor aanslagen in Irak.” Wat dit bijdraagt aan de weging van het dreigingsniveau is onduidelijk, maar later zal blijken dat Joustra naar een substantieel niveau moet schrijven, dus kan een CBRN-dreiging daar wel een functie in vervullen.

Naast CBRN besteedt de dienst ook veel aandacht aan “explosieven”. In DTN-7 schrijft de dienst dat “op de korte termijn van zelfgemaakte explosieven een grotere dreiging uit gaat dan van CBRN-middelen”. Volgens de NCTb komt dit omdat “jonge, lokaal geradicaliseerde jihadisten in het westen roekelozer zijn en meer vanuit emotie zijn gericht op onmiddellijke gewelddadige actie.” In DTN-13 stelt de coördinator dat “het Nederlandse project zelfgemaakte explosieven is opgezet naar aanleiding van de observatie dat het merendeel van alle (pogingen tot) aanslagen in Europa plaatsvindt met explosieven op basis van vrij verkrijgbare chemicaliën.” De coördinator schrijft niet om welke aanslagen het zou gaan, maar de aanslagen in Madrid waren gepleegd met dynamiet die door een informant van de politie aan de daders was geleverd en de London metro en bus bommen zou misschien wel van huis- tuin en keuken materiaal zijn gemaakt, maar gezien de kracht stellen bomexperts dat een getrainde chemicus de bommen moet hebben geassembleerd. Het hele programma om een systeem op te zetten in het kader van verdachte chemicaliën transacties, gaat hand in hand met de CBRN-dreiging om het dreigingsniveau op te krikken.

Ditzelfde geldt voor de opmerking dat jihadisten via het internet communiceren in relatie tot een man die zich in een internetcafé in Casablanca, Marokko, heeft opgeblazen. Of dit een actie tegen het internet was, of dat de man ter plekke een bomgordel in elkaar aan het knutselen was, het blijft onduidelijk, want volgens de coördinator zou de persoon: “voor zover nu bekend, daar instructies hebben willen ‘ophalen’.” Het verhaal van het opgeblazen internetcafé, de bomgordel en de instructies is van een zelfde soort als de strijd tussen de soennieten en sjiieten. “Ook op Nederlandstalige webfora zijn vanuit soennitische hoek negatieve geluiden te horen over sji’ieten. Een verdere escalatie van het conflict tussen soennieten en sji’ieten in Irak, gecombineerd met een voortdurende agitatie uit salafistische hoek, kan op den duur negatieve gevolgen hebben voor de interreligieuze en interetnische harmonie binnen de islamitische gemeenschappen in Nederland.” Tot DTN-9 is met geen woord gerept over het al eeuwen bestaand conflict tussen de twee belangrijkste stromingen binnen de islam, nu kan het plots op den duur negatieve gevolgen hebben. Na DTN-9 komt het pas in DTN-30 weer terug, op den duur kan blijkbaar heel lang zijn bij de dienst.

Op het polarisatiefront is er ook toename, groeiend zelfbewustzijn, vergroting, confrontaties. Deze behoefte aan meer spanning leidt tot een verwrongen manier van omgaan met “moskeeën die hun orthodoxe signatuur niet ontkennen maar tegelijkertijd benadrukken niets met radicalisme te doen willen hebben.” Vanuit het perspectief van een veiliger samenleving kan de conclusie worden getrokken dat dit positief is. De moskeeën kunnen echter geen goed doen want “het risico bestaat dat de sense of urgency in de samenleving ten aanzien van de veiligheidsrisico’s die uitgaan van de salafistische geloofsleer afneemt.” Al in DTN-8 hing de coördinator op deze manier de gedachtenpolitie uit: niet radicalisering of jihadisering is gevaarlijk, de leer zelf moet verboden worden. En de coördinator wordt door de rechter op zijn wenken bediend: “Op 27 april heeft de Raad van State verklaard dat een Eindhovense imam terecht ongewenst is verklaard door de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Deze ervaring zou andere predikers kunnen ontmoedigen en nog voorzichtiger kunnen maken in het publiekelijk doen van antiwesterse of anti-integratieve uitspraken.” Een half jaar eerder had de rechtbank in Amsterdam imam Eisha Bersham nog “geen gevaar voor nationale veiligheid” genoemd. De imam was ongewenst verklaard, een manier van de overheid om van lastige mensen af te komen die geen permanente verblijfstitel hebben.

Het heet eufemistisch een bestuurlijke maatregel, maar in wezen is het een straf waar in eerste instantie geen rechter aan te pas komt. Dit geldt ook voor de geheimzinnige maatregelen tegen zogenoemde radicaliseringshaarden die ook in DTN-9 doorgaan: “Om operationele redenen kan geen openbare mededeling worden gedaan over de betreffende organisaties en de maatregelen die reeds zijn en nog worden getroffen.” De maatregelen zijn vergelijkbaar met het plaatsen van organisaties op een terreurlijst. Het Europese Hof oordeelde in december 2006 dat “de procedures voor de totstandkoming van de EU-lijst van personen en organisaties met banden met terrorisme onvoldoende beantwoorden aan de vereisten van effectieve rechtsbescherming, de motiveringsplicht en de rechten van verdediging (hoor en wederhoor).” Van de radicaliseringshaarden bestaan geen openbare lijsten en is het onduidelijk hoe organisaties zich te weer kunnen stellen tegen overheidsterreur.

Hetzelfde geldt voor het fenomeen van verstoren: “Sinds het voorjaar 2005 is een wisselend aantal subjecten (in totaliteit circa 15) persoonlijk aangepakt c.q. verstoord.” Dit verstoren vindt zijn weg ook op het internet want de coördinator is geschrokken van “de invloed van het internet op radicalisering, de rol die het speelt ter ondersteuning van terroristische activiteiten en de dreiging die hiervan uitgaat.” In het voorjaar van 2006 is er daarom een Meldpunt Cybercrime (nu opgegaan in politie.nl) gestart. Het meldpunt is er voor “radicale en terroristische uitingen” volgens de coördinator, maar of de conclusie dat het echt zo ernstig gesteld is op het internet gerechtvaardigd is, weet de dienst zelf nog niet. De meldingen moeten namelijk “het zicht van de betrokken instanties op de problematiek verbeteren.”

DTN-10 / 9 oktober 2007

In het najaar van 2007 is een aanslag op Nederland voorstelbaar, maar de dreiging beperkt en “aanwijzingen dat ook Nederland kans loopt geconfronteerd te worden met een aanslag zijn er niet.” Iets of niets aan de hand, helemaal als de dienst schrijft dat “er wel extra reden is voor oplettendheid,” hoewel er geen aanwijzingen zijn. Niet zomaar oplettendheid, maar er is blijkbaar ook echt reden voor oplettendheid. En toch zijn er geen aanwijzingen en is er een beperkt dreigingsbeeld. In de internationale analyse van de DTN’s wordt ingegaan op enkele arrestaties. Volgens de coördinator terreur van de overheid kan “de voortschrijdende internationalisering van de gewapende jihad in Afghanistan negatieve gevolgen hebben voor het internationale profiel van Nederland.” Het kan zo zijn, maar de coördinator wil het graag even gemeld hebben want wat is er aan de hand. Buitenlandse jihadisten gaan naar Afghanistan. Volgens de NCTb kan dit te maken hebben met “de hernieuwde oriëntering van kern Al Qa’ida op Afghanistan” maar zeker weet de dienst het niet. En ook andere kwesties zijn profielverhogend. Al met al een explosieve mix van mogelijkheden, fantasieën en aaneengeregen internationale en nationale gebeurtenissen.

Want nationaal draait het om toe- en afname van radicalisering en polarisatie. Daar is echter geen verandering. Hoewel de coördinator “een lichte daling in het aantal meldingen over mogelijke islamitische radicalisering” vermeldt, blijkt uit onderzoek naar de laatste twaalf maanden “dat het beeld stabiel is.” Dit in tegenstelling tot de nogal alarmerende radicaliseringsberichten van de dienst in de drie voorgaande DTN’s. Volgens het overheidsorgaan voor terreur is “het aantal meldingen van rechtsextremisme in vergelijking met de vorige rapportageperiode toegenomen.” Dit zou verontrustend kunnen zijn, maar de coördinator legt niet uit wat voor meldingen het zijn. Tegelijkertijd is er niets aan de hand want “het gebruik van geweld is redelijk stabiel gebleven.” Wat voor geweld en in wat voor omstandigheden wordt niet nader uitgelegd, het enige dat de NCTb meldt is dat de dienst het opvallend vindt dat het geweld tussen jongeren plaats vindt. Vraag is of de dienst zover van de samenleving is afgedreven dat het extremistische trekken heeft aangenomen.

DTN-11 / 27 november 2007

DTN-11 is het enige dreigingsbeeld dat begint met weerstand of weerbaarheid. Het is ook opvallend dat de coördinator een volle pagina aan het onderwerp besteedt. Hij lijkt ook inhoudelijk een onderscheid te maken tussen “moslimgemeenschappen in Duitsland, Denemarken en Oostenrijk” die in stevige bewoordingen afstand nemen van gearresteerde moslims in hun landen en moslimgemeenschappen elders die blijkbaar geen afstand nemen. Waarom de coördinator aandacht besteedt aan de reactie van moslims in de drie landen is niet duidelijk, want zij “waarschuwen er tegelijk voor alle moslims over één kam te scheren.” De zin over de moslims elders zou verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden, vandaar dat de dienst stelt dat “overigens ook in Nederland moslims na de moord op Theo van Gogh nadrukkelijker afstand namen.” De dienst laat zich er niet over uit, maar de moor dop van Gogh is toch al weer twee jaar geleden dus zou het ook als kritiek op de moslimgemeenschap kunnen worden opgevat. Het wordt bijna een dreigingsbeeld over de NCTb zelf, de tekst van de dienst kan mogelijk worden opgevat als kritiek.

Op het vreemdelingenrechtelijke vlak boekt de coördinator succes. “De rechter oordeelde op 10 oktober 2007 dat het eind 2005 uitgebrachte ambtsbericht van de AIVD inzake de Keniaanse imam (Mohamed Mahmoud van de Al Fourqaan moskee) op inhoudelijk juiste gronden is gebaseerd.” Daarnaast heeft een burgerinitiatief ervoor gezorgd dat “ruim veertig jihadistische websites door hun hostbedrijven uit de lucht zijn gehaald.” En tot slot haalt de coördinator verder een onderzoek aan van PEW Global Attitudes over het toegenomen verzet tegen zelfmoordaanslagen. Al die positieve geluiden leiden drie maanden later, begin 2008, tot een verhoging van het dreigingsniveau, niet in verband met de economische crisis, maar natuurlijk in verband met onze jihadisten.

Dat de dreiging eind 2007 gaat stijgen, wordt voelbaar bij de radicalisering en polarisatie. In DTN-10 was er op basis van de politiecijfers niet echt een toename van radicalisering in 2006 en 2007. Omdat de gegevens van de politie over radicalisering volgens de NCTb blijkbaar niet kloppen, beschrijft de coördinator het salafistische lezingencircuit in de Nederlandse moskeeën en de ‘politiek nationale’ kleur van de gebedshuizen. “Nederland telt ongeveer 550 moskeeën, waarvan ongeveer veertig procent als Marokkaans gekwalificeerd kan worden. Thans bereiken de salafisten zo’n dertig Marokkaanse moskeeën. Dit betekent dat in ten minste een kleine vijftien procent van de Marokkaanse moskeeën in Nederland salafistische predikers optreden.” De coördinator had ook kunnen schrijven dat in zes procent van de moskeeën er wel eens lezingen worden gehouden. Dat past echter niet in het dreigingsstraatje en dus schrijft de dienst alarmerend dat “het niet ongebruikelijk is dat rond de honderd jonge Nederlandse Marokkanen een dergelijke lezing bijwonen.” Allemaal potentiële terroristen lijkt de dienst te willen suggereren, ook door de jongeren neer te zetten als buitenlanders, “Nederlandse Marokkanen”, in plaats van Marokkaanse Nederlanders wat ze naar alle waarschijnlijkheid allemaal zijn.

Ook ten aanzien van extreemrechts en interetnische conflicten, lijkt de coördinator vooral de spanning te willen aandikken in tegenstelling tot het gematigde geluid in DTN-10. Dergelijke kwesties reflecteren “de zorg die momenteel leeft omtrent extreemrechts,” schrijft de coördinator naar aanleiding van een veroordeling van een groep van vijf jonge nationalistische jongens voor brandstichting en pogingen daartoe. Of er andere incidenten, aanslagen of gewelddadigheden hebben plaatsgevonden schrijft de coördinator niet. Deze scherpe veroordeling van de dienst ten aanzien van jongeren die radicaal zijn, staat in schril contrast met haar eigen enthousiasme om samen te werken met landen die op zijn zachtst gezegd de mensenrechten schenden.

Die samenwerking van Nederland met diverse landen op het terrein van terrorisme, vindt over het algemeen binnen de verbanden van de Verenigde Naties en de Europese Unie plaats. Naast deze multinationale organisaties werkt Nederland ook op multi- of bilateraal vlak samen met bepaalde landen. In december 2006 wordt er nog geheimzinnig over gedaan met welke landen Nederland nu samenwerkt: “Om hieraan verder inhoud te geven is onder meer overleg gaande met een aantal landen in Noord Afrika.” In DTN-11 is de dienst helder over haar ambities ten aanzien van samenwerken: “Marokko vormt één van de prioriteitslanden voor de samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding. Ook met Algerije wordt samenwerking in gang gezet.” Amnesty International schrijft al diverse jaren over Marokko dat de vrijheid van meningsuiting wordt onderdrukt, dat de situatie in de Westelijke Sahara zorgwekkend is en over het ’wijdverspreide’ gebruik van marteling en andere zorgwekkende zaken ten aanzien van de mensenrechten. Hetzelfde geldt voor de mensenrechtensituatie in Algerije. De dienst is echter nog niet tevreden met twee landen die de mensenrechten met voeten treden, en organiseert in 2007 een conferentie waar ook Egypte (onder dictator Mubarak), Koeweit (als het gaat over vrouwenrechten, rechten van migranten en de War on Terror), Pakistan (onder andere verdwijningen, doodseskaders) en andere landen mogen deelnemen. Nederland zal in de jaren die volgen blijven samenwerken met landen als Marokko, Algerije en andere landen met een zeer twijfelachtige mensenrechtenreputatie.

Conclusie DTN 2007

Begin 2007 schroeft de dienst de dreiging terug van substantieel naar beperkt. Waarom blijft onduidelijk, want de taal van de dienst is niet wezenlijk veranderd. Nieuw in 2007 is de aandacht voor het salafisme, het steekt op als een storm en gaat na enige jaren liggen. Eerst lijkt de coördinator moord en brand te schreeuwen over de radicale salafistische moskeeën, centra en predikers die aan ideologische beïnvloeding doen, zelfvertrouwen kweken onder de jongeren, Nederlands spreken en radicaliseringshaarden zijn. In de loop der jaren kantelt dat beeld. In 2007 echter nog niet. In het juni-nummer van de terreurbode werd nog een doorlopende lijn getrokken van radicalisering, jihadisering naar bijna salafistisering van het gevaar. Die radicaliseringshaarden, waar zelfs in 2006 het leger onder werd geschaard, gekoppeld aan CBRN-bommen (chemische, biologische, radiologische of nucleaire middelen) en huis-, tuin- en keukenexplosieven, geeft niet de indruk van een laag dreigingsniveau, maar eerder van terroristen met geïmproviseerde massavernietigingsbommen. De dienst blijft er nuchter onder, maar de taalkundige schrikexpeditie is verbazingwekkend. Wat is het doel van de vergelijking tussen een aanslag met chloor in Irak en de mogelijkheid van een aanslag met chemische stoffen in Nederland? Het één op één vergelijken van Irak met Nederland is een duidelijk teken van een totaal gebrek aan analyse en verdieping van de dienst. De ontwikkeling van het aandikken van de dreiging, het creëren van schrikbeelden en het insinueren van gevaar van bepaalde groepen, gaat hand in hand met een contraterrorismebeleid waarbij er niet geschuwd wordt om samen te werken met landen die de mensenrechten met voeten treden. Die radicalisering van de dienst is eigenlijk logisch, want het gebrek aan analyse en achtergrond van lokale, nationale en internationale ontwikkelingen gaat hand in hand met het bestempelen van andersdenkenden als radicaal, extremist, terrorist of een ander evil, terwijl de dienst zelf extremistische trekken vertoont in haar hang naar samenwerking met landen als Algerije.

2008 NCTB lijdt aan het ‘sudden jihad syndrom’

DTN-12 / 5 maart 2008

Bij terrorisme kopt de coördinator, dat er “toegenomen internationale jihadistische invloeden” zijn. Dit is een deel van zijn onderbouwing voor de verhoging van de dreiging van beperkt naar substantieel in DTN-12. Een deel van de buitenlandse arrestaties zijn beschreven in de internationale analyse van de DTN’s. Voor het terrorismedeel in DTN-12 gaat een korte introductie vooraf. De coördinator schrijft dat de “dreiging hoofdzakelijk uitgaat van door de kern van Al Qa’ida aangestuurde of beïnvloede groepen uit Pakistan en Afghanistan.” Deze dreiging hangt al drie jaar boven de markt en is dus geen verklaring voor de verhoging van het risicogehalte van Nederland. De coördinator stelt dat er ook sprake is van een toename van de ongekende dreiging, dit is dreiging die de coördinator niet kent maar blijkbaar al verhoogd inschat. De coördinator schrijft ook dat het hierbij gaat om “personen of groepen die (nog) niet in beeld zijn” of die “pas op het allerlaatste moment in beeld” komen.

Volgens de coördinator heeft het gevaar van de ongekende dreiging zich sinds DTN-10 tot begin 2008 doorgezet. In 2007 is de ongekende dreiging echter niet ter sprake gekomen in de rapporten van de dienst. Eind 2006 heeft de dienst het over “een materialisering van de ongekende dreiging”, maar die materialisering leidde tot een verlaging van de gevarencode. De coördinator probeert het nog even door te wijzen op de “radicalisering, netwerkvorming en training” die in het buitenland zou plaatsvinden, terwijl de dienst zoveel aandacht had besteed aan de online jihadi-cursussen. Een ander aspect dat de dienst aanwijst is dat de “onzichtbaarheid daarmee ook (tijdelijk) kan blijven bestaan na binnenkomst van buitenlandse terroristen en verder beïnvloed worden doordat jihadisten over het algemeen veiligheidsbewuster zijn geworden en meer vaardigheden hebben ontwikkeld om opsporing te voorkomen.”

Als voorbeeld noemt de coördinator de arrestatie van drie mannen op 31 december 2007. “Verder werden eind 2007 drie personen aangehouden in Rotterdam, waarmee voornemens voor aanslagen werden verstoord. Gezien de kenmerken van genoemde casussen kan hieruit worden opgemaakt dat ook Nederland te maken heeft met een ongekende dreiging.” De mannen zouden een “ontploffing met een terroristisch oogmerk” voor ogen hebben, maar de bewijslast is blijkbaar zo klein dat zelfs het voorarrest niet wordt verlengd. Wat de ongekende dreiging dus is, blijft onduidelijk, helemaal als de bewijslast bij mogelijke verdachten minimaal is en er geen concrete aanwijzingen zijn. De aanwijzingen die de coördinator opnoemt zijn reacties van reaguurders op “vooraanstaande internationale jihadistische webfora”, waarvan onduidelijk is wat de waarde, het waarheidsgehalte en serieusheidsindex zijn. De NCTb moet erkennen dat zelfs de anti-islamfilms van Wilders en Jami niet worden genoemd door Al Qa’ida. Blijkbaar zijn het ongekende gevaar en het “«sudden jihad syndrom»” nodig om de dreiging te verhogen, maar is er in vergelijking met 2007 niets veranderd. Het sudden jihad syndrom is volgens de coördinator een al dan niet gestoorde enkeling die voor een bedreiging zorgt. Het is onduidelijk of de enkeling ook een aanslag pleegt, want gezien de angst van de NCTb is dat niet meer nodig.

DTN-13 / 9 juni 2008

DTN-13 staat in het teken van de film van Geert Wilders, Fitna. Volgens de coördinator was het “profiel van Nederland verhoogd vanwege de aangekondigde film van de PVV-fractievoorzitter over de Koran.” In DTN-12 staat echter dat vooral de ongekende dreigementen de verhoging bepaalden en naast de film van Wilders waren er ook de film van Jami, een tentoonstelling en enkele andere zaken. DTN-13 wijt het gevaar volledig aan Wilders, de andere dreigementen zijn verdwenen, maar waarom is onduidelijk. Het is bijna alsof de coördinator teleurgesteld is dat Osama Bin Laden en al Zawahiri niets over Fitna zeggen: “Internationaal heeft de verschijning van de film van de PVV-fractievoorzitter over de Koran veel aandacht gekregen hoewel Nederland niet expliciet genoemd is in de recente verklaringen van leiders Al Qa’ida.” De coördinator heeft ook een verklaring. “Mogelijk dateren deze verklaringen echter van (vlak) voor de publicatie van Fitna.”

Er zijn wat schermutselingen, maar de reactie in de wereld op de film van Wilders is nogal lauw, iets dat de NCTb niet kan verkroppen. “Tot slot moet opgemerkt worden dat het internationale profiel ook op langere termijn kan worden beïnvloed door de film Fitna, vooral ook daar waar het mogelijke reacties betreft: de reeds in DTN12 gemelde plannen in Denemarken voor een aanslag op een van de tekenaars van de Mohammed-cartoons, twee jaar na dato, toont aan dat de dreiging lang kan blijven bestaan.” Joustra analyseert de internationale reacties niet, ook niet het verschil met de cartoons in de Deense media en de verspreiding van de cartoons in de wereld. Hij stelt dat “Nederland (film Fitna) en Denemarken (Mohammed cartoons) in sommige islamitische landen met elkaar worden verward. Voor velen in de islamitische wereld geldt dat onderscheid tussen Europese landen minder relevant is.” Welke landen dit zijn, staat niet vermeld. Toch spreekt de coördinator al twaalf dreigingsbeelden over het profiel Nederland, een profiel van mensen uit moslimlanden. Ook dit legt de coördinator niet verder uit.

In Afghanistan is het onderscheid tussen Nederland en Denemarken blijkbaar wel bekend want volgens de dienst “werden door de Taliban enkele aanslagen op Nederlandse militairen in Afghanistan geclaimd als een reactie op de film van de PVV-voorzitter.” Opvallend is dat de coördinator aangeeft dat “motivatieclaims soms aantoonbaar onjuist zijn.” Dit is de eerste en enige keer dat de NCTb twijfelt aan een claim. Of dit met de film van Wilders te maken heeft, blijft onduidelijk. Aan de andere kant twijfelt de dienst niet aan de rol van het internet bij de verspreiding van het “radicaal-islamitische gedachtegoed”. De coördinator heeft Paltalk ontdekt en stelt dat daar gepreekt zou worden. In DTN-12 vond het preken nog allemaal fysiek plaats en alleen buiten de Randstad. De dienst schrijft in DTN-12 dat de dienst “door uitlatingen op internet, waar geklaagd wordt dat er in de grote steden niets meer gebeurt aan prediking,” tot die conclusie is gekomen.

Drie maanden later zijn de jongeren voorzien van digitale predikers en op straat lijkt er niets aan de hand. Geen extreemrechts geweld, geen massale demonstraties van moslims, gewoon mensen die op het internet hun verontwaardiging tonen. Internet en de controle op radicaal dan wel terroristisch gebruik van het internet keert ook steeds terug in de DTN’s. Naast het meldpunt cybercrime is er het project surveillance op het internet, is er een “Notice-and-Take-Down-systematiek” ontwikkeld en wordt er internationaal gewerkt aan “de aanpak van het gebruik van internet voor terroristische doeleinden.” Bij al deze internet maatregelen heeft de coördinator het over “publieke en private partijen”, “internetmonitoring” door organisaties en andere vage constructies, maar niet over een rechtsstatelijke aanpak of rechtsstatelijke waarborgen waarbij zoals bij de terreurlijsten correcte procedures bestaan voor strafmaatregelen en niet ondoorzichtige bestuurlijke maatregelen worden toegepast. Bestuurlijke en vreemdelingenrechtelijke maatregelen liggen naast elkaar, zeker als het gaat om het gebrek aan toetsing door een onafhankelijk rechter.

Terrorismemaatregelen en migratiebeperking gaan vaak hand in hand. Aan grensbewaking wordt al uitgebreid gewerkt, maar nu heeft de coördinator ook de kennismigrant ontdekt. Volgens de coördinator onderstreept de verhoging van het gevaargehalte, “van beperkt naar substantieel, de noodzaak om gepaste maatregelen te treffen.” De dienst stelt dat er “aspecten van radicalisering, terrorismebestrijding en nationale veiligheid” kleven aan kennismigranten en daarom wordt er ingezet op “informatie-uitwisseling over dit onderwerp binnen en buiten de rijksoverheid.” Het onderwijsveld is in alle lagen van de terreurbestrijding betrokken, met detectie, inlichtingen verzameling, deradicalisering en andere terreurmaatregelen. En terwijl de coördinator druk bezig is met CBRN, explosieven en kennismigranten wandelt Alberto Stegeman (SBS 6-programma ‘Undercover in Nederland’) rustig de luchthaven Schiphol over en weet een imitatie semtexbom aan boord van een vliegtuig te plaatsen. Wat doet de coördinator ook alweer ten aanzien van de veiligheid en de burgerluchtvaart? In 2008 gaat het nog om journalisten die terreurgrappen uithalen. Vanaf 2009 gebeuren er incidenten waar slachtoffers bij vallen, vraag is en blijft wat de dienst nu vooral doet, schrikbeelden verspreiden over radicale moslimjongeren of werken aan een veiliger en minder angstige samenleving.

DTN-14 / 9 september 2008

Bij de internationale analyse wordt aandacht besteed aan het woord voorkeursdoelwit. In DTN-14 wordt het woord voor de eerste keer gebruikt. Het staat in de inleidende alinea van DTN-14. Het volgt op de constatering dat “de al langer gesignaleerde internationale terroristische dreiging richting Nederland, als gevolg van de film Fitna,” in dit dreigingsbeeld (DTN-14) wordt bevestigd. De film van Wilders ettert al sinds DTN-12 door, maar de moslimwereld heeft er koel op gereageerd. Joustra probeert zo goed en zo kwaad de film te koppelen aan de cartoons van Kurt Westergaard, consequent bestempeld als Deense cartoons alsof de regering van het land ze getekend had. Die koele reactie lijkt niet te passen in het denkkader van een dienst dus moet de spanning opgevoerd blijven. De NCTb erkent wel dat “de film Fitna veel minder in de publieke opinie in islamitische landen” speelt, maar blijft benadrukken dat “juist in jihadistische kringen internationaal het beeld is bevestigd dat ons land, net als bijvoorbeeld Denemarken, een actieve speler” is in de War on Terror. Het is bijna alsof de coördinator eindeloos heeft gezocht naar een blogpost van een moslim die Nederland bedreigd want “lokale autonome netwerken in Nederland zijn de afgelopen periode wederom rustig gebleven.”

Die rustige reactie in de moslimwereld staat in schril contrast met de soms extremistische reacties van de NCTb. Heel scherp is de dienst niet want na een felle campagne tegen het salafisme is deze leer plotseling de bondgenoot: “ook onder Nederlandse politieke salafisten lijkt er meer weerstand te komen tegen al te radicale standpunten.” Die salafisten moeten het echter weer bij weerbaarheid ontgelden want volgens de dienst winnen “gematigde moskeeën steeds meer terrein terug dat ze de afgelopen 20 jaar geleidelijk zijn kwijtgeraakt aan salafisten.” Ze zijn dan niet meer de bondgenoot. Dit is het vierde jaar dat de NCTb dreigingsbeelden schrijft, niet eerder is de historie van de islam in Nederland naar voren gekomen, waar het getal twintig vandaan komt is daarom onduidelijk. Ditzelfde geldt voor de totale verwarring ten aanzien van de echte en de digitale wereld.

In DTN-12 werd er live gepreekt in de provincie en niet in de Randstad. In DTN-13 waren er digitale preken en in DTN-14 is er “sprake van een heropleving van islamistisch radicalisme op het internet, waar eerder een verminderde activiteit werd geconstateerd,” terwijl drie maanden eerder al een opleving op het internet plaatsvond. Misschien is de opmerking van de coördinator te plaatsen in het licht van de NCTb-ontdekking van een “nieuwe radicaal-islamitische website die tweetalig is (Engels en Nederlands).” Helaas is niet te controleren welke website de coördinator heeft bekeken om te zien hoe strafbaar deze site al dan niet is.

Strafbaar werd Irfan Demirtas wel bevonden door Franse rechters. Volgens de NCTb was een internationaal netwerk “gericht op het ondersteunen van de jihad in de traditionele strijdgebieden” opgerold. Het zou gaan om de “Europa-brede faciliteringscel ten behoeve van de Islamic Movement of Uzbekistan (IMU).” IMU stamt uit 1998 en vocht tegen dictator Karimov van Oezbekistan, een man die in 2005 honderden vreedzame demonstranten liet doodschieten, martelt en het land met harde hand overheerst. Na 11 september 2001 werd Karimov belangrijk in de oorlog tegen de terreur en zijn vijanden werden terroristen, zo ook IMU en zijn aanhangers. Irfan Demirtas met acht anderen kreeg tien jaar voor het steunen van IMU met driehonderdduizend euro, zijn advocaten stelden dat het geld voor humanitaire doeleinden was. Voor de coördinator is er weer een slag gewonnen in de oorlog tegen de terreur, welke slag blijft onduidelijk, maar in ieder geval niet een slag tegen onderdrukkende regimes.

DTN-15 / 19 december 2008

DTN-15 laat hetzelfde beeld zien als de voorgaande dreigingsbeelden: “Binnen de meeste netwerken blijft er sprake van een relatieve rust maar enkele individuen tonen nog steeds interesse voor deelname aan de internationale jihad.” Waarom het dreigingsniveau niet wordt verlaagd is onduidelijk. Natuurlijk is er het voorkeursprofiel, maar de dienst lijkt redelijk beheerst te reageren op de arrestatie van Irfan Demirtas in mei 2008 en ook een arrestatie van een 27-jarige Turkse Nederlander in Den Haag. De man had een vuurwapen, twee volle patroonhouders en een geluidsdemper. Ook de vader en moeder van de man worden gearresteerd. De vader had een Tsjechisch halfautomatisch pistool met een zakje munitie onder zijn matras liggen. De NCTb schrijft dat de “persoon was aangehouden in verband met een ambtsbericht van de AIVD, omdat hij in zeer korte tijd was geradicaliseerd en over twee vuurwapens en een geluidsdemper beschikte.”

‘Rechtsgeleerde’ Afshin Ellian brulde in Elsevier van 23 december 2008 dat een Jihadist was opgepakt en dat de Kamer doorslaapt. Zonder de rechtszaak af te wachten weet ‘rechtsgeleerde’ Ellian alles van de verdachten en de zaak. Later worden de verdachten door de rechter voor illegaal wapenbezit veroordeeld. De NCTb schrijft dat “vooralsnog onbekend is wat deze persoon met het wapen wilde doen.” Het klopt dat deze Turkse Nederlander misschien naar Somalië wilde vertrekken, maar het lijkt erop dat de verdachte en zijn groepje van vier andere jongeren bekend was bij alle instanties in Den Haag. Deze genuanceerde berichtgeving over arrestaties is ook terug te vinden ten aanzien van gerechtelijke uitspraken in de Piranhazaak. De coördinator vermeldt netjes de uitspraak en tevens dat “daarmee er nog geen definitief oordeel is gegeven over de uitleg van de daarop betrekking hebbende wetgeving (artikel 140/140a Wetboek van Strafrecht) omdat nog cassatie kan volgen door de advocaten. In een andere zaak, tegen de zogenaamde Hofstadgroep, loopt cassatie van de zijde van het OM.” Hetzelfde geldt voor de nietigverklaring van het “bevriezen van de tegoeden van een persoon en een organisatie die verdacht worden van terrorisme” door de Europese Unie.

De beheerste manier van beschrijven van de arrestaties staat in schril contrast met het roepen over voorkeursdoelwitten, internationaal opererende jihadistische netwerken en andere zaken dat de werkelijke dreiging oppompt zodat de angst gevaarlijker wordt dan de werkelijkheid zelf. Zo schrijft de coördinator in de vierde dreigingsanalyse op rij over Fitna, maar nu alleen over de jihadisten: “De film Fitna, die door jihadisten wordt gezien als een belediging en provocatie, blijft daarvoor de belangrijkste legitimatie.” Dat een groot deel van de moslimwereld de film eigenlijk niet interessant vindt, wordt niet vermeld waardoor de context verdwijnt. Opmerkelijk is ook de opmerking dat “recent op internetsites in islamitische landen ook aandacht is voor de film over de profeet Mohammed, van de lokale politicus Jami.” Waarom Joustra dit vermeldt is onduidelijk, ook de aard van de vermelding, recensie, blogpost of bedreiging wordt niet aangegeven.

De berichtgeving over de films van Wilders en Jami zijn vergelijkbaar met de verhalen over het salafisme in Nederlandse moskeeën. In DTN-14 lijkt het tij na twintig jaar gekeerd, in DTN-15 zijn we weer terug bij af: “Ook zijn soms vanuit deze centra, waar normaal gesproken de afgelopen jaren actief extremistische geluiden worden geweerd, weer radicale geluiden te horen via bijvoorbeeld uitgezonden preken van salafistische predikers in Noord-Afrika.” Aan de andere kant stelt dezelfde coördinator dat “steeds vaker radicale jongeren met jihadistische ideeën de toegang worden geweigerd.” Wat er werkelijk aan de hand is in de radicaliseringskrochten van de Nederlandse samenleving blijft gissen. Volgens de coördinator heeft het weren van radicale jongeren te maken met het beleid van de overheid want door “de uitgebreide aandacht vanuit de overheid zijn de radicaliseringshaarden hun toon gaan matigen.” Aan de andere kant klinken er blijkbaar weer extremistische preken. Die uitgebreide aandacht van de overheid formuleert de coördinator als volgt: “De betrokken overheidsorganisaties zijn: de NCTb, AIVD, Onderwijsinspectie, IND, Belastingdienst, FIOD, het OM, politie en de besturen van de gemeenten waar de haarden zich bevinden.” Let wel: er is hier geen sprake van een overtreding of een strafbaar feit van deze zogenoemde radicaliseringshaarden en in het lijstje van de dienst komt de rechtbank niet voor.

Dezelfde bestuurlijke druk vindt plaats op het internet en op het financiële vlak. De terroristenlijsten en de Oezbeekse connectie van Irfan Demirtas maken dat duidelijk. Geld inzamelen kan niet zomaar. De coördinator schrijft dat ook andere stichtingen eraan moeten geloven: “In 2005 heeft het Kabinet aangekondigd de transparantie van stichtingen te willen verbeteren.” En de controle gaat verder. Sinds DTN-11 staan de “«Passenger Name Records» (PNR)” op de agenda. Eerst waren het de Duitsers en de Amerikanen die de PNR wilden doordrukken. In DTN-15 en toekomstige DTN’s zijn het de Fransen die de druk om tot PNR over te gaan opvoeren. Na de aanslagen op de redactielokalen van Charlie Hebdo in 2015 staan de PNR weer bovenaan de agenda.

Wat PNR precies doen aan de bestrijding van terrorisme is niet meer interessant, door het maar vaak genoeg te herhalen komt de maatregel toch van de grond. Zie hier hetzelfde recept dat gebruikt wordt bij “het programma Cameratoezicht in het openbaar vervoer (CTOV) want dat zou “een impuls aan de beveiliging van de voor terroristische aanslagen meest kwetsbare sector, de openbaar vervoerssector” geven. Iets dat ook een impuls geeft aan de bestrijding is het innig samenwerken met twijfelachtige regimes zoals Marokko en Algerije. Joustra is zo enthousiast over de dictatuur in Algerije dat hij “op 28 en 29 oktober 2008 een bezoek heeft gebracht aan de Raadsadviseur Terrorismebestrijding van de President van Algerije.” De dienst lijkt geen genoeg te krijgen van de samenwerking met dictaturen want in DTN-17 wordt hetzelfde verhaaltje herhaald.

Conclusie DTN 2008

De film van Wilders, Fitna, beheerst de dreiging van 2008, maar welke dreiging kan de coördinator niet duidelijk maken. De moslimgemeenschap reageert namelijk nogal cool op de film die zeker geen bijzondere productie is. Joustra kan het niet uitstaan dat er grote rellen zijn geweest en Nederlandse ambassade s zijn afgebrand. Zijn obsessie met de dreiging gaat zover dat hij bijna teleurgesteld is dat de kern van Al Qa’ida geen speciale aandacht aan Fitna heeft besteed. Opnieuw wordt weer duidelijk dat door het gebrek aan achtergrond en analyse het koppelen van de film van Wilders aan de cartoons van Kurt Westergaard bijna lachwekkend is. Qua medium zijn beide uitingsvormen totaal verschillend en ze hebben ook een andere impact. Zeker in landen van het Midden-Oosten waar een groot deel van de bevolking nog geen internet heeft, is een cartoon een beter propaganda middel dan een film. De koele reactie zal grotendeels met toegang te maken hebben. De coördinator is niet overtuigd en probeert de dreiging nog op te krikken door te stellen dat Nederland en Denemarken regelmatig door elkaar worden gehaald. Dat de Taliban in Afghanistan een aanval hebben uitgevoerd op Nederlandse militairen vanwege de film van Wilders wuift de dienst weg. Het is de enige keer dat de coördinator een claim van een opstandige groep als twijfelachtig bestempeld. De claim past niet in het dreigingsbeeld dus zal die waarschijnlijk niet kloppen. Zo wordt de werkelijkheid aan het schrikbeeld van de dienst aangepast. Een groep mensen die een Oezbeekse verzetsgroep steunden worden gearresteerd en geportretteerd als facilitators van de jihad. Geen woord over Oezbekistan, de mensenrechten daar en het feit dat IMU voor 2001 nog wel op enige positieve aandacht in het westen kon rekenen. Nu zijn het jihadisten en dienen zij het schrikbeeld van de dienst. Bij de arrestaties van mensen die IMU ondersteunen, stelt de dienst zich echter wel beheerster op. Ook al noemt de NCTb niet de situatie in Oezbekistan, de groep wordt niet meteen tot internationaal jihadistisch centrum verheven. Ook de arrestatie van de Turkse Nederlander en zijn ouders wordt beheerst beschreven. Nuance is de dienst blijkbaar niet vreemd, maar als dan bijvoorbeeld de salafisten om de hoek komen kijken, weet de dienst zich geen raad en ontstaat er een verwarrend verhaal van schrikbeelden, dreigementen, toename en afname van invloed van de jihadi’s en blijft het beeld hangen van een angstige wereld.

2009 het theater van de dreiging

DTN-16 / 6 april 2009

Een nieuwe coördinator, maar geen nieuwe analyse. DTN-16 drijft voort op de voorgaande DTN’s, netwerken, voorkeursprofielen, jihadi’s, het palet blijft hetzelfde. De netwerken zijn hetzelfde, al probeert de nieuwe Akerboom zijn eigen accent toe te voegen door te schrijven dat er “een nieuwe ontwikkeling is dat leden van lokale autonome netwerken meer internationale jihadistische contacten aangaan.” Helaas had zijn voorganger Joustra dit ook al een aantal keer gemeld, zelfs drie maanden eerder, alleen in andere bewoordingen: “enkele individuen tonen nog steeds interesse voor deelname aan de internationale jihad.” Om de ontwikkeling als nieuw te bestempelen is ook enigszins vreemd gezien het gehamer van de dienst op een directe link tussen de lokale Nederlandse polderjihadisten en de kern van Al Qa’ida of de internationale jihadisten.

Onder het kopje netwerken wordt ook melding gemaakt van het Ikea complot van 11 maart 2009. Buro Jansen & Janssen schreef over deze politieoperatie het artikel: ‘Meer dan 200.000 professionals doen maar wat tegen terrorisme’. Ondertitel van het artikel is “gebrek aan zelfreflectie leidt tot ondoordacht handelen van politie en inlichtingendiensten met de kans op noodlottige gevolgen.” De nieuwe Akerboom zal niet meer terugkomen op zijn alinea over een zogenaamd voorkomen terrorisme plot. “Ook heeft de politie zeven personen in Amsterdam gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij terroristische activiteiten. Deze personen werden op 13 maart 2009 vrijgelaten. Er zijn geen aanwijzingen dat zij betrokken waren bij een mogelijke terroristische aanslag.

De vermelding van het Ikea-complot en de gebrekkige gevaren analyse van de NCTb tonen veel gelijkenis met de berichtgeving over de demonstraties tegen Israël ten tijde van de operatie Cast Lead in het Palestijnse Gaza. Tijdens deze Israëlische aanval werden tussen de 1,166 en 1,417 Palestijnen gedood en kwamen dertien Israëli (vier door eigen kogels) om het leven. De coördinator schrijft dat “niet kan worden uitgesloten dat de schokkende beelden in de media uit Gaza een extra prikkel kunnen geven aan vooral jonge moslims om te radicaliseren.” Gezien de protesten en de woedende reacties tijdens de demonstratie waren al verschillende mensen heel boos. Toch concludeert de coördinator dat er “geen daaraan gerelateerde gevallen van radicalisering zijn geconstateerd.”

Waarom wordt dit in een dreigingsanalyse opgenomen? Is dat omdat Akerboom als nieuwe coördinator ook “nieuwe ontwikkelingen” moet stimuleren? Hij stelt namelijk dat die radicalisering niet zichtbaar is omdat radicalisering “een langere incubatietijd” heeft. Mensen die leiden aan een angstpsychose zullen altijd een reden vinden om een bedreiging te ontwaren ook als er helemaal niets aan de hand is. Demonstraties en protesten zijn onderdeel van een democratie, de dienst lijkt dat niet te accepteren. Misschien gaat de coördinator te veel om met regimes die wel raad weten met publiek protest?

DTN-17 / 19 juni 2009

Voor publiek protest kan beter het internet worden opgezocht. Iedereen die een leuke clip in elkaar knutselt zal in een DTN terecht komen, want dreigen loont. Zo presenteert de nieuwe Akerboom as-Sahab, de PR-afdeling van Al Qa’ida. De NCTb beschrijft een video waarin “een jihadist aan het woord komt die in het Duits een dreiging uit aan het adres van met name Nederland en Denemarken.” Hoe serieus deze video genomen moet worden of hoe waardevol het verhaal van de Duits sprekende persoon is, wordt niet duidelijk. Volgens de dienst is het gevaar groot want Nederland wordt ook in “andere ‘postings’ op het internet” genoemd. Ziedaar het profiel of beter gezegd het voorkeursprofiel van Nederland, maar “er zijn in de afgelopen rapportageperiode echter geen concrete aanwijzingen voor aanslagen tegen (belangen van) Nederland geconstateerd.” Ook niet in het buitenland dus.

