Het verwrongen wereldbeeld van de NCTV (kort)(nationaal)

Dick Schoof, coördinator van de NCTV, oogt al geruime tijd paranoia. In zijn DTN’s zoekt hij onder iedere steen naar het jihadistische gevaar.

De coördinator terrorismebestrijding stelt in het tweede dreigingsbeeld [DTN-2, september 2005] dat ‘het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.’ Deze conclusie, die wordt getrokken naar aanleiding van de aanslagen in Londen van juli 2005, is tekenend voor de rest van het dreigingsbeeld van de afgelopen tien jaar. Eigenlijk is de NCTb niet verantwoordelijk, maar zij waarschuwt wel, al lijkt het erop dat steeds naar het verkeerde gevaar wordt gekeken.

De traumatische gebeurtenissen van het afgelopen decennium in dit land (Alphen a/d Rijn 2011, Apeldoorn 2009, Amsterdam 2004) zijn niet jihadistisch van aard, maar volgens de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) schuilt het grote gevaar wel degelijk in de jihadistische moskeeën, stichtingen, organisaties, netwerken, predikers, ronselaars, jihadgangers, terugkeerders, de niet-afgereisden en anderen die worden ingedeeld als vijanden van het westen.

Ongekende netwerken

De bipolaire wereld die door de NCTV wordt geschetst, begint in het eerste dreigingsbeeld van 2004 met een direct verband tussen Nederlandse jongeren en groepen als al-Qaida. In de jaren die volgen wordt de beschrijving van het jihadistische gevaar niet minder maar meer, terwijl er niets gebeurt van jihadistische zijde. Uiteindelijk is de dienst aan het wachten op de aanslag en stelt terreurambtenaar Schoof na de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo dat men alert moet zijn, maar niet paranoïde.

De link tussen Nederlandse jongeren en de grote terrorismewereld van al-Qaida en andere notoire groepen, kwam in de eerste jaren van het DTN voort uit de moord op Theo van Gogh, de Hofstadgroep (naamgeving door de AIVD) en de mensen rondom Samir A. In de loop der jaren zijn deze groepen gedefinieerd als jihadistische netwerken. De laatste jaren moet de coördinator toegeven dat deze netwerken stuurloos, doelloos en zonder leider zijn, maar dat heeft hun gevaar sinds de moord op Van Gogh niet verminderd.

Uiteindelijk valt uit de dreigingsbeelden niet te concluderen of er daadwerkelijk een uitgebreid netwerk van jihadisten bestaat. In 2006 komt de term ‘ongekende netwerken’ op, die de dreiging omvattender en complexer maakt. Ongekende netwerken zijn netwerken waar de terreurdienst geen weet van heeft, maar die volgens de coördinator wel bestaan. Het is als de unknown unknowns van voormalig minister van Defensie van de VS Donald Rumsfeld, onbekende gevaren die we niet kennen. De ongekende netwerken zijn in dit geval de unknown knows.

De coördinator gaat er vanuit dat deze netwerken een gevaar vormen, maar weet niet of ze er zijn. AEL, Sharia4Holland, Behind Bars en Hizb-ut Tahrir (HuT) worden genoemd als ‘belangrijke’ groepen die een centrale rol in de jihadistische netwerken zouden spelen, maar veel onderbouwing voor deze stelling levert de NCTV niet.

Daarbij is opvallend te noemen dat zodra een groep als Sharia4Holland nog maar net is opgericht de overheid met haar volle gewicht zich op de club heeft gestort en al snel labelt als zijnde extremistisch, jihadistisch of terroristisch. Of de groepen ondergronds verder zullen gaan, is moeilijk te zeggen, want vergaderen, samenkomen en discussiëren zijn grondwettelijke rechten en geen terroristische activiteiten als de groepen zelf niet terroristisch zijn.