Geen aanwijzingen toch gevaar zit hem in het feit dat Nederland deelneemt aan een oorlog in Afghanistan. Bij oorlog horen slachtoffers, meestal burgers, maar incidenteel ook militairen, Nederlandse militairen. Soms dringt een zekere mate van nuancering door in de dreigingsbeelden. Niet als het gaat over de dreiging zelf, maar eerder over ‘onze tegenstanders’, zoals bij IMU in DTN-14. Bij radicalisering en polarisatie wordt al sinds DTN-5 strijdt geleverd met de salafisten. Zij zouden al twintig jaar moskeeën infiltreren en de moslimwereld overnemen. In DTN-14 probeerde Joustra aan te geven dat niet de salafisten het gevaar zijn maar de ‘radicale jongeren’. Akerboom lijkt de weg van de nuance ten aanzien van salafisme door te zetten: “Dit onderzoek, waarvan de resultaten in maart 2009 zijn verschenen, laat zien dat de meeste bezoekers in meerdere of mindere mate orthodoxe denkbeelden koesteren en de strikte leef- en denktrant aan hun dagelijks bestaan aanpassen. Dit roept het beeld op van differentiatie in de salafistische beweging in Nederland, waar naast onverdraagzame puristen ook veel gelovigen zijn die de leer aanpassen aan hun dagelijks leven in een westerse samenleving.” Aan de andere kant haalt de coördinator om onduidelijke redenen uit naar Hizb ut-Tahrir. Misschien is de organisatie radicaal islamitisch, maar om de club te beschuldigen van polarisatie in het gehele Nederlandse hoger onderwijs klinkt als smaad en opruiing van de dienst. “Dat de studentenvereniging een platform biedt aan de HuT betekent dat deze laatste in potentie de gelegenheid heeft om haar polariserende en activistische boodschap ook in het Nederlandse hoger onderwijs te verspreiden.”

Over de bestrijding van grondwettelijke activiteiten van groepen en mensen schrijft Akerboom net als zijn voorganger Joustra onder de kopjes radicaliseringshaarden (komt vanaf DTN-0 regelmatig ter sprake), CBRN en zelfgemaakte explosieven (zie daarvoor het commentaar bij DTN-9 / 4 juni 2007) en migratie in de breedste zin van het woord. Controle op het internet, migratie, de verkoop van chemicaliën, passagiersgegevens en andere zaken werden gekoppeld aan terrorisme. Bij de internet monitoring is die verbreding goed zichtbaar. De dienst stelt dat “investeringen die zijn gepleegd ter blokkering van radicale uitingen en andere terroristische informatie hebben geleid tot de ontwikkeling van een Notice-and-Take-Down-systematiek op basis van een gedragscode.” Radicale uitingen zijn al verworden tot terrorisme en de notice-and-take-down is al een gedragscode, want “aanbieders van een (telecommunicatie)dienst op internet kunnen een melding voortaan altijd afdoen en zorgen dat onrechtmatige en strafbare content van internet verwijderd wordt.” Blijkbaar bepaalt de dienst wat strafbaar is, want aan een juridische procedure wordt geen woord vuil gemaakt.

Dit schimmige rechtsstatelijk optreden van de coördinator gekoppeld aan zijn nauwe samenwerking met onder andere de Algerijnse dictatuur en samenwerking op Europees niveau met weinig democratische landen als Egypte, Russische Federatie (RF) en Saoedi-Arabië lijkt in schril contrast met “de inzet van Nederland ten behoeve van een resolutie ‘Mensenrechten en het tegengaan van terrorisme’.” Het lijkt over mensenrechten te gaan, maar het gaat om terreurbestrijding als mensenrecht. Dit in combinatie met dictaturen, roept vragen op over het Nederlandse beleid. De radicaal is echter al lang terrorist geworden en de coördinator wil een dissidente tegenstem op welk front dan ook de kop indrukken. Frankrijk gaat de dienst voor. “Frankrijk heeft zijn uiterste best gedaan om het actieplan ook toe te snijden op het tegengaan van radicalisering in andere kringen, bijvoorbeeld: rechtsextremisme, dierenrechtenextremisme, linksradicalisme, of nationalistisch getint extremisme. Op Nederlands aandringen zal in de toekomst extra aandacht worden besteed aan onderzoek naar processen van deradicalisering en, indien mogelijk, aan mogelijk overheidsbeleid om deze processen te doen versnellen.”

En de coördinator kan meteen een succes melden want “de afgelopen rapportageperiode zijn enkele personen aangehouden in verband met de vrijlating van 2.500 nertsen op 15 maart 2009. De arrestaties zijn het eerste resultaat van de geïntensiveerde opsporing en vervolging van dierenrechtenextremisten; een onderdeel van de integrale aanpak zoals die wordt voorgestaan door de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie.” Opmerkelijk dat het incident of de aanslag op 30 april 2009 niet door de coördinator wordt genoemd in de eerste dreigingsanalyse na het drama. Blijkbaar was er volgens de dienst op 30 april 2009 niets aan de hand, althans geen radicalisering, extremisme, jihadisme of terrorisme. Voor Nederlandse begrippen was het ‘incident’ van 30 april 2009 met zeven doden en een dode dader en tevens twaalf gewonden fors, en ook al label je het geen terrorisme, met dreiging heeft het ‘incident’ alles te maken, zeker op een evenement als Koninginnedag.

DTN-18 / 11 september 2009

Zoek de tien verschillen met DTN-17 zou een goede opdracht zijn, want opnieuw zijn er voorkeursdoelwitten, netwerken en andere bedreigingen, maar er is iets geks aan de hand. De coördinator werkt aan een verlaging van het dreigingsniveau, maar hoe doe je dat in een omgeving waar alleen maar reële kansen op aanslagen bestaan? Dit betekent aan de ene kant de dreiging flink oppompen, de voorstelbaarheid van een aanslag neemt dan toe. “Het afgelopen jaar zijn ontwikkelingen gesignaleerd die de voorstelbaarheid van een aanslag in Europa, en daarmee ook in Nederland, bevestigen. Zoals in DTN17 is gemeld, kunnen uit deze gebieden terugkerende jihadisten opdracht krijgen om aanslagen in Europese landen uit te voeren. De voorstelbaarheid van aanslagen op doelen in Europa wordt verder gevoed door arrestaties van jihadisten in andere Europese landen die in het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden.”

Voorstelbaarheid, arrestaties die niet nader worden geanalyseerd en de bevestiging dat “internationale jihadistische groeperingen nog steeds aanslagplannen op doelen in Europa beramen.” Van deze teruggekeerde jihadisten zijn ook voorbeelden: “Eerder in deze samenvatting werd bericht dat Somalië jihadisten aantrekt uit het Westen. Dit lijkt ook te gelden voor Nederlandse jihadisten. Op 24 juli 2009 werden in Kenia vier personen aan de grens met Somalië aangehouden, omdat zij op weg zouden zijn geweest naar een jihadistisch trainingskamp in Somalië. Inmiddels zijn de jongeren vrijgelaten.” Het is allemaal reëel en het lijkt een kwestie van tijd. Aan de andere kant moet de dienst DTN op DTN bevestigen dat er “echter geen concrete aanwijzingen zijn die duiden op mogelijke voorbereidingen voor een aanslag door internationaal opererende jihadistische groeperingen tegen (belangen van) Nederland zijn.” Ook “zijn er momenteel geen indicaties dat lokale autonome netwerken een concrete bedreiging vormen voor Nederland en Nederlandse belangen.” Niets aan de hand dus en om de dreiging daadwerkelijk langzaam te kunnen afbouwen worden de salafisten van stal gehaald, de mannen die de moskeeën in Nederland overnamen de afgelopen twintig jaar. “In mei 2005 (DTN1) werd gemeld dat er signalen waren die duidden op een groeiende salafistische beïnvloeding in Nederland. Deze groei heeft zich enkele jaren doorgezet. Nu lijkt de groei van de salafistische stroming in Nederland te stagneren. De aanwas van lokale jihadistische netwerken lijkt te zijn afgenomen.” Het beleid van de dienst lijkt geen rol van betekenis te hebben gespeeld bij deze ontwikkelingen.

Een passage in DTN-18 is echter niet te plaatsen in de strategie om de dreiging naar beneden bij te stellen in het volgende dreigingsbeeld. De coördinator ziet het bekladden van het gebouw van de Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) als terreurdreiging. Bij Radicalisering en Polarisatie stelt de dienst dat de “Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) wederom doelwit is geweest. Ditmaal zijn bekladdingen op het gebouw aangetroffen die op de aanwezigheid van een bom duidden. De melding is opgeëist door het Animal Liberation Front (ALF), die in een eerder communiqué in maart 2009 dreigde met een grote bom als de WUR haar verantwoordelijkheid niet zou nemen.” De dreiging is volgens de NCTb zo groot dat ook “andere illegale dierenrechtenacties bij supermarkten en een vestiging van McDonald’s” moeten worden vermeld in de terreur uitgave. De coördinator vervolgt zelfs met “incidenten van een legaal karakter, waarbij een enkele keer een schermutseling is ontstaan tussen demonstrerende dierenrechtenactivisten van links- en rechtsextremistische signatuur.” Met moeite krijgt de dienst de woorden manifestatie, demonstratie, legaal protest uit de mond. Toch moet Akerboom erkennen dat de “acties van de dierenrechtenextremisten niet als terroristisch zijn te bestempelen.”

DTN-19 / 15 december 2009

En dan verlaagt Akerboom de dreiging van substantieel naar beperkt. Volgens de dienst heeft deze verlaging twee redenen, een internationale en een nationale. Over de internationale dreiging wordt iets meer gezegd in de internationale analyse, hier de vraag of de nationale dreiging minder is. Wie de DTN’s van de voorgaande jaren doorloopt moet tot de conclusie komen dat er al jaren geen aanwijzingen zijn. Normaal weidt de NCTb niet uit over deze aanwijzingen, maar in DTN-19 stelt zij dat er “bij deze netwerken sprake is van een afgenomen taakgerichtheid.” Met taken bedoelt de dienst “activiteiten die samenhangen met de gewelddadige jihad.” Het vreemde is dat het gebrek aan aanwijzingen, de relatieve rust en de weinige activiteiten al veel langer gaande zijn dan het afgelopen half jaar. Na de Hofstadgroep en de Samir A. groep vertoonden de netwerken al jaren een relatieve rust. Akerboom is een man van de gematigde weg, al zal het taalgebruik van zijn ambtenaren niet veranderen. Bij hem is de dreiging beperkt.

Joustra en Akerboom’s opvolger Schoof zijn rechtse hardliners die van zware dreiging leven. Akerboom lijkt qua dreigingsniveau een softe koers te varen. Hij stelt dat een deel van de verlaging van de dreiging te maken heeft met het feit dat het vijf jaar geleden is dat van Gogh werd vermoord. De coördinator opent daar zijn DTN mee. De moord op van Gogh wordt gepresenteerd als de Nederlandse elf september: “Het besef drong door dat ook Nederland zich niet veilig kon wanen van terroristische dreiging en dat bijzondere inspanningen vereist waren om nieuwe aanslagen te voorkomen.” Daar waar de Amerikanen de Patriot Act aannamen werd in Nederland de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) opgericht en het gehele land ingeschakeld als terrorismebestrijder. “Vele andere diensten en organisaties, maar ook door de oplettendheid van gewone burgers kon nieuw terroristisch onheil tot op heden afgewend worden.”

Probleem is wat alles dat de dienst in vijf jaar beschreef ten aanzien van mensen en groepen die mogelijk een gevaar voor Nederland vormden niet bijster veel is geweest. Knuffelterrorist Samir A. kwam veelvuldig aan bod in de DTN’s, maar na de Hofstadgroep was er eigenlijk geen serieuze dreiging meer. De claim dat “terrorismebestrijding in Nederland dus daadwerkelijk effect heeft gehad,” is nogal overtrokken. Vraag is eerder of de samenleving nog wel kan ontspannen, ademen en ruimte bieden aan een radicaal geluid. Wie vijf jaar later de reactie ziet op een handvol demonstranten met Sjahada-vlaggen, de Zwarte Pietdiscussie en de wijze waarop met demonstraties wordt omgesprongen en tevens de door de dienst weggemoffelde ‘incidenten’ van 30 april 2009, 9 april 2011, en 17 juli 2014 in ogenschouw neemt, kan alleen maar concluderen dat de dreiging en angst zijn vergroot en de analyse en de context nog minder is geworden.

De rest van DTN-19 bestaat uit een herhaling van de argumentatie ten aanzien van de verlaging van het dreigingsniveau en de vertrouwde onderwerpen ten aanzien van een grote verscheidenheid van terreurvelden. Zo passeren het beleid ten aanzien van radicale dan wel terroristische uitingen op het internet, dat door de coördinator het jihadistische internet is gedoopt, migratie maatregelen als grenstoezicht en toezicht op kennismigratie, CBRN-middelen, zelfgemaakte explosieven, cameratoezicht in het openbaar vervoer (CTOV) en de bodyscanners in het kader van de beveiliging van de burgerluchtvaart de revue. De coördinator noemt de aanpak radicaliseringshaarden, de stalking door de overheid van organisaties, niet specifiek, sinds DTN-17 is dit van het menu verdwenen en komt alleen nog even ter sprake in DTN-29.

Nieuw is een speciale paragraaf over “reisbewegingen naar trainingskampen en strijdgebieden.” In voorgaande DTN’s was dit onderdeel van of het internationale deel of het Nederlandse profiel. De aandacht heeft te maken met de arrestatie van vier Nederlandse jongeren in Kenia die waarschijnlijk naar Somalië wilden vertrekken en de arrestatie van een Somaliër op 8 november 2009 op verzoek van de Verenigde Staten. De man, Mahamud Said Omar wordt in 2011 aan de VS uitgeleverd en in 2013 veroordeeld voor ondersteuning van al-Shabaab. Mahamud’s broer twijfelt aan de schuld van zijn broer en denkt dat hij er is ingeluisd. Somalische clanstructuren bieden weinig helderheid ten aanzien van wat er precies is gebeurd, iets dat eind 2010 ook in Nederland duidelijk wordt bij een grote arrestatiegolf van onschuldige burgers.

En dan komt de dienst met de mensenrechtenparagraaf. In DTN-17 waren mensenrechten en terrorisme ook al ter sprake gekomen, maar toen was de illusie nog dat het om het beschermen van mensenrechten ging bij terrorismebestrijding. In DTN-19 maakt de coördinator aan die droom een eind. De dienst rept nog wel iets over de bescherming van mensenrechten bij terreurbestrijding maar het is vooral dat “het bestrijden van terrorisme noodzakelijk is ter bescherming van mensenrechten.” In dezelfde alinea schrijft de coördinator dat Nederland en de dictatuur Algerije een gedeelde visie hebben op radicalisering en dat beide landen werken aan de “integratie van mensenrechten in antiterrorismestrategieën.” Welk standpunt de NCTb heeft ten aanzien van mensenrechten wordt niet duidelijk uit de tekst, maar de samenwerking met de dictatuur Algerije zegt misschien genoeg over dat standpunt.

Conclusie DTN 2009

Een nieuwe coördinator een nieuwe wind? Helaas, met de komst van Akerboom worden er wel nieuwe accenten gesignaleerd, maar in wezen gaat het oude wijn in nieuwe zakken. Akerboom breekt niet met het vertoog van Joustra, ook al heeft Akerboom een andere ambtelijke carrière doorlopen. Zo volgt de beschrijving van het IKEA complot de lijnen van vier jaar dienst. We zijn door het oog van de naald gekropen, een bus vol explosieven was op weg naar Amsterdam, zeven brute arrestaties, Amsterdam Zuidoost ontruimd en afgesloten en niets aan de hand, een telefoontje uit Brussel was genoeg voor een mediahype en zeven getraumatiseerde en gestigmatiseerde terreurslachtoffers. Akerboom heeft zijn plek veroverd in zijn eerste DTN. Toch is duidelijk dat Akerboom een andere coördinator is. Hij zet dan wel de samenwerking met foute regimes voort en timmert verder aan het buiten rechtsstatelijk optreden van de NCTb en zijn aanverwante diensten, Akerboom is wel een politieman die meer gewend is dan de ambtenaren Joustra en Schoof. Enig gevaar is hem niet vreemd en hij komt niet uit de Haagse stolp dus daar waar zijn voorganger en opvolger reële aanslagen en grote spanningen zagen, probeert de nieuwe coördinator langzaam toe te werken naar een verlaging van de dreiging. Dit bereikt Akerboom door in DTN-17 en DTN-18 het gevaar aan te dikken en tegelijkertijd het salafistische gevaar te ontmaskeren. Alleen de dierenrechtenactivisten gooien roet in het eten, ook al worden enkele gearresteerd. Andere mensen blijven actie voeren en demonstreren. Toch gaat het te ver om de dreiging substantieel te houden met een verwijzing naar demonstrerende dierenrechtenactivisten. Akerboom verlaagt dan ook het niveau in het laatste dreigingsbeeld van 2009. Die verlaging is cosmetisch, want de taal zal in de jaren die volgen niet veranderen.

2010 de solistische dreigende dienst weet wel raad met eenlingen

DTN-20 / 7 april 2010

Na de storm van de substantiële dreigingsjaren zou je verwachten dat in de beperkte jaren de toon anders is. Voor een deel is dat zo, maar een vergelijking tussen een substantieel geschreven dreigingsanalyse en een beperkte laat een indruk van eenzelfde angst gevoel achter. De inleiding van DTN-20 draagt de titel kern-DTN20, alsof ook Akerboom zich wil meten aan de kern Al Qa’ida zoals de dienst haar tegenstander pleegt te labelen. In deze inleiding stelt de coördinator dat “de kans op een aanslag tegen Nederlandse belangen wel groter is in enkele landen en regio’s waar aan Al Qa’ida gerelateerde groeperingen opereren.” Nu is dit op twee manieren op te vatten, of het is groter dan in de vorige DTN of het is groter dan elders, bijvoorbeeld Nederland. Dit laatste is een nogal open deur, want geweld is in landen als Pakistan, Afghanistan en Irak veel meer voor de hand liggend dan in Nederland.

Rule of law is in de meeste van die landen geen staande praktijk en westerse inmenging heeft daar ofwel geen verandering in aangebracht ofwel de zaak verergert. Tuurlijk dreiging analyseren is een lastige afweging, maar feiten helpen in ieder geval om inzicht te geven in wat er werkelijk aan de hand is. Een zin als “op internationaal niveau heeft het incident ‘Detroit’ het zicht vergroot op kwetsbaarheden van de complexe keten van terrorismebestrijding en daarmee gepaard gaande beperkingen,” geeft niet alleen geen inzicht in de aard van de dreiging, maar wakkert angst juist aan. Wat is de complexe keten, en hoezo beperkingen van de terreurbestrijding van de dienst? In de internationale analyse wordt het incident ‘Detroit’ verder geanalyseerd. Naast het ‘Detroit-complot’ is er het ‘Deense spotprentencomplot’, wat ook verder geanalyseerd wordt in het internationale deel. De coördinator schrijft er wel over dat het complot de “vasthoudendheid van jihadisten” onderstreept. Hij stelt dat het complot “na een periode van relatieve rust de dreiging vrij ‘onverwacht’” opspeelde, terwijl de Denen al lang op de hoogte waren van de positie en het denken van de dader.

Ook hebben jihadisten “voor westerse begrippen een lange tijdshorizon” en “dit perspectief kan ook voor Nederland relevant zijn.” Wat de relevantie is, schrijft de coördinator niet. De dienst lijkt te willen stellen dat we altijd en overal alert moeten zijn. In wezen stelt Akerboom dat we in een oorlogsgebied leven, met bijbehorende spanning en angst. Hoe dit gekeerd gaat worden, is blijkbaar niet onderdeel van de bestrijding, want het is een complexe keten. Een keten waar Detroit, Denemarken en Nederland direct aan elkaar gekoppeld zijn. De coördinator schrijft dat “na de neergang van terrorisme van eigen bodem in Nederland, er inmiddels sprake is van een toename van home grown-terrorisme van Amerikaanse bodem.” Of de coördinator bedoelt dat de onderbroeken terrorist in Amsterdam is doorgelaten is onduidelijk.

Welk terrorisme in Nederland en de VS de coördinator bedoelt, is ook niet helder. Naast de zelfontbrander en de lone-wolf is er nu de home growner, maar hoe dit te duiden wordt ook niet helder. Akerboom stelt dat “deze verschuiving ook voor Nederland onderstreept dat er ondanks een onveranderd dreigingsniveau wel degelijk belangrijke ontwikkelingen met vergaande implicaties plaatsvinden. Tegelijkertijd gaat hiervan het signaal uit dat dergelijke accentverschuivingen in een voor sociale processen vrij korte periode ook op het dreigingsbeeld kunnen doorwerken.” Belangrijke ontwikkeling, vergaande implicaties, korte periode, de bom staat op ontploffen. En ja hoor, “de laatste tijd is er sprake geweest van een reeks – van elkaar losstaande – incidenten rondom potentiële jihadisten.” Toch is het dreigingsbeeld beperkt. Wat wil de dienst met deze driemaandelijkse prozaïsche dreigingsexercitie?

DTN-21 / 18 juni 2010

Na de complexe keten van terrorisme lijkt de coördinator te begrijpen dat een beperkt dreigingsniveau ook echt beperkt is, hoewel de ambtenaren van de dienst misschien wel vastzitten in hun taalgebruik van de afgelopen jaren. DTN-21 opent met de stelling dat er niets aan de hand is: “Ook ten tijde van dit DTN zijn geen concrete aanwijzingen voor aanslagen tegen Nederland bekend geworden.” Toch moeten we angstig blijven want er zijn “transnationale netwerken” en de dreiging “zou zich vooral kunnen manifesteren via uit trainingskampen of strijdgebieden terugkerende Nederlandse of Europese jihadisten.” Terugkeerders waren er al in 2010 en de dreiging heeft allerlei slagen om de arm, het “zou kunnen” omdat “het risico bestaat dat dreigingen uit deze hoek lang onzichtbaar zijn voor inlichtingen- & veiligheidsdiensten.” Het is eigenlijk vreemd dat de dienst al twee DTN’s stelt dat “lokale netwerken in Nederland zwak en leiderloos” zijn, er geen aanwijzingen zijn dat er aanslagen op de rol staan en dat de dreiging beperkt is, maar wel een dreigingsanalyse schrijven waarbij de indruk ontstaat dat er elk moment een bom kan ontploffen of een gewapende man al schietend de supermarkt in kan rennen.

Zo ontstaan zinnen als: “Er is wel sprake van contacten tussen Nederlandse jihadisten en professionele transnationale jihadistische netwerken elders in de wereld. Op deze wijze kunnen die transnationale netwerken voet aan de grond krijgen in Nederland.” Transnationale netwerken willen voet aan de grond krijgen in Nederland, maar de ‘Nederlandse jihadisten’ willen vooral naar “Afghanistan, Pakistan en Somalië.” Een Nederlander, de in Duitsland opgegroeide Danny R. wordt in Waziristan gedood door Pakistaanse troepen. De coördinator meldt: “Onlangs nog is een jihadist met de Nederlandse nationaliteit, die in Duitsland opgroeide, omgekomen tijdens een vuurgevecht met Pakistaanse troepen in Pakistan.” Verder geen uitleg, want in de oorlog tegen de terreur is er geen wens meer om te begrijpen wat er aan de hand is. Het verhaal van Danny R. lijkt simpel, hij is de tegenstander en nu is hij dood. Hetzelfde simplisme klinkt door in de zin over “de wens van Al Qa’ida in Irak om tijdens het WK Nederlandse en Deense teams of supporters te treffen.”

Dit zou in een niet nader omschreven document staan. Is dit echt of hoe moet dit geanalyseerd worden? Wat is de waarde, wat betekent dit? In een paragraaf boven de Nederlandse dreiging is er veel meer nuance in het verhaal aangebracht: “Op het jihadistische internet werden in de afgelopen periode diverse postings aangetroffen waaruit de belangstelling blijkt van jihadisten om een aanslag te plegen op het WK voetbal 2010 in Zuid-Afrika. Het is niet ongebruikelijk dat jihadisten speculeren over aanslagen op grote Westerse (sport)evenementen. Zo kunnen (sport-)delegaties en supporters van specifieke nationaliteiten worden getroffen en kan de media-aandacht en live-uitzending de impact van een aanslag vergroten. Dergelijke speculaties betekenen niet automatisch dat ook daadwerkelijk aanslagen te verwachten zijn. De inschatting is dat de zelfstandige slagkracht van Al Qa’ida in Irak voor een complexe aanslag in Zuid-Afrika gering is.” Het is als dreigen, trollen, soms zelfs uitgeprint en offline verspreid, maar wat betekent het in werkelijkheid? En wat is die werkelijkheid dan? Van een dienst die een dreigingsbeeld produceert verwacht je een analyse niet een veronderstelling dat er iets kan gebeuren.

De dienst ziet een verstoring van een lezing “van de Nederlandse dichter Benno Barnard” als een daad van terrorisme en vreest tevens voor besmettingsgevaar. “Gebleken is dat Nederlandstalige Belgische salafisten op het internet contact onderhouden met salafisten in Nederland. Dat contact kan in de toekomst mogelijk leiden tot een meer georganiseerd verband van activistisch-salafistische jongeren in Nederland, zoals Sharia4Belgium in België is.” Wat is het gevaar eigenlijk van deze radicale jongeren. Is hun provocatie meteen terrorisme? Vraag is of die hyper aandacht voor verstoringen, veronderstellingen, internetpostings, geruchten, het “project Illegal use of the Internet”, andere wensen/verlangens van mogelijke jihadistische groeperingen van de dienst wel enig nut heeft als basale veiligheidsmaatregelen niet in acht worden genomen. Het drama op 30 april 2009 maakt dit duidelijk en het is ook opvallend dat dit in het eerste DTN na het incident/de aanslag niet genoemd wordt.

In de laatste DTN van 2009 schrijft de dienst: “Zelfs individuen kunnen komen tot blind geweld tegen ons politieke en maatschappelijke bestel, zoals op Koninginnedag maar al te pijnlijk duidelijk is geworden. Er is dus alle reden om waakzaam te blijven.” Tot een diepere analyse komt de coördinator niet, uiteindelijk zal er een eenlingenbeleid worden ontwikkeld, maar dat zal eerder dreigingsverhogend zijn dan daadwerkelijk iets oplossen. In DTN-21 meldt de NCTb dat de viering in 2010 goed is verlopen en dat de “Coördinator Bewaken en Beveiligen aan het lokaal bevoegd gezag advies heeft gegeven.” De indruk bestaat dat de NCTb na het drama van 2009 is benaderd om het allemaal beter te coördineren want dat is haar taak.

Dit is echter vreemd aangezien vanaf DTN-0, het nulnummer van de dreigingsbode van de dienst, de coördinator het al over bewaken en beveiligen heeft. Het onderwerp komt terug in DTN-0, DTN-1, DTN-5, DTN-7, DTN-9, DTN-11, DTN-13, DTN-15, DTN-17, DTN-19 (alle voortgangsrapportages terrorismebestrijding), alsof de dienst wil zeggen dat papier geduldig is. Resultaat van dit ‘bewaken en beveiligen’ van de dienst is dat tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam op 4 mei 2010 iemand met een schreeuw een nationale paniek kan ontketenen, om vervolgens behandeld te worden als de grootste terrorist met bijgaand lang voorarrest en straf. En ondanks alle dreigingstaal en grote gevaren in de wereld van de jihad wandelt Alberto Stegeman opnieuw met een fles explosieve vloeistof Schiphol binnen. Twee jaar eerder had hij dat ook al gedaan en opnieuw houdt de dienst de “procedures voor de beveiliging op Schiphol tegen het licht.” Wie alleen naar de jihadisten kijkt en die groter maakt dan zij in werkelijkheid zijn, creëert angst voor de duivel en minacht basale veiligheid van burgers.

DTN-22 / 13 september 2010

De constructie van het dreigingsbeeld is een ideologische onderneming die twee elementen omvat. Ten eerste is er het bestempelen van bepaalde zaken als dreiging en andere niet en daarnaast is het een taalkundige exercitie. De dienst presenteert dreiging als een wetenschappelijke afweging, maar keuze van onderwerpen, woorden en het constante gebruik van de voorstelbaarheidsthese erodeert waarheid en vervormt de DTN’s tot oorlogspropaganda. DTN-22 stelt bijvoorbeeld in de derde zin dat “het profiel van Nederland nog steeds blijft passen in het internationale jihadistische vijandbeeld,” alsof Nederland een neutrale, onpartijdige entiteit is. De vijfde zin schakelt over op de creatie van een onzekere wereld, met onzekere dreiging en onzekere afloop: “Het gist steeds meer in een breed scala aan landen, waardoor het dreigingsbeeld diffuser is geworden.” Er is zelfs geen specifiek land te noemen. De inleiding vervolgt met de ideologie van Al Qa’ida en de belangen van het westen, als zou de ideologische strijd eenzijdig zijn. Heel langzaam zijn we de wereld van Tolkien in gewandeld waar de Hobbit (Nederland) strijdt tegen binnenlandse netwerken die helaas “leiderloos en weinig doelgericht zijn” waardoor ze geen bedreiging vormen en “transnationale netwerken” die Nederland “een aantrekkelijk en legitiem doelwit” vinden, maar onbestendig en diffuus zijn waardoor er ook niets gebeurd.

Regelmatig worden in de DTN’s de nar van de vrijheid van meningsuiting, Geert Wilders, opgevoerd. Ook nu weer met onder andere zijn voornemen “om Jordanië voortaan Palestina te noemen” en zijn voornemen om “op 11 september 2010 tegen de vestiging van een islamitisch cultureel centrum en moskee nabij «Ground Zero» in New York” te spreken. De wereld wordt geportretteerd als het rijk tussen goed en kwaad. De Nederlandse werkelijkheid met haar nar en de jihadistische wereld van massa’s die “op een bekende jihadistische website” Wilders bespreken zonder “concrete bedreigingen tegen Nederland of tegen de PVV-leider.” Er klinkt enige teleurstelling in de tekst door, maar “de PVV-leider en Hirsi Ali worden wel genoemd in een «hitlist» van personen in het jihadistische internetmagazine Inspire met de kop «The dust will never settle down», vergezeld van de afbeelding van een pistool.” Het intro van de nieuwe eindeloze serie van Peter Jackson eindigt een beetje onverwacht in een genuanceerde scene waarbij een ‘terugkeerder’ toch niet aan alle verwachtingen voldoet: “Tot nu toe zijn er in Nederland slechts in zeer beperkte mate «terugkeerders» gesignaleerd. Daarnaast is het niet zo dat iedere terugkeerder ook een dreiging vormt.” De spanning daalt verder naar een dieptepunt als “twee nieuwe Nederlandse jihadistische sites qua inhoud en vorm niet veel af wijken van reeds bestaande.” Opnieuw trachten ze “de jihadistische ideologie te verspreiden” en gaat het om “klassieke strijdgebieden” en niet om “Nederland (of België),” schijnbaar de stille hoop van de coördinator.

Gelukkig kan de coördinator onder het kopje ‘gewelddadige radicalisering en polarisatie’ enkele alarmerende rapporten aanhalen over de voedingsbodem die onder “Somalische, Pakistaanse, Koerdische en Molukse bevolkingsgroepen in Nederland voor radicalisering bestaat, wat bij enkelen zou kunnen uitmonden in extremisme.” Een van de onderzoeken die de coördinator als basis gebruikt voor deze stelling is een verkennend onderzoek, ‘Voedingsbodem voor radicalisering bij kleine etnische minderheden in Nederland’, dat tot conclusies is gekomen via een literatuurstudie en een niet representatieve steekproef “om zogezegd het percentage geradicaliseerde personen vast te stellen.” De dienst presenteert het onderzoek als wetenschappelijk. Tot DTN-22 werd er gesproken van “radicalisering en polarisatie”, vanaf september 2010 is het “gewelddadige radicalisering en polarisatie.” Volgens de NCTb kan een “potentieel »trigger event»” voor die gewelddadige radicalisering en polarisatie “de Israëlische militaire actie tegen een Turks schip met goederen voor Gaza” zijn. De dienst is beducht voor een aanslag want dit “leidde tot heftige reacties op het internet, maar “nog niet tot geweld.” Akerboom vergat te vermelden dat Israël het Turkse schip Mavi Marmara in internationale wateren enterde en dat daarbij negen opvarenden door de Israëlische militairen werden vermoord. Gewelddadige radicalisering in de eigen Hobbit wereld. Het extremisme heeft zich bij de dienst verdiept.

DTN-23 / 17 december 2010

In de internationale analyse wordt dieper ingegaan op het Stockholm plot, de bompakketten en andere volgens de coördinator “jihadistische intenties of voornemens om westerse doelen te treffen.” De dienst spreekt ook over een “decor van diverse, soms verwarrende berichten over terroristische dreiging tegen diverse Europese landen.” Een decor waar de NCTb blijkbaar figurant in is of deels meeschrijft aan dreigingsscenario’s, want volgens de dienst zorgen die verwarrende berichten ervoor dat “het Nederlandse dreigingsbeeld zorgelijk is.” Dit lijkt vooral door “de herfsteditie” van Inspire te komen, “het Engelstalige jihadistische webmagazine” waarin “Nederland enkele malen is genoemd als potentieel doelwit van een aanslag, door de leiders van zowel de Pakistaanse als de Afghaanse Tabilan.” Waarschijnlijk bedoelt de coördinator de Taliban, maar in het licht van de Hobbit is het een mooie verschrijving.

Inspire interviewt Wali ur Rehman, een leider van de Pakistaanse Taliban (Tehrik-i-Taliban Pakistan, TTP), die zegt Nederland “met prioriteit ‘een lesje te leren’” waarbij prioriteit niet tussen aanhalingstekens is geplaatst en lesje leren wel. Dat Wali ur Rehman niet echt haast maakt met het lesje leren blijkt uit het feit dat er “geen aanwijzingen zijn dat de TTP voorbereidingen treft voor een aanslag tegen Nederland of Nederlandse belangen.” Waarom de coördinator het Nederlandse publiek op dit interview wijst is onduidelijk. Ook een interview met een woordvoerder van de Afghaanse Taliban, Zabiullah Mujahid, in de Volkskrant passeert de revue. In de inleiding van het DTN was Inspire nog de bron, bij dreiging tegen Nederland is de Volkskrant de bron. Zabiullah Mujahid waarschuwt Nederland en “indien Wilders erin zou slagen het parlement te manipuleren tot het aannemen van “meer anti-islamitische wetgeving” zou Nederland in aanmerking komen voor een aanslag,” zou de woordvoerder hebben gezegd.

Het blijkt allemaal wat minder spontaan dan in eerste instantie is gepresenteerd, want “Mujahid werd expliciet naar zijn mening over Nederland gevraagd en kwam dus niet spontaan tot zijn waarschuwing.” Vraag is ook of de woordvoerder weet waar Nederland ligt, daar was in het verleden verwarring over, en tevens zijn er “geen indicaties die wijzen op voorbereidingen van een aanslag tegen Nederland of zijn belangen in het buitenland.” Deze twee interviews vullen de paragraaf ‘Nederland als doelwit genoemd’. Of beide heren ook daadwerkelijk enigszins belangrijk zijn in beide bewegingen en in het verleden uitspraken hebben gedaan die van belang waren, wordt niet geanalyseerd. Waarom de Taliban wordt opgevoerd als mogelijke bedreiging terwijl Nederland zich juist heeft teruggetrokken uit Afghanistan is een bewijs voor de “voor westerse begrippen lange tijdshorizon” van de jihadisten zoals door Akerboom in DTN-20 is uitgelegd.

De horizon van de dienst is niet al te lang. Drie maanden eerder schreef hij over het gevaar van radicalisering bij Molukse gemeenschappen, maar of die degenen zijn die terroriseren is de grote vraag. In DTN-23 beschrijft de dienst “bekladding, vernieling, brandstichting en met een vuurwapen op een moskeedeur schieten bij diverse gebedshuizen in Nederland (Molukse kerken, enkele moskeeën) waarbij niet kan worden vastgesteld of ideologische overwegingen een rol spelen.” En dit vernauwde bewustzijn van de NCTb herhaalt zich bij de paragraaf weerstand. Plots omarmen de dienst en haar evenknie de AIVD het Salafisme. “De studie bevestigt de visie van AIVD en NCTb, dat de salafistische gemeenschap in Nederland geen voedingsbodem voor jihadistisch terrorisme vormt,” terwijl de dienst tot zeker DTN-17 moord en brand schreeuwde en overal salafisten zag die moskeeën overnamen en radicaliseerden.

Zonder de salafisten en de leiderloze nationale netwerken moet de coördinator op zoek naar nieuwe bronnen van polarisatie en de rechter bedient hem op zijn wenken. “Verder werd de Arabisch-Europese Liga (AEL) in augustus 2010 in hoger beroep veroordeeld voor het publiceren van een cartoon die suggereert dat de Holocaust een joods verzinsel is. De veroordeling leidde tot verongelijkte reacties bij onder andere AEL zelf en de Hizb ut-Tahrir (HuT). In dezelfde periode besliste het Openbaar Ministerie om niet over te gaan tot vervolging van de cartoonist Gregorius Nekschot wegens discriminatie. AEL en HuT, maar ook veel anderen, getuige reacties op internet, zien hierin ongelijke behandeling en discriminatie van moslims.” Verongelijkte reacties en opmerkingen over discriminatie zijn geen polarisatie, ook al wil de dienst dit graag zo labelen. Het zijn eerder tekenen van een groeiend extremisme bij de dienst, een onvrede over mensen die zich kritisch opstellen ten aanzien van de Nederlandse staat.

Bij gebrek aan ‘echte terroristen en terreurgroepen’ die allemaal worden vrijgesproken (de Irakese Nederlander Wesam al Delaema, de jongeren die op weg waren naar Somalië, Stichting Al Aqsa), richt de dienst zich op de eenlingen. Die krachtmeting kan de coördinator gemakkelijk aan. Na 30 april 2009 en 4 mei 2010 volgde nog de waxinelichthoudergooier Erwin Lensink tijdens Prinsjesdag op 21 september 2010. Los van de zeer zware maatregelen van voorarrest, psychiatrisch onderzoek en andere justitiële medische maatregelen die de eenlingterroristen te verduren kregen, tuigen de coördinator en aanverwante diensten een scala van maatregelen op. “Derhalve is onlangs het project Solistische Dreigers gestart. Zo zal ten eerste vóór 1 januari 2011 binnen het KLPD een pilotteam Solistische Dreigers zijn opgestart. Er wordt wetenschappelijk onderzoek geïnitieerd naar de wijze waarop ongekende dreigers aanslagen plegen en de mogelijkheden van vroege signalering. En er wordt onderzocht of het mogelijk is de zogenaamde – vaak jongere – ‘straattaaldreigers’ door middel van een voorlichtings- en bewustwordings-campagne te ontmoedigen.”

In DTN-24 wordt het solistische dreigers-frame meteen toegepast in het terreurbeeld. Nadat in Tuscon (Arizona, de Verenigde Staten) op 8 januari 2011 een schietpartij plaats vindt, “waarbij een 22-jarige man een congreslid door het hoofd schoot, zes omstanders doodde en nog eens dertien mensen verwondde, zijn ook de Verenigde Staten weer eens pijnlijk geconfronteerd met het verschijnsel van de ‘solistische dreiger’. De dienst weet wel raad met deze eenlingterroristen en stelt dat “systeemhaat, in combinatie met een geloof in samenzweringingstheorieën, persoonlijke stoornissen of traumatische ervaringen” de oorzaken zijn. Amerika kent echter een traditie van al dan niet willekeurige schietpartijen waarvan het bloedbad op de Columbine High School van 20 april 1999 misschien wel de bekendste is.

Met de focus van de terreurdienst zelf is het vervolgens zelf slecht gesteld want, na Koninginnedag, dodenherdenking en Prinsjesdag, volgt de winkelcentrumslachting van een solistische dreiger op 9 april 2011 in Alphen aan de Rijn. De dienst rept er met geen woord over. In het eerste DTN na het drama in Alphen aan de Rijn schrijft de coördinator dat “Koninginnedag dit jaar weer veilig en bovenal feestelijk is verlopen” en dat de dienst alleen maar “personen van de limitatieve lijst” beschermd. “Nationale evenementen zijn evenementen die worden bezocht door personen van de limitatieve lijst én waarbij het nationale belang centraal staat én het karakter van het evenement een specifieke of verhoogde druk op de bewaking en beveiliging kan geven” oftewel “Koninginnedag (daar waar de koning is), de Nationale Herdenking, Veteranendag en Prinsjesdag.” De mensen die werden vermoord bij het drama van Alphen aan de Rijn stonden niet op de “limitatieve lijst” en waren dus niet belangrijk genoeg voor de dienst NCTb.

Conclusie DTN 2010

Een verlaagd dreigingsniveau wil niet zeggen een rustiger vaarwater. De elementen van een gespannen dienst blijven in het DTN hangen. Kern Al Qa’ida is er nog steeds en ook de complexe keten van terrorismebestrijding. Welke gevaarlijker is maakt de coördinator niet duidelijk, maar de complexe keten heeft in DTN-20 meer ellende aangericht dan de kern. Detroit, de onderbroekenbommenman, zou een voorbeeld zijn van de kwetsbaarheden van de keten, maar wie het spoor van Umar Farouk Abdulmutallab volgt kan alleen maar concluderen dat de man een knalrood T-shirt aan had met de tekst: ‘Ik ben een terrorist en ga zo een aanslag plegen.’ Ditzelfde geldt voor de heer Geele in Denemarken gezien de uitgebreide voorkennis van de Deense inlichtingendienst. Vraag is dan of het om kwetsbaarheden gaat of om het in gevaar brengen van de bevolking. En dat brengt weer 30 april 2009 in herinnering, een ‘incident’ dat in de dreigingsbode niet ter sprake komt, al worden Karst Tates en later de Alphense schutter, de theelicht houdergooier en de damschreeuwer wel gebruikt voor een nieuw programma ten aanzien van de solistische dreigers waar natuurlijk bierflessengooier jakhals Erik van DWDD niet bij hoort. En die eenlingterroristen of solistische dreigers moeten worden aangepakt door een “pilotteam solistische dreigers” dat “vóór 1 januari 2011” moet zijn opgestart. Drie maanden later slaat Tristan van der Vlis hard toe in Alphen aan de Rijn en toont eens te meer aan dat mensen indelen in eenlingterroristen, jihadistische netwerken en radicale moslims uitmondt in meer dreiging, meer angst en meer gevaar en niet in meer veiligheid. Basale procedures en meer transparantie hadden meer voor de veiligheid gedaan in Alphen dan een dienst. De eenlingen, netwerken, moslims en anderen zijn voorbeelden van de drang van de NCTb om de wereld in te delen in een goed en slecht deel. De dienst gaat zo ver in die bipolaire benadering dat zelfs ‘wetenschappelijk’ onderzoek wordt gepresenteerd over vermeende radicalisering van diverse bevolkingsgroepen zoals Somalische, Pakistaanse, Koerdische en Molukse Nederlanders (DTN-22). Onderzoek dat gebaseerd is op een literatuurstudie en een niet representatieve steekproef. Uiteindelijk blijft van het onderzoek weinig heel, maar het leed dat de diverse bevolkingsgroepen is aangedaan is al geschied. Dit leed is tweeledig, ten eerste wordt geïnsinueerd dat de bevolkingsgroepen aan het radicaliseren zijn en daar blijkbaar niets tegen doen. Ten tweede werd de Molukse gemeenschap in DTN-23 getroffen door “bekladding, vernieling, brandstichting en schoten op de deur.” Die ‘incidenten’ passen weer in het frame van de polarisatie van de dienst en bevestigen indirect de radicalisering van de Molukse gemeenschap. Zo draagt de terreurcoördinator bij aan de ontwrichting van de samenleving, terwijl zowel het ‘wetenschappelijk’ onderzoek als de terreurbode twijfelachtige documenten zijn. De dienst lijkt er niet om te malen. Zorgvuldig afgewogen analyse is niet aan de terreurdienst besteed.

2011 ambtenaartje in lala dreigingsland

DTN-24 / 18 maart 2011

Door alle oorlogstaal van de dienst sneeuwt het dreigingsniveau onder. Het lijkt substantieel, maar dat is alleen de gevoelsdreiging, in werkelijkheid houdt de coördinator het op beperkt. Zo start de coördinator DTN-24 met “die zorgelijke ontwikkelingen.” Dit zijn berichten op het internet en arrestaties in Europa want er is “geringe dreiging van binnenlandse jihadistische netwerken.” Het is elke keer onduidelijk of die netwerken er überhaupt zijn. Op de Europese arrestaties wordt in de internationale analyse ingegaan. Of Nederland nu actief is in Afghanistan of niet, “afnemende militaire betrokkenheid in Afghanistan en de politiemissie in Afghanistan dragen bij aan het internationale profiel van Nederland.” Dit komt tot uitdrukking in het media optreden van bijvoorbeeld de woordvoerder van de Afghaanse Taliban, die zou zich “in december en januari driemaal tot Nederland gericht” hebben. Dit is waarschijnlijk Zabiullah Mujahid die door de Volkskrant is geïnterviewd. Wat de woordvoerder naast het Volkskrant interview heeft gezegd is onduidelijk. Daarnaast haalt de dienst twee niet nadere genoemde individuen aan die op “een prominente Arabischtalige jihadistische website een posting hebben geplaatst waarin onder andere Nederland wordt genoemd als legitiem doelwit voor jihadisten.” Een analyse van de waarde van de postings geeft de coördinator niet en hij vertelt ook niet hoe serieus de dreigementen genomen moeten worden.

Die postings en de jihadisering van het internet baren de coördinator al jaren zorg. In DTN-24 stelt hij: “De rol van het internet vormt al jaren een belangrijke dimensie van de jihadistische dreiging. Het internet is immers een cruciaal middel voor jihadisten.” Accounts bij Facebook, Youtube en andere internetmultinationals worden door de coördinator gekoppeld aan “de geest van het jihadistische discours op het internet.” Die jihadisering was ook geconstateerd bij Somalische Nederlanders in DTN-22 (september 2010) en wordt in DTN-24 bevestigd door een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek: “De uitkomsten bevestigen het beeld van een voedingsbodem voor radicalisering.” Het lijkt even of de Somalische gemeenschap op ontploffen staat als op 24 december 2010 “twaalf personen van Somalische afkomst” worden gearresteerd. De eigenaar van een belwinkel ziet voor zijn ogen dat zijn winkel door het arrestatieteam aan stukken wordt geslagen alsof het hooligans van de overheid zijn. Volgens de coördinator zouden er aanwijzingen zijn dat er op 24 of 25 december 2010 een aanslag gepleegd zou gaan worden.

De AIVD had op basis van een anonieme tip een ambtsbericht getypt en het openbaar ministerie en politie arresteerden vervolgens mensen die werden verdacht van terrorisme. Het doet allemaal denken aan vele voorgaande voorbeelden zoals het Ikea plot op 12 maart 2009 (zeven mensen gearresteerd, een dag cel) of het Rotterdamse complot van juli 2005 (vijf volwassenen en een kind gearresteerd, zes dagen cel). De Somalisch Nederlandse hype die begon met een verkennend onderzoek, een zorgelijk rapport, een brute inval en arrestaties eindigde in DTN-26. Daarna keerden de geradicaliseerde Somalische Nederlanders niet meer terug in de dreigingsanalyses, de hype was over. De dienst drijft op hypes zoals de hedendaagse journalistiek van een flinke hype houdt.

En Wilders en andere parlementariërs bedienen de coördinator op zijn wenken. “Het publieke en politieke debat over kwesties als integratie, immigratie en islam kende ook in de afgelopen periode op verschillende momenten scherpe kanten. Een terugkerend thema daarbij is het verbod op gelaatsbedekkende kleding, in de volksmond het ‘boerkaverbod’ genoemd.” Volgens de NCTb is het een “gevoelig thema”. Niet voor politici, opiniemakers of de dienst zelf, maar voor “jihadistische personen en organisaties.” Volgens de coördinator schuwden jihadisten in Frankrijk “foutieve voorstellingen, manipulatie en opruiing niet.” Politici, opiniemakers of de dienst zelf maakten zich daar natuurlijk niet schuldig aan. Zoals bij de groep Shariah4Holland. De groep is nog maar net opgericht of de coördinator neemt ze op in zijn terreurbode: “Op 13 december 2010 werd op het internet ‘Shariah4Holland’ gelanceerd.” Zeker geen “foutieve voorstellingen, manipulatie en opruiing” van de dienst, alleen roept de “groep niet op tot gewelddadige activiteiten.” Waarom wordt de groep dan toch aangemerkt als terroristische organisatie?

DTN-25 / 17 juni 2011

Na ruim zes jaar dreigingsbeelden is er geen weg meer terug. Nu plots schrijven dat het beeld groen is en dat er geen dreiging meer bestaat, is ongeloofwaardig. Het is vooral ongeloofwaardig omdat de coördinator zelf de dreiging keer op keer opkrikt, terwijl de gepresenteerde feiten slechts aangeven dat er in wezen niets aan de hand is. Want keer op keer is de dreiging van de al dan niet bestaande jihadistische netwerken in Nederland gering. Wat overblijft, is een soort lala dreigingsland, waar het natuurlijk altijd gevaarlijker kan zijn en er meer maatregelen moeten worden genomen, maar waar teruggaan niet meer mogelijk is. Nederland is in DTN-25 daarom niet meer een ‘voorkeursdoelwit’ maar een “gelegenheidsdoelwit.” “Het besluit om een politiemissie naar de Afghaanse provincie Kunduz te sturen zou ertoe kunnen leiden dat in ieder geval Nederlandse belangen in Afghanistan explicieter in beeld komen als gelegenheidsdoelwit.” Wat precies de definitie van gelegenheidsdoelwit is, maakt de coördinator niet duidelijk, maar het klinkt als een drive-by shooting. De aanslagpleger is onderweg naar Parijs en pakt terloops Rotterdam er nog even bij. Of dit een positieve ontwikkeling is, wordt niet duidelijk. Voorkeursdoelwit lijkt beter omdat de gelegenheid zich altijd voor kan doen en de voorkeur waarschijnlijk niet, maar de dienst gaat verder niet in op het onderscheid. Voorkeur of gelegenheid, beide doelen zijn blijkbaar legitiem voor de jihadisten.

Voorkeursdoelwit van de dienst was lange tijd het salafisme, maar sinds DTN-23 niet meer. In DTN-25 is de Moslimbroederschap het gelegenheidsdoelwit: “Op langere termijn vormt de broederschap mogelijk wel een bedreiging van de democratische rechtsorde.” Na DTN-25 komt de Moslimbroederschap niet meer terug tot in DTN-37. De coördinator houdt ook van gelegenheidsargumenten met als voorkeursdoelwit meer controle en registratie, vandaar dat hij sinds DTN-23 naast terroristen ook criminelen noemt bij “de (zelfgemaakte) explosieven”(haakjes van de overheid). De coördinator stelt dat dat “terroristische en andere criminele organisaties de potentie en onverminderde intentie hebben om explosieven in te zetten. Bij vrijwel alle terroristische aanslagen in West-Europa is gebruik gemaakt van zelfgemaakte explosieven.” Bij de Madridaanslagen werd echter regulier dynamiet gebruikt, geleverd door een informant van de overheid. Bij London werden volgens de minimale informatie die er over de aanslagen beschikbaar is ook reguliere explosieven gebruikt. Daarnaast waren er allerlei exotische pogingen die mislukten, maar alleen Anders Breivik was in staat om genoeg kunstmest met nitraatzouten en benzine te verzamelen om een effectieve bom te bouwen. Bij veel maatregelen vindt dezelfde stoelendans rond het voorkeursdoelwit van de dienst plaats. Of het nu gaat om (zelfgemaakte) explosieven, financiën/witwassen, internetsurveillance en afsluiting (Notice and Takedown), of registratie van passagiersgegevens keer op keer wordt eerst gesteld dat de maatregelen nodig zijn voor de bestrijding van terrorisme maar gaandeweg gaat het niet meer om terrorisme maar om criminaliteit en weer later om geweldplegers en of radicale of dissidente groepen. Zo kwam het onderwerp van de Passenger Name Records (PNR) in DTN-11 op de agenda. In DTN-15 en DTN-17 werd expliciet terrorismebestrijding vermeld. In DTN21 sprak de Nederlandse overheid nog over “doelbinding, proportionaliteit en privacy van de reiziger.” In DTN-25 is het al opgerekt tot “het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en zware criminaliteit (EU PNR).”

DTN-26 / 3 oktober 2011

De obsessie van de dienst met radicalisme, extremisme en vooral jihadisme leidt tot bizarre dreigingsbeelden. In DTN-26 van 3 oktober 2011 stelt de coördinator dat “de aanslagen in Noorwegen laten zien dat de binnenlandse terroristische dreiging in westerse landen niet alleen wordt bepaald door jihadistisch terrorisme.” Alles wordt langs de jihadistische meetlat gelegd. Er is jihadistisch terrorisme en “niet-jihadistisch terrorisme,” zoals Akerboom Breivik definieert. En dan is er Alphen aan de Rijn, iets dat de coördinator over het hoofd heeft gezien en niet in zijn dreigingsbeeld heeft opgenomen, want dat past blijkbaar niet in het volledig gedichotomiseerde samenlevingsbeeld van de dienst. Bij die tweedeling is Breivik ook een lastige persoon want in principe is er de jihadistische wereld en ‘onze wereld’. Gelukkig kan Breivik wordt gedetermineerd als een “geradicaliseerde eenling”, een “verwarde eenling” of een persoon die uit is op “zijn’15 minutes of fame’.” Dader Tristan van der Vlis past zeker niet in deze wereld van de NCTV, dus wordt hij weggelaten en keert slechts een keer terug als een soort voetnoot in DTN-28.

Akerboom beert de jihadistische wereld en de Breivik wereld te laten versmelten. De jihadi’s willen naar jihadistische terreinen om te trainen. Zij zijn al radicaal en terrorist. “Nederlandse jihadisten of in Nederland wonende jihadisten blijven pogingen doen uit te reizen naar jihadistische strijdgebieden. Slechts een enkeling slaagt erin het gewenste strijdgebied te bereiken en aansluiting te vinden bij jihadistische structuren.” Zij zien Nederland als een “legitiem doelwit”. De coördinator is wel anders over de vele postings gaan denken: “Hoewel deze postings het profiel in jihadistische kringen van Nederland als vijand van de islam versterken, moeten zij vooral gezien worden als een manier om angst aan te jagen bij westerlingen.” Akerboom is echter wel blij want “de postings versterken het profiel van Nederland in het algemeen en de PVV-fractievoorzitter in het bijzonder als vijanden van de islam,” de oorlog tegen de terreur woedt gelukkig verder. Breivik onderstreept voor de dienst “ook nog eens de dreiging die kan uitgaan van geradicaliseerde eenlingen.” De dienst gebruikt niet de term extreemrechts voor Breivik, “overigens kan Breivik niet worden gekarakteriseerd als een ‘klassieke’ rechtsextremist,” ook geen woord over de toenemende polarisatie die ook door de dienst wordt aangewakkerd. Nee, de woordenschat bestaat uit “geradicaliseerde”, “verwarde”, en de analyse is simpel. “De terroristische aanslagen in Noorwegen leidden in Nederland, maar ook daarbuiten, tot een debat over in hoeverre het maatschappelijk klimaat heeft bijgedragen aan de daden van Breivik,” schrijft de coördinator als analyse en dat op “dit moment in Nederland geen concrete aanwijzingen” zijn maar het “kan echter niet worden uitgesloten dat de ideeën en daden van Breivik een inspiratie kunnen zijn voor gefixeerde dan wel verwarde eenlingen.”

Naast de jihadisten en de niet-jihadisten als Breivik heb je mensen die gebruik maken van hun democratisch recht op vrijheid van meningsuiting, manifestatie en vergadering. Zo zijn er mensen die zich inzetten voor dierenrechten, door de dienst gelabeld als “dierenrechtenextremisten”. Zij hebben de “aandacht getrokken met acties tegen de KLM, omdat deze volgens de dierenrechtenextremisten samen met partner Air France betrokken zou zijn bij het vervoeren van apen ten behoeve van de dierproefindustrie.” Niet de dienst wil aandacht, maar de dierenrechtenactivisten, en er is volgens de NCTV helemaal niets mis met proefdieren want volgens extremisten vervoeren KLM en Air France proefdieren, en extremisten zijn per definitie fout en KLM en Air France zijn gewoon goed bezig. Ook vindt de coördinator het schandalig dat er “videobeelden, die heimelijk zijn gemaakt, zijn gepubliceerd van vermeende misstanden in Nederlandse varkenshouderijen.” De misstanden zijn “vermeend” en de videobeelden “heimelijk,” allemaal zeer terroristisch volgens het denken van de dienst.

Naast de mensen die zich inzetten voor dierenrechten zijn er ook de mensen die zich inzetten voor vluchtelingen. Zij zijn de “asielrechtenactivisten en –extremisten” die “zich wederom richtten op bouwbedrijf BAM.” BAM bouwt gevangenissen voor vluchtelingen en in het verleden hebben mensen gedemonstreerd tegen BAM en zijn er enkele vernielingen aan bouwplaatsen geweest. Volgens de coördinator zijn die vernielingen door “asielrechtenactivisten en –extremisten” gepleegd, want zij gebruiken “extremistische methoden, zoals vernielingen.” In DTN-27 zijn die “extremistische methoden” al uitgebreid tot “incidenten met een extremistisch karakter, zoals (kleinschalige) brandstichtingen” die de dienst noemt in het kader van “bijeenkomsten en openbare uitingen zoals (lawaai-)demonstraties.” Tot slot zijn er nog mensen die demonstreren en volgens de politie “verharden” die demonstraties. De dienst wijdt er niet verder over uit, maar “het KLPD constateert dat de tegendemonstraties van linksextremistische actievoerders tegen rechtsextremistische demonstraties verharden en een toenemend gewelddadig karakter krijgen.” Iedereen die aandacht trekt, protesteert, zaken aan de schandpaal nagelt ofdemonstreert is extremist in de ogen van de dienst. De woorden grondwettelijke rechten en mensenrechten staan niet in het vocabulaire van de extremistische dienst NCTV.

DTN-27 / 12 december 2011

Postings op het internet zijn een voortdurende bron van radicalisering en terrorisme voor de dienst. Na alle verhandelingen over Youtube films waarin Nederland werd genoemd als voorkeursdoelwit, gelegenheidsdoelwit of in ieder geval legitiem doelwit, bleek in DTN-26 plotseling dat die postings er vooral op waren gericht ons angst aan te jagen. Dat was aardig gelukt sinds 2005, want de dienst lijkt zonder de onthoofdingsvideo’s geen angstverhaal in elkaar te kunnen zetten. In DTN-27 doet de coördinator een boekje open over de wijze waarop de vermeldingen op het “jihadistische internet” moeten worden bekeken. “Niet alleen het aantal vermeldingen, maar ook de inhoud daarvan en de invloed die de plaatser van het bericht heeft binnen de jihadistische gemeenschap wegen mee,” zo analyseert de coördinator de jihadistische GeenStijl. De dienst heeft “het jihadistisch internet” aan een grondig onderzoek onderworpen want in navolging van DTN-26 stelt de dienst dat “in algemene zin geldt dat dergelijke berichten vooral moeten worden gezien als een poging van jihadisten om angst aan te jagen bij hun vijanden, en om jihadistische medestanders te mobiliseren.”

Akerboom gaat nader in op een herhaald “ dreigement tegen de PVV-leider.” Inhoud van het dreigement maakt de coördinator niet bekend ook niet of het precies dezelfde dreiging was van enige tijd geleden. Wel stelt de dienst dat er “ten aanzien van het hierboven genoemde dreigement geen informatie is dat de plaatser daarvan kan leunen op een specifieke autoriteit of inspirerende invloed op andere jihadisten.” Onduidelijk is of dit goed of slecht nieuws is voor de heer Wilders. Of de identiteit van de “plaatser” bekend is is ook niet duidelijk en of de “plaatser” in het verleden dreigementen heeft geplaatst die werden uitgevoerd is ook niet onderzocht door de NCTV. Op dezelfde jihadistische GeenStijl vond de dienst “andere berichten over Nederland, zoals over sommige voorstellen van Nederlandse parlementariërs, die waren feitelijk van aard en bevatten geen dreigementen.” Of deze berichten van dezelfde “plaatser” kwamen wordt niet vermeld en waarover de mededelingen gingen evenmin.

De korte verhandeling over de postings, voor de dienst een serieuze analyse, beëindigt de NCTV met de opmerking dat “uit voorgaande echter (nog) niet kan worden opgemaakt dat Nederland als doelwit minder prominent in beeld komt dan voorheen.” De ‘analyse’ van de postings wordt gevolgd door een korte mijmering over de jihadreizen. Al jaren stelt de coördinator dat “jihadistische netwerken in Nederland beperkt in aantal zijn, los georganiseerd, en dat zij geen sterke leiders of duidelijke doelen hebben.” Om toch een constant gevoel van terreur in stand te houden, wordt verwezen naar jihadreizen en de terugkeerders. “Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland (soms Nederlanders woonachtig in het buitenland), is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt,” schrijft de coördinator over die mensen die afreizen naar landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. In het verleden noemde de coördinator nog specifieke bestemmingen als Afghanistan en Irak, maar met de intrede van de Arabische Lente is de gehele Arabische wereld bestemmingsgebied voor jihadreizen. “Onder deze reisdoelen scharen zich, sinds de opstanden aldaar, ook Noord-Afrikaanse landen en landen in het Midden-Oosten.”

De dienst is niet blij dat de dictators ter plaatse allemaal aan het wankelen worden gebracht, want dit zou extremisme in de hand werken. In de internationale analyse wordt daar meer op ingegaan. De NCTV ziet zich in haar denken bevestigd omdat “de onrust in de Arabische wereld tot op heden niet heeft geleid tot massale steunbetuigingen vanuit de diverse migrantengemeenschappen in Nederland (DTN-25),” Er zouden slechts “op kleinschalig niveau overwegend vreedzame demonstraties hebben plaatsgevonden van Tunesiërs, Egyptenaren, Libiërs en Syriërs.” De aanduiding ‘Arabische Lente’ komt pas in 2014 in het vocabulaire van de coördinator voor. De Lente was toen al op veel plaatsen onderdrukt of ontspoord. Die analyse van maatschappelijke onvrede als extremistisch of op zijn minst als ‘kans op extremisme’ is ook zichtbaar bij de analyse van de economische crisis van 2008.

Voor DTN-27 (eind 2011) komt de benaming economische crisis niet voor in de terreurbode, terwijl de rampspoed dan al ruim drie jaar door het land en de wereld jaagt. Het gaat de dienst goed voor de wind, hoe meer terreuraandikking hoe dikker de portemonnee van de dienst. Was het verzet tegen de toenemende ongelijkheid en de graaicultuur van de financiële wereld tot 2011 erg klein, in navolging van de Arabische Lente steekt in de ‘westerse’ wereld het verzet ook de kop op. De dienst legt elk protest meteen naast de jihadistische, extremistische terroristische meetlat: “In andere Europese landen laten gebeurtenissen zien dat een verergerende economische crisis maatschappelijke instabiliteit kan veroorzaken en de kans op ideologisch geïnspireerd geweld kan doen toenemen.” In de zin na dit protest tegen het neoliberale beleid volgt in één adem extreemrechts extremisme: “Ook worden sommige Europese landen geconfronteerd met geweldsdaden die worden toegeschreven aan extreemrechts.”

Protesteren tegen de wijze waarop politiek en bedrijfsleven de economische crisis van 2008 hebben veroorzaakt zit meteen in de extremistische hoek: “Het verdere verloop van de financieel-economische crisis kan de komende tijd van invloed zijn op vooral de links-extremistische hoek. In landen als Griekenland en Italië zijn door de schuldencrisis maatschappelijke spanningen en gewelddadigheden waarneembaar, waarbij anarchisten een belangrijke rol spelen.” Financieel economisch protest wordt direct gekoppeld aan “sabotageacties op het spoornet (Berlijn), uit kritiek op de Duitse militaire presentie in Afghanistan” en aan de “links-extremistische hoek.” Al is het in Nederland “wezenlijk anders dan in Italië en Griekenland,” het kan elk moment uit de hand lopen want er “vinden vooralsnog alleen vreedzame protestacties plaats.” Alles staat in het licht van Breivik die aantoont dat “waakzaamheid is geboden voor terroristisch geweld uit andere overwegingen dan jihadistische.” Graaiende bankiers en anderen uit de financiële wereld en wegkijkende en miskleunende politici komen niet in het vertoog van de dienst voor. In de bipolaire wereld behoren zij tot de ‘goeden’ en degenen die protesteren tegen ongelijkheid tot de extremisten, lees de slechteriken.

Conclusie DTN 2011

DTN-24, het eerste dreigingsbeeld van 2011, is het schoolvoorbeeld van de manier waarop de dienst zich langzaam heeft ontwikkeld tot een extremistische organisatie die polarisatie in de hand werkt. De dienst drijft op hypes en die werken simpel. Een literatuurstudie met een niet representatieve steekproef over radicalisering van verschillende bevolkingsgroepen in Nederland waaronder de Somalische Nederlanders, wordt gepresenteerd als ‘wetenschappelijk’ (DTN-22). Vervolgens verschijnt er een rapport van het CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek, dat het beeld zou bevestigen dat de Somalische gemeenschap een “voedingsbodem voor radicalisering” is. Ook bij dat onderzoek, moeten vraagtekens worden gezet ten aanzien van het wetenschappelijke karakter, want wat is de definitie van een voedingsbodem en van radicalisering? Vervolgens wordt de dienst op zijn wenken bediend met de arrestatie van twaalf Somalische Nederlanders die een Kerstplot zouden beramen. Uiteindelijk verdwijnt het Somalisch Nederlandse Kerstplot als sneeuw voor de zon, want alle verdachten worden vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. Ook de Somalisch Nederlandse radicaliseringshaard eindigt in DTN-26, van een explosie wordt niets meer vernomen. Het enige dat overblijft, is fysieke en emotionele schade voor de slachtoffers, stigmatisering van de arrestanten en de bevolkingsgroep en een afgenomen vertrouwen in de overheid en haar diensten. In 2015 worden twee Somalische Nederlanders verdacht van het plegen van een aanslag in Mogadishu, Somalië. De dienst zal dat zien als een bewijs van haar gelijk ten aanzien van radicalisering. Het omgekeerde kan evengoed, jihadisten hoeven niet meer te rekruteren, het brute optreden van de overheid is genoeg om mensen aan te zetten tot deelname aan de bipolaire oorlog. Slecht onderzoek leidt niet alleen tot stigmatisering en terrorisering van mensen, maar holt ook de rechtsstaat uit. Zo worden maatregelen in eerste instantie gepresenteerd als terrorisme bestrijdingsmaatregelen en lijkt er discussie over proportionaliteit en het doel-binding principe, maar gaandeweg is het niet terrorisme bestrijding, maar gewone criminaliteitsbestrijding waar de maatregelen voor zouden dienen. De volgende stap in de argumentatie ten aanzien van de noodzaak van de maatregelen zijn meestal gewelddadige voetbalsupporters en demonstranten en daarna radicale en dissidente groepen. Die verschuiving van denken is al zichtbaar in DTN-26 als het gaat om de beschrijving van mensen die protesteren tegen onrecht tegen dieren en vluchtelingen, tegen ongelijkheid, dictaturen of andere misstanden in de samenleving. Deze mensen die protesteren worden eigenlijk standaard extremisten genoemd en incidenten worden direct gekoppeld aan die extremisten die dan ook verharden. Bewijs is er meestal niet, maar dat is in de bipolaire wereld van de extremistische dienst NCTV niet nodig: ‘Either you are with us or you are with the terrorists.’

2012 burgers, burgerslachtoffers doen er niet toe in de oorlog tegen de terreur

DTN-28 / 26 maart 2012

Akerboom’s laatste jaar als coördinator kabbelt rustig verder op de jihadistische netwerken in Nederland, die eigenlijk al lange tijd geen gevaar vormen of misschien zelfs niet bestaan, het “Nederlandse profiel onder jihadisten dat onverminderd hoog is”, de jihadreizen en het jihadistische internet. De dienst gebruikt niet de termen ‘niet-jihadistische netwerken’, spreekt ook niet over een profiel onder ‘niet-jihadisten’, ook het ‘niet-jihadistische internet’ komt ter sprake of de ‘niet-jihadisten’ die op reis gaan. In voorgaande DTN’s schreef de dienst over de postings en dat die meldingen op het jihadistische GeenStijl meer angst aanjagen dan dat er daadwerkelijk een dreiging vanuit gaat. In DTN-28 geeft de dienst een voorbeeld. Eerst stelt de NCTV dat de aandacht voor Nederland geluwd zou zijn, hoewel de coördinator dit niet met zoveel woorden aangeeft.

Vervolgens spreekt de coördinator over een gerucht, niet over een melding of posting. Het gerucht zou ook al eerder hebben gespeeld, maar dat was de dienst niet opgevallen: “In de afgelopen periode leefde die echter kortstondig op toen een gerucht, ontstaan in 2008, nieuw leven werd ingeblazen: Nederland zou toestaan dat er een erotische film over de vrouwen van profeet Mohammed zou worden gepubliceerd.” Wie de “plaatser” van het gerucht, melding of posting is, wordt niet vermeld door de NCTV, ook niet zijn status. Volgens de coördinator leidde het gerucht in december 2011 “tot een bedreiging tegen Amsterdam op een belangrijk jihadistisch forum, tot dreigementen op Facebook tegen Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en tot vier demonstraties bij de ambassade in Tripoli.” In een adem met het gerucht noemt de coördinator een ontvoering in Mali en een in de Filippijnen. Andere geruchten beschrijft de coördinator niet ook niet, van niet-jihadistische fora.

Op de jihadistische fora gaat het volgens de coördinator vaak over “de vermeende discriminatie van moslims en de gepercipieerde beledigingen van de islam en de profeet Mohammed in ons land.” De vermeende discriminatie kwam voor het eerst voor in DTN-23, daarna in DTN-24 en twee andere DTN paren DTN-28/DTN-29 en DTN-33/DTN-34. Of de coördinator ooit onderzoek heeft gedaan naar zowel de discriminatie van moslims of de belediging van islam is niet duidelijk, de coördinator heeft er nooit over geschreven. Naast verhalen op het jihadistische internet zijn er de jihadreizigers. “Het is zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied in de afgelopen jaren is gegroeid en dat zij vaker hun doel weten te bereiken.” Over mogelijke niet-jihadisten die elders gaan strijden bericht de dienst niet. Hoewel de jihadistische netwerken eigenlijk niet echt bestaan, is “het jihadisme de voornaamste bron van terroristische dreiging tegen Nederland.” Hoe de coördinator dit zo zeker weet een jaar na de niet-jihadistische schietpartij in een winkelcentrum in Alphen aan de Rijn is onduidelijk. Niet-jihadistische netwerken zijn er volgens de dienst namelijk niet en vormen geen onderwerp van de terreurbode.

De NCTV beschrijft deze niet-jihadistische netwerken als “andere vormen van ideologisch gemotiveerd geweld” en stelt dat “radicale groeperingen grotendeels handelen binnen de grenzen van de wet.” “Grotendeels” betekent echter ook dat ze er “extremistische uitingen” op nahouden en “in het laatste kwartaal van 2011 werden diverse incidenten gemeld van islamistische radicalen, links-, rechts-, dierenrechten- en asielrechtenextremisten.” Ze waren echter “grotendeels legaal” en “niet van zeer ernstige aard”, waardoor de reden voor vermelding in het dreigingsbeeld onduidelijk is, maar agent Akerboom wil maar even zeggen dat er uitgekeken moet worden want “bij een Noord-Hollandse rechts-extremistische groep (Vanguard/Ulfhednar) werden wapens aangetroffen.” Het analyse niveau van de NCTV is opgeschaald, een grotendeels legaal protest kan zomaar verzanden in wapens, al kunnen die wapens gelukkig ook “voor de verkoop zijn en niet voor een aanslag.” En legaal of semilegaal, misschien zelfs ludiek kunnen de jihadisten ook zijn. Het incident van de “islamistische radicalen” is een verstoring door “Sharia4Holland, de activistische radicale islamistische groep,” van een lezing in «De Balie» te Amsterdam in november 2011.Als het jihadi’s zijn kan het niet een gewone verstoring zijn dus schrijft de dienst dat de groep “op intimiderende wijze verstoorde”, maar eigenlijk is onduidelijk waarom een verstoring in een terreuranalyse moet verschijnen. Bij Akerboom kan echter alles uit de hand lopen vooral het dreigingsbeeld zelf.

DTN-29 / 22 juni 2012

Bij een niet bestaande dreiging ontstaat zowel een taalkundige dreiging als een vermeende dreiging, de mogelijkheid van een dreiging. DTN-29 laat dat heel mooi zien door de zinnen in een andere volgorde te plaatsen. Als begonnen was met de volgende twee zinnen: “Er zijn geen aanwijzingen dat jihadisten binnen of buiten Nederland voorbereidingen voor aanslagen tegen Nederland treffen.” En: “er zijn geen aanwijzingen voor een terroristische dreiging uit andere ideologische hoeken dan vanuit het jihadisme tegen Nederland.” Dan was het dreigingsbeeld overbodig geweest. De coördinator besluit echter tot een moeilijke taalkundige dreigingsexercitie. Hij stelt dat het “zorgwekkend blijft dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied de afgelopen jaren is gegroeid, dat sommigen daarvan hun doel weten te bereiken en dat enkelen daar belangrijke posities weten in te nemen. Verder is niet uit te sluiten dat individuele personen in Nederland doorradicaliseren en tot geweld in Nederland overgaan. Relatief nieuw is dat de grenzen tussen jihadistische en radicaal islami(s)tische groepen soms poreus zijn door onderlinge contacten.”

“Al met al wordt de dreiging van binnenuit (endogene dreiging) diffuser.” Exogene dreiging had de coördinator al in DTN-15 gebruikt, maar endogene dreiging was nieuw. Het begrip diffuus had Akerboom een keer eerder gebruikt in DTN-22 om aan te geven dat hij niet meer wist in welke oorlogsgebieden Nederland niet werd bedreigd. Nu wordt het begrip diffuus gebruikt om aan te geven welke personen nu wel of niet gaan doorradicaliseren. Akerboom weet dat niet, maar suggereert wel dat het allemaal gevaarlijker is. Als voorbeeld van de endogene dreiging noemt de dienst de arrestatie van Omar H. in maart 2012. Hij werd door de rechtbank in Rotterdam tot een jaar celstraf veroordeeld en in hoger beroep tot anderhalf jaar voorbereidingshandelingen voor een terroristisch misdrijf, opruiing en het voorbereiden van een ontploffing en brandstichting. Voor de uitspraak in hoger beroep was Omar H. vertrokken. In zijn huis waren 10 meter ontstekingslont, 1 kilo aluminium en 151 jihadistische films aangetroffen. Wat Omar H. daadwerkelijk van plan was, is nooit helemaal duidelijk geworden. Hij leek niet bezig te zijn met het plegen van een aanslag, maar eerder met geweldsporno en een jihadreis.

Voor de dienst is de zaak Omar H. in 2012 blijkbaar geen goed moment voor dreigingspropaganda, de NCTV besteedt twee gelijkluidende zinnen aan zijn arrestatie. “In maart 2012 hebben de Nederlandse autoriteiten door in te grijpen mogelijke jihadistische activiteiten weten te voorkomen.” Bij jihadisten is de woordenschat aan dreiging groter dan bij de niet-jihadisten. Daar lijkt het allemaal eenvoudig: “De combinatie van het rechts-extremistische gedachtegoed en wapenbezit kan leiden tot ideologisch geweld,” schrijft de dienst bij oplettendheid ten aanzien van radicale en extremistische bewegingen. Bij jihadisten is het woord wapen niet nodig om aan te geven hoe gevaarlijk zij zijn, zij zijn al terroristen. Bijna prozaïsch stelt de dienst dat “het risico bestaat dat aanhangers uit de vaste kern of sympathisanten van Sharia4Holland de grens naar geweld oversteken.” Dit is de laatste zin van de drie over Sharia4Holland. De eerste toont verbazing van de dienst over de groep. “Opvallend is dat Sharia4Holland, de meest actieve radicale islamitische groep, zich nadrukkelijker in de openbaarheid is gaan manifesteren.” Gewoon een radicale groep die niet precies doet wat de dienst wil dus is de analyse van de NCTV dat “deze kleine groep de aanhang probeert te vergroten met een meer provocerende houding.” Volgens de dienst doet de groep “dubbelzinnige uitlatingen” ten aanzien van geweld, maar de dienst geeft hier geen voorbeelden van.

Dat de handelingen van de jihadistische bewegingen niet alleen live, maar ook op het internet intensief in de gaten worden gehouden, maakt de coördinator in de bijlage duidelijk. In de “strategische prioriteiten uit de Nationale CT-strategie” die bij DTN-29 als bijlage zit wordt door de dienst uit de doeken gedaan wat de AIVD en de MIVD zoal aan informatie en inlichtingen verzamelen. De oogst is mager want de dreiging is beperkt, maar de vraag is ook of het verzamelde materiaal in een terreurdreigingsanalyse thuis hoort. Zo verhaalt de terreurbode van “vooral feitelijke, aandacht van mainstream-media in moslimlanden voor de verschijning van het boek van Geert Wilders.” Iemand op een site noemt in “zowel februari als in april Mohammed B. een held voor moslims,” en er is “enige aandacht in Arabischtalige mainstream-media en op internationale islamistische en jihadistische websites voor een kabinetsvoorstel voor een verbod op gelaatsbedekkende kleding.” De coördinator legt niet uit wat deze berichten zeggen over de dreiging voor Nederland. Naast de AIVD komt ook de MIVD nog ter sprake. “De missie Unified Protector (de mislukte internationale missie in Libië) heeft aangetoond dat de MIVD te allen tijde de informatiepositie moet waarborgen in diverse regio’s, ook indien op dat moment geen sprake is van (in de nabije toekomst verwachte) Nederlandse militaire inzet.”

De coördinator gaat niet in op het helikopterfiasco van 28 februari 2011 in het Libische Sirte. Onduidelijk blijft of daar gebrekkige inlichtingen een rol speelden. ‘Inlichtingen en informatie’ vallen onder de pijler ‘internationaal jihadisme’ van het Contra-Terrorisme beleid. De dienst legt uit dat “de Nationale CT-strategie uit vier elementen bestaat namelijk het internationaal jihadisme, migratie en reisbewegingen, technologie en innovatie en doorontwikkeling van het stelsel bewaken en beveiligen.” Het migratiebeleid wordt steeds meer binnen het terrorismebeleid geplaatst: “Dit vraagt om verbetering van de grensbewaking, een optimaal functionerende migratieketen, veiligheidsbewustzijn bij contactfunctionarissen in binnen- en buitenland en een adequate informatiepositie van gemeenten en inlichtingendiensten over lokale ontwikkelingen.” Er worden termen gebruikt als “lokale detectie” en “internationale detectie”, een grotere rol van inlichtingendiensten bij het vreemdelingenbeleid is de rode draad bij migratie. Het terroriseren van migratie staat in schril contrast met de eigen constatering van de dienst in DTN-28: “Verder hebben personen, die zich in Nederland bezig houden met extremistische of terroristische activiteiten, meestal de Nederlandse of mede de Nederlandse nationaliteit.” Migratie en terrorisme hebben minder met elkaar te maken dan internationale en lokale detectie en verscherpte grensbewaking doen vermoeden.

Bij ‘technologie en innovatie’ gaat de coördinator in op de controle op het internet, de detectie van stoffen of personen, kennisvergaring en –uitwisseling, bewaken en beveiligen, CBRN en zelfgemaakte explosieven. Wat opvalt is de vermenging van publieke en private partijen waar de NCTV op aanstuurt. Iedereen terreurbestrijder lijkt de achterliggende gedachte. De dienst injecteert zo angst en dreiging direct in de samenleving. In principe lijkt Akerboom het goed te bedoelen, maar waar is dan de analyse van het eigen functioneren ten aanzien van Koninginnedag, Dodenherdenking en vooral Alphen aan de Rijn? Agent Akerboom kan alleen maar stellen dat “solistische dreigers personen zijn die (zonder medewerking van anderen) door middel van gedrag of woord, als gevolg van een individueel doorlopen proces richting geweld, een dreiging vormen,” alsof het een waarachtige wetenschappelijke definitie is. En hij is nog niet klaar want “geradicaliseerde eenlingen zijn eenlingen die handelen vanuit een duidelijke politieke of religieuze motivatie. Hun daden vallen onder de noemer «terrorisme».” Geen woord over Alphen aan de Rijn, waarover de coördinator in DTN-28 nog opmerkte dat “Van der Vlis niets naliet waaruit een helder motief bleek.” Hij zou dus zowel een geradicaliseerde eenling kunnen zijn als een solistische dreiger, de eigen rol van het veiligheidsapparaat is allang geen onderwerp meer. In het verlengde van de eenlingen en de dreigers wordt “bedreigingen tegen lokale politieke ambtsdragers” door de coördinator bij het stelsel bewaken en beveiligen onder de loep genomen. Natuurlijk gaat het over de “agressie en geweld” die de bestuurders tegen kunnen komen, maar zoals de casus van oud-burgemeester Jacobs van Helmond laat zien, is de werkelijkheid altijd complexer dan burgers die ambtenaren lastig vallen. De burgemeester was ten tijde van de bedreiging zelf onderwerp van een corruptie onderzoek en rond zijn zoon speelden er hardnekkige geruchten dat hij betrokken was bij de drugswereld.

Ook op internationaal terrein is de NCTV actief. Binnen EU verband, VN verband en multilateraal en bilateraal. Aan het illustere rijtje Pakistan, Marokko en Algerije voegt de NCTV nu als partner Turkije op. “Terrorismebestrijding vormde één van de gespreksthema’s tijdens de jaarlijkse bilaterale Wittenburgconferentie met Turkije.” Het Turkse leger vermoord regelmatig burgers in het oosten van het land, zo ook in december 2011 toen een Turks militair vliegtuig 38 mannen met hun ezels bombardeerden. Voor de dienst is een land dat zijn burgers bombardeert blijkbaar een goede partner in contraterrorismebeleid.

DTN-30 / 8 oktober 2012

Zo is het terreurbeleid 11 jaar na 11 september 2001 belandt op het punt dat een groep als Sharia4Holland (S4H) in korte tijd in de terrorisme top drie is doorgestoten naar plaats één in de terreurbode DTN-30. Eigenlijk is er nog niets gebeurd, maar de groep kan de “binnenlandse veiligheidssituatie verder ook negatief kan beïnvloeden door het gevaar van doorradicalisering naar geweld van personen betrokken bij” de club. Al moet de dienst zelf toegeven dat er niets aan de hand is: “Op dit moment zijn hiervoor geen aanwijzingen.” In het buitenland, de coördinator noemt later België en Duitsland, is volgens de coördinator “zichtbaar dat gelijkgestemden van S4H steeds militanter worden en zelfs in verband worden gebracht met gewelddadige incidenten.” Concreter wordt de coördinator niet, al stelt hij dat alles ook tot meer polarisatie zou kunnen leiden. Ook dat is loos alarm want er zijn “geen aanwijzingen voor een terroristische dreiging uit andere ideologische hoeken dan vanuit het jihadisme tegen Nederland.” Hoewel er ook geen gevaar uit jihadistische hoek is want er zijn “geen aanwijzingen dat teruggekeerde jihadreizigers de intentie hebben in Nederland aanslagen te plegen.” Zelfs bij de levensgevaarlijke doorradicaliserende S4H leden “zijn op dit moment geen aanwijzingen dat S4H de meer militante tactieken van gelijkgestemden in België en Duitsland wil toepassen in Nederland.” De provocerende acties van Sharia4Holland hebben volgens de dienst de nodige aandacht getrokken, in ieder geval van de NCTV zelf, maar of dat iets te maken heeft met serieuze dreigingsanalyse is de grote vraag.

Een constante bij al het jihadistisch gevaar is het “kunnen hebben.” De altijd aanwezige mogelijkheid dat er iets kan gebeuren. Volgens de coördinator is de “scheidslijn tussen niet-gewelddadig islamistisch activisme en jihadisme (volgens de NCTV: terrorisme) namelijk fluïde. Er bestaat dan ook het gevaar van doorradicalisering naar geweld.” Het punt is dat groepen als S4H niet hoeven door te radicaliseren, de dienst zelf benadert ze extremistisch, de groepen zijn al terreur voordat ze iets gedaan hebben. Elke provocatie kan omslaan in geweld al is er niets aan de hand. Dit extremistische recept van de NCTV past de dienst ook steeds meer toe op andere groepen. Breivik als de pleitbezorger voor het doorradicaliseren van extreemrechts in Nederland, Griekenland en Italië voor het extremer worden van radicaal links. Terwijl er eigenlijk niets gebeurt. “Op het terrein van dierenrechtenextremisme en links en rechts georiënteerd extremisme was het de afgelopen maanden op enkele incidenten na rustig. Radicale asielrechtengroeperingen hebben verder het ‘No border-netwerk’ opgericht, met als doel de samenwerking en coördinatie te bevorderen tussen actoren in het asielrechtenveld. De rust in Nederland op links en rechts georiënteerd extremisme staat in schril contrast met het politieke geweld in Griekenland (zowel links als rechts) en Italië (links).” Achtergrond, oorzaken, gevolgen en verdieping zijn niet aan de extremistische dienst besteed. Alles wordt in de radicaal extremistische terreurbode aaneengeregen tot een langzaam exploderende samenleving, ook al gebeurt er niets en moet de coördinator toegeven dat de dreiging beperkt is.

DTN-31 / 17 december 2012

Die exploderende samenleving kwam op 21 september 2012 tot uitdrukking bij Project X Haren. De kloof tussen ambtenaren en een bepaalde groep burgers kon niet groter zijn dan bij dit verjaardagsfeest. De NCTV maakt er geen woorden aan vuil, kenmerkend voor een organisatie die ook veiligheid in haar naam heeft opgenomen. De naamsverandering volgde op de schietpartij in een winkelcentrum in Alphen aan de Rijn en daarom besteed de coördinator ook daar maar geen aandacht aan. Akerboom heeft belangrijkere zaken aan zijn hoofd, zoals zijn toekomstig vertrek naar defensie en natuurlijk de eindeloze jihadistische netwerken die al dan niet bestaan. Voor een coördinator die al vier jaar Risk en Stratego in de oorlog tegen de terreur speelt zijn slachtoffers in Alphen aan de Rijn en Haren niet interessant en dat is tekenend voor het terreurbeleid in Nederland. Burgers, burgerslachtoffers zijn in deze derde wereldoorlog niet belangrijk, niet in Nederland en ook niet in de ongedefinieerde jihadistische strijdgebieden. Wat telt zijn “binnenlandse netwerken in Nederland” die nog steeds “relatief zwak” zijn. Relatief omdat het altijd mis kan gaan.