Gaza-protesten

De zomer van 2014 vormde voor de NCTV tot nu toe het jihadistische hoogtepunt, met een demonstratie op 24 juli ten tijde van de Israëlische militaire belegering van Gaza in het kader van de operatie Operation Protective Edge. Tijdens deze demonstratie in de Haagse Schilderswijk werden IS-vlaggen meegedragen hetgeen tot een tegendemonstratie leidde op 10 augustus 2014. Die zomer was überhaupt gevuld met protesten in het hele land naar aanleiding van het conflict tussen Israël en Palestina waarbij 72 Israëli’s en rond de 2100 Palestijnen om het leven kwamen.

De ophef rond de demonstratie van 24 juli 2014 staat in schril contrast met een vergelijkbare demonstratie op 21 december 2013. Groot verschil met 2014 was dat er eind 2013 geen alles vernietigende operatie van het Israëlische leger gaande was. Dit laatste zorgde voor een heftig debat over leuzen, spandoeken en demonstraties, waardoor het leek alsof de Schilderswijk in brand stond.

Voor de NCTV maakte dat geen verschil, de dreiging bleef substantieel, de aanslag reëel. Protesten en demonstraties worden door de dienst altijd in verband gebracht met radicalisering en polarisatie, de laatste jaren consequent onder het kopje geweld, ook al is er niets of weinig gebeurd. Hierbij kan het om allerlei vormen van protest gaan. Graffiti, een tentenkamp van vluchtelingen, een protest tegen een moskee, een verstoring van een debat; alles wordt in de hokjes polarisatie, radicalisering, extremisme, terrorisme geplaatst.

De mensen die protesteerden werden eigenlijk standaard extremisten genoemd en incidenten direct gekoppeld aan extremisme, met verharding als resultaat. Waarbij consequent het jihadisme het grootste gevaar vormt. De tolerantie van de overheid ten aanzien van protest en anderssoortige meningen is in tien jaar sterk afgenomen. De taal van de repressieve tolerantie om burgers in het gareel te houden, wordt in de loop der jaren steeds indringender. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de protesten tegen de gaswinning in Groningen in het terrorismebeeld van coördinator Schoof terecht komt.

Verbreding

Om radicalisering en polarisatie aan te pakken, zet de NCTV steeds vaker ‘professionals’ in. In tien jaar DTN’s worden, naast de medewerkers van inlichtingen- en opsporingsdiensten, steeds meer mensen uit zorg en onderwijs aan de lijst van terrorismebestrijders toegevoegd. Eerst ging het hierbij nog om leraren, jeugdwerkers en medewerkers van het Centrum voor Werk en Inkomen. Zodra Dick Schoof de zetel van coördinator bezette, werden daar ook vertrouwenspersonen aan toegevoegd.

Deze tendens, iedereen medeverantwoordelijk maken voor het anti-terrorismebeleid, houdt gelijke tred met de verbreding naar terreinen als migratie, internet, media en financiën. Daarbij wordt in eerste instantie terrorisme als argument voor stringentere wetgeving gebruikt, vervolgens criminaliteit, voetbalsupporters en tot slot dissidente geluiden.

Zo komt het onderwerp van de Passenger Name Records (PNR) in DTN-11 (2011) op de agenda. In DTN-15 (2008) en DTN-17 (2009) wordt expliciet terrorismebestrijding vermeld. In DTN-21 (2010) spreekt de Nederlandse overheid nog over ‘doelbinding, proportionaliteit en privacy van de reiziger.’ In DTN-25 (2011) is het argument al opgerekt tot ‘het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en zware criminaliteit (EU PNR).’ In 2013, DTN-33 is een bredere behoefte het uitgangspunt geworden. ‘De behoefte om passagiers- en reserveringsgegevens te gebruiken voor het tegengaan van jihadgang, maakt deel uit van een bredere behoefte aan het gebruik hiervan in de strijd tegen zware criminaliteit, zoals mensenhandel en terrorisme.’

Of die behoefte reëel is, de passagiersgegevens ook daadwerkelijk nut hebben, is niet van belang. Ratio en feiten zijn niet aan de NCTV besteed. Eerst zijn de salafisten het grote kwaad en zouden ze al twintig jaar lang de moskeeën in Nederland langzaamaan overnemen, om vervolgens in 2010 plotseling partners van de overheid te zijn geworden in de bestrijding van de jihad. In 2011 komen de salafisten zelfs in het geheel niet voor in het dreigingsbeeld. Vanaf 2012 zijn de salafisten weer terug maar vormen in Nederland geen gevaar, terwijl zij in het buitenland wel degelijk een bedreiging vormen.