Relatief is ook de tekst van de dienst. In december 2011 schrijft de coördinator: “Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland (soms Nederlanders woonachtig in het buitenland), is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt.” Drie maanden later in maart 2012 is het “zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied in de afgelopen jaren is gegroeid en dat zij vaker hun doel weten te bereiken.” In juni 2012 herhaalt Akerboom deze zin: “Het blijft zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied de afgelopen jaren is gegroeid, dat sommigen daarvan hun doel weten te bereiken en dat enkelen daar belangrijke posities weten in te nemen.” In oktober 2012 zijn de zorg en de groei verdwenen: “Ook in de afgelopen periode zijn weer enkele uitreizen naar jihadistische strijdgebieden vastgesteld.” En in december zijn zowel de groei als de zorg verdwenen. “Op dit moment zijn er echter geen aanwijzingen voor een concrete dreiging van gekende teruggekeerde jihadgangers,” schrijft de coördinator in DTN-31, iets dat ook in alle voorgaande DTN’s werd gemeld.

Bij een lage dreigingsgraad lijkt de dienst alles aan te klampen dat maar enig gevaar zou kunnen opleveren. Als zelfs Sharia4Holland geen voer voor terreur oplevert moet de coördinator naar onorthodoxe middelen grijpen. “De verminderde aandacht voor islamthema’s in politiek en media wil niet zeggen dat de weerstand bij sommige burgers tegen publieke manifestaties van de religie minder wordt. De bouw van nieuwe moskeeën bijvoorbeeld blijkt op lokaal niveau geregeld gevoelig te liggen, zoals recent bleek in onder meer Groningen, Veghel en Zoetermeer.” Knuffelterrorist Samir A. wordt in zijn cel aangehouden op “verdenking van het voorbereiden van een aanslag” en de dienst heeft het meteen over een “potentiële toekomstige dreiging” die voorkomen is. En met de moed der wanhoop neemt Akerboom graffiti op in zijn terreur analyse: “Het bekladden van het huis van de bewindspersoon verantwoordelijk voor immigratie, integratie en asiel is uitdrukking van de verbreding en radicalisering van de extremistische asielrechtenbeweging en moet ook in het licht van de tentenkampen van uitgeprocedeerde asielzoekers in Nederland worden gezien.” Verbreding, radicalisering en extremisme, het terrorisme druipt van de dienst af.

Conclusie DTN 2012

Het eerste DTN van 2012 borduurt voort op het relaas over de postings op het jihadistische internet. De dienst gaat dieper in op een gerucht. Het zou een oud gerucht zijn dat al eerder in 2008 was opgedoken. De NCTV heeft daar toen geen aandacht aan besteed. De dienst gaat nu wel in op het gerucht dat “Nederland zou toestaan dat er een erotische film over de vrouwen van profeet Mohammed zou worden gepubliceerd” omdat het gerucht tot “een bedreiging tegen Amsterdam, tegen Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en tot vier demonstraties bij de ambassade in Tripoli” zou hebben geleid. Voor het vaststellen van de ernst is er meer informatie nodig, maar die geeft de coördinator niet. De demonstraties in Tripoli waren niet al te groot en hebben de internationale media niet gehaald door de beginnende burgeroorlog in Libië. Over de bedreigingen valt niets te zeggen, want de inhoud wordt door de dienst niet vrijgegeven. Bedreigingen via sociale media vinden echter elke dag in groten getale plaats. Alleen al op Twitter worden volgens de politie 35.000 bedreigingen geuit, waarvan er 200 serieus worden genomen. Op andere sociale media websites zal dat een veelvoud zijn. Wat de Facebook bedreigingen ten aanzien van de seksfilm over Mohammed’s vrouwen zo belangrijk maakte om deze te vermelden in het DTN wordt niet duidelijk uit de tekst, maar voedt in ieder geval het idee van moslims die niet tolerant zouden zijn en ook nog eens jihadistisch. Die wijzende vinger naar de jhadisten staat in schril contrast met de analyse van haar eigen werk. Neem de solistische dreigers, de eenlingterroristen: de dienst maakt geen woord vuil aan het afschuwelijke schietincident in Alphen aan de Rijn. Het leek even of niet de jihadistische oorlog naar Nederland kwam maar de regelmatig terugkerende willekeurige schietpartijen in de Verenigde Staten. De coördinator maakt er geen woorden aan vuil. Het stelsel bewaken en beveiligen gaat over een limitatief aantal mensen en dat zijn niet de Nederlandse burgers. Dat zouden bijvoorbeeld mensen als oud burgemeester Jacobs van Helmond zijn, iemand die bedreigd is, maar waarover de coördinator opnieuw niet het hele verhaal vertelt. Terreur is gedecimeerd tot een verhaal over jihadi’s in oorlogszones en dreigtweets. Zonder analyse en achtergrond verwordt dreiging echter tot angst aanjagen, helemaal als er niets aan de hand is. De groep Sharia4Holland is al een terroristische organisatie voordat de groep iets gedaan heeft en alles wat de groep doet wordt langs de jihadistische meetlat gelegd. Zelfs iets niet doen is dan een teken dat er iets staat te gebeuren. Tentenkampen voor vluchtelingen staan zo in direct verband met graffiti op “het huis van de bewindspersoon verantwoordelijk voor immigratie, integratie en asiel.” Protesten tegen de bouw van moskeeën zijn tekenen van een polariserende samenleving. De coördinator kan niet meer normaal omgaan met de samenleving. Dit is het scherpst te zien bij de jihadgangers en de passages in vier DTN’s over de toe- of afname van deze reizigers en hun gevaar. DTN-27: “Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland, is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt.” Drie maanden later in maart 2012 (DTN-28) is het “zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied in de afgelopen jaren is gegroeid en dat zij vaker hun doel weten te bereiken.” In DTN-29 (juni 2012) herhaalt Akerboom deze zin: “Het blijft zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied de afgelopen jaren is gegroeid, dat sommigen daarvan hun doel weten te bereiken en dat enkelen daar belangrijke posities weten in te nemen.” In oktober 2012 (DTN-30) zijn de zorg en de groei verdwenen: “Ook in de afgelopen periode zijn weer enkele uitreizen naar jihadistische strijdgebieden vastgesteld.” En in DTN-31 (december 2012) zijn zowel de groei als de zorg verdwenen. “Op dit moment zijn er echter geen aanwijzingen voor een concrete dreiging van gekende teruggekeerde jihadgangers.” In heel 2012 (DTN-27 tot en met DTN-31) was er geen enkele aanwijzing voor een concrete dreiging. De dreiging is beperkt, maar de taalkundige en vermeende dreiging van de extremistische dienst is levensgroot.

2013 De coördinator wil wat meer actie en geen gebrekkige extremistische activiteiten

DTN-32 / 13 maart 2013

Een nieuwe coördinator een nieuwe terreurgraad. Met het aantreden van Schoof als coördinator werd de dreiging verhoogd van beperkt naar substantieel. Alle redenen om de dreiging beperkt te houden die Akerboom gebruikte worden door Schoof hergebruikt om de dreiging te verhogen. Volgens terreurcoördinator Schoof is “er een reële kans dat een aanslag in Nederland zal plaatsvinden.” Reëel in de zin dat de boel op springen staat. De dienst ziet drie zorgelijke ontwikkelingen. Het woord zorgelijk kwam in DTN-31 niet voor, maar in DTN-30 evenals DTN-28 één keer en in de periode van DTN-29 was de situatie zo zorgelijk (vijf keer) dat die de zorgelijkheid van DTN-32 overstijgt. Na DTN-32 is er geen dreigingsbeeld meer dat niet zorgelijk is. De aanslag komt er aan. Wat is er aan de hand?

Volgens Schoof is er een “substantiële stijging van het aantal jihadreizigers naar diverse landen in Afrika en het Midden-Oosten, met name naar Syrië.” Hij stelt verder dat “sinds eind 2012 het aantal jihadreizigers plotseling zeer snel steeg,” alsof hij het belang van zijn benoeming tot coördinator wil onderstrepen. De groei van J-reizen (Jihad-reizen) was echter al diverse keren door Akerboom op de agenda gezet, maar blijkbaar is het moeilijk om steeds maar groei aan te geven zonder getallen te noemen. Schoof doet dat anders, hij opent met “tientallen personen in Nederland reisden alleen of in kleine groepjes naar landen als Egypte en Syrië.” Tientallen is niet echt specifiek waardoor zijn claim niet te onderzoeken is. Ook het noemen van zowel Syrië waar een totale burgeroorlog woedt als Egypte waar een prille democratie probeert zijn weg te vinden, schept geen enkele duidelijkheid over aantallen en gevaar. Schoof rept met geen woord over aanwijzingen die er zouden zijn.

De coördinator filosofeert er vrolijk op los over wat allemaal kan gebeuren met die zogenaamde jihadgangers. Ze vormen mogelijk “een gevaar voor westerse belangen in de gebieden waar ze actief zijn.” Die J-reizigers kunnen “weer nieuwe jihadreizen stimuleren.” Als zij terugkeren bestaat “het gevaar dat zij met hun strijdervaring en ‘street credibility’ invloed uitoefenen op voor radicalisering vatbare jongeren.” De J-reizigers kunnen “zich richten op doelen in Nederland.” De jihad reizigers verhogen de “ongekende dreiging,” namelijk de dreiging van de mogelijkheid, van het kunnen, van de kans op mogelijk iets. Al moet Schoof onderkennen dat “niet alle terugkeerders voor dreiging zorgen.”

De derde ontwikkeling komt in de internationale analyse aan bod. De tweede ontwikkeling is de “toegenomen islamistische radicalisering van kleine groepen jongeren in Nederland.” De dienst schrijft even verderop dat “groepen als Sharia4Holland en Behind Bars in de afgelopen periode nauwelijks openlijke activiteit toonden.” Om het gevaar toch aan te dikken stelt de coördinator dat “sommige van hun leden in verband werden gebracht met jihadreizen,” maar veel duidelijker wordt het niet. Het lijkt eerder dat het radicaal jihadistisch extremistisch terrorisme minder gevaarlijk is dan de Koerden en de Turken. “De spanning tussen Turken en Koerden in Nederland steeg begin 2013,” maar helaas voor de dienst gebeurde daar ook niets.

Helemaal niets aan de hand dan? Als jihadisten zich koest houden en er geen interetnische conflicten zijn kan de NCTV altijd terugvallen op “diverse activistische en extremistische groepen in Nederland.” Er werden jachthutten kapot gemaakt, graffiti gespoten bij niet nader genoemde farmaceutische bedrijven, een tentenkamp georganiseerd voor vluchtelingen in Amsterdam en Den Haag en de extreemrechtse politieke partij de NVU demonstreerde tegen ‘kinderverkrachters en pedofielen’. Over deze laatste demonstratie schrijft Schoof dat het “een gebrekkige activiteit” is omdat in Duitsland “de dreiging van extreemrechts hoog op de politieke agenda” staat. De dienst moet het doen met wat berichten over de “vermeend discriminerende of beledigende uitspraken en acties jegens moslims in Nederland.”

Schoof treedt iets meer in detail dan Akerboom en Joustra. “Zo werd Nederland in november 2012 genoemd als voorbeeld van een islamvijandig westers land door een Somalische Al Shabaab-leider, sheikh Fu’ad Shongole, en was er in januari 2013 negatieve aandacht voor PVV-leider Wilders in Arabischtalige media.” Het glossy Inspire dat dood verklaard was na de aanslag op de hoofdredacteur bracht op 1 maart 2013 de tiende editie uit met een dodenlijst waarop onder andere Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali staan. Niet echt een explosieve mix om een werkelijke aanslag te voorspellen, maar terror Dick, zoals Schoof door zijn mede-ambtenaren wordt genoemd, laat zich niet uit het veld slaan. Het gevaar zit in de snelheid: “Er zijn ook aanwijzingen dat de doorradicalisering naar geweldsbereidheid soms zeer snel kan verlopen.”

Ondanks alle doorgeradicaliseerde woorden van de coördinator blijk het uiteindelijk alleen maar om geld te gaan. “Tegen die achtergrond is het zorgwekkend dat de aandacht van politiek, bestuur en samenleving voor radicalisering in de afgelopen jaren is afgenomen.” En geld is er nodig want terrorismebestrijding is van iedereen. De verbreding die onder Joustra en Akerboom was ingezet, neemt vastere vorm aan: “De partners in de nationale contraterrorisme strategie zijn NCTV, Openbaar Ministerie (OM), Immigratie en Naturalisatiedienst (IND), Nationale Politie, AIVD, Koninklijke Marechaussee en de Ministeries van Buitenlandse Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en van Defensie).” Jeugdzorg, maatschappelijk werk en onderwijs worden door Schoof nog niet genoemd, maar de docent was door Akerboom al benoemd tot terrorismebestrijder. De breedte van de overheidsterreur vertaalt zich ook in de maatregelen. Naast inlichtingen, onderzoek, opsporing en vervolging was er al de gehele migratietak van terrorismebestrijding. Daarnaast heeft Schoof de bestuurlijke aanpak van Joustra weer uit de kast gehaald; het verstoren, drukmiddelen, ontmoedigen en andere buitenstaatsrechtelijke maatregelen.

DTN-33 / 1 juli 2013

Wie in zijn eerste dreigingsbeeld stelt dat de aanslag er aankomt kan niet meer terug. Schoof zit echter in een moeilijk parket, want er heeft nog geen aanslag plaatsgevonden in zijn eerste half jaar bij de dienst. Vandaar dat het reële gevaar wordt opgetuigd als “de meest in het oog springende potentiële dreiging voor Nederland” en die “gaat uit van de potentiële terugkeer van jihadgangers naar Syrië.” De mogelijke dreiging is de potentiële terugkeer van iemand uit Syrië. Schoof is duidelijk op een cursus fundraising geweest, want aantallen van die mogelijke terroristen die mogelijk terugkomen moeten het werk doen. “Begin juni was er sprake van een jihadgang van tussen de vijftig en honderd personen” schrijft de dienst na de alarmerende berichten in DTN-32 van de tientallen J-reizigers. Al twee jaar reizen er mensen naar zogenoemde jihadgebieden zoals Egypte en Syrië. Begin 2012 en 2013 was er explosieve toename. Volgens de coördinator zijn het tussen de vijftig en de honderd (juni 2013) en het is onduidelijk of hier sprake is van een explosieve groei. Hij stelt zelf: “Begin juni is met een jihadgang van tussen de vijftig en honderd jihadreizigers voorlopig van een stagnatie van de groei uit te gaan.”

Naast de potentiële J-reizigers die potentieel een gevaar zijn omdat ze in potentie terug kunnen keren, is er eigenlijk niets aan de hand. De coördinator probeert het nog wel met een lijstje van groepen als “Sharia4Holland, Behind Bars, Hizb ut-Tahrir en Millatu Ibrahim (MI, Het Geloof van Abraham)”, maar kan daar niet veel over melden, hooguit dat de “Duitse tak van IM in 2012 werd verboden” en dat er in Duitsland “vrees bestaat voor een escalatie tussen extreemrechts en salafisten.” Hetzelfde probeert de coördinator met “het verzet van extreemlinkse groeperingen en individuen tegen het asielbeleid in Nederland.” Zonder namen van groepen te noemen, ook zonder een enkel concreet incident of gebeurtenis aan te duiden stelt de dienst “dat er sprake lijkt te zijn van een verharding onder het extremistische deel van de asielrechtenbeweging.” Dit zou “gepaard gaan met een gegroeide kritische aandacht voor het Nederlandse asielbeleid.” De oud-IND-ambtenaar Schoof laat even zien dat burgers niet aan het migratiebeleid van de Immigratie- en Naturalisatiedienst moeten komen.

De roep om meer extremisme in de politiek in DTN-32 is niet voor niets geweest, want “de aandacht voor vraagstukken rondom radicalisering en terrorisme in de Nederlandse samenleving is de afgelopen tijd toegenomen.” Geld is ook iets dat doorklinkt in de “tweede voortgangsrapportage contraterrorisme en –extremisme.” Na een terugblik op een jaar DTN’s passeren de vier strategische prioriteiten de revue. Migratie en internationale jihad zijn nu één prioriteit geworden, naast technologie en innovatie en bewaken en beveiligen. De prioriteit jihadistische migratie is onderverdeeld in “detectie van internationaal jihadisme en jihadistische reisbewegingen, interventie bij internationaal jihadisme en jihadistische reisbewegingen, voorkomen en voorbereiden, strafrechtelijke aanpak en aanpak Jihadistisch discours/propaganda en Internet.” Bent u er nog? Onder detectie valt ook “intensivering van de detectie van jihadgangers, reisgegevens en interventie.” Bij detectie gaat het om wat de AIVD, MIVD, Kmar en politie doen. Dit zijn reguliere taken van opsporings- en inlichtingendiensten. Bij reisgegevens gaat het vooral om de Passenger Name Record (PNR), maar ook om reisbewegingen in brede zin. De NCTV stelt dat “de diensten het nodig achten te kunnen beschikken over deze reisgegevens.” Hierbij gaat het niet alleen om terrorismebestrijding. “De behoefte om passagiers- en reserveringsgegevens te gebruiken voor het tegengaan van jihadgang, maakt deel uit van een bredere behoefte aan het gebruik hiervan in de strijd tegen zware criminaliteit, zoals mensenhandel en terrorisme.”

Al langere tijd probeert de NCTV terrorismebestrijding te koppelen aan andere criminele activiteiten, vandaar de naamsverandering in 2011 van NCTb naar NCTV. Naast de detectie is er natuurlijk de interventie (De tweede pijler) waarbij het vooral gaat om de internationale aanpak en om de terrorismefinanciering. De derde pijler van de jihadistische migratie is “voorkomen en voorbereiden” waarbij het vooral om een bestuurlijke aanpak gaat, er is strafrechtelijk nog niets gebeurd, en het maatschappelijk middenveld wordt ingezet als terrorismebestrijder. Al langer wordt het terreurbeleid in de samenleving geïnjecteerd. Bij Schoof gaan alle remmen los want “professionals werkzaam bij onder meer politie (basisteams en wijkagenten), onderwijs (decanen, mentoren, vertrouwenspersonen), jeugd- en welzijnswerk en GGZ-instellingen (psychologen)” worden aan het lijstje bestrijders van radicalisme en extremisme toegevoegd. Schoof is de eerste die ook vertrouwenspersonen toevoegt aan de lijst, zover wilden zijn voorgangers Joustra en Akerboom niet gaan. Dit tekent Schoof, de harde lijn past bij hem, hoe extremistischer hoe beter.

Ook bij de vijfde pijler van de jihadistische migratie wordt het maatschappelijk middenveld ingezet. De Dienst heeft het al jaren over het jihadistische internet en stelt in DTN-33 dat terrorisme voor een groot deel uit propaganda bestaat. Volgens de NCTV is “het aanjagen en in stand houden van angst een wezenlijk onderdeel van de jihadistische strategie.” De vraag of de coördinator zelf daar een belangrijke rol bij speelt komt niet aan de orde. Wel spreekt de dienst nu van terrorisme op het internet terwijl het in het verleden radicalisme of extremistische uitingen waren. Voor de dienst is het allemaal hetzelfde en moet de bestrijding door iedereen gedaan worden. Bij “het project Clean IT kwamen overheden, NGO’s en private partijen uit de internet industrie tot een gezamenlijk voorstel over hoe terrorisme via internet beter bestreden kan worden.” Of dit succesvol was en wat het nut was van het injecteren van bestuurlijke maatregelen zonder strafrechtelijke verdenking en tussenkomst van de rechter in het schoonmaken van het internet, legt de coördinator niet uit. Hij stelt wel dat “hoewel de verwijdering van extremistische boodschappen van het internet belangrijk blijft, de effectiviteit uiteindelijk beperkt is omdat de content snel weer opnieuw opduikt.”

De voortgangsrapportages zijn een brij aan maatregelen, initiatieven en projecten. In het licht van dramatische gebeurtenissen in 2014 zijn enkele passages interessant. Bij “technologische innovatie” staat dat de NCTV “bijzondere aandacht heeft bij technologische trends in de (burger-)luchtvaart.” Daarbij gaat het om “luchtvrachtbeveiliging, vloeistoffenregelgeving en communicatie en voorlichting.” DTN-33 stelt dat “vanuit de NCTV er doorlopend gewerkt wordt aan het ontsluiten van nuttige informatie voor professionals, bijvoorbeeld via een kennisbank, factsheets en whitepapers, alsmede aan het bieden van concreet handelingsperspectief, zoals via e-learningmodules. Het vergroten van veiligheidsbewustzijn van maatschappelijke actoren is daarbinnen een belangrijke speerpunt.” Wat het een en ander heeft opgeleverd is de grote vraag. Misschien ligt het antwoord besloten in de denkwijze van de dienst. Zij heeft het Instituut Clingendael gevraagd onderzoek te doen naar maatregelen binnen het contraterrorismebeleid in andere landen. Naast Indonesië heeft de coördinator twee dictaturen uitgekozen als sparringpartners in het contraterrorismebeleid, Algerije en Saoedi Arabië. De coördinator was enigszins teleurgesteld dat er wat verschillen zijn “in historische, culturele, religieuze en politieke context.” Een dienst die denkt dat een dictatuur bruikbare middelen kan opleveren voor terreurbeleid, is zelf een gevaar voor de rechtsorde.

DTN-34 / 7 november 2013

Bij een substantiële dreiging hoort een reëel gevaar, maar hoe ver kun je de dreiging oprekken? Schoof schuwt niet het gevaar op te blazen tot het een keer moet knappen. Hij stelt in DTN-34 dat “in sommige gevallen de situatie op dit vlak de afgelopen periode zelfs is verslechterd.” In de viermaandelijkse dreigingsbode wordt echter niet duidelijk waar die verslechtering in zit en wat de precieze afbakening van de vlakken is. Volgens de dienst zitten er vier aspecten aan de dreiging, waarvan één aspect internationaal is en in de internationale analyse aan bod komt. De drie andere aspecten zijn het profiel van Nederland, de jongeren die naar oorlogsgebieden reizen en terugkeren en de vermeende radicalisering. Het profiel heeft volgens de coördinator te maken met de “militaire missies in diverse islamitische landen, alsmede de vermeende discriminatie van moslims in ons land en de gepercipieerde beledigingen van de islam en de profeet Mohammed.” In veel van de DTN’s van de afgelopen tien jaar wordt deze stelling geponeerd, maar verder onderzoek naar achtergrond, aard of hoe de profiling van Nederland door de jihadisten werkt is niet terug te vinden in de stukken van de NCTV.

Opvallend is de constante groei van het gebruik van het woord jihadistisch, waardoor het profiel maar ook de vermeende en gepercipieerde aspecten niet meer interessant worden, want jihadistisch is synoniem aan terroristisch. Schoof wil zich graag meten met de groten der aarde en stelt teleurgesteld vast dat “ons land niet een even prominent doelwit is als landen als de VS, Israël en het Verenigd Koninkrijk.” Waarom hij die vergelijking maakt is niet duidelijk, maar de zin die volgt op deze these van de dienst laat zien dat de NCTV werkt aan het verkrijgen van een prominente rol. Toch kunnen relatief kleine incidenten snel jihadistische aandacht en zelfs bedreigingen opleveren.” Vooral het woord “toch” in deze context is interessant, wat is er namelijk aan de hand? Op 17 juli 2013 wordt “de Zoetermeerse Shukri F. (alias «Oum Usama») op verdenking van ronselen voor de jihad” gearresteerd. De dienst stelt dat “in reactie hierop op jihadistische websites werd opgeroepen aanslagen te plegen in Nederland.” Op sociale media en internetfora vinden er geregeld scheldpartijen, verwensingen en verbale exercities plaats, maar hoe serieus moeten we deze oproepen tot aanslagen nemen, wat is er precies geschreven en op welke sites? In de inleiding zijn het “internationale jihadistische websites”, bij de “dreiging tegen Nederland” gaat het om “jihadistische websites.” Blijkbaar stelde het niet veel voor want toen Shukri F. werd vrijgelaten “verstomden de online-oproepen echter weer snel.”

Vanwaar die opgeklopte gevaren analyse, wat voor dreiging zat in dat gescheld op internet? Uit de tekst van de coördinator valt niets te halen wat hier licht op werpt. Volgens de coördinator zijn die uitlatingen wel degelijk gevaarlijk. De hunkering naar een prominente rol is duidelijk te merken, want de postings “kunnen in potentie ook nadelige gevolgen hebben voor de Nederlanders die in het buitenland nog steeds door jihadisten gegijzeld worden.” Nu klopt het dat Nederland deelneemt aan een totale oorlog tegen de terreur, maar voor het verbinden van gijzelaars in de Filippijnen en Mali met Shukri F. is meer nodig dan vage opmerkingen over geroep op al dan niet jihadistische websites over aanslagen in Nederland. Angst is eenvoudig gecreëerd, daar zijn zelfs de zogenoemde jihadisten niet meer voor nodig en daar heeft Nederland zelfs een dienst voor in het leven geroepen, maar die angst wegnemen is een stuk moeilijker. Onvoorzichtigheid en oneliners die nietszeggend zijn, zonder duidelijke analyse van de dreiging, brengt mensen juist in gevaar.

De coördinator had ook in plaats van Shukri F. de strafrechtelijke procedure van Mohammed G. en Omar H. kunnen opnemen in zijn dreigingsbeeld. Dit plaatst hij echter in de beleidsopvolging. De zaken zijn minder sexy en misschien ook lastig om er allerlei bedreigingen bij te plakken, maar het blijft gissen naar de beweegredenen van de dienst. Mohammed G. werd veroordeeld, omdat hij van plan was om naar Syrië te reizen, maar hij werd “wegens ontoerekeningsvatbaarheid ontslagen van alle rechtsvervolging” en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Mohammed G. was eigenlijk een verwarde man die reliëf geeft aan zogenaamde ‘jihadgangers’ en Syrië-reizigers. Bij Omar H. gaat het om de man die in maart 2012 is aangehouden (zie uitgebreider verhaal bij DTN-29) met 10 meter ontstekingslont, 1 kilo aluminium en 151 jihadistische films. Hij werd veroordeeld tot 12 maanden cel “voor het voorbereiden van brandstichting en verspreiden van opruiende teksten.” Mohammed G. en Omar H. staan in de beleidsopvolging en niet in het eigenlijke dreigingsbeeld.

Shukri F. en de reaguurders op het jihadistische internet bepalen de dreiging die er heerst en de opgeklopte sfeer is van dezelfde orde als de “ontwikkelingen rond de jihadistische Syriëgangers.” De coördinator stelt dat “in augustus het aantal jihadistische uitreizen van Nederland naar Syrië weer toenam in vergelijking met de maanden hiervoor” (DTN-34). Om hoeveel mensen gaat het nu werkelijk? Enkelingen, tientallen, honderdtallen, duizenden? De indruk is dat het om een explosief getal gaat, maar dat lijkt keer op keer wel en niet het geval. “Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland, is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt (DTN-27, 2011).” “Het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied is in de afgelopen jaren gegroeid (DTN-28, 2012).” In DTN-29 (2012) herhaalt voormalig coördinator Akerboom deze zin. “Ook in de afgelopen periode zijn weer enkele uitreizen naar jihadistische strijdgebieden vastgesteld (DTN-30, 2012).” Im DTN-31 (2012) is er geen melding van toename of bestendiging. In DTN-32 (2013) zijn het “tientallen personen in Nederland die alleen of in kleine groepjes naar landen als Egypte en Syrië reisden.” In DTN-33 zijn het tussen de vijftig en de honderd. In DTN-34 neemt het aantal weer toe. Weet u nog om hoeveel mensen het gaat en vooral wat het gevaar is?

Waar die jongens en meiden heengaan is ook onduidelijk, want de dienst schrijft in de inleiding dat ze “waarschijnlijk onder de vlag van het aan Al Qa’ida gelieerde Jabhat al-Nusra (JaN) strijden.” Bij de Nederlandse dreiging gaat het alleen over JaN want “meer Nederlandse strijders hebben zich waarschijnlijk bij JaN aangesloten.” Volgens de dienst “lijken enkele Nederlanders niet terug te deinzen voor extreem geweld.” Informatie-inwinning in Syrië is nogal lastig want daar woedt een alles verwoestende burgeroorlog, een woord dat Schoof in DTN-34 niet gebruikt. In DTN32, DTN-33, DTN-35 en DTN-37 woedde die burgeroorlog wel al was er alleen in DTN-33 sprake van tienduizenden burgerdoden. Volgens de dienst biedt de burgeroorlog jihadisten de kans om meer terrein te winnen. De coördinator stelt dat de terugkeerders “nauwlettend in de gaten worden gehouden.” Hoe nauwlettend dat is beschrijft de NCTV in de beleidsopvolging: “Na terugkomst in Nederland wordt elke terugkeerder benaderd door het veiligheidshuis of de politie. Ook probeert de politie contact te krijgen met de familie en/of sociale omgeving van de betrokkene. Per geval worden, naast mogelijk strafrechtelijk onderzoek, op dit moment ook bestuurlijke maatregelen overwogen, zoals het stopzetten van uitkeringen en maatwerktrajecten.”

Strafrechtelijke maatregelen komen natuurlijk voort uit mogelijke strafbare feiten die door de mensen zijn begaan. Dit blijkt geen eenvoudige zaak zoals procedures rond 1F vluchtelingen (mensen verdacht van oorlogsmisdadigers) laten zien. “De strafrechtelijke aanpak van vermoedelijke rekruteurs en van terugkeerders die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie en/of betrokken zijn geweest bij (oorlogs)misdaden heeft te kampen met problemen met betrekking tot de bewijsgaring.” Bestuurlijke maatregelen en het lastigvallen van familie, vrienden, kennissen en omgeving zijn natuurlijk veel gemakkelijker en van een andere orde. Bij bestuurlijke maatregelen kan de overheid veel doen en is er geen rechter die toetst of die straf wel rechtmatig is opgelegd, een ondermijning van de rechtsorde die de dienst zegt te beveiligen. Volgens de coördinator kwamen “voor het eerst Nederlandse jihadisten met strijdervaring uit Syrië terug naar Nederland.” Op basis waarvan de coördinator stelt dat zij “strijdervaring” hebben, is onduidelijk. De bewijslast is voor de dienst blijkbaar eenvoudig: een jihadist komt uit Syrië, heeft dus bij Al Qa’ida gezeten en heeft gevochten, klaar.

De NCTV is beducht voor de “jihadistische propaganda,” “via websites en sociale media voor participatie in het conflict,” maar schuwt zelf ook geen propagandistische middelen. Hierboven ging het al over de propaganda van de getallen, maar ook ten aanzien van radicalisering gebruikt de dienst angst als propagandamiddel. In deze DTN waarschuwt de dienst voor de “toenemende radicalisering van kleine groepen islamitische jongeren in Nederland, waarop in DTN32 al werd gewezen.” In DTN-32 gaat het nog om “signalen die duiden op een toegenomen islamistische radicalisering van kleine groepen jongeren in Nederland,” maar de dienst moest tevens toegeven dat “groepen als Sharia4Holland en Behind Bars in de afgelopen periode nauwelijks openlijke activiteit toonden in Nederland.” In DTN-34 zijn er plotseling wel openlijke activiteiten, want de NCTV ziet als “voorbeeld hiervan in de openbare ruimte de bijeenkomsten op sportvelden waarbij jihadvlaggen worden vertoond.” Dit is volgens de dienst “Ook verheerlijking van de jihadgang.” Over hoeveel openbare vergaderingen (een grondwettelijk recht) het hier gaat in 2013 is onduidelijk. Tevens is het onduidelijk of mensen strafrechtelijk zijn vervolgd voor het zwaaien met jihadvlaggen in 2013. In DTN-31 werd ook geen virtuele radicalisering vastgesteld door de dienst, en eind 2013 schrijft de dienst dat de “openlijke propaganda via internet en sociale media uit jihadistische kringen voor deelname aan de strijd in Syrië sterk is gestegen.” Hoe deze propaganda eruit ziet en of dit Nederlandse jongeren zijn, de dienst houdt het allemaal vaag. Vaagheid die de dreiging alleen maar aanzwengelt.

Conclusie DTN 2013

Begin 2013 treedt er een nieuwe coördinator aan. Dick Schoof is een hardliner die meteen vol inzet en zonder blikken of blozen het terreurniveau verhoogt. Daarmee haalt hij ook de media. Onduidelijk is echter of de omstandigheden in vergelijking met de periode daarvoor ook daadwerkelijk zo angstaanjagend zijn. Schoof vindt van wel, want vooral de zogenaamde ‘jihadgangers’ zijn een ongekend gevaar. Door mensen te labelen als jihadgangers zijn het al daders, voordat ze iets gedaan hebben. Jihad, jihadisering, jihadisme, het zijn allemaal synoniemen geworden voor terroristen, terroristisch, terrorisme in de totale oorlog tegen de terreur. Zelfs het woord Syrië-ganger staat al gelijk aan terrorist terwijl mensen in een land in burgeroorlog ook als arts, verpleegkundige of op een andere wijze burgers kunnen helpen. En die J-reizigers zijn niet alleen een constante vorm van zorg. maar ook een constante vorm van statistisch goochelwerk. Wie de berichten in de dreigingsbeelden van de afgelopen jaren doorneemt, krijgt de indruk dat er honderden zo niet duizenden reizigers en terugkeerders zijn. Vaak neemt het aantal toe en is er naast tientallen sprake van aantallen tussen de vijftig en honderd. Of dit het vaste aantal is, blijft onduidelijk. Wie de cijfers op een rijtje zet ziet misschien een lichte stijgende trend, maar het gaat vooral om enkele reizigers of groepjes en niet hele vliegtuigen vol. Voor Terror Dick zijn naast de J-reizigers ook de terugkeerders een groot gevaar, maar wie zijn eerste dreigingsbeeld leest, ziet geen verontrustender ontwikkelingen dan de jaren ervoor. De oorlogen in Afghanistan en Irak hebben misschien niet uitgepakt zoals het westen wilde, maar dat is al jaren duidelijk. Libië was een avontuur dat als een boemerang naar Europa terugkomt in de jaren na een mislukte NATO interventie van Unified Protector. Syrië ontwricht in enkele jaren langzaam en destabiliseert de rest van de regio, iets dat ook geldt voor Mali in Noordelijk Afrika. Wapens zijn nooit een oplossing al is Schoof dol op legergroen in de straat. Schoof bouwt ook verder aan het leger terreurbestrijders en maatregelen om mensen die anders denken lastig te vallen. In 2013 zal de dienst ook vertrouwenspersonen aan haar terrorismebestrijders toevoegen en naast de gebruikelijke repressieve maatregelen ook het bestuurlijk instrumentarium van voormalig coördinator Joustra weer uit de kast halen. Waar dat allemaal voor nodig is, is niet duidelijk. Strafrechtelijke procedures lopen spaak omdat de bewijslast van jongens en meiden die uit Syrië terugkomen lastig is. De dienst lijkt zelfs niet te weten waar de jongeren nu echt belanden, “is het waarschijnlijk JaN, of zeker Al Qa’ida.” Als dit de bewijsvoering is, voorspelt het niets goeds voor jongeren die terugkomen. Wie nog niet door had dat Terror Dick er vol ingaat wat terreurbestrijding betreft, wordt fijntjes duidelijk gemaakt dat het vernielen van jachthutten, graffiti, demonstraties en een tentenkamp extremistische middelen zijn die in een dreigingsbeeld terrorisme thuis horen. Eigenlijk gebeurt er niets in Nederland. Gelukkig zijn er nog mensen die hun stemmen durven te laten horen in een klimaat waar elk geluid als extremistisch wordt bestempeld. Groepen jongeren die zich actief bezig houden met de radicale islam moeten helemaal oppassen. Zij staan volgens de dienst in een directe verband met terrorisme, maar doen eigenlijk niets, hooguit in het openbaar vergaderen, een bijeenkomst verstoren en wat dreigementen uiten. Een aantal jaren geleden was er de AEL, de Arabisch-Europese Liga. Haar plek is ingenomen door groepen als Sharia4Holland en Behind Bars, die net als hun voorganger openlijke activiteiten organiseren of niet actief zijn. Voor de dienst is dit allemaal verdacht en is er geen bereidheid om deze groepen normaal tegemoet te treden. Zij zijn al terroristische organisaties, al is daar geen bewijs voor. Die denkwijze vertaalt zich in een beleid waar maatregelen worden gestapeld ten aanzien van potentiële verdachte groepen en mensen en de inzet van grote groepen van de samenleving wordt gemobiliseerd. Zo injecteert de dienst niet alleen terrorismebestrijding in de maatschappij maar ook dreiging, angst en schrikbeelden. Uitingen op het internet zijn al doorontwikkeld van radicale naar extremistische en nu terroristische uitingen. De dienst radicaliseert onder Schoof verder tot een extremistisch bolwerk dat vooral angst aanjaagt en op zoek is naar meer subsidie voor dat dreigingsbeleid.

2014 welkom bij de oorlog van de terreur

DTN-35 / 24 februari 2014

De dreigingspropaganda van de dienst NCTV vervolgt in 2014 rustig zijn weg. In DTN-34 was de “strafrechtelijke aanpak van vermoedelijke rekruteurs en van terugkeerders die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie en/of betrokken zijn geweest bij (oorlogs)misdaden” nog lastig omdat er weinig bewijs was te vinden. In DTN-35 is het “duidelijk dat de meeste jihadstrijders in Syrië strijdervaring opdoen, gruwelijkheden plegen en doorradicaliseren.” Op basis waarvan de coördinator dit concludeert is onduidelijk, zeker als de bewijsgaring problematisch is. Inde beleidsopvolging bij DTN-35 stelt de coördinator dat “de Nederlandse jihadgangers op dit moment voetsoldaten zijn voor de strijd.” Hoe de dienst weet dat iedereen die daar naartoe reist ook meteen voetsoldaat wordt is ook niet helder. “Voetsoldaat” zou nog kunnen worden gezien als kanonnenvoer en dus enigszins een geste van de NCTV om de jongeren een handreiking te bieden, want uiteindelijk is het merendeel niet getraind en zal het ook daadwerkelijk kanonnenvoer zijn.

De coördinator wil echter geen redelijkheid, zijn propaganda is gericht op gevaar en dreiging. Hij beeldt de jongeren af als moordenaars met voorbedachten rade en zij zouden “al voor vertrek kortere of langere periode in jihadistische kringen verkeren, zowel in de offline als de online werkelijkheid.” Terwijl de dienst aan de andere kant stelt dat de jihadisten in Syrië niets voorstellen, hoewel de dienst al ruim een jaar het grote gevaar van die ‘jihadgangers’ verkondigt. “Het gros van de gewapende oppositiegroepen streeft niet een jihadistische agenda na. Jihadistische strijdgroepen vormen een kleine minderheid,” citeert de dienst de minister van Buitenlandse Zaken. Met de opkomst van IS in de zomer van 2014 in het achterhoofd, lijkt het inlichtingen verzamelen van het overheidsapparaat ook niet veel over. Wie de oorlog in Syrië zelfs minimaal had gevolgd, was tot de conclusie gekomen dat de beter georganiseerde, getrainde en gemotiveerde radicale groepen wel degelijk met minder menskracht, meer successen boekten. Het voorbeeld voor deze groepen kwam uit de jaren negentig, Afghanistan. En het voort etteren van de burgeroorlog in Syrië, met een leider die na 11 september 2001 ruim werd gesteund door het westen en een graag geziene handelspartner was, heeft tot een humanitaire ramp van grote omvang geleid. Dat dit tot grote destabilisering leidt, is geen moeilijke conclusie.

Nederlandse jongeren die daar gaan vechten, vormen een kleine te verwaarlozen groep. Deze groter maken is geen dreigingsanalyse, maar gevaren propaganda. In de inleiding van DTN-35 stelt Schoof dat “het aantal uitreizigers vanuit Nederland nog steeds stijgt.” Ook is er een groeiend “aantal terugkeerders dat strijdervaring in Syrië heeft opgedaan,” hoewel de coördinator daar niet bij vertelt wat voor ervaring dat is. De cijferoorlog van Schoof begint met de vaststelling dat “begin februari 2014 het totaal aantal uitreizigers sinds de zomer van 2012 uit kwam op ruim honderd, waarvan er ruim zeventig zich nog steeds in Syrië bevinden. Zeker tien personen zijn inmiddels om het leven gekomen. Verder is het aantal terugkeerders sinds oktober 2013 toegenomen tot ruim twintig.” In DTN-33 was het aantal al tussen de vijftig en honderd en in DTN-34 nam dat aantal ook al toe. In DTN-34 waren ze nog waarschijnlijk allemaal bij JaN terecht gekomen nu in 2014 is dat volgens de dienst zeker.

Sommige terugkeerders zouden volgens de NCTV “een radicaliserende en rekruterende rol spelen op jihadistische fora en sociale media.” Maar “de aanhoudende openlijke jihadistische manifestatie in Nederland” vindt niet alleen plaats op het internet ook op straat. In DTN-34 waren het nog “bijeenkomsten op sportvelden waarbij jihadvlaggen worden vertoond,” in DTN-35 beschrijft de coördinator een manifestatie van veertig mensen bij de Belgische en de Marokkaanse ambassade in Den Haag. De dienst stelt dat “in werkelijkheid bij deze demonstratie het betuigen van steun en het tonen van loyaliteit aan de ISIL en JaN centraal stond. De openheid waarmee de demonstranten hun leuzen uitten, duidt erop dat zij zich weinig gelegen laten liggen aan mogelijke negatieve consequenties van hun extremistische opvattingen.” Er was weinig aandacht in de media voor de manifestatie. In 2013 werd nog veel ophef gemaakt ook door de coördinator over Sharia4Holland een van de organisatoren van de demonstratie. De NCTV rept niet over vervolging van deelnemers aan de demonstratie in verband met opruiende teksten. Blijkbaar viel het opruien tegen want “de deelnemers aan de demonstratie zetten niet direct aan tot geweld in Nederland.”

Een enkel trapveldje bijeenkomst van enkele moslims, een demonstratie van veertig mensen waaronder enkele kinderen, een tiental jongeren ergens in Syrië en twintig die terugkeerden naar Nederland, “de jihadistische dreiging blijft de dominante factor in het dreigingsbeeld,” schrijft Schoof aan de vooravond van de neergeschoten MH-17. En die ongeveer zeventig nog levende radicaal islamitische jongeren in andere landen of in Nederland en enkele jongeren die willen uitreizen krijgen de volledige macht van de Nederlandse staat over zich heen in de vorm van wetgeving (verruiming van de mogelijkheid tot ontneming en de gronden voor verlies van het Nederlanderschap), bestuurlijke maatregelen ( het paspoort vervallen verklaren, bevriezen van de financiële tegoeden van mensen (reeds in vier gevallen toegepast), uitkeringen en toelagen korten of stopzetten), strafrechtelijke maatregelen (op basis van het jeugdrecht zijn kinderen onder toezicht gesteld en/of in gesloten jeugdinrichtingen geplaatst, operationele politieonderzoeken naar ronselaars) en toezicht tot in de haarvaten van hun leven. En voor de coördinator is het nog niet genoeg.