Onwaarheden

De NCTV slingert regelmatig wetenswaardigheden de wereld in die vervolgens weer even snel verdwijnen. Zo wordt in DTN-22 (2010) gesteld dat verschillende bevolkingsgroepen (Koerdische, Pakistaanse, Molukse, Somalische) een voedingsbodem zouden zijn voor radicalisering. De NCTV presenteerde een literatuurstudie en een niet representatieve steekproef als wetenschappelijk onderzoek. De Molukkers vallen al na drie maanden af als blijkt dat zij het slachtoffer zijn geworden van brandstichting, bekladding en schoten.

De Somalische brandhaard smeult nog even verder, ook omdat de CBS de ‘wetenschappelijke’ studie zou hebben bevestigd. De NCTV lijkt tevens gelijk te krijgen als eind 2010 twaalf Somaliërs worden aangehouden in het kader van een terroristische Kerst plot. De Somalische Nederlanders blijken echter niets te hebben misdaan. Wat de overheid uiteindelijk achterlaat is een aantal gestigmatiseerde landgenoten met het label terrorist en veel vernielde eigendommen. Vervolgens zijn de Somalisch-Nederlandse extremisten van de terreurkaart van de coördinator verdwenen.

De onwaarheden van de NCTV vallen niet alleen op bij de arrestaties, zoals die van de twaalf Somalische Nederlanders in 2010 of de zeven Marokkaanse Nederlanders in 2009 tijdens het IKEA plot. Zo worden CBRN-incidenten (chemische, biologische, radiologische of nucleaire middelen) gepresenteerd als aanstaand gevaar, terwijl het de grote vraag is of radicalen in Nederland daar überhaupt naar op zoek waren of zijn. In tien jaar tijd noemt de NCTV slechts één voorbeeld van een aanslag met chloor in Irak. Of chloor daadwerkelijk het middel van de aanslag was of dat het toeval was dat de vrachtwagen met chloor werd gebruikt, is onduidelijk.

Ook bij de zelfgemaakte explosieven stelt de NCTV keer op keer dat bij veel aanslagen in Europa huis, tuin en keuken bommen zijn gebruikt. Bij de aanslagen in Madrid echter werd gebruik gemaakt van regulier dynamiet, geleverd door een informant van de overheid. In Londen werden, volgens de minimale informatie die er over de aanslagen beschikbaar is, ook reguliere explosieven gebruikt. Daarnaast was er sprake van allerlei exotische pogingen die mislukten. Enkel Anders Breivik was in staat om genoeg kunstmest met nitraatzouten en benzine te verzamelen waarmee een bom kon worden gebouwd. Maar alleen al die hoeveelheid kunstmest met nitraatzouten roept allerlei vragen op.

Verwarde mannen

Breivik was overigens niet de aanleiding van de pilot ‘solistische dreigers’ van het KLPD, maar het rapport ‘Individuele bedreigers van publieke personen in Nederland’ (COT, Verwey-Jonker Instituut en Zorg Consult Nederland). Dit rapport behandelt overigens wel de problematiek rondom het bedreigen van politici en Breivik had het met het doodschieten van 77 socialistische jongeren in Noorwegen in 2011 duidelijk gemunt op de politiek.

Het onderzoek en de pilot van de KLPD volgden op de handelwijze en motieven van Karst Tates, die op 30 april 2009 met een auto een mislukte aanslag pleegde op het koninklijk gezelschap in Apeldoorn. Tates definiëren als verwarde gek komt zowel de onderzoeksinstituten als de overheid goed uit. NCTV-coördinator Akerboom van dat moment schreef in het voorwoord van het rapport dat ‘onderzoek als dit letterlijk van levensbelang is.’ Hij sprak juli 2010 over ‘inzet’ en ‘effectieve maatregelen’ en vervolgens schoot Tristan van de Vlis op 9 april 2011 wild om zich heen in een winkelcentrum in Alphen aan de Rijn.