In DTN-34 schreef de NCTV al dat “de huidige situatie eens te meer duidelijk maakt dat álle operationele diensten beter zicht moeten krijgen op de reisbewegingen van jihadisten en vooral van terugkeerders naar Europa.” Passenger Name Record (PNR) komt sinds DTN-11 (2007) elk jaar ministens een keer voor in de terreurboden van de NCTV. De dienst stelt dat “het dan ook noodzakelijk is om op korte termijn de mogelijkheden om reisgegevens te kunnen gebruiken uit te breiden en de internationale samenwerking hierop te intensiveren. Op dit moment is dat op Europees niveau niet te realiseren. Daarom ga ik het gebruik van reisgegevens nationaal mogelijk maken.” De ik-vorm slaat op minister Opstelten, maar de dienst zit duidelijk aan de knoppen. Naast die Europese samenwerking werkt de coördinator ook samen met landen als Turkije, Marokko en natuurlijk de Algerijnse dictatuur waar in juni 2013 “de Verenigde Naties, met Nederlandse steun, een driedaagse bijeenkomst in Algiers” organiseerde.

DTN-36 / 30 juni 2014

DTN-36 loopt opnieuw over van reële aanslagen en zorgelijke ontwikkelingen. Schoof roept al anderhalf jaar dat de kans reëel is en in juli wordt hij op zijn wenken bediend. In juni is de situatie echter nog hetzelfde als zijn gehele periode als coördinator. Het enige verschil met DTN-34 en DTN-35 is dat de dienst geen cijfers meer verschaft maar alleen maar alarmerende berichten. De coördinator herhaalt zich om volume te produceren in het DTN. “Intussen blijven de uitreizen van Nederlanders naar jihadistische groeperingen in Syrië doorgaan,” gaat vooraf aan “het is zorgelijk dat de uitreizen naar Syrië, twee jaar nadat deze trek begon, nog steeds plaatsvinden.” De propaganda van J-reizen werkt volgens de NCTV want “op deze wijze wordt tot op heden een continue aanwas van uitreizigers gegenereerd.” Schoof geeft geen cijfers van deze “continue aanwas.”

Nederlandse vrouwen doen volgens de coördinator niet mee aan “gevechtshandelingen” maar ook daarvan is onduidelijk hoe de dienst bij een gebrekkige bewijsgaring tot deze conclusie is gekomen even als de vaststelling die eerder waarschijnlijk was van “Nederlandse jihadisten die in Syrië betrokken waren bij ernstige gewelddaden.” Net als de aanwas van de uitreizigers en de terugkeerders, is er de “jihadistische propaganda.” Propaganda van die ‘jihadisten’ wordt “via sociale media door Nederlandse jihadisten verspreid en is daardoor openlijk en laagdrempelig beschikbaar.” De dienst wil die ‘propaganda’ bestrijden “door Flagging, Notice & Take Action procedures, Notice & Take Down, counternarratives en door het versterken van de online weerbaarheid.” De coördinator noemt als voorbeeld “radiostation Ghurabaa” en “de website dewarereligie.nl” waarbij de NCTV zonder onafhankelijke rechterlijke toetsing de hosters van de radio en de website heeft benaderd. De dienst heeft ook geen aangifte gedaan tegen de radio en/of de website.

Bij een oorlog, ook een oorlog tegen de imaginaire terreur hoort propaganda. Tegenover de propaganda van de dienst over het gevaar dat in alle uithoeken van de Nederlandse samenleving zou schuilen, is er de propaganda van de jongeren die op avontuur gaan naar Syrië en waarvan er waarschijnlijk slechts enkelen levend terugkomen. Volgens de NCTV gaat “van teruggekeerde jihadisten niet alleen een potentiële aanslagdreiging en een radicaliserende werking uit, maar zij kunnen zich in Nederland tevens op gewelddadige wijze inlaten met fondsenwerving voor de jihad.” Die gewelddadige fondswerving zou blijken uit een zwaarbewapende man Mohamed A. die gearresteerd werd, terwijl hij volgens justitie onderweg was om een overval te plegen op 15 mei 2014. Volgens het Openbaar Ministerie had Mohamed A. een half jaar gevochten in Syrië, volgens zijn advocaat is hij daar niet geweest.

Of groepen in Syrië zitten te wachten op geld uit Nederland is onduidelijk, gezien de controle van groepen als IS en JaN over de delen van de natuurlijke hulpbronnen van Syrië en de verkoop van archeologische stukken aan vooral Europeanen. Naast de 21-jarige man die op 15 mei 2014 werd gearresteerd, werd ook nog 18-jarige Haagse jongen Oussama C. aangehouden in de Brusselstraat op 24 juni 2014 voor ronselen en opruien. Ook zouden twee mannen voor het beramen van een aanslag op Geert Wilders zijn gearresteerd. Dit laatste wil coördinator noch bevestigen noch ontkennen, en het bericht komt van Geert Wilders zelf. Het Openbaar Ministerie ontkent dat er iemand vast zat voor het voorbereiden van een aanslag op Wilders. “Er zit niemand vast voor het voorbereiden van een aanslag op Wilders. Ook heeft er niemand in het verleden vastgezeten”, aldus een woordvoerder van het OM volgens RTL Nieuws. Om dreiging te kunnen inschatten zijn ten eerste feiten van belang en daarnaast kan een vergelijking met identieke dreiging uit het verleden inzicht geven in het gevaar. De coördinator laat echter niets los over het bestaan van de twee verdachten van een mogelijke aanslag op Wilders. Als ze al bestaan, lijken ze dan op Bilal Lamrani of andere mensen die Wilders iets wilden aandoen. Zijn ze daadwerkelijk in Syrië geweest, zijn ze ‘getraind’, maakten zij in het verleden deel uit van het criminele circuit en hoe serieus moeten ze worden genomen? Om op basis van enkele verdachten te stellen dat terugkeerders een gevaar zijn, waarbij het misschien niet eens om terugkeerders gaat of de verdachten niet aanwezig zijn, lijkt eerder op wensdenken dan een duidelijke analyse van het aanwezige gevaar.

Ditzelfde geldt voor de stelling in DTN-35, het eerste dreigingsbeeld van 2014, dat “de weerbaarheid binnen moslimgemeenschappen in toenemende mate onder druk komt te staan.” In DTN-35 wordt de schuld gelegd bij “het intimiderende optreden van pro-jihadistische jongeren dat hier debet aan is.” De dienst lijkt in gesprek met “salafistische voormannen” (het salafisme werd enige tijd geleden nog als het grote gevaar gezien) want die “stellen dat er sprake is van een «gevaarlijke polarisatie» binnen moslimgemeenschappen.” De coördinator verhaalt verder dat “debatten over islam en democratie en de strijd in Syrië nauwelijks meer zonder beveiliging georganiseerd zouden kunnen worden.” Details staan niet vermeld in het DTN van het voorjaar van 2014. In DTN-36 borduurt de coördinator verder op dit fenomeen. “Er zijn echter zorgen over de weerbaarheid onder de moslimbevolking over langere termijn.” De NCTV stelt dat de intimidaties van de jihadisten hebben plaatsgevonden rond de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014: “Nederlandse jihadisten voerden fel actie tegen de deelname van moslims aan de gemeenteraadsverkiezingen.” Waarom de weerstand van de moslimgemeenschap onder druk zou staan wordt niet duidelijk want de coördinator moet ook constateren dat ze geen invloed hebben gehad op deelname aan de verkiezingen. In DTN-37 is deze dreigingsstorm plots verdwenen terwijl het de boel voor “lange termijn” op stelten zou kunnen brengen.

Voor analyse van het ‘jihadistische gevaar’, maakt de coördinator gebruik van het woord sekte-achtig. In DTN-2 kwam dit woord al eerder voor in een poging radicalisering te beschrijven. In DTN-36 lijkt het een vast onderdeel van het dreigingsvocabulaire van de NCTV te worden want in DTN-37 is het gebruik van het woord sekte explosief toegenomen. En naast de jihadistische sekte zijn er ook andere radicale of extremistische bewegingen die volgens de dienst “minder zichtbaar in de media, maar relevant zijn voor de terroristische dreiging” zijn. Het niet-jihadisme heeft volgens de dienst het karakter van “asielrechtenextremisme, dierenrechtenextremisme en rechts-extremisme.”

In het kader van de terrorisme dreiging vermeldt de dienst in DTN-34 dat er “binnen het kader van asielrechtenextremisme vernielingen en bekladdingen plaats vonden, vooral in de aanloop naar en tijdens het internationale No Border Camp (NBC), dat van 2 tot en met 10 augustus 2013 in Rotterdam werd gehouden.” De NCTV verschaft geen details zodat moeilijk is vast te stellen of het hier om strafbare feiten of overtredingen gaat. Ook is onduidelijk of er proces-verbaal is opgemaakt, onderzoek gepleegd, vervolging ingesteld en andere strafrechtelijke procedures zijn georganiseerd die de claim van de dienst kunnen ondersteunen. In DTN-35 gaat het over een mislukte bezetting van “het Huis van Europa in Den Haag (december 2013),” waarna “het eilandje in de Hofvijver kort werd bezet.” Dit laatste was zeker het vermelden waard in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.

Ook “milieu-extremisten vernielden opnieuw een proefveld met genetisch gemodificeerde gewassen. Ook van belang om op te nemen in het dreigingsbeeld. Sinds 2003 gebeurde dit gemiddeld drie keer per jaar,” schrijft de coördinator in DTN-34 als steun voor bedrijven als Monsanto. Ook Groningen wordt door de coördinator genoemd in het kader van milieu terrorisme (DTN-36): “De afgelopen periode zijn de acties tegen de gaswinning in Groningen geïntensiveerd. De inmenging van de landelijk opererende, radicale milieugroepering GroenFront! in het radicale verzet tegen gaswinning zorgt vanaf januari 2014 voor een professionalisering en verharding van de acties.” In terreurbode DTN-34 wordt de oprichting van 269Life Nederland “een opvallende gebeurtenis” genoemd. Internationaal zou de beweging “buitenwettelijke acties” op zijn naam hebben staan “zoals insluipacties bij stallen en het «bevrijden» van dieren.” De coördinator treedt niet verder in details.

Van de extreemrechtse terreur vermeldt de NCTV in DTN-35 het feit dat de “rechts-extremistische (politieke red.) partij Nederlandse Volks-Unie (NVU) in drie gemeenten aan de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014 deelneemt.” Waarom een politieke partij in het terrorisme beeld belandt, verklaart de coördinator niet. Bij verschillende rechtse-extremistische incidenten is die vraag überhaupt gerechtvaardigd want volgens de NCTV hebben die groepen “nauwelijks nog organisatie- en wervingskracht.” Eigenlijk is hun situatie te vergelijken met de leiderloze al dan niet bestaande jihadistische netwerken. Toch stelt de coördinator dat de groepen inspelen op “maatschappelijke polarisatie” zoals bij de “gebeurtenissen in Deurne en de voorwaardelijke invrijheidstelling van Volkert van der G.” De dienst stelt dat het de groepen gaat om “media-aandacht, waar het de initiatiefnemers mede om te doen is,” maar groei zit er blijkbaar niet in. Media aandacht, polariserende teksten kan ook gemakkelijk gezegd worden van linkse groepen, politieke partijen, de dienst zelf en andere maatschappelijke spelers.

Zeventien dagen voor de neergeschoten vlucht MH-17 schrijft de dienst in de beleidsopvolging vooral over de “integrale aanpak” van het jihadisme. De niet-jihadisten spelen bij de integrale aanpak geen rol, al kunnen maatregelen natuurlijk voor iedereen gebruikt worden. Zonder dat er sprake is van strafbare feiten stelt de coördinator, dat “het onacceptabel is dat Nederlandse ingezetenen deelnemen aan deze jihadistische beweging en de gewelddadige jihadistische strijd ongeacht waar ze plaatsvindt of gaat plaatsvinden. Alle beschikbare middelen worden daarom aangewend om uitreis met dit doel te verhinderen, risico’s van elke terugkeerder weg te nemen en het werven van nieuwe aanhang tegen te gaan.” Ten aanzien van mensen die aan een andere gewapende strijd in hetzelfde gebied of op een andere plaats meedoen, staat in de beleidsopvolging geen woord.

Alles wordt uit de kast gehaald zowel op nationaal als Europees niveau. Op inlichtingengebied gaat het om het SIS, Schengen Informatie Systeem, reisgegevens, Europol, en informatie uitwisseling. “Het delen van gegevens en ervaringen op de domeinen preventie en repressie wordt verder geïntensiveerd.” Naast risicoreducties zijn er interventies als het “uitschrijven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (dertig keer), paspoortmaatregel (29 keer), onder toezicht en/of in een gesloten jeugdinrichting te plaatsen (zes keer), stopzetten uitkeringen en studiefinanciering (30 keer) en het bevriezen financiële tegoeden (12 keer).” Al deze maatregelen zijn bestuurlijke maatregelen en zijn voor het merendeel niet getoetst door een onafhankelijke rechter, iets dat in de lijn ligt van de verschillende landen waar de coördinator graag mee samenwerkt. Na Marokko, Algerije, Saoedi-Arabië en Turkije heeft de dienst Jordanië aan haar partners toegevoegd. Amnesty International en Human Rights Watch berichten over martelingen, slechte behandelingen in gevangenissen, oneerlijke processen, doodsstraf, onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting en andere mensenrechten schendingen in het land waar de coördinator graag mee samenwerkt.

DTN-37 / 12 november 2014

De roep om een aanslag zet zich ook in het laatste dreigingsbeeld van 2014 voort. “De tendens van een niet te onderschatten langdurige jihadistische dreiging zet door en neemt met de aanslagen in andere westerse landen steeds concretere vormen aan.” En “de recente ontwikkelingen in de wereld en in ons eigen land laten een steeds reëlere dreiging van terroristische aanslagen door jihadisten zien.” Aanslagen die concreter vorm krijgen, dreiging die diffuus wordt (net als in DTN-7 en DTN-29) en een veranderend beeld net als in DTN-36, de dienst staat in het centrum van de storm. Volgens de coördinator zijn ‘we’ klaar voor een aanslag: “De Nationale Politie is goed geprepareerd voor het direct en adequaat handelen bij een terroristische aanslag.” Gelukkig overschaduwt IS het neergeschoten vliegtuig MH-17 en kan de NCTV doorpakken met “de huidige dreiging die een mondiaal probleem is,” en een “ bestrijding die (volgens de dienst) dan ook een gedeelde internationale verantwoordelijkheid is.”

Nederland doet op alle fronten mee met de coördinator op de voorplecht. Bij “de EU Kopgroep Foreign Fighters, in het Global Counter Terrorism Forum én door de deelname aan de militaire coalitie in Irak,” Schoof wil erbij zijn. De NCTV stelt namelijk dat “niet eerder de Nederlandse deelname aan een internationale militaire missie zo direct verbonden geweest met veiligheid in ons eigen land.” Volgens de dienst bestrijden wij “groeperingen die het op ons gemunt hebben op” en komt de Nederlandse deelname aan die strijd “direct onze nationale veiligheid ten goede.” Wat de bombardementen aan menselijk leed in de zogenoemde jihadistische strijdgebieden aanrichten, daar spreekt de coördinator niet over. Ook niet over lange termijn effecten van die interventies, want ervaringen met die interventies zouden en we niet hebben in de oorlog tegen de terreur. Afghanistan (2001), Irak (2003), Libië (2011) en diverse andere avonturen zijn alweer vergeten. Nederland volgt de Verenigde Staten met oogkleppen op in een wereld die steeds meer aan het ontvlammen is.

En om hoeveel Nederlandse tegenstanders in de oorlog tegen de terreur gaat het dan? In DTN-36 ging het om “een continue aanwas van uitreizigers.” In DTN-37 heeft die “gestage toename van uitreizigers zich voortgezet zodat inmiddels in de afgelopen twee jaar rond de 160 personen zijn uitgereisd (cijfers per 1 november).”In hoeverre deze cijfers te vergelijken zijn met de cijfers uit DTN-35 is onduidelijk. In DTN-36 worden geen cijfers vermeld. In DTN-35 stelt de dienst dat “begin februari 2014 het totaal aantal uitreizigers sinds de zomer van 2012 uit kwam op ruim honderd.” Daaronder waren ruim twintig terugkeerders, zeker tien personen die zijn gestorven (zonder vermelding van de oorzaak van die sterfte) en ruim zeventig mensen die zich daar nog zouden bevinden.” Hoe het woord “ruim” moet worden geïnterpreteerd, is onduidelijk. Soms wordt zelfs een marge van dertig aangehouden bij “ruim honderd” zodat het om honderddertig mensen zou kunnen gaan. De coördinator stelt nu dat het aantal uitreizigers rond de 160 is, waarvan “zover bekend achttien zijn omgekomen,” dertig zijn teruggekeerd en “rond de honderd Nederlanders nog in het strijdgebied aanwezig zijn, onder wie zo’n dertig vrouwen.”

Over de slachtoffers stelt de dienst dat die zijn omgekomen door “luchtaanvallen door de internationale coalitie, door onderling geweld tussen jihadisten en anderszins.” De coördinator beschrijft niet of de mensen verdacht waren van een strafbaar feit, aan vijandige handelingen hebben deelgenomen, lid waren van een terroristische organisatie en de doodstraf verdienden. Daar waar de NCTV in DTN-35 er nog zeker van was dat alle Nederlanders (ruim zeventig wat dus honderd zou kunnen zijn) “bij JaN (Jabhat al Nusra) zijn terecht gekomen”, zijn de Nederlandse jihadisten (rond de honderd in DTN-37) “op dit moment actief bij minimaal drie jihadistische strijdgroepen; de meerderheid valt onder Jabhat al Nusra (JaN) en ISIS, een minderheid bevindt zich bij Jund al-Aqsa (JaA).”

En welk gevaar schuilt er dan daadwerkelijk in Nederland zelf? De dienst spreekt van “risico’s die uitgaan van jihadisten en jihadgangers,” waarbij het om uitgereisden, terugkeerders, niet-uitgereisden en verder onbekenden gaat. Maar het zijn vooral de emoties van de jihadist volgens de dienst NCTV: “De emoties van Nederlandse jihadisten in Syrië of van hun sympathisanten in Nederland over het Amerikaanse offensief en de Nederlandse deelname daaraan, kunnen zich tot een dreiging ontwikkelen tegen Nederland of Nederlandse belangen in het buitenland.” Om te onderstrepen dat het alom aanwezige jihadistische gevaar ook echt op de loer ligt schrijft de coördinator: “De arrestatie van een Marokkaanse staatsburger in Amsterdam op 15 oktober, die door ISIS geïnspireerde terroristische intenties zou hebben tegen politiemensen, bevestigt het grensoverschrijdende karakter van de jihadistische dreiging.” Het openbaar ministerie schrijft zelf: “Na de aanhouding van de man en de doorzoeking van zijn woning zijn geen wapens of concrete plannen voor aanslagen gevonden.”

Volgens de NCTV zijn daarnaast “door adequaat optreden van politie en justitie recent verschillende personen gearresteerd en zijn meerdere pogingen tot uitreis verijdeld. Op dit moment lopen er in Nederland in totaal ruim dertig ‘jihadgerelateerde’ strafrechtelijke onderzoeken naar circa zestig personen.” Hoeveel van deze zestig mensen in Nederland bevinden is onduidelijk. Hoe gevaarlijk deze mensen zijn, is ook niet vast te stellen op basis van de informatie. De dienst stelt dat het “over verdenkingen van samenspanning tot deelname aan de gewapende strijd (uitreizen), voorbereiden terroristische handelingen (onduidelijk of dat hier of ergens anders is), opruiing, bezitten en verspreiden van jihadteksten, faciliteren en bevorderen jihadgang en het voorbereiden van terroristisch handelen (ook onduidelijk hier of ergens anders is).” Voor de directe dreiging en de inschatting of personen in Nederland echt gevaar lopen zijn de voorbereidingen op terroristische handelingen en het terroristisch handelen van belang. Het feit dat de coördinator zowel handelingen als handelen gebruikt is opvallend. Handeling is een juridische term, handelen wat platter, een daad, iets dat hier en nu gaat plaatsvinden.

Wie echter de beleidsbevindingen bij DTN-37 doorneemt zal slechts “gerichte aanpak van de jihadistische beweging,” “scherp repressief en preventief optreden”, “repressieve en preventieve maatregelen,” “interventiestrategieën,” “absolute noodzaak,” “sekteachtige mechanismen,” “extra impuls,” vinden en geen duidelijke analyse, context, beschrijving van die zestig mensen die als verdachte al dan niet gearresteerd zijn. Bij de “integrale aanpak” staat dat “er in Den Haag twaalf personen zijn aangehouden die in verband kunnen worden gebracht met jihadistische activiteiten.” Wat voor “jihadistische activiteiten” en of deze jihadistische activiteiten al in het wetboek van strafrecht zijn gekomen, maakt de dienst niet duidelijk. Dat veel vervolging niet te maken heeft met het handelend optreden van de verdachten geeft de dienst ook toe: “Het OM vordert met het intensiveren en coördineren van de strafrechtelijke aanpak van (dreigend) terrorisme.” “Dreigend terrorisme”, is eigenlijk de drie-vier maandelijkse terreurbode van de NCTV, maar bij dreigend terrorisme lijkt er geen sprake van überhaupt het verzamelen van wapens en/of explosieven, iets dat voorbereidingshandelingen heet en niet dreigend terrorisme.

Wel stelt de coördinator dat “personen die zijn aangehouden of veroordeeld voor terroristische misdrijven, zijn geplaatst op de speciale terrorismeafdeling (TA).” Of dit positief is of niet, bijdraagt aan een vreedzame samenleving, het wordt niet duidelijk uit de integrale aanpak. De dienst stelt nog dat “de capaciteit op de terroristenafdelingen van de Penitentiaire Inrichting Vught is uitgebreid,” maar of dit positief moet worden opgevat of juist een teken is dat het allemaal gevaarlijker wordt in Nederland, het blijft gissen. Wie alle maatregelen die de overheid heeft genomen op een rij zet, komt tot de conclusie dat het bij alle bestuurlijke maatregelen gaat om verdachten van uitreizen of uitgereisden. Slechts een keer schrijft de dienst dat er “een uitgereisde Nederlandse jihadganger in een filmpje op Facebook opriep tot ‘een sterke, stevige daad tegen de Nederlandse overheid’.” De coördinator terreur impliceert dat de persoon een aanslag bedoelt, maar uit de stukken is niet te achterhalen of er nader onderzoek naar de persoon is gedaan.

Net als in DTN-36 volgt in DTN-37 een trots overzicht van alle bestuurlijke maatregelen die de coördinator voor elkaar heeft weten te boksen. “Van alle gekende uitreizigers zijn de sociale uitkeringen en toelagen stopgezet. Dit is inmiddels in ruim vijftig gevallen gebeurd. Tevens zijn veel uitreizigers uitgeschreven als ingezetenen in de Basisregistratie Personen (BRP). Sinds december 2013 heeft de minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de ministers van Financiën en Veiligheid en Justitie besloten om elf personen op de nationale terrorismelijst te plaatsen. Van deze elf personen zijn er vijf sinds de aanbieding van het Actieprogramma op 28 augustus op de nationale terrorismelijst geplaatst. Onderkende jihadistische reizigers worden voor Europese signalering opgevoerd in het SIS II. Zo worden personalia van onderkende uitreizigers verstrekt aan INTERPOL die deze informatie verder internationaal verspreidt.”

Ook grondwettelijke rechten als de vrijheid van meningsuiting en manifestatie worden in het terreur vertoog getrokken. De verschillende schermutselingen, vlaggen, spandoeken en leuzen tijdens demonstraties in de Schilderswijk in de zomer van 2014 zijn onderwerp van “strafrechtelijke onderzoeken inzake haatzaaien en opruiing.” De reactie van de dienst op de demonstraties in de zomer in vergelijking met de demonstratie uit DTN-35 laat zien hoe de overheid verder radicaliseert. Dit standrechtelijk optreden van de overheid ten aanzien van verdachten en demonstraties breidt zich als een inktvlek uit ook naar terreinen als de “bestrijding van radicalisering” en “jihadistische content” op het internet. “Binnen de politieorganisatie treedt dit team signalerend en coördinerend op bij de bestrijding van de verspreiding van radicaliserende, haatzaaiende jihadistische content. Producenten en verspreiders van online jihadistische propaganda en de digitale platforms die zij misbruiken, worden geïdentificeerd en aangepakt.” De woorden rechterlijke toetsing en rechtsstaat komen ten aanzien van het internet helemaal niet meer ter sprake.

Naast deze maatregelen wordt het korps terreurbestrijders opgeschaald en ‘geprofessionaliseerd’ met kennisbanken en apps. “Ook wordt de Kennisbank Terrorisme uitgebreid met een applicatie (app) waarmee eerstelijnsprofessionals (zoals wijkagenten en jongerenwerkers) vanaf hun mobiele telefoon toegang tot informatie over terroristische organisaties krijgen.” Al deze controlerende, semi-strafrechtelijke en bestuurlijke maatregelen tegen verdachten, niet veroordeelden staan in schril contrast met de “brede maatregelen die nodig zijn om de rechtsstaat te versterken,” zoals de dienst beweerd. Wat die maatregelen precies zijn, blijft gissen, het gebruik van bestuurlijke maatregelen zonder tussenkomst van een onafhankelijke rechter, tast de rechtsstaat in haar fundamenten aan, namelijk dat iedereen onschuldig is tenzij het tegendeel is bewezen. Het gebruikte instrumentarium en “brede maatregelen voor de rechtsstaat” klinken allemaal als “terrorismebestrijding ter bescherming van mensenrechten”, de “rule of law” en het samenwerken met dictaturen, regimes (zoals Marokko in het kader van het Global Counterterrorism Forum) en groepen die de mensenrechten met voeten treden. Welkom in de oorlog van de terreur.

Het dreigingsbeeld van 2014 verschilt niet van de negen voorgaande jaren. De kans op een aanslag is reëel en de dienst krijgt die ook voor zijn kiezen. Elke coördinator heeft zo zijn elf september 2001 moment gecreëerd. Joustra was nog niet begonnen aan het schrijven van de terreurbode of Theo van Gogh werd vermoord. Akerboom was net aangetreden of 30 april 2009 hakte er in. Akerboom moest ook omgaan met de schietpartij in Alphen aan de Rijn. Schoof had het in het eerste jaar iets gemakkelijker, hij verhoogde de dreiging, maar er waren geen aanwijzingen. In zijn tweede jaar als coördinator wordt een Boeing uit de lucht geschoten. Keer op keer reageert de dienst ontwijkend op deze evidente menselijke drama’s. Zelfs de moord op Van Gogh, die past in het jihadistische wereldbeeld van de dienst, is niet uitgebreid aan bod gekomen. Aan deze Nederlandse drama’s wordt geen aandacht besteed en dat is zorgwekkend voor een dienst die beweert te staan voor terrorisme bestrijding en veiligheid. Analyses van het eigen functioneren behoren dan ook niet tot het repertoire van de coördinator. Er moet op jihadi’s worden gejaagd en daarvoor is het schetsen van een zo noodlottig mogelijk beeld van de moslimgemeenschap de belangrijkste voorwaarde. De Terugkeerders en J-reizigers zijn in zijn tweede jaar als coördinator al oorlogsmisdadigers pur sang. Ook al is de bewijslast lastig de dienst weet dat de ‘jihadgangers’ “strijdervaring opdoen, gruwelijkheden plegen en doorradicaliseren.” Het zijn “voetsoldaten” in de oorlog die de NCTV graag wil voeren. De notie dat in Syrië een dictator al decennia aan de macht is en een deel van het volk zich wil bevrijden van deze dictatuur is in de dreigingsbeelden niet terug te vinden. Het woord burgeroorlog ten aanzien van Syrië komt in 2011 en 2012 niet voor in het vocabulaire van de dienst. In 2013 en 2014 komt burgeroorlog in Syrië in vier van de zes dreigingsbeelden voor. In slechts een van alle dreigingsbeelden van de afgelopen tien jaar wordt melding gemaakt van tienduizenden doden (DTN-33). De miljoenen vluchtelingen en de ontwrichting van een hele regio, de dienst maalt er niet om. Alles dient de oorlogsretoriek van de dienst. Burgers, burgerslachtoffers, vluchtelingen zijn daarom niet interessant. De terugkeerders hebben een propagandistische, radicaliserende en rekruterende en met openbare bijeenkomsten wordt volgens de NCTV een stille oorlog gevoerd om de ‘hearts and minds’ van moslims te winnen. Voorbeelden te over zou je zeggen, maar de dienst komt maar met twee magere exemplaren. Een samenloop op een sportveldje en demonstratie van veertig mannen, vrouwen en kinderen van Sahria4Holland. Het overdrijven van het gevaar zit in de genen van de dienst want In DTN-35 alarmeerde de NCTV plotseling de wereld omdat “pro-jihadistische jongeren” de moslimgemeenschappen in hun greep zouden hebben door intimidatie. Deze intimidatie hype van de coördinator duurt twee dreigingsbeelden en is vervolgens verdwenen. Hypes, de coördinator leeft er van. De ‘jihadgangers’ hype met onduidelijke aantallen en alarmerende stijgingen herhaalt zich elk dreigingsbeeld. Steeds lijkt het aantal J-reizigers explosief toe te nemen, maar wie de cijfers op een rij zet ziet steeds een lichte stijging. Dat die stijging misschien iets met het beleid van de dienst te maken heeft dringt niet door in Den Haag. De jonge Nederlandse tegenstanders van het Westen krijgen de volle sterkte van de staat over zich heen. Alles wordt uit de kast getrokken om jonge mannen en vrouwen van rond de twintig en ook minderjarigen aan te pakken. Of het beleid effect heeft, blijft onduidelijk. In de haast om een handvol sympathisanten van groepen in Syrië, Irak en andere zogenaamde jihadistische strijdgebieden onder controle te krijgen wordt samengewerkt met dictaturen en regimes die de mensenrechten op grote schaal schenden. De dienst NCTV lijkt die landen langzaam als voorbeelden van effectief beleid te zien en de rechtsstaat lijkt voor de dienst een gepasseerd station. Dat deze jihadistische oorlog van de dienst niets met veiligheid te maken heeft, blijkt uit de neergeschoten vlucht MH-17. Waarom de dienst de basisveiligheid van de burgerluchtvaart niet op orde heeft, is niet interessant. Dezelfde reflex was zichtbaar na de dodelijke schietpartij in Alphen aan de Rijn. En dat terwijl de coördinator in haar takenpakket de “zorg voor de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen met name terrorisme” en “het toezicht op de inrichting van de keten van de beveiliging van de burgerluchtvaart” heeft zitten. Daarnaast schrijft de dienst zelf in bijlagen bij DTN-33 “vanuit de NCTV wordt doorlopend gewerkt aan het ontsluiten van nuttige informatie voor professionals, bijvoorbeeld via een kennisbank, factsheets en whitepapers, alsmede aan het bieden van concreet handelingsperspectief, zoals via e-learningmodules. Het vergroten van veiligheidsbewustzijn van maatschappelijke actoren is daarbinnen een belangrijke speerpunt.” De dienst spreekt van het “vergroten van veiligheidsbewustzijn”, maar lijkt vooral geobsedeerd door een kleine groep jongeren, die wil uitreizen naar een plek die zo langzamerhand veranderd is in het inferno van Dante en daar misschien van willen terugkeren, en een oorlog tegen de terreur die de wereld alleen maar meer in brand zet. Welkom in de oorlog van de terreur.

Buro Jansen & Janssen, 25 maart 2015

artikel

artikel als pdf

Occupyer benaderd door de RID

Tijdens een actiekamp van Occupy Ede in 2012 werd een jongeman aangehouden door de politie omdat hij boetes had openstaan. In de cel kreeg hij bezoek van een RID’er die hem vergeefs gepolst heeft om informant te worden.

De 25-jarige ‘Sjoerd’ sprak met Buro Jansen & Janssen over zijn ervaringen met de politie en een man van een inlichtingendienst die hem lastig vielen in de weken voorafgaande en op de dag van de kroning van Willem-Alexander. De uitwerking daarvan lees je in het artikel ‘Inlichtingendienst intimideert anti-monarchist’, zie elders in deze nieuwsbrief.

Tijdens onze gesprekken met Sjoerd vertelde hij terloops over een benadering door ene Greet. Dat zat zo. Sjoerd deed mee aan Occupy Ede, een kleine groep mensen die in de stad in de Gelderse vallei de wereld wilde verbeteren. Een stad die vooral in het nieuws komt als er iets met Marokkaanse Nederlanders aan de hand is, verders een doorsnee Gelderse gemeente. Occupy Ede haalde zelfs in 2012 de landelijke media.

Na het langdurig kamperen in Occupy-tenten werd Sjoerd in de laatste dagen van het protest aangehouden. Hij had nog twee boetes openstaan en de politie dacht dat Sjoerd zou zijn gevlogen als ze hem niet voor het einde van de actie zouden oppakken. Sjoerd was een bekende van de politie. Hij kraakt al vijf jaar en veel deelnemers aan Occupy waren bekend bij de sterke arm. Uit lopend onderzoek van J&J blijkt dat de politie Occupy scherp in de gaten hield en zicht probeerde te houden op de personen die aan de actie deelnamen.

Greet zonder achternaam

Nadat Sjoerd in de cel was beland, kreeg hij bezoek. Een dame die zich introduceerde als ‘Greet’ zonder achternaam wilde hem het een en ander vragen, het was beslist geen verhoor, zo benadrukte zij. Ze nam Sjoerd mee naar ‘achteren’ en zei dat ze al langer geïnteresseerd was in Occupy, ze wilde graag met hem daarover praten. Sjoerd had Greet nooit eerder gezien. Zij bood hem thee en koffie aan en hij kreeg er ook nog koekjes bij. Sjoerd wilde graag een sigaret roken, dat zou ze proberen te regelen.

Uiteindelijk draaide het gesprek van de RID’er Greet uit op een benadering. “Zij vroeg mij of ik de verklikker wilde uithangen voor de politie”, vertelt Sjoerd. Volgens Greet was Sjoerd bekend met demonstraties in de regio Gelderland vanwege zijn betrokkenheid bij Occupy Ede en kraakacties. Greet wilde heel graag dat Sjoerd zou toehappen. Ze zei dat zij in ruil voor informatie wel kaarten voor feesten voor hem kon regelen, ze had het over een beloning tussen de 50 en de 100 euro.

Greet had het gevoel dat Sjoerd misschien wel rijp was om naar de politie over te lopen. Hij leek zich namelijk af te zetten tegen Occupy die hij een ‘stel doelloze hippies’ noemde. Ook over krakers was hij niet bijster positief. ‘Die zouden zich eens een keer moeten douchen’, vertelde hij aan Greet. Sjoerd bracht het allemaal nogal serieus en niet op een lacherige manier, al bedoelde hij het vooral als practical jokes.

Greet dacht dat Sjoerd de juiste persoon was om politie-informant te worden. Ze kon hem dan wel geen strafvermindering verlenen en aan een sigaret helpen, maar indirect stelde zij hem geld in het vooruitzicht voor het verklikken, aldus Sjoerd. Hij kreeg na afloop van het onderhoud het mobiele nummer van Greet overhandigd en werd enkele dagen later vrijgelaten.

Bij thuiskomt vertelde hij zijn ervaringen aan zijn vriendin Rosa, die enthousiast werd. Ze antwoordde dat zij het wel cool zou vinden om samen met haar vriend af te spreken met een ‘echte spionne’. Sjoerd was minder enthousiast maar ging akkoord met het voorstel. Hij belde Greet en sprak met haar af bij een snackbar op station Ede-Wageningen. Toen Sjoerd met zijn vriendin drie weken na zijn celstraf op de afspraak met Greet verscheen, baalde de functionaris zichtbaar. Ze had erop gerekend om alleen met Sjoerd te kunnen praten.

Black Block

Het gesprek ontwikkelde zich ronduit bizar omdat Rosa niet echt aan het gesprek kon deelnemen. Immers, zij had nooit zelf gekraakt en ook niet deelgenomen aan Occupy. Zij kon echter wel goed boeren en begon een wedstrijd met Sjoerd in wie dat het hardst en het langst kon doen. Greet vond het vervelend dat het stel van de gehele situatie een grap maakte, maar waagde nog wel een poging. Ze begon over het ‘Black Block’ (in het zwart geklede gemaskerde autonomen, red.), of Sjoerd wilde doorgeven bij welke demonstraties het ‘Black Block’ aanwezig zou zijn, dat zou al een heleboel schelen. Ze bleek ook geïnteresseerd in namen en rugnummers van ‘Black Blockers’. Greet wilde daar zeker voor betalen, eventueel in natura in de vorm van een leuke party voor een bedrag tussen de 50 en de 100 euro.

Gaandeweg het gesprek vond Sjoerd het wel welletjes. Vanwege de meligheid en het ongemakkelijke gevoel over het verklikken, zag Sjoerd het helemaal niet meer zitten om met Greet verder te praten. Hij had het gevoel dat hij deelnam aan een gesprek waar hij eigenlijk niet thuishoorde. Greet bleef aanhouden, ze zei dat hij erover kon nadenken en dat hij haar altijd kon bellen als hij van gedachten zou veranderen. Sjoerd wilde zo snel mogelijk weg en maakte haar duidelijk dat hij absoluut niet met de politie wilde samenwerken.

In de weken daarna stuurde Sjoerd haar zo nu en dan een bericht als hij ’s avonds laat thuiskwam. Hij sms’te Greet dan ‘hoi’ en dan antwoordde zij met de vraag ‘zeg het eens?’ Heel diep ontwikkelde de communicatie zich verder niet. Sjoerd sloot het altijd af met ‘doei’ en na verloop van tijd hield hij op met communiceren met de spionne. “Ik heb sindsdien geen last meer gehad van Greet, maar haar nummers zijn 0628630364 en 0651331895, voor wie eens met haar wil communiceren over de politie en de regio Gelderland”, aldus Sjoerd. Achteraf denkt Sjoerd dat hij benaderd werd omdat hij in de cel zat en omdat hij regelmatig was geïnterviewd in kranten en op de lokale tv.

Buro Jansen & Janssen
25 maart 2015

Find this story at 25 March 2015

Top-secret MI5 files released online to mark first world war centenary

Spies such as Mata Hari, heroic nurse Edith Cavell, suffragette Sylvia Pankhurst and the Boy Scouts feature in documents

Exotic spies, heroes, and known and suspected communists feature in top-secret MI5 files available online for the first time on Thursday to mark the 100th anniversary of the first world war.

Mata Hari, Edith Cavell, Sir Roger Casement, Arthur Ransome, Sidney Reilly, a leading suffragette and the Boy Scouts were among those MI5 kept under surveillance in its early years as Britain’s Security Service.

Mata Hari, one of history’s most celebrated honey-trap spies, first came to MI5’s attention in December 1915 when she arrived at Folkestone on the Dieppe boat train. She admitted her destination was The Hague to be near her lover Baron Van der Capellen, a colonel in the Dutch Hussars.

The following year, MI5’s informant in The Hague, codenamed “T”, reported: “Mata Hari is a demi-mondaine who is in relation with highly placed people and during her sojourn in France she made the acquaintance of many French and Belgian officers. She is suspected of having been to France on an important mission for the Germans.”

In November 1916, questioned by MI5, Mata Hari claimed that a French consul in Spain had subsequently asked her to go to Austria to spy on that country’s forces.

A renowned dancer, Mata Hari was a Dutch divorcee born Marguerite Gertrude Zelle in the Dutch East Indies. A French intelligence report dated 22 May 1917, shown to a MI5 officer in Paris, noted: “Mata Hari today confessed that she has been engaged by Consul Cremer of Amsterdam for the German Secret Service. She was paid 20,000 francs in advance.”

She was shot by a French firing squad in 1917.

Edith Cavell, a British nurse at a Red Cross hospital in Belgium, was executed by a German firing squad in October 1915 for helping 200 allied soldiers to escape. The files in the National Archives show that British diplomats clung to the hope that Germany would not execute a woman who was regarded as a heroine.

An MI5 agent in Liège said he had been told by a reliable source that “the two spies who denounced Nurse Cavell have both been killed, one by a bullet in the head, the other by a dagger thrust in the chest”.

Sir Roger Casement, a British consul in Africa and South America knighted for his work in exposing the exploitation and slaughter of Africans and South American Indians, and Sidney Reilly, a naturalised Russian Jew dubbed the Ace of Spies, are other victims of espionage who feature among the 150 MI5 files.

Casement was arrested on a beach in Co Kerry, three days before the 1916 Easter rising, after landing in a boat that had picked him up from a German submarine. A trawler accompanying the submarine and carrying 20,000 guns was scuttled after being intercepted.

The MI5 documents show Casement knew the Easter rising was doomed to failure after Germany reneged on its promises to send troops to help the rebels. The UK government used his “black diaries” to smear him and sabotage a campaign to save his life.

“I have done nothing dishonourable, as you will one day learn,” he told Frank Hall, a senior MI5 officer. Casement was hanged in Pentonville prison on 3 August 1916.

Reilly was recruited to work for the British secret intelligence service, MI6. When he died in 1925 the Russians claimed a guard had shot him as he crossed the border with Finland. MI5 documents suggest he was executed by Bolsheviks in 1925.

Reilly had many wives, according to MI5. A Special Branch informer reported that his second wife, actress Pepita Bobadilla, went to the Russian embassy in Paris following his death. As she applied for a visa, she told the Russians her husband had been “spying for the British government”.

Arthur Ransome, author of Swallows and Amazons, caught MI5’s attention as correspondent for the Manchester Guardian in Moscow who married Trotsky’s secretary, Evgenia Petrovna Shelepina.

British officials told MI5 that Ransome was “exceedingly clever and interesting fellow – but an out and out Bolshevist”. The British consul and MI6 officer in Moscow, Robert Bruce Lockhart, soon corrected them. Ransome, who was given the codename S76, was a valuable intelligence asset during the chaos of the Russian revolution, he said.

The files include one on the suffragette Sylvia Pankhurst, one of MI5’s later targets. MI5 noted that in 1940 she wrote to Viscount Swinton, chairman of a committee investigating Fifth Columnists, sending him a list of active Fascists still at large and of anti-Fascists who had been interned. A copy of the letter includes a note by Swinton, saying: “I should think a most doubtful source of information.”

The files also show how MI5 was concerned that the Boy Scouts were being infiltrated by Communists after the first world war.

The files can be accessed at the National Archives link – First World War 100.

Richard Norton-Taylor
The Guardian, Wednesday 9 April 2014 22.43 BST

Find this story at 9 April 2014

© 2014 Guardian News and Media Limited or its affiliated companies. All rights reserved.

Condemned spy Mata Hari glib during final interrogation: MI5 files (2014)

World War I spy Mata Hari refused to fully confess to espionage before facing French firing squad in 1917.

Mata Hari was a wildly-popular Dutch exotic dancer, who was executed as a German spy in 1917.