Zowel de gebeurtenissen op 30 april 2009 als op 9 april 2011 vonden hun weg niet in het dreigingsbeeld van de NCTV, zij passen namelijk niet in het jihadistische wereldbeeld van de dienst. Of de NCTV medeverantwoordelijk was voor deze aanslagen valt moeilijk vast te stellen. De NCTV stelde wel steeds in de DTN’s voorafgaande de aanslagen dat een aanslag op handen is, dus de daden van Tates en Van de Vlis, en later de neergeschoten MH-17, kunnen in dat licht worden gezien. De dienst had de samenleving gewaarschuwd, alleen bedoelde de coördinator daarmee geen aanslag uitgevoerd door een ‘niet-jihadist.’

De jihadist is terrorist in de ogen van de NCTV, alles wordt in dat vertoog gepropt. Twee niet-werkende bomkoffers in Duitsland zijn een aanslag, drie keer een aanslag met metalen platen op een hoge snelheidstrein incidenten. De laatste aanslagen worden niet vermeld in het DTN. In het eerste geval werden twee moslims aangehouden en dus is er het jihadistische terreur.

Een groep mensen die een Oezbeekse verzetsgroep IMU steunde, werd gearresteerd en door de NCTV geportretteerd als zijnde facilitators van de jihad. Geen woord over Oezbekistan, de mensenrechten aldaar en het feit dat IMU voor 2001 nog wel op enige positieve aandacht in het westen kon rekenen. Nu zijn het jihadisten en dienen zij het schrikbeeld van de terreurdienst.

Ongenuanceerd

De film van Wilders, Fitna, beheerste het dreigingsbeeld van 2008, maar waar die dreiging uit bestond kon de NCTV niet duidelijk maken. De moslimgemeenschap reageerde namelijk nogal cool op de film die zeker geen bijzondere productie bleek. Voormalig NCTV-coördinator Joustra kon het niet uitstaan dat er geen grote rellen waren uitgebroken en Nederlandse ambassades waren afgebrand.

Niet alleen rondom arrestaties en aanslagen rapporteert de NCTV ongenuanceerd. Ook ten aanzien van het internet en blogposts heeft de een jihadistische bril opgezet. De dienst spreekt al van het jihadistische internet en blaast berichten van reageerders op tot oneindige proporties.

In 2012 gaat de NCTV nader in op een oud gerucht uit 2008 dat ‘Nederland zou toestaan dat er een erotische film over de vrouwen van profeet Mohammed zou worden gepubliceerd’ omdat het gerucht tot ‘een bedreiging tegen Amsterdam, tegen Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en tot vier demonstraties bij de ambassade in Tripoli’ zou hebben geleid. Voor het vaststellen van de ernst is er meer informatie nodig, maar die geeft de coördinator niet.

De demonstraties in Tripoli waren niet al te groot en hebben de internationale media niet gehaald vanwege de beginnende burgeroorlog in Libië. Het is daarom ook niet vast te stellen of ze plaats hebben gevonden. Over de aard van de dreigementen valt niets te zeggen, want de inhoud wordt door de dienst niet vrijgegeven. Dreigementen via sociale media vinden echter dagelijks in groten getale plaats. Alleen al op Twitter worden volgens de politie per dag 35.000 dreigementen geuit, waarvan er 200 serieus worden genomen.

Jihadgangers

En dan zijn er natuurlijk de ‘jihadgangers’ of Syrië-gangers. Deze Nederlandse staatsburgers hebben in ieder geval de linguïstieke strijd verloren. Jihad, jihadisering, jihadisme, het zijn allemaal synoniemen geworden voor terroristen, terroristisch, terrorisme. Aan de andere kant hebben zij winst geboekt doordat de NCTV de j-reizigers niet alleen ziet als een constante vorm van zorg, maar ook als een constante vorm van statistisch goochelwerk.