The spy known as “Mata Hari” was glib in her final prison interrogation before her life ended in front of a French firing squad in the First World War, according to formerly top secret files from the British intelligence agency MI5.
Mata Hari, once a wildly popular Dutch exotic dancer, didn’t appear fazed when an interrogator confronted her with a long list of her lovers, an MI5 report released earlier this month states.
“When faced with her acquaintances with officers of all ranks and all nations, she replied that she loved all officers, and would rather have as her lover a poor officer than a rich banker,” the MI5 files note.
Walking the Western Front:
• Where John McCrae wrote ‘In Flanders Fields’
• The ‘Trench of Death’
Her lovers included a wide range of ages and nationalities, including Germans, French, Russians, Swiss and Spaniards, the files state.
At the time of her execution on Oct. 15, 1917, in a muddy field outside Paris, she was accused of feeding Germany information that cost some 50,000 Allied troops their lives.
But two academics who have studied her case say they don’t believe she provided Germany with any useful information for its war effort.
“She really did not pass on anything that you couldn’t find in the local newspapers in Spain,” said Julie Wheelwright of City University in London, the author of The Fatal Lover: Mata Hari and the Myth of Women in Espionage.
Mata Hari was the stage name for Gertruda Margaretha Zelle, who was born July 8, 1876, in the Dutch East Indies to a Dutch father and a Javanese mother. Wheelwright said she became an exotic dancer after fleeing an abusive marriage.
Wheelwright described her as “an independent woman, a divorcee, a citizen of a neutral country, a courtesan and a dancer, which made her a perfect scapegoat for the French, who were then losing the war.”
“She was kind of held up as an example of what might happen if your morals were too loose,” Wheelwright said.
Wesley Wark, a security, intelligence and terrorism expert at the University of Ottawa, said Mata Hari provided France with a scapegoat when the country wrestled with emerging power for women and fears of losing the war.
“They needed a scapegoat and she was a notable target for scapegoating,” Wark said.
In the MI5 files, an intelligence officer sounds impressed with her attitude during her final days.
“She never made a full confession nor can I find … that she ever gave away anyone as her (accomplice),” the report states.
“She was a ‘femme forte’ and she worked alone,” the report concludes.
The newly released files show Mata Hari was trailed by Allied surveillance officers across France, Spain and England.
The officers noted that on Aug. 4, 1916, she wrote to a Don Diego de Leon and then met a Capt. Vladimir de Masloff, of the Russian army, stationed in France.
“He was very intimate with her from this date and constant letters pass between, he was her favourite lover,” the MI5 files state.
“Same day she met PROFESSOR MARIANI Captain Italian Army.”
While in custody in the ancient Prison de Saint-Lazare outside Paris, she admitted to having spied for the Germans, the MI5 files state.
A file dated May 22, 1917 states: “Matahari today confessed that she has been engaged in Consul CREMER of Amsterdam for the German Secret Service. She was paid 20,000 (francs) in advance and her number was H.21.”
That file also notes her German spymasters gave her vials of invisible ink.
Much of her prison interrogation statement concerns mundane thoughts, not troop movements.
Her MI5 file includes the note: “She had discussed the life led by people in Paris, as regards supply of food etc., had said that the English officers in Paris treated their French Allies badly, although the French went out of their way to treat them ‘like Kings’; that the French nation might live to regret that they had ever allowed the English into the country … .”
Even if she wanted to divulge information, there wasn’t much she could say, Wark said. “Politics wasn’t really part of her world.”
Accounts of her execution say she waved off the offer of a blindfold or the last sacrament. She was reportedly blowing a kiss — at her lawyer, a nun or the firing squad, depending on who’s telling the story — the instant her life ended.
Wheelwright thinks this was likely bravado on the dancer’s part.
“This was going to be her last performance and she was going to go out in style,” she said. “She was playing to the crowd, which is what she always did.”

By: Peter Edwards Star Reporter, Published on Thu Apr 24 2014

Find this story at 24 April 2014

© Copyright Toronto Star Newspapers Ltd. 1996-2014

MI5 watched Mata Hari (1999)

Mata Hari: beautiful exotic dancer turned espionage agent
Mata Hari, the glamorous World War I spy shot by the French in 1917, was watched by MI5 for two years, according to the newly released secret government papers.
The former wife of a Dutch army colonel, she was recruited by German intelligence while performing as a stripper in Berlin.

Special Report: Wartime Spies The sultry spy, who was notorious in prewar Paris for her exotic dancing and libidinous lifestyle, was interrogated twice by the British secret service but they could not force her to reveal her activities.

She later confessed all to French authorities and was executed. Her MI5 files note however that there was never any evidence that she passed on anything of military importance.

‘Unfavourable impression’

Mata Hari was born Margaretha Geertruida Zelle in Leeuwarden, The Netherlands.

She first attracted the suspicion of British officials in December 1915 and was arrested at the southern English port of Folkestone attempting to board a boat for France.

Under interrogation, she admitted she was heading for The Hague to live near her lover, a Dutch colonel. But MI5 could not pin anything further on her.

Her interrogator, Captain S S Dillon, noted at the time: “Although she had good answers to every question, she impressed me very unfavourably, but after having her very carefully searched and finding nothing, I considered I hadn’t enough grounds to refuse her embarkation.”

The report also noted that she was “handsome, bold … well and fashionably dressed” in a costume with “raccoon fur trimming and hat to match”.

Suspect

Mata Hari
MI5 decided to keep tabs
MI5 continued to monitored her after she settled in The Hague, and soon an informant revealed she was being paid by the German Embassy.

A February 1916 intelligence report noted that she was “in relation with highly placed people and during her sojourn in France she made the acquaintance of many French and Belgian officers”.

“She is suspected of having been to France on important mission for the Germans,” the report said. The report concluded that the matter was being followed up.

Wrongly suspected

In November 1916, British authorities removed Mata Hari from a steamer at the port of Falmouth en route from Spain to Holland, believing she was another German spy, Clara Benedix.

She was taken, along with her 10 travelling trunks, to be interviewed by MI5 and the police. She told them she had been recruited by a Belgian officer, to work for his country’s intelligence service.

She also alleged that the French consul in Vigo, Spain, had asked her to spy on Russian forces in Austria.

Death by firing squad

Once again there was insufficient evidence to detain her and she was sent back to Spain.

The following year she was arrested by the French authorities, court martialled and sentenced to death by firing squad.

A French intelligence report shown to MI5 noted: “Mata Hari today confessed that she has been engaged by Consul Cremer of Amsterdam for the German Secret Service.”

She admitted sending “general information of every kind procurable,” but mentioned no military secrets, it said.

Tuesday, 26 January, 1999, 23:22 GMT

Find this story at 26 January 1999

© BBC

‘Gaan jullie stenen gooien?’ Inlichtingenoperatie rondom studentenprotest

Dat studenten actie voeren tegen aangekondigde bezuinigingen op het onderwijs is van alle tijden. Daar is niets staatsondermijnend aan. Des te meer opmerkelijk dat diverse actieve studenten gedurende de acties en betogingen door de Regionale Inlichtingendienst en geheime dienst AIVD benaderd zijn met de vraag informant te worden.

Eind 2009 stak er langzaam een storm van protest op tegen de bezuinigingen in het onderwijs. Al jaren wordt er zowel binnen de politiek als vanuit wetenschappelijke hoek geroepen dat er geïnvesteerd moet worden om het Nederlandse onderwijs op peil te houden. De regering van CDA en VVD met gedoogpartner PVV vindt echter dat ook het onderwijs moet korten in verband met de algemene economische malaise. De studentenbonden, maar ook docenten keerden zich tegen het beleid van staatssecretaris Zijlstra van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

Naast de ‘officiële’ organen van studenten (LSVB en IOS) en de jongerenorganisaties van enkele politieke partijen (Dwars en Rood) ontstond er een keur aan actiegroepen. Verspreid over het land richtten studenten clubs op als de Kritische Studenten Utrecht (KSU), Kritische Studenten Nijmegen Arnhem (KSNA), Kritische Studenten Twente (KST), Professor Protest (Amsterdam), SACU (Studenten Actie Comité Utrecht), Onderwijs is een Recht (OIER, Landelijk) en de comités SOS Nijmegen en SOS Amsterdam.

Actiegolf

Vanaf april 2010 tot de zomer van 2011 spoelde een golf aan acties over het land. Ludieke acties op straat of in universiteiten, bezettingen van hogescholen en faculteiten en demonstraties in verschillende steden. In het najaar van 2010 nam het protest in omvang toe en in januari 2011 demonstreerden ruim 10.000 studenten tegen de bezuinigingen.

Doel van de acties was van meet af aan duidelijk: geen kortingen op het onderwijs, zeker in een tijd dat de werkloosheid toeneemt. Ook al leefde er groot ongenoegen over het kabinet en gedoogpartner PVV, de regering omverwerpen was nooit een doelstelling. Oppositiepartijen en universiteits- en schoolbesturen verzetten zich samen met de studenten.

Nu lopen ludieke acties, bezettingen en demonstraties wel eens uit de hand, maar zoals onderzoek van Buro Jansen & Janssen naar demonstratierecht in Den Haag heeft uitgewezen, gebeurt dit zelden. Als er al ongeregeldheden plaats vinden, zijn lang niet altijd de actievoerders de schuldigen. Veelal is het ook te wijten aan het optreden van de politie. Bij grote demonstraties is vaak ook een overmacht aan mobiele eenheid aanwezig. De laatste jaren blijven ernstige rellen dan ook uit.

Begin 2011, op het hoogtepunt van de protestgolf, deed zich echter iets geks voor. Op de ochtend van vrijdag 21 januari meldde VVD-burgemeester Van Aartsen aan de NOS dat ‘de gemeente Den Haag aanwijzingen had dat radicalen de studentendemonstratie van vandaag willen verstoren’. Van Aartsen zei dat de politie die aanwijzingen baseerde op informatie afkomstig van ‘open en gesloten bronnen’.

Tijdens die demonstratie vonden er enkele schermutselingen plaats, maar of daar de ‘radicalen’ bij betrokken waren waar Van Aartsen eerder die dag op doelde, bleef onduidelijk. De open bronnen zouden websites, pamfletten en allerlei bladen zijn. Bij gesloten bronnen kan het gaan om telefoon en internet taps, observaties, maar ook informanten en infiltranten.

Zoals verwacht vond er een relletje plaats op het Plein voor het Tweede Kamergebouw en op het Malieveld. De politie meldde dat een deel van de aangehouden jongeren deel uit zou maken van radicale groeperingen. Volgens burgemeester Van Aartsen waren de arrestanten leden van de linkse groep Anti-Fascistische Aktie, zo meldde de NOS die avond.

Radicalen

Volgens de demonstranten liepen er tijdens de betoging veel agenten in burger mee en was de ME dreigend aanwezig. Dit kan het gevolg zijn geweest van de dreigende taal van de burgemeester. De ‘radicalen’ moesten per slot van rekening in de gaten worden gehouden. Van de 27 verdachten (cijfers van de politie) werden er nog op dezelfde dag 22 vrijgelaten.

Vijf verdachten werden maandag 24 januari voorgeleid. Volgens het openbaar ministerie bevonden zich hieronder ‘enkele niet-studenten’. Het zou gaan om een 27-jarige man uit Spanje, een 22-jarige man uit Haarlem, een 21-jarige Amsterdammer, een 26-jarige inwoner van Wassenaar en een 18-jarige Delftenaar.

Het OM maakte niet duidelijk wie nu wel of niet student was. Een HBO-student Arts and Sciences kreeg 8 weken onvoorwaardelijk opgelegd, een student politicologie en geschiedenis 80 uur werkstraf, een bouwkundestudent 40 uur werkstraf en een student toerisme een boete van 500 euro.

Alle verdachten en advocaten spraken van excessief politiegeweld. “De ME mishandelde vrouwen en kinderen” en “ik smeet vrijdag een aantal stenen, nee, geen bakstenen, naar de ME, omdat het geweld dat de politie gebruikte me diep schokte.” De rechter moest toegeven dat het optreden van de politie “niet de schoonheidsprijs verdiende.”

De veroordeelden waren allemaal studenten, zelfs de Spanjaard. Waarom logen burgemeester, politie en OM zowel voor als na de demonstratie over ‘radicalen’? Bespeelden zij de media om zo studenten in een verkeerd daglicht te plaatsen? En waar kwamen die radicalen plotseling vandaan? Na de demonstratie waren de radicalen volgens de burgemeester deelnemers aan de actiegroep AFA. Welke kennis had de politie en vanwaar werd die ingezet?

De gebeurtenissen rondom de demonstratie van 21 januari richtte de aandacht op iets dat al maanden aan de gang was. Vanaf het begin van de studentenprotesten is de overheid bezig geweest om het verzet in kaart te brengen, studenten te benaderen, informanten te werven, te infiltreren en zicht te krijgen op verschillende groepen. Niet de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) of het Interstedelijk Studenten Overleg (IOS) zouden een gevaar vormen, maar andere ‘radicalere’ studentikoze actiegroepen.

Benadering

In april en mei 2010 werd ‘Marcel’ gebeld door een man die zei dat hij van de recherche was en zichzelf Veerkamp noemde. Van welke afdeling en in welke hoedanigheid de beambte contact opnam, vertelde hij niet. Veerkamp werkt echter voor de Regionale Inlichtingendienst Utrecht, zoals uit een andere benadering blijkt. (zie Observant 58, Voor de RID is Griekenland ook een gevaar). De ‘rechercheur’ wilde graag geregeld contact met Marcel.

Marcel is student en actief voor het Studenten Actie Comité Utrecht (SACU) dat nauw samenwerkt met de Kritische Studenten Utrecht (KSU). Beide actiegroepen richten zich op de bezuinigingen op het onderwijs, maar plaatsen die tevens in maatschappelijk perspectief. Naast bezettingen, demonstraties en acties organiseerden ze ook debatten, lezingen en discussies. De kritische studentengroepen hielden een weblog bij met verslagen, agenda en discussie, een open structuur.

De man van de ‘recherche’ wilde van Marcel uit eerste hand weten wat de Utrechtse studenten de komende tijd gingen doen. “Zij wilden graag weten wat ze van ons konden verwachten”, vat Marcel het telefonische onderhoud samen. Marcel vond het nogal vreemd dat de man hem benaderde. Voor demonstraties werd openlijk opgeroepen en de groep meldde deze zelfs bij de politie aan. Waarom zou hij dan achter de rug om van andere studenten met deze man gaan praten?

Al snel werd duidelijk waar het de man om te doen was. Tijdens een van de twee gesprekken vroeg hij Marcel of ze van plan waren om stenen te gaan gooien tijdens studentendemonstraties. Marcel was nogal overrompeld door deze vraag, het leek of de politie er op zat te wachten. Alsof er een behoefte bestond van de zijde van de overheid om de studenten te criminaliseren.

AFA

Waarom wordt een student in Utrecht benaderd met de vraag of de studenten stenen zouden gaan gooien? Als Marcel de enige benaderde actievoerder was geweest dan is de conclusie simpel. De man die hem belde is wellicht werkzaam voor de Regionale Inlichtingendienst (RID) en was op zoek naar een contact binnen de kritische studentengroepen met het oog op mogelijke toekomstige ongeregeldheden. RID’ers hebben zo ook contacten met voetbalsupporters, zoals die van FC Utrecht.

Hoewel het personeel van de RID professionals zijn in het misleiden van mensen, kan de opmerking betreffende ‘stenen gooien’ een verspreking zijn geweest. De benaderde Marcel is echter geen uitzondering. ‘Peter’ werd in een eerder stadium gebeld door iemand van de overheid. Hij is student in Amsterdam en was actief voor de actiegroep Professor Protest. Het is niet duidelijk of de man die hem benaderde dezelfde persoon is geweest die Marcel heeft gebeld. Peter werd gevraagd om als informant te gaan werken. Hij voelde daar niets voor en verbrak de verbinding.

De combinatie van verschillende benaderingen, het bestempelen van elementen bij een studentendemonstratie als zijnde ‘radicaal’ en het benoemen van de ‘linkse groep Anti-Fascistische Aktie’ is te toevallig. In het deelrapport Ideologische Misdaad uit 2005 en 2007 van de KLPD worden deelnemers van AFA expliciet genoemd als ideologische misdadigers, mensen die worden verdacht van het plegen van een misdaad uit ideologische, politieke motieven.

Zodra activisten van AFA door politie worden gezien als ideologische misdadigers en door het landelijk parket gelijk worden gesteld aan roof misdadigers (Strategienota aandachtsgebieden 2005 – 2010) dan is een inlichtingenoperatie gericht op studenten een logisch uitvloeisel indien AFA-activisten ook student zijn en actief binnen die groepen. Daarbij passen benaderingen, infiltratie, aftappen, observaties en andere geheime methoden. Kritische studentengroepen plaatsen de strijd tegen de bezuinigingen van het kabinet in een breder perspectief.

Actieve studenten zijn soms ook politiek actief of strijden voor bijvoorbeeld dierenrechten, ondemocratisch Europa of bijeenkomsten van de G8 of G20. Het optreden van de overheid in deze doet sterk denken aan de inlichtingenoperatie van de BVD rond de Amsterdamse studentenbond ASVA in de jaren ’60 en ’70. Het verschil leek dat Marcel en Peter niet door de inlichtingendienst (de AIVD) zijn benaderd, maar door de ‘recherche’. De recherche zou dan misschien de Nationale Recherche zijn geweest vanwege de ‘ideologische misdaad’.

Geheime dienst

Nu is de wijze waarop prioriteiten gesteld worden aan het werk van politie en parket onderhevig aan politieke druk. Prioriteiten veranderen jaarlijks, afhankelijk van gevoerde discussies in de Tweede Kamer en de doelstellingen van een individuele minister. Het is echter moeilijk voor te stellen dat studentenprotesten plotseling als een belangrijk strategiepunt zijn benoemd voor de Nationale Recherche. Beleid verandert meestal traag, het duurt een tijd voordat het opsporingsapparaat zich gaat richten op een andere prioriteit.

Niet de Nationale Recherche zat dan ook achter de studenten aan, maar de geheime dienst. De benadering van ‘Karin’ onderstreept dit. Zij werd benaderd door iemand van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het functioneren van de AIVD. Marcel en Peter zijn waarschijnlijk benaderd door functionarissen van de Regionale Inlichtingendiensten van Amsterdam en Utrecht.

Probleem is dat inlichtingenfunctionarissen meestal niet te koop lopen met hun naam en het werk dat ze verrichten. Indien je als burger zelf niet vraagt met wie je van doen hebt, kunnen zij niet de beleefdheid opbrengen om duidelijk aan te geven dat zij voor een inlichtingendienst werken.

Karin is student aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zij is sinds eind 2010 betrokken bij het studentenverzet. In februari 2011 bezette zij samen met andere studenten het Bungehuis van de UvA. Aan de actiegroep waar zij deel van uitmaakte, Professor Protest, nam ook Peter deel.

Op 20 april 2011 werd Karin gebeld door een man die zich voorstelde als ‘Ivo Kersting’ (of Kertjens of Kerstman of Kerstland) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Haar mobiele nummer was niet gebruikt als perstelefoon dus Ivo moet haar nummer via het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) hebben verkregen.

Ivo belde vanuit Amsterdam met nummerherkenning en sprak Karin met haar voornaam aan. Zij was nogal overrompeld door het telefoontje. Hij vroeg of hij op een gelegen tijdstip belde waarop zij ontkennend antwoordde. Hij kon haar over een uur terugbellen, maar zei niet waarover. Karin vroeg het nog, maar Ivo zei, “nee, over een uur hoor je dat wel”.

Een uur later hing hij weer aan de lijn, nu zonder achternaam. “Hallo, weer met Ivo, van Binnenlandse Zaken. Wij zijn de studentenbeweging in kaart aan het brengen. Jij bent toch woordvoerder geweest van de Bungehuis bezetting? Je bent ons positief opgevallen, en je zou ons erg helpen als je met ons rond de tafel komt zitten om wat te debatteren over de studentenbeweging.”

Ivo heeft gedurende de telefoongesprekken op geen enkele manier uitgelegd wat voor functie hij op het ‘ministerie’ vervulde. Karin antwoordde dat ze geen tijd had en niet meer actief betrokken ws bij de studentenprotesten. Ivo leek een beetje van zijn stuk gebracht door haar resolute antwoord. “Oh, dat is jammer je zou ons echt enorm kunnen helpen, kan ik je niet overhalen?”, probeerde hij nog. Toen Karin ontkennend antwoordde, gooide hij zonder gedag te zeggen de hoorn op de haak.

Intimiderend

Medewerkers van de inlichtingendienst hebben de neiging zich boven de burger, de samenleving te plaatsen. Ze hebben toegang tot allerlei persoonlijke informatie waardoor mensen die benaderd worden zich erg geïntimideerd voelen. Karin vond de gesprekken met Ivo Kersting vervelend en intimiderend. Hij bleef aandringen, draaien, geveinsd vriendelijk doen en doordrammen terwijl zij toch duidelijk was met haar ontkenning.

Ivo belde namelijk na een paar minuten weer terug. Hij verontschuldigde zich niet dat hij zo onbeschoft de hoorn op de haak had gegooid, maar zei meteen dat ze geld kreeg voor deelname aan het gesprek. Hoewel Karin opnieuw zei niet mee te willen werken, bleef de functionaris aanhouden. “We kunnen ook in Amsterdam afspreken. Ben je in Amsterdam? Je woont toch in Amsterdam? Ik ben nu met een collega in de buurt dus dan zouden we even kunnen spreken?”

Blijkbaar wisten ze meer van haar dan ze hadden laten doorschemeren. Karin wees de agenten opnieuw af, maar op het drammerige af bleef Ivo aanhouden. “Anders spreken we af dat jij bepaalt waar en wanneer je af wilt spreken. Je zou ons echt enorm kunnen helpen.” De druk werd opgevoerd. Karin moest zich schuldig gaan voelen. Zij wilde niet meewerken terwijl Ivo en zijn collega zo redelijk waren.

Dat waren ze echter niet. Ze intimideerden haar en toonden geen respect voor haar standpunt. “Weet je wat, ik overval je nu natuurlijk. Misschien kan ik je anders volgende week bellen”, zei Ivo alsof hij haar ontkenning helemaal niet had gehoord. Opnieuw voor de tiende keer antwoordde Karin dat ze niet wilde afspreken, geen tijd en zin had.

Karin was overrompeld, maar was nee blijven zeggen. Achteraf realiseert zij zich dat ze blij was dat ze wist dat ze het volste recht had om te weigeren mee te werken. Na een spervuur aan vragen te hebben overleefd en geschrokken te zijn van de behandeling, bleef er alleen maar boosheid bij haar hangen. “Het is eigenlijk politie van de ergste soort omdat ze zich niet eens voordoen als politie, en het laten lijken alsof je gewoon een gezellig kopje koffie gaat drinken”, vat ze het maanden later samen.

“Veel studenten die benaderd worden zullen dusdanig geïntimideerd zijn dat ze gaan praten omdat ze niet durven te weigeren. Anderen zullen denken dat het om een gezellige discussie of om een debat gaat”, concludeert Karin. De geheim agenten gaven haar ook die indruk. “Ze deden alsof het heel erg zou helpen als ik met ze zou gaan debatteren over de studentenbeweging, alsof zij invloed hadden op de besluitvorming rondom de bezuinigingen”, voegt ze nog toe. Karin is er van overtuigd dat er zeker studenten zijn geweest die op het aanbod zijn ingegaan en met Ivo en zijn collega of andere functionarissen hebben gesproken.

Persoonsdossiers

Naast Marcel, Peter en Karin zijn er ook andere mensen benaderd vanaf het najaar van 2010 tot en met de zomer van 2011. Waarom wordt een inlichtingendienst ingezet tegen een groep studenten die protesteert tegen de bezuinigingen op het onderwijs? Niet om rellen te voorkomen, zoals bij voetbalsupporters. Bij risicowedstrijden communiceert de RID vooral met de burgemeester en met de driehoek over mogelijke ongeregeldheden, niet met de inlichtingendienst.

Dat er een uitgebreidere inlichtingenoperatie rondom de studentenprotesten op touw is gezet, maken de eerste stukken duidelijk die via de Wet openbaarheid van Bestuur (WoB) en de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) zijn verkregen. De RID van de regiopolitie Haaglanden heeft op 27 januari 2011 een nabeschouwing van de studentendemonstratie opgesteld voor het Algemeen Commandant van de Staf grootschalig en bijzonder optreden (AC SGBO).

Of dit rapport alleen naar de algemeen commandant is gegaan, valt te betwijfelen. Op 21 maart 2011 schrijft rapporteur ‘R: 15:’ van de RID Haaglanden het verstrekkingrapport 1414/11 aan de AIVD. Het rapport gaat over een studentendemonstratie van 25 maart 2011. Er wordt in gemeld wie de organisator was van de betoging, de route en het aantal te verwachten demonstranten. Onduidelijk is of er delen van het rapport zijn achtergehouden.

Evenmin duidelijk is hoelang de overheid studenten al in kaart aan het brengen is. Duidelijk is wel dat er persoonsdossiers zijn samengesteld van individuele actievoerders. Op basis van die dossiers is de claim van burgemeester Van Aartsen, de politie en het Openbaar Ministerie rond de demonstratie van 21 januari 2011 te begrijpen. Of er provocateurs van politie of inlichtingendienst, mensen die aanzetten tot geweld, tussen de demonstrerende studenten rond hebben gelopen, is niet duidelijk. Wel waren er veel agenten in burger op de been en de ME trad onnodig hard op.

Marcel, Peter en Karin zijn fictieve namen.

Find this story at 26 March 2012

Misleidende methode (NL 2003)

Ahmed was in Irak advocaat van iemand uit de `inner cicle’ van Saddam Hoessein. De CIA en de BVD waren zeer geïnteresseerd in zijn ervaringen en spraken hem meerdere malen na zijn aankomst in 1999 in Nederland. Ahmed vertelt: `”Natuurlijk”, zei meneer Bert van de BVD, “krijg je een verblijfsvergunning voor bewezen diensten.”‘ Eerst moest Ahmed echter alles wat hij wist netjes aan de geheime dienst vertellen. Zijn advocaat, mr. Schoorl uit Alkmaar, moest hem duidelijk maken dat de bvdgeen verblijfsvergunningen verstrekt.

Dit boek is een vervolg op De vluchteling achtervolgd, het in 1990 door Buro Jansen & Janssen uitgevoerde onderzoek naar de bemoeienissen van de BVD met vluchtelingen en asielzoekers. De belangrijkste conclusie van dat onderzoek was toen dat het voor de betrokken asielzoekers en vluchtelingen vaak erg onduidelijk en verwarrend was dat de bvdook via de politie opereert. Het onderscheid tussen de vreemdelingendienst van de politie (destijds verantwoordelijk voor procedures rond verblijfsvergunningen) en de inlichtingendienst (die mensen werft als informant) was niet altijd duidelijk. Omdat die twee functies in de praktijk vaak ook nog werden gecombineerd door een en dezelfde persoon, was het voor nieuwkomers extra moeilijk om erachter te komen waar ze aan toe waren.
Voor de betrokken asielzoeker betekende dit systeem van `dubbele petten’ dat er weinig overeind bleef van het officiële recht om medewerking aan het werk van inlichtingendiensten te weigeren. Helemaal omdat, zoals uit dat onderzoek bleek, middelen als intimidatie, bedreiging en misleiding (`Als je niet meewerkt, waarom zouden we je dan een asielstatus verstrekken?’) niet werden geschuwd.
De vluchteling achtervolgd deed bij verschijning in 1991 behoorlijk wat stof opwaaien. Er was veel media-aandacht voor het onderzoek en het leidde tot Kamervragen. Het boekje zorgde voor verspreiding van kennis over de risico’s van samenwerking met inlichtingendiensten.

Nieuw onderzoek

Tien jaar later is er veel veranderd, maar de pogingen om asielzoekers en migranten te werven als informant gaan door. De politieke verhoudingen in de wereld hebben zich gewijzigd: het zijn nu andere landen waar vluchtelingen vandaan komen, en ze komen deels om andere redenen. Tegelijkertijd staan terrorisme en mensensmokkel hoog op de politieke agenda. De asielprocedures zijn aangescherpt en het is nu niet langer de Vreemdelingendienst maar de Immigratie- en Naturalisatiedienst IND, van het ministerie van Justitie) die verantwoordelijk is voor de toelatingsprocedure. De IND heeft haar eigen Bureau Bijzondere Zaken voor onderzoek naar asielzoekers die van een misdrijf worden verdacht, en om de inlichtingendiensten van interessante informatie te kunnen voorzien.
In dezelfde periode is het werk van inlichtingendiensten en het opsporingsonderzoek van politie en justitie naar elkaar toe geschoven, deels overlapt het elkaar zelfs. Dit levert onduidelijke situaties op waar ook asielzoekers en migranten mee te maken kunnen krijgen. Zo let de AIVD niet langer alleen op de politieke achtergrond van asielzoekers en migranten (een inlichtingentaak), de dienst doet ook onderzoek naar mensensmokkel en georganiseerde misdaad (meer opsporingswerk). Dit alles in nauwe samenwerking met gespecialiseerde politiediensten binnen heel Europa.
De afgelopen jaren zijn de procedures voor een verblijfsvergunning in Nederland strenger geworden, en de mogelijkheden er een te krijgen kleiner. Voor asielzoekers, die toch al in een kwetsbare positie verkeren, werd de afhankelijkheid van Nederlandse instanties daardoor versterkt. Tegen deze achtergrond waren wij benieuwd hoe het nu toegaat bij het benaderen van asielzoekers.

Openlijke controle

Dit hernieuwd onderzoek naar de bemoeienissen van inlichtingendiensten met asielzoekers en migranten vond plaats vanuit de doelstelling die Buro Jansen & Janssen al jarenlang nastreeft: meer openheid over en controle op politie, justitie en inlichtingendiensten. Zonder publicatie van praktijken die anders geheim zouden blijven, is geen openbare controle mogelijk.
Daarnaast streven we naar de versterking van de positie van asielzoekers, die zich tijdens de procedure voor een verblijfsvergunning in een onzekere positie bevinden. Voor hen moet duidelijk zijn wanneer ze met de IND te maken hebben inzake hun eigen asielverzoek, en wanneer het belang van inlichtingendiensten vooropstaat. Met deze publicatie in de hand kunnen advocaten, vluchtelingenorganisaties en andere belangenbehartigers een asielzoeker die benaderd is beter bijstaan of, zo mogelijk, voorkomen dat het zover komt.
Dit boek Misleidende Methode begint met enige achtergrondinformatie over de positie van asielzoekers in Nederland en de procedures waarmee ze te maken krijgen. Hoofdstuk 2 gaat over de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De IND speelt een centrale rol in de asielprocedure en het horen van asielzoekers. Wat gebeurt er met de informatie uit de vertrouwelijke gehoren van asielzoekers? Welk onderzoek doet de IND zelf? En wat is hierbij de rol van het Bureau Bijzondere Zaken van de IND? Voor welke asielzoekers bestaat bijzondere belangstelling?
Centraal in hoofdstuk 3 staat de BVD(tegenwoordig AIVD)en de manier waarop deze dienst informatie verzamelt onder vluchtelingen. Wie benadert de BVD, en waarom juist deze mensen? Op welke manier gebeurt dat, en zijn degenen die benaderd worden om informatie te leveren gezien hun (kwetsbare) positie in staat om medewerking te weigeren? Is het voor hen mogelijk een inschatting te maken van de gevolgen van het praten met de BVD?
In hoofdstuk 4 onderzoeken we de samenwerking tussen de verschillende diensten die zich bezighouden met het verzamelen van informatie over asielzoekers en migranten. De IND, haar afdeling Bureau Bijzondere Zaken, de BVD, de Vreemdelingendienst en buitenlandse inlichtingendiensten azen allemaal op bepaalde informatie. Hoe werken zij samen? In hoeverre hebben zij toegang tot elkaars informatie, en is er overleg? Is deze samenwerking inzichtelijk en controleerbaar, of kunnen asielzoekers en migranten alleen maar hopen dat informatie over hen niet bij de inlichtingendienst van hun land van herkomst terechtkomt?
In de conclusies komen de lijnen uit de voorgaande hoofdstukken samen en kijken we naar de ontwikkelingen op dit gebied die plaatsvonden in de onderzoeksperiode, van de publicatie van De vluchteling achtervolgd (begin jaren negentig) tot in het begin van de nieuwe eeuw. Wat is er in die tijd veranderd? En waar gaat het naartoe?

Verantwoording
Tot slot een verantwoording over de gebezigde onderzoeksmethoden en bronnen. We hebben gebruikgemaakt van informatie die openbaar was en informatie die we met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur openbaar hebben gemaakt (zie literatuurlijst).
Daarnaast hebben we voor dit onderzoek honderden telefoontjes gepleegd: met asielzoekers, vluchtelingen en migranten, met advocaten, vluchtelingen- en migrantenorganisaties, met deskundigen van universiteiten en met journalisten. In enkele tientallen gevallen leidde dit tot gesprekken met de asielzoeker en/of migrant zelf of zijn belangenbehartiger. Sommigen van hen zijn met naam en toenaam terug te vinden in de voorbeelden die dit boek illustreren, anderen bleven om begrijpelijke redenen liever anoniem.
Het was niet makkelijk om met asielzoekers te spreken over hun ervaringen met inlichtingendiensten. Sommigen waren bang dat dit gevolgen voor hun procedure voor verblijfsrecht in Nederland zou hebben. Anderen waren bang voor repercussies uit de eigen gemeenschap als ze te boek kwamen staan als iemand die contacten met inlichtingendiensten had gehad. Vaak wilden mensen maar liever niet herinnerd worden aan die gesprekken.
We hebben ook veel migrantenorganisaties aangeschreven en gesproken. Politieke organisaties van bijvoorbeeld Turkse, Koerdische of Iraanse migranten hadden wel ervaringen met informanten, maar verkozen om daarmee niet in de openbaarheid te treden. Anders dan tien jaar geleden hadden ze er nu ieder hun eigen reden voor om de zaken in eigen kring af te handelen.
Degenen die wel met ons spraken, deden dat omdat ze het belangrijk vonden hun teleurstelling en frustratie over de werkwijze van inlichtingendiensten met andere vluchtelingen(organisaties) te delen. Sommige verhalen mochten we slechts als achtergrondinformatie gebruiken, andere konden wemet of zonder de naam van degene die het betrof publiceren. Instemming van de betrokkenen stond voor ons voorop bij het maken van dit boek.

Een van onze informatiebronnen vraagt om wat nadere toelichting, en dat is Hilbrand Nawijn. Het is van belang te weten dat wij voor dit onderzoek met hem spraken in augustus 2001. Hij was toen vreemdelingenadvocaat; daarvoor was hij jarenlang directeur van de IND. Na het gesprek is hij een paar maanden minister van Vreemdelingenzaken en Integratie geweest voor de Lijst Pim Fortuyn, de [kk]lpf[kx]. Nawijn gaf ons achtergrondinformatie over het functioneren van Bureau Bijzondere Zaken van de IND.

Opvallend is dat we vooral met mannen gesproken hebben. Onduidelijk is of de inlichtingendiensten vooral mannen benaderen, bijvoorbeeld omdat die vaker `interessante’ functies in het leger hebben, en wij dus bij navraag naar deze gesprekken automatisch bij mannen terechtkwamen. Het kan ook zijn dat vrouwen die benaderd zijn hierover geen contact hebben gezocht met bijvoorbeeld hun advocaat, waardoor hun verhaal onbekend bleef.

Hoofdstuk 1
De procedure

Hoofdstuk 2
Het hemd van het lijf gevraagd: de IND op het inlichtingenpad

Hoofdstuk 3
Asielzoekers bespied

Hoofdstuk 4
Samen weten we nog net iets meer

Conclusie

Nawoord

Tips

Find misleidende methode

Find vluchteling achtervolgd

Find a report of the CTIVD

Ideologische orde: Gaan we protesteren? Inlichtingenoperatie studentenprotesten ‘Gaan we stenen gooien?’ deel 2

Diverse studentendemonstraties van de afgelopen jaren werden in potentie als het plegen van een misdrijf beschouwd, zo blijkt uit documenten die J&J in handen kreeg via de Wob. Bescherming van de openbare orde komt steeds meer in het teken te staan van het verzamelen van inlichtingen zonder dat hierbij duidelijk wordt waarvoor, en wat er mee gebeurt. Burgemeesters, College van B&W’s en gemeenteraden weten niets van deze operaties af.

Van eind 2009 tot de zomer van 2011 demonstreerden studenten en docenten tegen de bezuinigingen in het onderwijs. In die periode werden diverse actieve studenten in Utrecht en Amsterdam benaderd door de inlichtingendienst.

In het eerdere artikel ‘Gaan we stenen gooien?’ worden deze benaderingen in verband gebracht met het persbericht van de operationele driehoek van Den Haag van 20 januari 2011. De avond voorafgaande de demonstratie meldde burgemeester Van Aartsen namelijk dat ‘de gemeente Den Haag aanwijzingen had dat radicalen de studentendemonstratie van vandaag willen verstoren’. De burgemeester zei dat de politie die aanwijzingen baseerde op informatie afkomstig van ‘open en gesloten bronnen’.

Tijdens de demonstratie op die dag vonden er enige schermutselingen plaats op het Plein voor het Tweede Kamergebouw en op het Malieveld. De NOS meldde dat volgens de driehoek de 27 verdachten (cijfers van de politie) leden zouden zijn van de linkse groep Anti-Fascistische Aktie (AFA). Van de 27 verdachten werden er nog op dezelfde dag 22 vrijgelaten.

Inlichtingenoperatie

Naast deze benaderingen bleek het politie-apparaat een inlichtingenoperatie op touw te hebben gezet waarbij niet alleen studenten, maar ook politieke partijen in de gaten werden gehouden. Namen van sprekers en ‘bekende’ actievoerders werden aan het dossier toegevoegd om de ‘radicale’ claim van burgemeester Van Aartsen te onderbouwen.

Al die inlichtingen bleken echter boterzacht, zoals Van Aartsen in de operationele driehoek van donderdag 20 januari 2011 moest toegeven: “De burgemeester geeft aan dat hij de verstrekte informatie van de AIVD onbevredigend vindt en schorst het driehoeksoverleg.” De burgemeester belde de baas van de AIVD die meldde dat hij “niet meer informatie kan verstrekken, anders dan dat het om personen van AFA zou gaan die naar Den Haag zouden willen komen.”

De chef van de AIVD zou tijdens het telefoongesprek met Van Aartsen hebben gezegd dat “Zij [antifascisten, red.] de neiging zullen hebben om zich te mengen onder de demonstranten en gewelddadig willen optreden.” Zodra het driehoeksoverleg werd hervat, deed een van de directeuren van politie Haaglanden er nog een schepje bovenop: “Daaruit (diverse open bronnen) blijkt dat meerdere personen zich mogelijk radicaal willen manifesteren.”

Eerst vond Van Aartsen de AIVD-informatie onbevredigend, wist de politie van niets en enkele minuten later was er sprake van dat de horden “van een vijftal groepen met een verschillende achtergrond, maar alle van linkse signatuur” de volgende dag de stad zouden bestormen. “Daaronder zijn anarchistische en antiglobalistische groeperingen met een extreem karakter”, voegde de politie er nog aan toe.

Scenario’s werden aangescherpt. Tijdens het driehoeksoverleg werd een persbericht opgesteld. ‘De Haagse Driehoek heeft aanwijzingen dat radicale groeperingen de studentendemonstratie van vrijdag willen aangrijpen om de openbare orde in Den Haag te verstoren.’ De bronnen van de Driehoek waren ‘gesloten en open bronnen.’ Dit suggereerde dat de inlichtingendienst over informanten beschikte en dat er actief op internet en in actiecentra was gezocht naar oproepen om te gaan rellen.

Uit de laatste alinea van het verslag van de driehoek van 20 januari 2011 blijkt echter dat er geen enkele aanwijzing was dat radicalen de demonstratie zouden verstoren: ‘De driehoek besluit voorts dat de burgemeester een noodbevel zal uitvaardigen, indien er concrete aanwijzingen zijn dat bepaalde personen die op de demonstratie afkomen de orde daadwerkelijk gaan verstoren en de politie voorts verwacht dat het uitvaardigen van een noodbevel ondersteunt bij het aan kunnen houden van dergelijke personen.’

Een opruiend persbericht van de gemeente Den Haag over ‘radicalen en een studentendemonstratie’, insinuaties van de AIVD, een politie die gespannen de demonstratie tegemoet trad en volgens de rechter weinig hoffelijk met de demonstranten omging en benaderingen van studenten door inlichtingendiensten in diverse steden. Wat ging er vooraf aan de demonstratie van 21 januari 2011 en wat speelde zich af in 2010 en 2011 rond de protesten van studenten en docenten tegen bezuinigingen in het onderwijs?

Anarcho-extremisten

Jaarlijks slaat de inlichtingendienst AIVD alarm over het gevaar voor de democratische rechtsorde door toedoen van Antifascistische Actie (AFA). In het jaarverslag over 2009 wordt gemeld dat ‘de dreiging uit de kleine kring extremisten rond Antifascistische Actie onverminderd hoog blijft. Die kern is in 2009 niet gegroeid, maar de aanhang die zij weet te genereren wel. De harde kern van AFA omvat enige tientallen personen.’

In 2010 maken de antifascisten deel van een groter contingent van activisten: ‘De AIVD heeft in 2010 geconstateerd dat sprake is van toenemende samenwerking tussen de verschillende linkse actiegroepen. Dat wil zeggen dat het onderscheid tussen de groeperingen die zich richten op antifascisme, antiglobalisering, milieu, dierenrechten en – in mindere mate – op asiel- en vreemdelingenbeleid, vervaagt.’

Het jaar daarop heeft de dienst een term gevonden voor deze multi-activisten: ‘anarcho-extremisten’. ‘Anarcho-extremisten zijn op vele terreinen en in diverse samenstellingen actief. Zo waren begin 2011 Amsterdamse anarchisten met AFA-Den Haag nauw betrokken bij de uit de hand gelopen studentendemonstratie in Den Haag’ (jaarverslag AIVD 2011).

In 2012 wordt het anarcho-extremisme direct gekoppeld aan een nieuwe ideologie, het vandalisme. ‘In 2012 zag de AIVD uit anarcho-extremistische hoek voornamelijk vandalisme bij diverse objecten in verband met hun ‘antikapitalistische’ strijd. Anarcho-extremisten hebben in 2012, in het kader van hun ‘internationale solidariteit’, diverse activiteiten ondernomen.’

Het noemen van de studentendemonstratie in Den Haag in het jaarverslag van 2011 past naadloos bij de term ‘multi-activisten’ dat voortkomt uit AFA, of in ieder geval de antifascisten. De dienst is ook trots op haar informatie-positie en geeft zichzelf een schouderklopje: ‘De AIVD heeft in het onderzoek naar antifascisme nauw contact gehad met de RID.’ [Regionale Inlichtingendienst, red.]

De activiteiten van de AIVD en RID resulteerden in het in goede banen leiden van de verschillende dreigende confrontaties tussen antifascisten en extreem-rechts (AIVD jaarverslag 2009). Niet alleen de RID wordt bij de strijd tegen de anarcho-extremisten betrokken, ook de wetenschap: ‘De AIVD heeft in 2010 gewerkt aan een grotere doelmatigheid door middel van systematische prioritering van onderzoeken, een betere samenwerking met enerzijds de Regionale Inlichtingendiensten en anderzijds buitenlandse diensten, en door vaker aansluiting te zoeken bij de wetenschap (academic outreach).’ (AIVD jaarverslag 2010)

Daarnaast werd het onderscheid tussen het verzamelen van informatie ten behoeve van het openbare orde- en inlichtingenbeleid ten aanzien van politiek actieve groeperingen steeds diffuser. Dreiging is het toverwoord in het project RID 2015: ‘De vorming van de nationale politie en de organisatorische veranderingen die hiervan het gevolg zijn hebben mede geleid tot een heroriëntatie op de samenwerking met de Regionale Inlichtingendiensten. Het project RID2015 moet ertoe leiden dat de inzet van de RID ten behoeve van het vroegtijdig onderkennen van opkomende dreigingen in de regio efficiënter wordt.’ (AIVD jaarverslag 2011).

Zoals verschillende studentenorganisaties zich voorbereidden op de landelijke demonstraties in Den Haag en Amsterdam, zo werkten de politie en de inlichtingendiensten aan het koppelen van studenten aan antifascisten of anarcho-extremisten. Regiopolitie Utrecht PL0910 2010295357-1: ‘Vandaag was er een studenten demonstratie op de Uithof tegen de bezuinigingsplannen op het onderwijs. De demonstratie begon om 12.30 uur voor het Minnaert gebouw op de Leuvenlaan. Vanaf daar liepen ongeveer een kleine 200 demonstranten, voornamelijk studenten en een handjevol linkse betogers (type anarchist/kraker), in optocht in de richting van de Heidelberglaan.’

Het feit dat die ‘linkse’ demonstranten misschien ook studenten hadden kunnen zijn, kwam niet bij de functionarissen op. Enkele agenten ‘hebben een auto gecontroleerd met linkse demonstranten, geen studenten. In de auto, een Volkswagen Golf met het kenteken … zaten drie mannen en de bestuurder was … geboren in 1978. Zij kwamen vanuit Rotterdam om te demonstreren en liepen met een groot stuk karton met daarop een tekst (PL0910 2010295357-1).’

Geen incidenten

In het hele land werden in 2010 betogingen georganiseerd. Zoals op 21 mei op het Amsterdamse Museumplein waar rond de 5.000 mensen op afkwamen. De manifestatie en mars verliepen rustig. Er waren enkele ‘tegen demonstranten’ die pleitten voor afschaffing van de basisbeurs voor studenten.

Hoewel de demonstratie door de Amsterdamse Driehoek benaderd werd met termen als ‘dreigingsanalyse’, ‘Conflict en Crisisbeheersing’ en ‘Capaciteitsmanagement bewaken en beveiligen’ verliep het protest gemoedelijk. Er bleek in Amsterdam nog geen sprake van het opzetten van een inlichtingen-operatie, maar dit was wel de periode waarin de eerste studenten werden benaderd om als informant voor de inlichtingendiensten te komen werken.

Met een inlichtingen-operatie was men in Den Haag al wel begonnen. Op 10 februari 2010 demonstreerde een groep MBO-studenten in de hofstad waar 100 personen aan deelnamen. Het Haagse Bureau Regionale Informatie (BRI) had een informatierapport over de organisatoren en deelnemers samengesteld dat niet openbaar werd gemaakt door de Haagse politie. Ook voor een demonstratie op 25 maart 2010 (400 deelnemers) werd een zogenoemd verstrekkingsrapport opgesteld door BRI Haaglanden. Ook dit rapport werd niet openbaar gemaakt.

In het plan van aanpak voor de ‘manifestatie comité SOS 25 maart 2010’ wordt verwezen naar een spontane blokkade van het ministerie van OC&W enkele dagen eerder: ‘Op donderdag 18 maart 2010 vond een spontane demonstratie plaats van ongeveer 50 studenten. […] Hierop besloten het paraat Peloton in te zetten. […] Er hebben zich bij deze demonstratie geen noemenswaardige incidenten voorgedaan.’ Of deze spontane actie een trigger is geweest voor de politie om meer inlichtingen te kunnen verzamelen, is niet duidelijk.

Eigenlijk is het vreemd. Al geruime tijd vonden er geen incidenten plaats bij protesten tegen de bezuinigingen. Ook niet op 18 maart 2010: ‘Ik verbalisant vroeg aan … of het om een aangemelde demonstratie ging. Hij verklaarde dat het om een niet aangemelde, maar spontane demonstratie ging. Vervolgens heeft collega … telefonisch contact opgenomen met bureau Conflict en Crisisbeheersing van politie Haaglanden, welke op haar beurt middels de directie van politie Haaglanden in overleg met de burgemeester trad. De Burgemeester besloot dat de demonstratie per direct beëindigd diende te worden. Tevens besloot de burgemeester dat er proces-verbaal moest worden aangezegd, terzake het niet hebben kennis gegeven van een demonstratie. Persoon verklaarde: ‘Dit is een spontane en vreedzame demonstratie, om aandacht te vragen voor de kwaliteit van het onderwijs en het behoud van studiefinanciering’ (PL1512 2010059606-1 donderdag 18 maart 2010 omstreeks 08.30 uur).’

De student kreeg een boete voor het uiten van zijn mening, omdat de burgemeester van Den Haag niet tijdig op de hoogte was gesteld. Dat is naast een enkele bezetting (vaak met toestemming van de schoolbesturen) de enige ‘zware overtreding’. Het aantal demonstraties was aanzienlijk, ook de opkomst, maar incidenten bleven dus uit. Op 29 november 2010 demonstreerden 1.500 studenten op het Plein in Den Haag, op 8 december 200 docenten. In Utrecht demonstreerden op 10 december 200 studenten, op 16 december 30. In Arnhem gingen 10 december 500 studenten de straat op, in Amsterdam 5.000.

Internet surveillance

Waarom er inlichtingen worden verzameld rondom het buitenparlementaire protest van studenten en docenten, wordt ook niet duidelijk. De regiopolitie Gelderland Midden schrijft in het proces verbaal PL0745 2010137777-1 over een demonstratie van de Wageningse Studenten Organisatie dat ‘de sfeer goed was en er geen incidenten waren.’ Een deel van het proces-verbaal wordt echter geweigerd op grond van ‘toezicht, controle en inspectie’ en ‘opsporing en vervolging’.

Volgens de Arnhemse politie is ‘het optreden van de politie erop gericht de demonstratie in goede banen te leiden en het handhaven van de openbare orde (brief primaire beslissing 6 februari 2012).’ Waarom dan informatie achterhouden over een gemoedelijk verlopen manifestatie? Ook het mutatierapport en het journaal/de mutaties van het protest in Amsterdam op 10 december 2010 wordt niet verstrekt.

En waarom worden in het mutatierapport over een demonstratie in Nijmegen de namen van de sprekers vermeld? ‘Op vrijdag 10 december 2010 omstreeks 13:30 uur heeft er een demonstratie plaatsgevonden door het centrum van Nijmegen. De studenten zijn gestart op het stationsplein te Nijmegen. … [weg gelakt] heeft het openingswoord gedaan. Hierop volgend heeft meneer … (weg gelakt) gesproken (PL081A 2010123893-1).’

Bij protesten en maatschappelijke onrust kijkt de overheid steeds vaker naar ontwikkelingen op het internet, met name sociale media. In de loop van 2010 wordt ook dit een belangrijke informatiebron in verband met de studentenprotesten. Dit gaat soms fout waardoor de politie een verkeerde inschatting maakt van de omvang van een manifestatie.

Op 29 november 2010 komt de operationele Driehoek van Den Haag samen en concludeert: ‘Visser (van politie Haaglanden) dat door oproepen op het internet het aantal verwachte deelnemers aan de demonstratie aan de LSVB-SP en Studentenraad TU aanzienlijk is toegenomen: van oorspronkelijk 50 naar ruim 1000.’ Deze conclusie is vreemd aangezien er in een eerder stadium overleg is geweest met de organisatoren.

Ook bij andere demonstraties worden sociale media en het internet afgestruind voor aanvullende informatie. In combinatie met een vooringenomen inlichtingen- en politie-apparaat kan het volgende bericht op het Forum voor de Vrijheid (FvdV) de trigger zijn geweest voor het persbericht van de Burgemeester van Den Haag om radicalen en studenten aan elkaar te verbinden. ‘Laatste nieuws: de AFA komt ook, om te rellen’, bericht het forum op 20 januari 2011 om 16:07 uur. (http://forum-voor-de-vrijheid.nl/vrijheid/archive/index.php/t-24493.html)

Drie dagen later stellen Anarchistische Groep Nijmegen en Anti-Fascistische Actie in een gezamenlijk persbericht dat zij niet hebben opgeroepen om geweld te gebruiken bij de demonstratie tegen de bezuinigingen op het hoger onderwijs van 21 januari 2011 in Den Haag. Het persbericht kwam echter te laat om de spin van de operationele Driehoek (politie, justitie en openbaar bestuur) van Den Haag nog in het voordeel van de studentendemonstratie te laten draaien.

Politiek en anarcho-extremisme

De scheiding tussen het ‘handhaven van de openbare orde’ en ‘inlichtingen inzamelen in verband met de bescherming van de democratische rechtsorde’ is flinterdun. RID Gelderland Zuid maakte bijvoorbeeld een verstrekkingsrapport openbare orde op. Het rapport met het nummer 0018762 en betrouwbaarheidscode informatie B3 (meestal betrouwbaar, gehoord/bevestigd) gaat over een actieweek met een informatiemarkt, een publiciteitsact, een discussie- en filmavond en een menselijke ketting. Nu kan de openbare orde in het geding zijn geweest, maar om studentenprotest tegen bezuinigingen in het onderwijs meteen op te schalen naar een risicowedstrijd in het betaald voetbal is nogal overdreven. Een publiciteitsactie van Red Bull belandt ook niet op het bord van de RID.

Een jaar later, eind januari 2011 gebeurt eigenlijk hetzelfde in Den Haag. Nu met meer consequenties voor enkele studenten dan in februari 2010 in Nijmegen. Vanaf begin januari 2011 krijgt de Haagse politie vanuit heel Nederland informatierapporten over studenten die willen deelnemen aan de manifestatie op het Malieveld op 21 januari 2011.

Regiopolitie Twente RID rapportnummer 2011…, betrouwbaarheidscode A (toelichting code Waar): ‘In de maand januari 2011 werd informatie ontvangen dat: Er op 21 januari ongeveer 18000 studenten naar Den Haag zullen vertrekken om deel te nemen aan de studentendemonstratie. Er vanuit Twente ongeveer 1500 studenten zullen vertrekken.’

Politie Gelderland Zuid verstrekkingsrapport 19893, betrouwbaarheidscode informatie A: ‘In verband met de studentenmanifestatie die gehouden wordt op 21 januari 2011 te Den Haag is bij de RID Gelderland-Zuid de navolgende informatie binnengekomen. In het totaal hebben 500 studenten van de Radboud Universiteit zich aangemeld voor het busvervoer naar genoemde manifestatie. Er zullen ook nog studenten reizen met een OV-kaart, deze zijn niet in het aantal opgenomen. Vanaf HAN (Hogeschool Arnhem/Nijmegen) zullen ook bussen met studenten vertrekken naar Den Haag. Op dit moment zijn er bij de RID nog geen aantallen bekend.’

Opvallend is dat de RID ook politieke partijen in de gaten houdt en meldt dat ‘door een Nijmeegse politieke partij ook een busregeling naar Den Haag wordt aangeboden.’ Waarom de RID dit in een verstrekkingsrapport opneemt, is onduidelijk.

Al eerder vielen politiek getinte opmerkingen in de documenten rond het studentenprotest op. De Amsterdamse politie schreef in het draaiboek van de demonstratie op 21 mei 2010 dat ‘de LSVb zijn achterban daarom inmiddels heeft opgeroepen niet op de PvdA te stemmen. Door de LSVb wordt dit ontkend; dit geluid is echter wel veelvuldig in de media te horen.’ De PvdA had in de periode voorafgaande de demonstratie aangegeven de bezuinigingen in het onderwijs van het kabinet Rutte 1 te zullen steunen. Waarom de politie het stemadvies van het LSVb in het draaiboek opneemt is onduidelijk.

Ditzelfde geldt voor de opmerkingen over de SP in de stukken met betrekking tot de demonstratie van 21 januari 2011. In het algemene draaiboek van de demonstratie van politie Haaglanden staat vermeld: ‘Binnen deze groep deelnemers is er de mogelijke deelname aan de manifestatie van diverse politieke partijen. … [weg gelakt] deze politieke partij heeft aangegeven bij de LSVb om de manifestatie te ondersteunen. De SP staat bekend als zeer aktie bereid en steunt daarin diverse demonstranten.’

Binnen de operationele driehoek van Den Haag van 19 januari 2011 wordt opgemerkt dat: ‘De SP wel de gelegenheid zal krijgen om in de demonstratie te participeren, maar niet de kans krijgt om de demonstratie ‘over te nemen’, zoals in het verleden nog wel eens gebeurde.’ Wie deze laatste opmerking heeft gemaakt, is onduidelijk. Het zal iemand van de politie of van de bestuursdienst van de gemeente zijn geweest. Opnieuw is onduidelijk waarom ambtenaren van het bevoegd gezag opmerkingen over bepaalde politieke partijen menen te moeten maken.

Opmaat

Na een jaar van protesten die allemaal zeer gemoedelijk zijn verlopen, lijkt de gemeente Den Haag het roer om te gooien. Er moet een stevig politie-apparaat worden neergezet en het liefst wil de driehoek de protesten uitsluitend op het Malieveld toestaan. Het LSVb gaat daarmee akkoord, maar de Haagse Studentenvakbond wil door de stad lopen om haar mening te kunnen uiten.

Dat Den Haag wil opschalen naar ‘oorlogssterkte’ blijkt uit een bijstandsaanvraag aan de commissaris van de Koningin van Zuid-Holland. De driehoek wil een peloton KMar (Koninklijke Marechaussee, militaire politie) inzetten op 21 januari 2011. De commissaris van de Koningin, Jan Franssen, wijst de aanvraag af: ‘Gelet op het feit dat de gevraagde bijstand kan worden geleverd door regiopolitiekorps(en) binnen de eigen provincie, zie ik geen aanleiding voor bijstandsverlening door de Kmar. Ten aanzien van de geldende wet- en regelgeving kan ik daarom geen akkoord geven op bijstandsverlening door de Kmar.’

Militaire politie op betogende studenten afsturen, de toon lijkt gezet. Korpschef Van Essen is verbolgen, burgemeester Van Aartsen geeft geen tegengas en ook het openbaar ministerie blijft stil. Van Essen is van oordeel dat ‘het kabinetsbeleid gericht is op een veel ruimere inzet van de KMar dan de Politiewet mogelijk maakt.’ De volgende keer zal hij dan ook opnieuw om bijstand van de KMar vragen.

De toon van de driehoek lijkt niet in relatie te staan met het relaxte studentenprotest tegen de bezuinigingen in 2010, maar met het profiel dat vooral de politie van de demonstranten heeft samengesteld. In een brief van 6 januari 2011 aan de leden van de operationele driehoek schrijft directeur opsporing en informatie over 21 januari dat ‘een demonstratieve tocht door de stad de interventiemogelijkheden door de politie bemoeilijkt.’ Bij deze opmerking in het kader van de risico inschatting maakt zij onderscheid tussen burgers en demonstranten: ‘De noodzaak bij een eventueel politieoptreden de demonstranten te scheiden van goedwillende burgers en evenementen.’

‘Goedwillende burger’ en ‘demonstranten’ lijken binnen het politiejargon niet te combineren. De demonstranten zijn op het moment van schrijven van deze brief nog geen anarcho-extremisten, maar de opschaling en de wijze van presentatie van het ‘probleem’ demonstranten, lijken wel een opmaat voor het radicale persbericht van 20 januari 2011.

In de dagen voorafgaande de demonstratie van vrijdag 21 januari komt de driehoek dagelijks bij elkaar. De samenwerking met het LSVb, de studentenvakbond die een statisch protest wil, lijkt goed. ‘… [weg gelakt] geeft aan dat de politie rond deze demonstratie actief gebruik maakt van de sociale media in nauwe samenwerking met de organisaties (operationele driehoek 19 januari 2011).’ Over de Haagse studentenvakbond is men minder te spreken: ‘… [weg gelakt] heeft bij deze demonstratie enige zorg bij het gebrek aan ervaring bij de organisatie. Het grootste risico rond deze tocht zit in het deel waarbij men in de buurt van de Malietoren komt.’ En de eerste tekenen van rellen die gaan plaatsvinden op vrijdag worden ingeluid: ‘… [weg gelakt] laat weten dat recente informatie binnen is gekomen, dat mogelijk Rotterdamse hooligans van plan zijn om bij de demonstratie aan te sluiten om zo de confrontatie met de politie aan te kunnen gaan. … [weg gelakt] meldt dat de voetbal eenheden bezig zijn om deze informatie te verifiëren …’

Opvallend aan de bewering dat er hooligans onderweg zouden zijn naar Den Haag, is dat het in de verdere berichtgeving niet meer terugkomt. De Haagse politie weigert wel de verstrekkingsrapporten van 17, 19 en 24 januari 2011 openbaar te maken, maar binnen zowel de mediacommunicatie als de operationele driehoek komt het onderwerp hooligans slechts één keer ter sprake. Was de komst van de Feyenoord-supporters op dezelfde manier aangekondigd als de komst van AFA? In de trant van: ‘Laatste nieuws: SCF komt ook!’ Ergens op Facebook of een forum post iemand deze tekst, kennelijk om te stoken. De Rotterdamse hooligans komen ook niet terug, en of het bericht geverifieerd is, wordt niet duidelijk uit de stukken.

Radicalen komen

In het ‘algemeen SGBO (Staf Grootschalig Bijzonder Optreden) draaiboek’ van de manifestatie lijken de radicalen nog geen plek te hebben gekregen. Alleen de SP wordt uitdrukkelijk vermeld. De beschrijving van de stand van zaken rond de protesten tegen de bezuinigingen lijkt ontspannen: ‘Na een serie kleine studentendemonstraties tegen de bezuinigingen in het onderwijs slaan diverse grote studentenorganisaties de handen ineen om een grote landelijke demonstratie te houden.’

Er wordt een demonstratie van rond de 15.000 studenten verwacht, waarvan het zwaartepunt vooral op het Malieveld zal komen te liggen. Een fluitje van een cent zou je zeggen, voor een gemeente die stelselmatig beweert jaarlijks duizenden demonstraties in goede banen te leiden. In het SGBO-draaiboek wordt gezinspeeld op mogelijke rellen: ‘Ondanks de uitgebreide voorbereidingen in samenspraak met de organisatoren, valt een kans op verstoringen van de openbare orde, intimidaties, kans op fysiek letsel en materiële schade voor publieke eigendommen niet uit te sluiten. Een confrontatie met de politie valt dan ook niet uit te sluiten.’

Waarom men geweld verwacht, wordt niet duidelijk. De Rotterdamse hooligans lijken niet te komen, van anarcho-extremisten is geen sprake in het draaiboek… nee, louter protesterende studenten. Draaiboeken worden gekenmerkt door een standaard-opzet die per evenement wordt ingevuld. Het is dan ook niet onlogisch dat specifieke calamiteiten niet in het draaiboek zijn verwerkt. Als er inlichtingen zijn afkomstig van inlichtingendienst die wijzen op verstoringen van de openbare orde, worden die opgenomen in het draaiboek. De verschillende commandanten kunnen daarop anticiperen. Bij de scenario’s zal duidelijk worden vermeld waar verkennings- en arrestatie-eenheden op moeten letten. Hoewel diverse passages zijn weg gelakt, straalt het draaiboek een sfeer uit van een nog nader te volgen relaxte demonstratie.

Onder de oppervlakte borrelt er echter iets. De Haagse politie lijkt een hekel te hebben aan demonstrerende studenten (‘het zijn geen goedwillende burgers’), men wilde aanvankelijk het liefst de militaire politie inzetten en bij de inlichtingen lijkt de focus te zijn gericht op ‘linkse betogers (type anarchist/kraker)’, al dan niet georganiseerd. Binnen deze context meldt de AIVD dat leden van AFA aan de demonstratie zullen deelnemen. Of deze informatie te herleiden valt aan de posting op het Forum voor de Vrijheid is niet langer na te gaan, maar de bewering is niet erg substantieel, gelijk die over de deelname van hooligans.

‘De burgemeester geeft aan dat hij de verstrekte informatie van de AIVD onbevredigend vindt en schorst het driehoeksoverleg”’, vermeldt het verslag van de operationele driehoek van 20 januari 2011. Zodra de vergadering wordt voortgezet stelt de politie dat ‘uit (diverse open bronnen) blijkt dat meerdere personen zich mogelijk radicaal willen manifesteren.’ Tijdens dit overleg wordt in alle haast een persbericht in elkaar gezet. ‘De Haagse driehoek heeft aanwijzingen dat radicale groeperingen de studentendemonstratie van vrijdag willen aangrijpen om de openbare orde in Den Haag te verstoren door zich te mengen tussen de demonstranten en de confrontatie te zoeken.’ Een noodbevel wordt uitgevaardigd, de Haagse politie staat op scherp. De sfeer wordt dusdanig opgestookt dat het wachten is op rellen.

Mandarijnen

Die rel komt er ook, zowel op Het Plein voor de Tweede Kamer en bij het ministerie van OC&W. De politie beweert dat er met van alles is gegooid en dat daarbij drie politiefunctionarissen gewond zijn geraakt. Er wordt een foto verspreid van een gat in het wegdek, maar of daar stenen uit zijn verwijderd, blijft onduidelijk.

Een van de arrestanten verklaart: ‘”Ik zag dat deze jongens ineens de stenen uit de straat gingen halen. Ik vond dat geen goed idee. […] Mijn vrienden en ik en nog een aantal andere studenten liepen naar de jongens toe en zeiden dat zij niet de stenen moesten pakken. […] Ik zag dat de jongens de stenen los lieten (PL1551 2011015630-4)”.’ Een andere demonstrant beschrijft hetzelfde tafereel: “‘Ik zag dat er mensen toen stenen uit de straat haalden om deze te gaan gooien. We hebben toen een jongen daar nog voor belet. Daarna kwamen de politiepaarden eraan en toen zijn we met z’n allen terug gelopen (PL1532 2011015619-4)”.’

Vervolgens beweert de politie dat agenten werden belaagd met vuurwerk. Dat er vuurwerk is gegooid, is duidelijk. Een politiefunctionaris hierover: ‘”Ik verbalisant hoorde een harde knal die afkomstig was van vuurwerk. Ik verbalisant ben gaan zoeken naar degene die vuurwerk aan het gooien waren. […] Ik verbalisant zag dat een persoon het voorwerp richting de collega’s van de Mobiele Eenheid gooide (PL1561 2011015692-4)”.’ Of het vuurwerk echter de politie of demonstranten heeft geraakt, is niet duidelijk.

Een andere agent over het vuurwerk: ‘”Wij zagen dat het voorwerp gelijkende op een langwerpig voorwerp door de lucht vloog. Wij zagen dat het voorwerp tussen de rennende demonstranten viel (PL1512 2011015692-2)”.’ Wat is er dan wel gegooid? Enkele demonstranten gooiden met etenswaar. ‘”Werd de verdachte tijdens de studentendemo aangehouden terzake het gooien van eieren naar de Mobiele Eenheid. Werd besloten de verdachte hiervoor een mini pv te geven terzake baldadigheid (PL1551 2011015667-1)”.’

De eieren komen terug in het politiejournaal van 21 januari 2011: ‘”Politie bij het Mauritshuis worden bekogeld met eieren”.’ En een lunchpakket: ‘”Vervolgens voerde de ME een charge uit. Dus iedereen in paniek en rende door elkaar heen. Dus toen heb ik uit baldadigheid een boterham uit mijn tas gepakt en die heb ik toen in de richting van de ME gegooid (PL1532 2011015653-4)”.’ En ten slotte een serie mandarijnen. De vrienden die de stenengooiers tegenhielden, hebben elk een mandarijn naar de politie gegooid. ‘”Ja, mandarijnen, een per persoon, we waren met z’n drieën. Om de bus te besmeuren (PL1532 2011015619-4)”.’ Een agent bevestigt het smijten met fruit: ‘”Ik zag dat deze mandarijn op ongeveer een halve meter achter de ME hard op de grond terecht kwam (PL1551 2011015630-5)”.’

Waarom gooien mensen die protesteren mandarijnen, eieren, vuurwerk, boterhammen en plastic flessen naar de Mobiele Eenheid? Wie de beelden bekijkt van de charges van de ME, is getuige van opgefokte agenten, klaar om welke student dan ook te slaan. Over het gooien van etenswaar wordt weinig in de stukken van de Haagse politie vermeld. In Amsterdam lijkt de mate waarin met fruit en groenten wordt gesmeten van belang voor het ingrijpen. ‘Het gooien van eieren, tomaten, appels naar objecten en gebouwen kan, wanneer dit op grotere schaal plaatsvindt, kunnen leiden tot aanhouding’, vermeldt het operationele draaiboek van de demonstratie van 21 mei 2010 van de Amsterdamse politie.

De spanning in Den Haag bleek dusdanig groot dat een paar mandarijnen genoeg was om over te gaan tot charges. De rechter oordeelde achteraf dat het optreden van de politie tijdens de demonstratie van 21 januari in Den Haag bepaald niet de schoonheidsprijs verdiende. De Amsterdamse politie ging een stap verder. Hier werd een directe link gelegd tussen de heersende onvrede onder de studenten en het optreden van de politie. ‘Naar aanleiding van de demonstratie in Den Haag (21 januari 2011) is de sfeer onder een deel van de studenten grimmiger geworden. Het optreden van de politie en de houding van het kabinet met betrekking tot de studiefinanciering ligt hieraan ten grondslag (Deeldraaiboek demonstratie 4 februari 2011).’

AFA-sympathisant

De self fulfilling prophecy van de Haagse driehoek werd op 21 januari 2011 bewaarheid. De burgemeester had vooraf beweerd dat radicalen zich zouden mengen onder de demonstranten om de openbare orde te verstoren. De inlichtingendienst had beweerd dat het om leden van AFA zou gaan. De politie sprak ‘van een vijftal groepen met een verschillende achtergrond, maar alle van linkse signatuur. Daaronder zijn anarchistische en anti-globalistische groeperingen met een extreem karakter’, meldde de politie.

De anarcho-extremisten hadden het gemunt op het vernietigen van de hofstad, zo leek het wel, maar afgezien van wat eieren, mandarijnen, boterhammen, een enkel flesje en vuurwerk dat tussen de demonstranten terecht kwam, bleef het rustig. Alle arrestanten bleken studenten. Hoe zat het dan met die anarcho-extremisten en AFA leden?

Tussen de processen-verbaal bevindt zich het verhaal van aanhouding van een jongeman door stillen. Hij werd aanvankelijk als minderjarig behandeld, maar bleek dat nét niet meer te zijn. De politie beweert dat hij agenten heeft geslagen, maar de verklaringen van de diverse betrokken functionarissen zijn dusdanig verwarrend dat daarbij vraagtekens moeten worden gezet. Iedereen, inclusief verdachte, zijn het er over eens dat hij een vriend die werd gearresteerd te hulp is geschoten. Hij kreeg daarbij flinke klappen van diverse agenten.

In het verhaal van deze jongeman komt AFA ter sprake. ‘”U vraagt mij wat ik vervolgens deed. Ik heb gelijk […] (zijn vriend) bij zijn middel gegrepen, om hem los te kunnen trekken van die mannen. U vraagt mij waarom ik zo reageerde. Ik dacht dat die onbekende mannen neonazi’s waren en met hen heb ik geen goede verstandhouding. Ik ben namelijk een AFA-sympathisant. U vraagt mij of ik heb gehoord dat die onbekende mannen zich kenbaar maakten als politie zijnde. Nee, dat heb ik niet gehoord en ik had dat ook niet kunnen weten (PL1561 2011015672-6)”.’

De agenten in burger die de jongeman voor neonazi’s aanzag, waren leden van een arrestatie-eenheid. Het enige gearresteerde AFA-lid, die volgens de Haagse driehoek de orde zou komen verstoren, probeerde slechts de aanhouding van een vriend te voorkomen. De participerende radicalen van 21 januari in Den Haag lijken niet onder de demonstranten te moeten worden gezocht, maar in kringen van de politie en de Driehoek.

Echter, na afloop van de demonstratie blijkt de deelname van AFA-sympathisanten een vaststaand feit te zijn geworden. ‘Ook het feit dat de driehoek koos voor een persbericht vooraf over de mogelijke komst van radicalen, is naar de mening van de korpschef een goede geweest’, vermeldt het verslag van de operationele driehoek van 24 januari 2011. ‘Bij de protesttocht van de studenten van de Haagse Hogeschool van het Johanna Westerdijkplein naar het Malieveld, bleek de staart door een groep gevormd, welke in gedrag en uiterlijke kenmerken, sterk afweek van de Haagse Hogeschool studenten’, aldus het informatierapport van Bureau Regionale Informatie 24 januari 2011. Dit rapport werd opgesteld in het kader van de evaluatie van het politieoptreden en omdat er vragen zijn gesteld in de gemeenteraad over het politiegeweld.

In het evaluatierapport worden feiten geconstateerd die in het mutatierapport PL1581 2011015635-1 van vier verbalisanten die de demonstratie van de Haagse studentenvakbond hebben begeleid niet voor komen. De opstellers reppen over veel stokken, ‘soms metalen pijpen’, die de agenten in beslag hebben genomen voordat de demonstratie op gang kwam. De functionarissen schrijven dat ‘voorkomen moest worden dat lieden linksaf naar OCW zouden afbuigen.’ Deze opmerking wordt gevolgd door ‘geen bijzonderheden.’

Gedurende de betoging bleek in de praktijk slechts één persoon staande te zijn gehouden met opruiende dvd’s in zijn rugzak. Alle overige personen van deze groep studenten die werden aangesproken (in totaal vier) of die een proces-verbaal hebben gekregen, bevonden zich al op het Malieveld. Van een groep die ‘niet de uiterlijke kenmerken van studenten hadden’ is in de rapportage van de begeleidende agenten geen sprake.

Radicale studenten of studentikoze radicalen?

De radicalen blijken echter al binnen de studentenmassa’s te zijn geïnfiltreerd. Vanaf 21 januari staat de politie op scherp en worden mensen die in het profiel van ‘links’, ‘anarchist’ of ‘kraker’ passen vermeld als zijnde onderdeel uitmakend van het studentenprotest. ‘Opvallend was dat er nagenoeg geen studenten aanwezig waren. Betroffen veelal krakers figuren onder andere … (weg gelakt) gespot (PL0910 2011034542-1, 9 februari 2011 studentenprotestutrecht.nl).’

Op 4 februari 2011 wil een groep studenten een lawaaidemonstratie houden in Amsterdam. Zij willen in de binnenstad diverse gebouwen van de Universiteit van Amsterdam (UvA) bezoeken om daarmee hun ongenoegen te uiten over de bezuinigingen in het onderwijs. Tijdens het SGBO-overleg voorafgaande de demonstratie meldt de inlichtingendienst van de politie: ‘Op dit moment is er niet meer informatie bekend over de demonstratie. Er zijn wel aanwijzingen dat er zich radicaliserende personen in de groep studenten zullen bevinden, maar dat is nog niet zeker.’

In het kader van de risicoanalyse wordt gesteld dat er ‘nog niets bekend is over het mogelijk aansluiten van krakers bij de demonstratie.’ Wel zijn er ‘aanwijzingen dat er radicaliserende personen onder de studenten bevinden’, maar niets is zeker en van aansluiting van krakers is niets bekend. Een dag eerder werd bij het subdriehoek overleg in Amsterdam geconstateerd dat ‘de sfeer bij studentendemonstraties steeds grimmiger wordt.’ Welke demonstraties, naast die van 21 januari in Den Haag, dit dan zijn geweest, wordt niet duidelijk gemaakt.

Binnen de SGBO-studentendemo wordt de sfeer nog eens onderstreept: ‘De sfeer onder de studenten is grimmiger geworden. Dit naar aanleiding van het politieoptreden in Den Haag en het standpunt van het kabinet. Er dient rekening mee gehouden te worden dat zich onder de demonstranten enkele tientallen zullen bevinden die het geweld niet schuwen.’ Gezien de hoeveelheid documenten zou je verwachten dat de politie rekent op duizenden demonstranten, maar de schattingen lopen uiteen tussen 100 en 250 studenten. In het deeldraaiboek ordehandhaving wordt echter een directe link met 21 januari gelegd: ‘Eerdere soortgelijke demonstratie in Den Haag leidde tot openbare orde problemen waarbij 27 personen zijn aangehouden (Historie).’

Een dag voorafgaande de demonstratie doet de chef informatie (CHIN) er nog een schepje bovenop: ‘Er is info dat binnen het Comité SOS de mening is dat een confrontatie met de ME ook media aandacht kan geven, dus mogelijk confrontatie niet echt als negatief wordt gezien (03-02-11 16:36 chef informatie).’

Verkenningseenheden (Victor00) verspreiden zich op de dag van de demonstratie over de stad. Bij het Centraal Station moeten ze op groepen studenten letten, bij kraakpanden in het oosten en westen van de stad op activiteiten en bij de verzamelplek op de ‘radicalen’. ‘Victor00: Binnengasthuisstraat groepje van 15 studenten met enkele krakers (vier krakers). Dragen borden met tekst ‘wij gaan de crisis niet betalen’ en ‘oprutte’ (04-02-11 14:43 distributie centrum).’

Diverse personen worden specifiek in de gaten gehouden. Dit zijn naar alle waarschijnlijkheid de studerende ‘vier krakers’. ‘Om 14:46 meldt Victor00: … [weg gelakt] en … [gelakt] gezien … [gelakt] op Binnengasthuisterrein … [gelakt] is druk aan het bellen. Signalement volgt.’ Blijkbaar werd er getwijfeld: ‘Victor00: … [gelakt] is 100% positief herkend. Victor00: Bij … [gelakt] fon.) loopt … [gelakt] (04-02-11 15:10).’ De ‘radicalen’ worden scherp in de gaten gehouden, maar op basis waarvan wordt volstrekt niet duidelijk.

In een item van Pownews beklaagt de verslaggever zich over de belabberde opkomst. Zelfs hem wordt geen duimbreed in de weggelegd om mensen te interviewen. De verkenningseenheden volgen de ‘radicalen’ tot het eind van de demonstratie. ‘Victor00 om 16:11: Stuk of 20 personen, plus … [gelakt] gaat UVA-gebouw aan het Binnengasthuisterrein in, niet zijnde het Crea Café. Victor00 om 16:15: … [gelakt] is het pand weer uit samen met een ander persoon … [gelakt].’

De Haagse politie geloofde heilig in de gecreëerde radicale illusie. In een brief van 17 maart 2011 over de aankondiging van een demonstratie op 25 maart 2011 door het platform ‘Onderwijs is een recht’ wordt impliciet de relatie met de schermutselingen van 21 januari gelegd. ‘Het vorenstaande zou erop kunnen duiden dat deze demonstratie wordt georganiseerd vanuit links activistische organisaties, die mogelijk uit zijn op openbare orde verstoringen.’ Tijdens het Driehoeksoverleg van 23 maart 2011 voegt de politie daaraan toe: ‘Voorts is de organisator voornemens om een geluidswagen mee te nemen. Deze zelfde wagen is eerder door krakers gebruikt tijdens een demonstratie.’

Dat de politie de studenten stigmatiseert door hen als ‘radicalen’ te omschrijven, is vreemd, want men geeft ook toe dat er goede afspraken zijn gemaakt met de organisatoren. Een dag voorafgaande de demonstratie werd er een spandoek opgehangen in de Hofvijver. De politie wist meteen wie het gedaan had: ‘Op de Lange Vijverberg twee demonstrant uitziende personen aangesproken die verklaarden er niks mee te maken te hebben (PL1512 2011061722-1).’

Een dag later, na afloop van de demonstratie in Den Haag, schreef de directeur opsporing en informatie van de politie Haaglanden: ‘Op of omstreeks woensdag 9 maart 2011 kwam een verzoek binnen tot het houden van een demonstratie onder de noemer ‘Onderwijs is een recht’. De aanvraagster is gelieerd aan de krakerscene in Utrecht. In uw vergadering heeft u daarop besloten om naar aanleiding van deze informatie extra politiemaatregelen te nemen en een SGBO in te stellen. Er zijn geen verdachten aangehouden. Tijdens de demonstratie bleek een groot aantal deelnemers gelieerd is aan de krakersbeweging in den lande.’

Voorafgaande deze demonstratie, waaraan in totaal 150 studenten deelnamen, werd door het Bureau Regionale Informatie een informatierapport en een dreigingsinschatting opgesteld. Informatie van de RID Utrecht werd door de Haagse politie verwerkt. ‘… [weg gelakt] geeft aan dat de vrouw die de demonstratie organiseert, dat ook vrijdag in Utrecht heeft gedaan. Daar waren slechts 25 deelnemers. Het is dan ook denkbaar dat komende vrijdag ook weinig deelnemers komen (operationele driehoek Den Haag 21 maart 2011).’

Geen openbare maar ideologische orde

De inlichtingendienst van de politie heeft in het kader van haar taak ten aanzien van de openbare orde de bevoegdheid informatie te verzamelen ter voorkoming van verstoringen van de openbare orde. De burgemeester kan op basis van concrete aanwijzingen een demonstratie verbieden. Bij betogingen van extreem-rechts gebeurde dat in het verleden regelmatig. De burgemeesters oordeelden dan dat de kans op een tegendemonstratie en confrontatie met tegenstanders de orde zou verstoren.

Keer op keer oordeelden rechters dat de veronderstelling dat de orde verstoord zou gaan worden niet voldoende reden is om een demonstratie te verbieden. De aanwijzingen waren niet concreet. Bij de protesten van studenten tegen de bezuinigingen op het onderwijs valt op dat er op geen enkel moment concrete aanwijzingen zijn geweest dat er ordeverstoringen zouden plaatsvinden.

Wat wel zichtbaar is geworden, is dat de overheid een complete inlichtingenoperatie op touw heeft gezet om een relatie te leggen tussen krakers, anarchisten, linkse types en andere anarcho-extremisten enerzijds, en de protesten van studenten anderzijds. Deze operatie ging in het geheel niet over de openbare orde, maar om het identificeren van zogenaamde radicalen. De RID Den Haag en de AIVD vervulden bij deze operatie een sleutelrol.

Hoeveel informatie hiervan daadwerkelijk in allerlei dossiers is aanbeland, blijft onduidelijk. Wel is duidelijk dat er sprake is van een innig contact tussen de landelijke inlichtingendienst en de politie. ‘Meldingsformulier van het hoofd van de RID Haaglanden, 15 Haaglanden, RID referentie-nr 1414/11, Formulier met betrekking tot studentendemonstratie 25 maart 2011 te Den Haag.’

Dat deze relatie niet altijd vlekkeloos verloopt, wordt ook duidelijk aan de hand van inzage in de correspondentie tussen burgemeester Van Aartsen en het hoofd van de AIVD. ‘De burgemeester geeft aan dat hij de verstrekte informatie van de AIVD onbevredigend vindt en schorst het driehoeksoverleg (driehoeksoverleg 20 januari 2011).’ De burgemeester belt de baas van de AIVD die echter beweert dat hij ‘niet meer informatie kan verstrekken, anders dan dat het om personen van AFA zou gaan die naar Den Haag zouden willen komen.’ Daarbij is onduidelijk of de AIVD meer feitelijke informatie in handen heeft en die men niet prijs wil geven.

Het gaat bij protesten allang niet meer om de openbare orde, maar om de ideologische orde. Dit ligt in het verlengde van het concept ideologische misdaad dat het landelijk parket en de nationale politie hanteren. Hierbij ontwikkelt de politie zich als een soort inlichtingendienst die buitenparlementair verzet in de gaten houdt en de RID blijkbaar naar zich toetrekt. De openbare orde informatie wordt vermengd met de informatie over mogelijke staatsondermijnende activiteiten, lees ideologische groepen.

Slechts weinig bestuurders hebben zicht op deze activiteiten van de politie. De driehoek van Nijmegen, Enschede, Arnhem en Utrecht zijn allemaal buiten de inlichtingencommunicatie van de politie gehouden. ‘De gemeente Arnhem is noch beleidsmatig noch uitvoerend noch handhavend bij de door u genoemde studentenacties en/of studentengroep KSNA betrokken geweest. Ook op de agenda van de zogenaamde Driehoek komt het onderwerp studentenprotesten en/of studentengroepen in de door u genoemde periode (2009 – heden) niet voor’, schrijft de gemeentesecretaris van Arnhem.

Waarom informatie over politieke partijen en vreedzaam protesterende studenten dan in inlichtingendossiers belanden, is onduidelijk. Het feit dat iemand kraakt en student is en ook nog demonstreert tegen de bezuinigingen is blijkbaar voldoende om hem of haar aan te merken als ‘radicaal’. Als zo iemand dan ook nog deelneemt aan demonstraties van AFA, is er al snel sprake van anarcho-extremisme. Daarbij speelt de AIVD dan weer een rol.

In dit schimmenspel lijkt het allang niet meer om waarheid en feiten te gaan. De spin, het bespelen van de media en de gemeenteraad is het uitgangspunt. De rechtsorde is in dit verband door de driehoeken in verschillende steden vervangen door de ideologische orde. Een ieder moet hetzelfde denken, anders wordt je gebrandmerkt als ‘radicaal’ of ‘anarcho-extremist’. Protesteren als student tegen bezuinigingen in het onderwijs kunnen dan al snel worden omschreven als staatsgevaarlijke activiteiten.

Find this story at 10 July 2013

Duurzaam afwimpelen

Hoe duurzaam koopt de overheid in? (Met wie werkt ze dus samen?)

In nota’s stelt de overheid een actief inkoopbeleid voor te staan van duurzaam geproduceerde producten voor haar ambtenaren, alsmede de aanstelling van extern adhoc-personeel gebonden aan sociale voorwaarden. Mooie woorden, maar de praktijk is echter weerbarstig, zo blijkt.

Op de website Helpdesk Duurzaam Inkopen http://helpdeskduurzaaminkopen.nlvan de bedrijven consultancy DHV en Significant (bekend van het onderzoek naar de Wet op de Uitgebreide identificatieplicht) wordt de film An Inconvenient Truth van Al Gore genoemd als aanjager van het duurzaamheidsdebat. Dagblad Trouw kopte op 28 februari 2007 ‘Al Gore is hypocriet’. In het artikel wordt het energiegebruik van de voormalig vicepresident van de VS vergeleken met dat van een doorsnee huishouden in de staat Tenessee. Gore gebruikte toen veertien keer zoveel energie als een gemiddelde Amerikaan.

Het voorbeeld van Gore geeft aan dat het duurzaamheidsdebat niet eenvoudig verloopt. Daarbij gaat het niet om de boodschap – er vindt klimaatverandering plaats – maar om de definitie, de controle en het toezicht. Is die controle en toezicht wel mogelijk als er geen transparantie is? Wimpelt de overheid haar verantwoordelijkheid ten aanzien van haar eigen inkopen niet af op bedrijven, NGO’s, ketens en uiteindelijk de werknemers die de producten en diensten verzorgen voor die overheid? En weten we eigenlijk wel met wie de overheid samenwerkt (DHV, Significant?) of wordt dat ook overgelaten aan de markt?

Duurzaam inkopen

De duurzaamheidsgedachte heeft sinds enkele jaren postgevat binnen het inkoopbeleid van de Nederlandse overheid, het zogenaamde duurzaam inkopen. De website van de twee consultancy bedrijven is daar dan ook op gericht. De overheid is een grote consument en betrekt allerlei goederen en diensten van het bedrijfsleven. Vanuit de milieulobby, maar ook de derde wereld beweging, is jarenlang druk uitgeoefend om de overheid te bewegen zelf het goede voorbeeld te geven. Bij duurzaamheid gaat het zowel om milieu-aspecten als om sociale aspecten. Denk aan het ondersteunen van de fiets en de trein in het kader van het woon-werkverkeer en de Max Havelaar koffie in de kantine.

Duurzaam inkopen, zoals het door de overheid wordt genoemd, vindt zijn oorsprong in de Nota Milieu en Economie uit 1997. Er volgden allerlei andere nota’s, rapporten, initiatieven, pilots en targets. De Monitor Duurzaam Inkopen 2010 meldt vervolgens trots dat de doelen voor dat jaar ruimschoots bereikt zijn: ‘Het Rijk heeft 99.8 procent duurzame inkopen gerealiseerd (doelstelling 100 procent), Provincies 96 procent (doelstelling 50 procent), waterschappen 85 procent, gemeenten 87-90 procent (doelstelling 75 procent), universiteiten 80 procent, hogescholen 95 procent en het middelbaar beroepsonderwijs 75 procent.

Indrukwekkende cijfers en geslaagd beleid zou je zeggen. Een rapport van KPMG uit 2010 voor het toenmalig ministerie van Infrastructuur en Milieu concludeert dat de inkoop van de schoonmaak bij de overheid 100 procent duurzaam is (Monitor Duurzaam Inkopen 2010 Resultaten monitoringonderzoek duurzaam inkopen 2010 KPMG juni 2010).

Nu is met betrekking tot het milieu de inkoop nog redelijk te volgen. De kantinebeheerder gebruikt alleen biologische producten, de minister fietst tussen werk en privé, de dienstauto is een hybride en er wordt geen chloor gebruikt in het toilet op het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Bij de sociale aspecten is het echter een stuk lastiger. Hanteert het ingehuurde schoonmaakbedrijf wel de ‘fundamentele’ fatsoensnormen, en wat zijn die? Krijgen mensen wel een redelijk loon naar arbeid? En wie controleert eigenlijk of aan die sociale voorwaarden van het duurzaam inkopen is voldaan? De recente stakingsacties van de schoonmakers bij de ministeries van Sociale Zaken en Buitenlandse Zaken maakt duidelijk dat de prachtige percentages in de monitor van 2010 niet veel zeggen over de kwaliteit van de duurzaamheid en ook vragen oproepen over de controle op de inkopen.

Klein inkoopbeleid

De overheid ziet natuurlijk in dat een solide beleid dat niet één-twee-drie te organiseren valt. Men geeft aan dat het duurzame inkoopbeleid alleen geldt voor ‘alle EU-aanbestedingen en openbare nationale aanbestedingen en meervoudig onderhandse offerteaanvragen groter dan € 50.000 (exclusief BTW)’. (Website PIANOo, Expertisecentrum Aanbesteden van het ministerie van Economische Zaken, Infrastructuur en Innovatie). De kleinere inkopen behoeven in principe niet duurzaam te zijn. Bij de aanschaf van bureaustoelen bijvoorbeeld bij een waarde hoger dan € 50.000 kan de duurzaamheid van het product zelfs redelijk precies worden geformuleerd.

De rijksoverheid schrijft dat bij ‘de belangrijkste milieuaspecten, de volledige levensloop van het product of de dienst in beschouwing wordt genomen.’ Hierbij gaat het om de kwaliteit en de afkomst van de materialen waarvan de stoel is gemaakt, hoe lang deze mee gaat. Een stoel van gerecycled plastic uit Nederland is duurzamer dan een stoel van hard hout afkomstig uit het Amazone gebied in Brazilië.

Hoe zit het echter met de mobiele telefoons die de overheid aanschaft? In veel smartphones en andere telecommunicatie materialen zijn zeldzame (edel)metalen verwerkt en meestal niet gerecycled. De overheid zal geen tweede hands apparatuur via Marktplaats aanschaffen. En die metalen komen meestal uit conflictgebieden zoals de documentaire Blood in my mobile ons laat zien. In die documentaire gaat het overigens vooral om Nokia telefoons.

De exacte afkomst van materialen is ook vaak lastig te bepalen. Apple zal bijvoorbeeld aangeven dat de metalen uit de iphones zijn betrokken van allerlei tussenhandelaren. Ook schermen bedrijven vaak met de term bedrijfsgeheim. Het Green Public Procurement Mobile Phones Technical Background Report van de Europese Unie, DG-Environment by Forum for the Future/BRE 2011, stelt echter dat bedrijven die willen meedingen bij een aanbesteding het eigen beleid ten aanzien van metalen uit Congo moeten openbaren. ‘Asking bidders to disclose their policies on sourcing from the Democratic Republic of the Congo (DRC) has been included in the criteria based on industry evidence and recent developments in U.S. Law’.

Hoe betrouwbaar is echter de mededeling van Nokia dat ze geen Coltan, columbite-tantalite, uit Congo gebruiken? En wie gaat het controleren? Het beleid rond duurzaam inkopen van de overheid wil die tekortkomingen opvangen door bedrijven te wijzen op hun keten-aansprakelijkheid. Bij de keten gaat het om het gehele traject van ruwe materialen tot de afnemer. Keten-aansprakelijk is er op gericht om ‘verbeteringen in de keten’ aan te brengen doordat bedrijven en instellingen controle en toezicht uitvoeren.

De controle en het toezicht op de ruwe materialen van producten betreft het niet alleen conflictgebieden. Met ijzer toegepast in een bureaustoel lijkt niet veel aan de hand, maar als de ijzerertsmijn al het water onttrekt aan de regio kan het voor boeren en bewoners in de omgeving van een mijn vreselijke gevolgen hebben. Hoe is dat goed te controleren en wie houdt daar toezicht op? Is na te gaan welk ijzererts de basis is geweest voor het ijzer in de stoel?

Keten-aansprakelijkheid

In de communicatie rondom duurzaam inkopen lijkt het zwaartepunt dan ook te liggen op energiezuinigheid en de afvalverwerking van bijvoorbeeld stoelen, computers en gebouwen. Tussen de bestaande ketens die het ministerie opsomt in het kader van de keten-aansprakelijkheid bevinden zich op dit moment nog geen ketens die verantwoordelijk zijn voor kantoormeubilair, elektronica en gebouwen.

Bij keten-aansprakelijkheid gaat het niet alleen om de milieuaspecten van de goederen en diensten. Vooral bij de sociale voorwaarden wordt de keten gezien als een belangrijke promotor van duurzaamheid. Agentschap NL van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ministerie van ELI) vermeldt: ‘Voor inkopers is niet makkelijk na te gaan of er ergens in de productieketen kinderarbeid is verricht of medewerkers voor een hongerloon hebben gewerkt’. Die kinderarbeid is meestal iets dat plaatsvindt in landen als China en India, weggestopt op het platteland of in een miljoenenstad.

Apple bijvoorbeeld ligt onder vuur vanwege arbeidsomstandigheden bij haar Chinese toeleveranciers van iphones. Eind 2011 waren de slechte omstandigheden in de fabrieken waar onderdelen van Apple worden gemaakt in het nieuws naar aanleiding van een golf van zelfmoorden onder arbeiders. In een markt waar de marges klein zijn, zullen de andere producenten echter niet veel beter presteren. Apple had de pech dat enkele werknemers de stilte verbraken.

Het voorbeeld van Apple maakt duidelijk dat misstanden niet eenvoudig zijn op te sporen, misschien zelfs niet voor het bedrijf zelf. Apple zegt dat zij het toezicht op de fabrieken zal verscherpen, maar of dat voldoende is, is onduidelijk. Het Agentschap NL geeft daarom aan dat het voor de inkoper lastig is, zeker als bij de keten allerlei bedrijven of productielijnen in het buitenland betrokken zijn.

De recente protesten van de schoonmakers maken duidelijk dat het duurzame inkopen wat betreft sociale voorwaarden zelfs op lokaal niveau geen sinecure is. Bij die voorwaarden wordt in een folder van het ministerie van ELI verwezen naar ‘fundamentele normen in de verdragen van Internationale Arbeidsorganisatie en de normen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM)’. Een deel van de algemene normen is afkomstig van conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), zoals de afschaffing van dwangarbeid en slavernij, de vrijwaring van discriminatie op het werk en in beroep, de afschaffing van kinderarbeid, de vrijheid van vakvereniging en recht op collectief onderhandelen.

Een ander deel betreft de mensenrechten uit het UVRM, uitgewerkt in bindende verdragen als het BuPo en Esocul. De overheid heeft ten aanzien van duurzaam inkopen deze algemene normen nog eens aangescherpt met aanvullende normen. Er kan eigenlijk niets fout gaan met dat inkoopbeleid, zou je denken. Met zoveel indrukwekkende normen zal niet het eerste de beste schoonmaakbedrijf aan de slag gaan op het ministerie van Sociale Zaken. De praktijk is weerbarstig, zoals blijkt.

Controle beperkt

Natuurlijk is de controle voor de overheid beperkt, misschien zelfs onmogelijk, zoals het Agentschap NL over de taak van de inkoper schrijft, maar wat valt er dan nog duurzaam in te kopen? In het beleid nemen de keten-initiatieven een centrale rol in. Bedrijven kunnen zich bij deze initiatieven aansluiten. De initiatieven ‘zijn organisaties waarin verschillende partijen samenwerken om zicht te krijgen op de productieketen en om te beïnvloeden dat er betere sociale voorwaarden in de keten komen’.

In de communicatie over Duurzaam inkopen worden de volgende keten-initiatieven opgesomd: ‘Fair Flowers Fair Plants (FFP) voor bloemen en planten, Fair Wear Foundation voor kleding, Max Havelaar voor voedingsmiddelen, bloemen, katoen, cosmetica en verzorging, Union for Ethical BioTrade voor voedsel, cosmetica, farmacie, decoratie UTZ Certified voor koffie, thee, cacao, palmolie en Social Accountability International voor alles.’

Bij de verschillende initiatieven lijken zowel consumenten als producenten vertegenwoordigd, maar wie verricht de controle in de fabrieken? Het voorbeeld van Apple laat zien dat sociale normen, controle en toezicht op papier nog niets zeggen over de daadwerkelijke omstandigheden en eventuele verbeteringen. Belangen van producenten en consumenten liggen soms heel ver uit elkaar.

Het ministerie geeft dit in een folder ook aan: ‘De criteria voor duurzaam inkopen adresseren sociale aspecten en milieu-aspecten. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat de criteria een negatieve invloed hebben op het ‘profit’-aspect. De toepassing van de criteria dient daarom over het geheel genomen niet te leiden tot substantiële meerkosten’, vermeldt het Toetsingskader criteria duurzaam inkopen van 1 juni 2010.

‘Substantiële meerkosten’ is een rekbaar begrip. De overheid wil zelf ook voor een dubbeltje op de eerste rij zitten. Bij de aanbesteding van de schoonmaak van de toiletten zal de goedkoopste aanbieder toch eerder gekozen worden dan de dure aanbieder die zijn werknemers een respectvol salaris betaalt. De folder van het ministerie uit juni 2010 vermeldt daarom dat bij de ‘milieugerelateerde criteria gebruik wordt gemaakt van bestaande kennis bij inkopers, bedrijven, NGO’s, brancheorganisaties, kennisinstituten en recente onderzoeken’.

Het keten-initiatief Fair Flowers Fair Plants (FFP) geeft aan dat ‘FFP-bloemen en planten een traject volgen van producent tot aan het verkooppunt. Elke schakel in de keten moet lid zijn van Fair Flowers Fair Plants en moet bewijzen dat het om FFP producten gaat.’ Bij de controles wordt gelet op milieu-eisen (gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, energie, water en afval) en sociale eisen (veiligheid, gezondheid en arbeidsomstandigheden).

Bij controles zijn feitelijke omstandigheden makkelijker vast te stellen da ‘menselijke factoren’. Is de vakbond ook daadwerkelijk een vakbond van de werknemers zelf of heeft het bedrijf de bond opgezet om bij de keten te horen? Over milieu-criteria is het ministerie van ELI helder: ‘Voor de milieu gerelateerde criteria wordt gebruik gemaakt van bestaande kennis bij inkopers, bedrijven, NGO’s, brancheorganisaties, kennisinstituten en recente onderzoeken.’ De sociale criteria zijn niet geformuleerd omdat de ‘contouren van de sociale criteria thans nog worden uitgewerkt tot criteria die bij het inkopen kunnen worden gebruikt

Sociale voorwaarden

De overheid erkent de problemen met betrekking tot de sociale voorwaarden en daarom is onder het kopje ‘duurzaamheid: people, planet, profit’ een ‘redelijke inspanning’ geformuleerd: ‘Omdat het moeilijk is alles wat in de keten gebeurt te kennen, vraagt de overheid een inspanningsverplichting van de leverancier en geen resultaatsverplichting.’ Zodra Apple kan aangeven dat zij de fabrieken écht regelmatig bezoekt dan kan de iphone nog voor duurzaam doorgaan, ondanks de slechte arbeidsomstandigheden.

Bij de inspanning gaat het om ‘de grootte van de opdracht, de frequentie van de relatie met toeleveranciers, de machtsverhoudingen tussen partijen in de keten, de kenbaarheid van de situatie in de keten.’ Het schoonmaakbedrijf dat zijn werknemers slecht behandelt en betaalt kan ook voor duurzaam doorgaan door te verwijzen naar de ‘machtsverhoudingen tussen partijen in de keten.’ Het probeert de sociale voorwaarden na te komen, maar slaagt daar duidelijk niet in omdat de werknemers uit onvrede de straat op gaan.

Het is voor de ambtenaar die een duurzame mobiele telefoon of bureaustoel wil aanschaffen, dan wel schoonmakers wil aanstellen bepaald geen eenvoudige klus. Hij kan alles aan de markt over laten en hopen dat de keten-initiatieven verbeteringen in de sociale voorwaarden teweeg zullen brengen, maar het kan ook mis gaan. De toiletten worden vervolgens niet meer schoon gemaakt, de stoelen gaan na drie jaar in plaats van vijf jaar stuk en in de telefoon zit tóch Coltan verwerkt volgens een documentairemaker.

Inspanningsverplichting, ketenaansprakelijkheid… uiteindelijk gaat het om onderzoek die misstanden aan het licht brengt, zoals in het geval van Apple. Onderzoek door journalisten of niet gouvernementele organisaties. Het ministerie geeft dan ook als tip aan het bedrijfsleven dat zij ‘de gegevens kunnen raadplegen die zijn bijeengebracht door onderzoeksinstanties en NGO’s.’ Verschillende NGO’s hebben zich ook aangesloten bij keten-initiatieven. De vakbonden, FNV Bondgenoten en CNV dienstenbond, en de NGO de Clean Clothes Campaign hebben zich bij de kledingketen aangesloten (Fair Wear Foundation).

Vraag is echter of het doorverwijzen naar NGO’s en onderzoeksinstanties niet wat al te gemakkelijk is. Waar ligt de verantwoordelijkheid van de overheid zelf? Het voorbeeld van de schoonmakers laat zien dat bij zoiets essentieels als een schone werkplek het al fout gaat. Hoe zit het dan met het kantoormeubilair of de gebruikte communicatiemiddelen? Misschien is de koffie wel zuiver, maar de communicatie niet?

Daarnaast wordt er al jaren bezuinigd op het maatschappelijk middenveld en ontwikkelingsorganisaties. Wordt duurzaam inkopen straks niet het afchecken van de inspanning van een bedrijf? En bestaan de ketens in de toekomst alleen nog maar uit de producenten voor wie profit net iets belangrijker is dan people? De consument, lees de overheid, speelt daar ook een belangrijke rol in, want de markt heerst en alles kan nog goedkoper.

Onzichtbare contracten

Als voorbeeld hebben we Apple genomen, maar levert het computerbedrijf eigenlijk wel telefoons aan bestuursorganen in Nederland? Bij de openbare aanbestedingen zijn er publieke registers, maar de contracten onder de € 50.000 blijven onzichtbaar. In principe hoeft de overheid alleen bij openbare aanbestedingen duurzaam in te kopen. Elk jaar is het bedrag dat wordt aanbesteed minder dan de helft van het totale inkoopvolume (Het totale inkoopvolume van Nederlandse overheden, Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO bv) uit 2009).

Er is sprake van nogal grove schattingen, want de cijfers over de aanbestedingen lopen uiteen van 18 tot 33 miljard euro. De getallen zijn echter een indicatie voor het percentage duurzaam ingekochte goederen en diensten. Dit ligt rond de 30 en 50 procent bij een geschat totaal volume van de overheid van rond de 60 miljard. Als de overheid echter beweert dat de inkoop van het schoonmaken 100 procent duurzaam is en vervolgens de schoonmakers daar anders over denken, roept dat vragen op over het gehele duurzaamheidstraject.

Hoe zit het met het ijzer van het kantoormeubilair en de coltan in de telefoons? De publicaties over de slechte arbeidsomstandigheden in de fabrieken voor onderdelen van Apple laten zien dat onderzoek van groot belang is om het duurzaamheidsgehalte tegen het licht te houden. Een eerste vereiste voor dat onderzoek is de vraag of de overheid iphones in gebruik heeft. Daarbij is de vraag of het een openbare aanbesteding betreft van minder belang.

Door in de Monitor Duurzaam Inkopen 2010 heel hard te roepen dat alle doelen gehaald zijn en aan te geven dat de Rijksoverheid bijna 100 procent duurzaam inkoopt, wordt de illusie gewekt dat 100 procent ook alle inkoop betreft. Nergens wordt vermeld om welk percentage van het totale inkoopvolume van de Rijksoverheid het gaat. Duurzaam inkopen zou ook op de boekhouding moeten slaan en dus ook als het om niet aan te besteden goederen en diensten gaat. De overheid wil geen goedkope stoelen die door kinderhanden zijn gemaakt in de kamer van de minister van ELI.

Het ministerie geeft zelf toe dat de overheid niet over de kennis beschikt ten aanzien van materialen, arbeidsomstandigheden en andere sociale en milieu-aspecten. Om die reden verwijst de overheid bedrijven door naar ‘de gegevens die zijn bijeengebracht door onderzoeksinstanties en NGO’s.’ Die organisaties moeten dan wel weten met wie de overheid in zee gaat, want anders wordt het onderzoek een verdraaid lastig karwei.

Verzoek tot openbaarmaking

Buro Jansen & Janssen verzocht op 7 juli 2010 alle ministeries en politiediensten om contracten met bedrijven op het gebied van ICT, communicatie, dataverzameling en beheer, toegangscontrole, zichtsystemen, alarm, wapensystemen, beschermende oplossingen voor personeel, voertuigen en gebouwen, voertuigen, training en detachering openbaar te maken. In totaal werden 34 bestuursorganen aangeschreven.

Met name de politie reageerde als door een wesp gestoken. Wat Buro Jansen & Janssen wel niet dacht! Alles passeerde de revue. Te veel werk, niet te vinden, allemaal persoonlijk, zeer geheim, staatsgeheim, levensgevaarlijk als bandieten dat te weten komen.

Ruim een half jaar later druppelden de eerste overzichtslijsten binnen. Het duurde tot in de zomer van 2011 voordat alle lijsten in het bezit van Jansen & Janssen waren. Ze zijn verschillend van opzet, inhoud, duidelijkheid en precisie. Sommige politieregio’s hebben geprobeerd zo volledig mogelijk te zijn bij de beantwoording van het verzoek, anderen zo onvolledig mogelijk. En het betreft niet alle namen van de bedrijven die met de politie of de verschillende ministeries samenwerken.

Waarom worden eigenlijk niet alle namen van de instanties die met de overheid samenwerken openbaar gemaakt? Alleen dan kan serieus werk worden gemaakt van een duurzaam inkoopbeleid. Een overheid die niet transparant is, zal altijd schoonmakers in dienst hebben die niet volgens normale fatsoensnormen worden behandeld. Vuile ramen ontnemen het zicht op een serieus beleid waarbij sociale en milieu-aspecten centraal staan en waarbij het inkopen niet duurzaam is, maar wordt afgewimpeld.

Find this story at 26 March 2012

Observant nummer 63, de elektronische nieuwsbrief van Buro Jansen & Janssen

In deze nieuwsbrief, Observant nummer 63 (de elektronische nieuwsbrief van bjj), aandacht voor de aandacht van inlichtingendiensten voor studenten die protesteerden tegen de bezuinigingen, selectief fouilleren in Maastricht, of de politie discrimineert, Chiquita dat al decennia lang een nauwe band met de Amerikaanse overheid onderhoudt, maar ook met geweld tegen werknemers en vakbonden niet schuwt, een gesprek met de AIVD, Syrië en onze desinteresse, een oude tijdloze publicatie Administratieve Apartheid, Inside British Intelligence en natuurlijk de terugkerende steunaanvraag voor Jansen.

01 Inhoudsopgave
02 Ideologische orde: Gaan we protesteren?
03 Discrimineert de politie?
04 Preventief fouilleren omdat het mag!/moet?
05 Chiquita and the Myth of Corporate Social Responsibility
06 “Hallo, met de AIVD”
07 Nederlandse strijders in Syrië verdienen een onderscheiding
08 Inside British intelligence
09 Administratieve apartheid brochure
10 Donateurs gezocht

Ochtendgloren: Nachtelijke politionele phishing acties

Bestrijding van de criminaliteit door het afsluiten van snelwegen lijkt een uitvloeisel van de aanpak van nodale controle en informatiegestuurde politie. De redenering is eenvoudig. Boeven en andere slechteriken in de woorden van overheidsfunctionarissen gebruiken snelwegen als aan- en afvoerroutes van criminele waar. Door de snelweg af te sluiten en iedereen te controleren wordt de criminaliteit bestreden. Deze ongerichte controle acties gericht tegen niet verdachte burgers lijken proeftuinen voor het samenwerken van tientallen opsporingsdiensten en meer dan honderd functionarissen. Het denken binnen het opsporingsapparaat is duidelijk gekanteld. Iedereen is verdachte op de rijkswegen. Het Kwaad beweegt zich. In het verleden vooral in het oosten van het land, waar de operatie Ochtendgloren zijn oorsprong kent, maar de laatste jaren ook in het westen en zuiden, waar inmiddels vergelijkbare operaties onder de naam Avondlicht worden gehouden.
Kritische kanttekeningen, vragen, evaluaties, analyses, het is allemaal niet nodig. Twijfelaars van de maatregel worden net zolang onder druk gezet tot ze instemmen en een kritische beschouwing van dit zware middel is nergens in de stukken te vinden. Dat is verontrustend in een rechtstaat waar politie en justitie steeds meer middelen en mogelijkheden krijgen. Zonder nuances worden rechten van burgers alleen maar meer ingeperkt.

Meerdere keren per jaar worden snelwegen in Nederland door meer dan honderd functionarissen afgesloten om vele honderden automobilisten systematisch te controleren. Alhoewel het formeel om verkeerscontroles gaat blijkt de werkelijke motivatie de bestrijding van de middencriminaliteit te zijn; inbrekers en overvallers die zich per auto verplaatsen. Analyse van deze criminaliteit en de effectiviteit van de kostbare operaties ontbreekt echter. Cijfers laten duidelijk zien dat er aan de veiligheid in de gemeenten langs de snelwegen weinig verandert. De incidentele successen die er tijdens de operaties worden geboekt lijken meer op toevalstreffers dan serieus politiewerk. Waarom er gemikt wordt op grote logge operaties die dagen van te voren en van kilometers afstand zijn te zien, roept vooral vragen op. In de woorden van iemand die post op flitsservice.nl onder de nick-name ‘vw-driver’: “Vanavond weer een actie Ochtengloren langs de A1 bij parkeerplaatsen Boermark en De Hop nabij Holten. Hoezo? Staat er weer het bekende materiaal opgesteld op de parkeerplaatsen?” En een andere bijdrage is van een persoon die zich uitgeeft als ‘classpool’ voegt er aan toe dat er ruime ervaring is bij het omzeilen van de controles: “Het blijft werkelijk een amateuristisch opgezette actie. In beide richtingen kon je voor de controle de snelweg af, stukje binnendoor van 5 minuten en de snelweg weer op.”
Ondertussen leveren de operaties volgens de betrokken instanties zelf een dusdanig risico voor ambtenaar en burger op dat de locaties als veiligheidsrisicogebied moeten worden aangemerkt. Deze aanmerking biedt gelijk de juridische basis om automobilisten nog eens extra te verwennen door ze preventief te fouilleren. Gestart als reactie op een schietpartij van bekenden van de politie worden nu duizenden Nederlanders onderworpen aan criminaliteitscontroles, terwijl zij niet verdacht zijn van het plegen van een misdrijf. En het resultaat. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek laten vooral zien dat het aantal diefstallen en inbraken stijgt. Rijssen-Holten, de gemeente die het fanatiekst is bij het inzetten van Ochtendgloren vertoont een stijging van het aantal inbraken met 25%. Als de politie na het ochtendgloren huiswaarts keert, hebben de “slechteriken uit het westen” in alle rust de huizen van brave burgers leeg kunnen halen. Niet de samenleving verhardt, maar het ongerichte optreden van overheidsdiensten gericht op 100% repressief optreden laat zien wie er nu werkelijk verhardt in zijn standpunt. Of het veiliger wordt is allang geen issue meer.

Find this story at 24 November 2010

Operatie Ochtendgloren – Buro Jansen & Janssen

 

 

Actie preventief fouilleren A2 en camping was misbruik van bevoegdheid

24 april 2013 – De Nationale ombudsman, Alex Brenninkmeijer, is van oordeel dat de politie Oost Nederland misbruik van haar bevoegdheden heeft gemaakt bij acties van preventief fouilleren langs de A2 bij Geldermalsen en op een camping in Kerkdriel. De gemeente Geldermalsen en het OM hebben geen oog gehad voor de waarborgen voor de burger. In beide gevallen was geen sprake van een veiligheidsrisico waarbij preventief fouilleren zou kunnen worden ingezet. Brenninkmeijer: ‘Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat uit opportunisme is geprobeerd om preventief fouilleren aan het reeds beschikbare arsenaal opsporings- en controlemogelijkheden toe te voegen.’

De ombudsman deed een onderzoek uit eigen beweging naar een grootschalige preventief fouilleeractie in de nacht van 25 op 26 oktober 2012 op twee locaties langs de A2 bij Geldermalsen. Ook onderzocht hij een preventief fouilleeractie op de camping ‘Maaszicht’ in Kerkdriel. De actie langs de A2 werd gerechtvaardigd onder verwijzing naar een groot aantal inbraken. En de actie in Kerkdriel had als achtergrond de politiemensen te beschermen bij hun zoekactie. Allebei geen reden waarvoor preventief fouilleren is toegestaan, want preventief fouilleren is gericht op openbare orde en niet op opsporen van strafbare feiten.

Gelet op wat in het voortraject van beide acties is gebeurd, komt het de ombudsman voor dat de burgemeester en de officier van justitie marionetten van de politie Oost Nederland (voorheen politiekorps Gelderland-Zuid) zijn geweest. Brenninkmeijer: ‘Ik ben bezorgd over het gemak waarmee de bestuurders en de officieren van justitie in beide gevallen aan de waarborgen voor de burger voorbij zijn gegaan.’ De Nationale ombudsman doet de aanbeveling om het middel preventief fouilleren niet meer in combinatie met andere controleacties in te zetten, dit om misbruik van het middel preventief fouilleren te voorkomen.
In een eerder rapport (2011/252) waarschuwden de Nationale ombudsman en de gemeentelijke ombudsmannen van Amsterdam en Rotterdam voor het gevaar dat preventief fouilleren oneigenlijk wordt gebruikt voor de opsporing van strafbare feiten.

Find this story at 24 April 2013

Hoeveel ANPR-camera’s zijn er eigenlijk?

ANALYSE – Uw kenteken wordt straks vier weken bewaard als u langs een ANPR-camera rijdt. De Tweede Kamer is in grote lijnen akkoord met een wetsvoorstel dat dat regelt. Hoeveel van dit soort camera’s zijn er eigenlijk? En waar staan ze?

In het politieke debat over de opslag van kentekengegevens en de bijbehorende rapporten en adviezen wordt uitgegaan van ongeveer driehonderd Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s. Het doorgaans goed ingevoerde Webwereld sprak gisteren van tienduizenden camera’s. Beide aantallen kloppen niet.

We kunnen met zekerheid zeggen dat er 1625 ANPR-camera’s langs de Nederlandse wegen staan. Maar ze zijn lang niet allemaal geschikt voor opsporing. Op dit moment worden al die gescande kentekens nauwelijks gebruikt voor opsporing en dat blijft ook wel even zo ondanks de nieuwe wet (daarover volgende week meer op Sargasso).

Laten we eens gaan tellen.

De meeste ANPR-camera’s worden ingezet voor verkeersmanagement en vallen onder het beheer van de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW). Met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) hebben we een overzicht van al die camera’s gekregen. Het zijn er duizend en die staan vooral in steden en langs provinciale wegen in de Randstad en Noord-Brabant.

Encryptie

De camera’s meten de verkeersintensiteit. Wie bijvoorbeeld via de S112 in Amsterdam de stad binnenrijdt, wordt gescand. De data zijn niet herleidbaar tot een persoon (en in die zin geen persoonsgegevens), want via encryptie omgezet in een geanonimiseerde code. Bij het centrum wordt dezelfde auto weer gescand en herkend. Met die gegevens kan de NDW berekenen hoeveel tijd het kost om de stad in te komen en die informatie staat dan soms op matrixborden langs de weg.

De NDW beheert deze camera’s niet zelf, maar bezweert dat ze niet voor opsporingsdoeleinden worden gebruikt en dat dat ook niet de bedoeling is. Toch moeten we het opsporingsdoel niet zomaar afschrijven. In Rotterdam maakte de politie dankbaar gebruik van verkeerscamera’s en werd daarbij niet gehinderd door encryptie. Het kan dus wel.

Politie

Daarnaast heeft de politie veel eigen ANPR-camera’s. Een aantal korpsen heeft vaste opstellingen en de meeste hebben auto’s die uitgerust zijn met ANPR-apparatuur. Het korps Rotterdam-Rijnmond is voorloper en heeft de meeste camera’s hangen: 64 vaste camera’s en 8 mobiele. Het KLPD heeft 36 vaste camera’s en 35 mobiele. 19 korpsen beheren in totaal 78 mobiele camera’s en 5 korpsen hebben in totaal 119 vaste camera’s (op 21 locaties). Tien korpsen gebruiken ANPR-camera’s van anderen.

Amsterdam-Amstelland heeft er nog niet zoveel, maar wil zijn arsenaal flink uitbreiden door ook de milieucamera’s op het politiesysteem aan te sluiten. Dat is tot op heden echter nog niet gelukt wegens technische problemen.

Ook private partijen maken steeds vaker gebruik van ANPR. Tankstations proberen er bijvoorbeeld het wegrijden zonder betalen mee te bestrijden. Het is onduidelijk hoeveel tankstations met dit type camera’s zijn uitgerust, daarom neem ik ze niet mee in de telling.

Hardnekkige plannen

Daarnaast zijn er al jaren hardnekkige plannen om alle camera’s van Rijkswaterstaat op een landelijk ANPR-net aan te sluiten. Dat zijn zeker 2000 camera’s. Ik zeg hardnekkig, omdat het technisch gezien erg lastig is om dit soort camera’s op een ANPR-netwerk aan te sluiten. De camera’s moeten bijvoorbeeld stabiel hangen en mogen niet zwenken. Bovendien wil je idealiter op iedere rijbaan een eigen camera hebben, anders mis je veel auto’s. De meeste Rijkswaterstaatcamera’s overzien complete rijrichtingen en niet individuele baanvakken.

De camera’s van Trajectcontrole tellen ook mee in ons overzicht. We hebben alleen de locaties geteld en niet alle camera’s. Het afgelopen jaar is het aantal meetpunten flink uitgebreid, op de A4 en A2 bijvoorbeeld. Alleen al op het stukje Amsterdam-Utrecht hangen zeker tachtig camera’s, verspreid over acht meetpunten.

Tot slot zijn er nog de beruchte @migo grenscamera’s. Voor meer dan twintig miljoen euro werden ANPR-camera’s bij de grensovergangen gemonteerd, maar die blijken volgens het Schengenverdrag helemaal niet continu te mogen scannen. Ze worden dus beperkt ingezet.

Educated guess

Het aantal ANPR-camera’s dat we documentair hebben kunnen staven bedraagt zeker 1625. Ik vermoed dat het ware aantal, en dat is een educated guess, rond de drieduizend ligt. Mocht het toch lukken om de Rijkswaterstaatcamera’s aan te sluiten, dan zitten we op vijfduizend.

En waar staan ze dan? Hieronder vindt u twee kaarten met camera’s die bij ons bekend zijn. De eerste toont de camera’s waarvan we zeker weten dat ze er staan. De tweede toont het scenario als de Rijkswaterstaat-camera’s op een ANPR-netwerk worden aangesloten. Je kunt zoomen en (beperkt) zoeken.

Volgende week hebben we een aantal achtergrondverhalen over (slim) cameratoezicht in Nederland en presenteren we een kaart met alle publiek gedocumenteerde camera’s in Nederland die we met enkele honderden Wob-verzoeken boven tafel hebben gekregen. Tips, vragen en aanvullingen graag in de comments.

Door Dimitri Tokmetzis
19:00 donderdag 21 maart 2013

Find this story at 21 March 2013

(cc) 2001-2013 Stichting Sargasso

Landelijk opsporingsbericht: uw kenteken gezocht

Als het aan de politie ligt, wordt uw kenteken straks overal gescand. Niet alleen kijkt de politie of u iets op uw kerfstok heeft, maar ook of u op basis van uw reisprofiel van plan bent om rottigheid uit te halen: een soort Minority Report op de weg dus. Daarbij worden kentekenscans mogelijk centraal opgeslagen en informatie en camerabeelden uitgewisseld tussen politie en de private sector.

Dit scenario destilleer ik uit een aantal stukken dat ik met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van het KLPD heb ontvangen. Nu al maken verschillende korpsen gebruik van Automated Number Plate Recognition (ANPR), oftewel kentekenherkenning. ANPR wordt op dit moment vooral toegepast voor handhaving, bijvoorbeeld om mensen met openstaande boetes uit het verkeer te plukken. Maar ANPR kan veel meer, zeker als er een landelijk dekkend systeem is.

De registraties geven een rijk beeld van waar auto’s zijn geweest. Die informatie kan toegepast worden in opsporingsonderzoeken en gebruikt worden voor intelligencedoeleinden. Een centrale stuurgroep onderzoekt de mogelijkheid van van zo’n landelijke toepassing en komt binnenkort – onbekend is wanneer – waarschijnlijk met een voorstel.

Waarom is dit belangrijk?

Uit een aantal openbaargemaakte stukken (waaronder een basisdocument van de landelijke werkgroep, Implementatie en Doorontwikkeling ANPR, IDA) blijkt wel waar de voorkeur van de politie naar uit gaat. Ook wordt gewerkt aan een communicatiestrategie. Uiteraard is het niet de bedoeling dat de burger nu al meepraat. Om te voorkomen dat we voor voldongen feiten worden gesteld, nu alvast een bijdrage aan de discussie. Hieronder vindt u enkele tekstfragmenten. Gezamenlijk geven ze een duidelijk beeld van de koers die men dreigt in te slaan. Alle openbare documenten staan onderaan. Een eerder, wat beperkter verhaal, staat hier.

Tot slot nog even wat u niet mag weten van het KLPD (de zwartgemaakte stukken in de documenten):

– Het KLPD werkt samen met het Eindhovense bedrijf Technet.

– Verantwoordelijke bij de Raad van Hoofdcommissarissen (en auteur van het conceptrapport Beelden van de Samenleving is Pieter Jaap Aalbersberg, portefeuillehouder Publiek-Private Samenwerking en Intelligence van de Raad van Hoofdcommissarissen. Blijkbaar is dit ook al privacygevoelige informatie.

– De locatie van de vaste ANPR-opstellingen worden niet prijsgegeven. Tips kunt u kwijt in de comments, dat werkt wellicht sneller dan een bezwaarschrift. Momenteel werk ik aan een overzichtskaart.

Uit: ANPR Naar een landelijke toepassing

Hotlists worden landelijk samengesteld als afgeleide van bestaande registers zoals het opsporingsregister of het kentekenregister. De kentekenverzameling kan naar eigen inzicht worden aangevuld met gegevens uit het korps dat ANPR inzet. Denk daarbij aan speciale doelgroepen en/of subjecten in onderzoeken van CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid), TGO’s (teams grootschalig optreden) of BRT’s (bovenregionale recherche teams).

Opsporing: gepleegde en te plegen strafbare feiten opsporen door balansverstoorders uit de anonimiteit van verkeersstromen te halen. Met ANPR kan bijvoorbeeld een overzicht gemaakt worden van voertuigen die op een bepaald tijdstip in de buurt van een plaats delict aanwezig waren. Een andere toepassingsmogelijkheid is om via ANPR inzicht te verkrijgen in verkeersstromen om vervolgens afwijkende patronen te herkennen.

Wanneer een ongewoon reispatroon door middel van analyse van het politieregister ANPR aan het licht komt, kan dat voor de politie reden zijn om een onderzoek in te stellen. Zo kunnen potentiële criminele activiteiten tijdig worden onderkend.

De meerwaarde die ANPR in de toekomst kan bieden is vooral gericht op (proactieve) informatieanalyse, datamining en het versterken van de informatiepositie van de politie. Doelstelling is het ontdekken van trends, patronen en profielen om daar passende interventiescenario’s voor te kunnen opstellen of zelfs ‘criminaliteitsvoorspellingen’ uit te kunnen destilleren. Dat vraagt om een andere soort van analyses, andere vakinhoudelijke kennis en vanwege de bijzondere verstrekkende zoekmogelijkheden om autorisaties van een zeer beperkte kring van politieambtenaren die de vereiste deskundigheid en ervaring bezitten.

De effectiviteit van ANPR zal toenemen naarmate de inzet breder wordt. Nu wordt ANPR regionaal en periodiek ingezet. De ANPR-systemen kunnen echter ook structureel en landelijk worden ingezet. Te denken valt aan een koppeling van de ANPR-systemen aan de bestaande camera’s van Rijkswaterstaat die langs de snelweg hangen en aan een koppeling aan de camera’s van stadstoezicht. Zo kunnen (potentiële) wetsovertreders nationaal, regionaal en binnen de stad gesignaleerd en eventueel gevolgd worden.

Een bredere inzet kan ook betekenen dat er meerdere hotlists worden gekoppeld aan de ANPR-camera. Op dit moment wordt vooral gecontroleerd met gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, gegevens van het Centraal Justitieel Incassobureau, gegevens van Politie en gegevens van Justitie. Deze verzameling kan uitgebreid worden met hotlists van andere overheidsinstellingen.

Samenwerking draagt bovendien bij aan het streven van het kabinet naar één controlerende overheid. Door (al dan niet structureel) samen te werken met eerdergenoemde partijen ontstaat een veel groter arsenaal aan bevoegdheden, interventiemogelijkheden en informatie die in samenhang kan worden ingezet. Deze samenwerking vindt al vaak plaats in het kader van het integrale veiligheidsbeleid, de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit, de inzet van Bibob en de multidisciplinaire samenwerking met de Bijzondere Opsporingsdiensten.

(…) Vanwege de identificerende en signalerende werking krijgt de politie een steeds beter beeld van (potentiële) balansverstoringen en (potentiële) balansverstoorders met een veiligere samenleving als gevolg. (…)

Verder leren de ervaringen van de politie in Groot Brittannië dat de met ANPR verkregen informatie een grote bijdrage levert aan het oplossen of voorkomen van terroristische aanslagen en zware delicten [wat onzin is, in Engeland gaan er juist stemmen op om het aantal ANPR controles drastisch terug te brengen, dt.]. Wat dat aangaat kan ANPR dus ook gebruikt worden voor bewaken en beveiligen, het vergaren van informatie en intelligence of het tegenhouden van een aanslag. Dergelijke toepassingen zijn natuurlijk wel afhankelijk van de dichtheid van het cameranetwerk.

Een voorbeeld van hoe de toepassing van ANPR de privacy van een burger kan raken is proactief onderzoek. In theorie is het mogelijk dat personen die niets met een specifiek delict te maken hebben maar die op het verkeerde moment op een verkeerde plaats verblijven in een ‘potentiële verdachten’ bestand terechtkomen. Van belang is dus om als politie goed uit te leggen wat proactief onderzoek inhoudt en dat voldoende wettelijke waarborgen bestaan om onterecht te worden bestempeld als een verdachte.

Het uitgangspunt daarbij is de inzet van ANPR als handhavinginstrument. Die staat nauwelijks ter discussie en kan relatief eenvoudig worden gerealiseerd. De mogelijkheid om in de toekomst ANPR in te zetten voor opsporingsdoeleinden mag echter niet uit het oog verloren worden en dient meegenomen te worden in de doorontwikkeling van het instrument.

Uitgangspunt voor verdere implementatie en doorontwikkeling van ANPR is een landelijke organisatie die de ANPR standaarden ontwikkelt en bewaakt en die aanspreekpunt is voor deelnemers en ketenpartners in de ANPR strategie. Daarnaast draagt deze organisatie de zorg voor het beheer van een landelijke database met landelijke hotlists. (…) Het voordeel van deze landelijke regie met regionale autonomie is dat een landelijke ANPR-dekking relatief snel bewerkstelligd kan worden.

Uit Beelden van de Samenleving een visiedocument van de Raad van Hoofdcommissarissen, februari 2009

Rol van informatiegestuurd cameratoezicht. Informatiegestuurd cameratoezicht richt zich (in tegenstelling tot andere vormen van cameratoezicht) niet alleen op het verzamelen en verwerken van informatie, maar ook op het analyseren (veredelen) en uitwisselen van deze informatie met publieke én private partners.

Zo, dan bent u weer bij. Hieronder de documenten en daaronder een filmpje.

De documenten:

ANPR naar een landelijke toepassing

Beelden van de samenleving

Digitale surveillance op snelwegen

bijlage 2 IDA (overzicht ANPR-initiatieven per korps)

Beschrijving legitimiteitsvraagstukken

Juridisch advies ANPR (hier een verhaal daarover)

Proces Catch Ken Plan van uitvoering

Opdracht juridische werkgroep

Door Dimitri Tokmetzis
09:00 donderdag 12 augustus 2010

Find this story at 12 August 2010

(cc) 2001-2013 Stichting Sargasso

Amersfoort haalt camera’s weg

Amersfoort wil minstens acht toezichtcamera’s weghalen uit de stad. Onderzoek heeft aangetoond dat cameratoezicht veel geld kost, maar geen merkbaar effect heeft op de beoogde daling van het aantal geweldsmisdrijven.
Zelden herkenning
De politie vraagt vaak beelden op voor opsporingsdoeleinden na incidenten op straat, maar volgens de onderzoekers leiden de camerabeelden hoogst zelden tot herkenning of identificatie van verdachten. Amersfoort heeft op dit moment 17 camera’s op zeven locaties in de stad.

21 mrt 2013 2 reacties

Find this story at 21 March 2013

© Binnenlands Bestuur