Wie de berichten in de dreigingsbeelden van de afgelopen jaren doorneemt, krijgt de indruk dat er sprake is van honderden, zo niet duizenden reizigers en terugkeerders. Dit terwijl het eigenlijk om een handvol mensen gaat. Mensen die naar de jihadistische strijdgebieden trekken, wordt al gemeld in het eerste dreigingsbeeld uit 2004: Samir Azzouz onderweg naar Tsjetsjenië.

Voormalig coördinator Akerboom schetst een beeld van meerdere signalen, groei, enkele uitreizen, maar ook dat het vaststellen van het aantal lastig is. ‘Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland, is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt [DTN-27, 2011].’ ‘Het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied is in de afgelopen jaren gegroeid.’ [DTN-28, 2012] ‘Ook in de afgelopen periode zijn weer enkele uitreizen naar jihadistische strijdgebieden vastgesteld.’ [DTN-30, 2012]

Coördinator Schoof probeert die aantallen wel te noemen. In DTN-32 (2013) zijn het ‘tientallen personen in Nederland die alleen of in kleine groepjes naar landen als Egypte en Syrië reisden.’ In DTN-33 zijn het er tussen de vijftig en de honderd. ‘In augustus het aantal jihadistische uitreizen van Nederland naar Syrië weer toe nam in vergelijking met de maanden hiervoor’ (DTN-34, 2013).

In de inleiding van DTN-35 stelt Schoof dat ‘het aantal uitreizigers vanuit Nederland nog steeds stijgt.’ In DTN-36 ging het om ‘een continue aanwas van uitreizigers.’ In DTN-37 heeft die ‘gestage toename van uitreizigers zich voortgezet zodat inmiddels in de afgelopen twee jaar rond de 160 personen zijn uitgereisd (cijfers per 1 november 2014).’ Alle aandacht van de afgelopen jaren gaat uit naar de 160 Nederlandse jongeren waarvan volgens de NCTV er ‘rond de honderd Nederlanders nog in het strijdgebied aanwezig zijn, onder wie zo’n dertig vrouwen.’

Stempel terrorist

De uitreizigers, terugkeerders, de mensen die willen uitreizen en degen die niet kunnen uitreizen zijn in feite in de ogen van de NCTV al terrorist. Dit terwijl de coördinator moet toegeven dat ‘de strafrechtelijke aanpak van vermoedelijke rekruteurs en van terugkeerders die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie en/of betrokken zijn geweest bij (oorlogs)misdaden te kampen heeft met problemen met betrekking tot de bewijsgaring.’

Let op het taalgebruik, er is al vastgesteld dat er sprake is van deelname aan een terroristische organisatie, maar de bewijsgaring is moeilijk. Hoe Schoof tot die conclusie komt, is niet duidelijk. In DTN-34 [eind 2013] waren ze nog waarschijnlijk allemaal bij Jabhat al Nusra terecht gekomen. In DTN-35 [begin 2014] is de coördinator er zeker van dat alle Nederlanders ‘bij JaN (Jabhat al Nusra) zijn terecht gekomen.’ Een half jaar later ‘bij minimaal drie jihadistische strijdgroepen; de meerderheid valt onder Jabhat al Nusra (JaN) en ISIS, een minderheid bevindt zich bij Jund al-Aqsa (JaA).’ [DTN-37]

De NCTV heeft dit allemaal vastgesteld terwijl er problemen zijn bij de bewijsgaring. Begin 2014 is de dienst ook in juridische zin overtuigd van het feit dat de terugkeerders terroristen zijn: ‘Duidelijk is verder dat de meeste jihadstrijders in Syrië strijdervaring opdoen, gruwelijkheden plegen en door radicaliseren.’ Op basis waarvan de coördinator tot deze conclusie komt is onduidelijk, de dienst claimt dat ‘de Nederlandse jihadgangers op dit moment voetsoldaten zijn voor deze strijd.’

Het zijn ‘voetsoldaten’ in de oorlog die de NCTV graag wil voeren. De notie dat in Syrië een dictator al decennialang aan de macht is en een deel van het volk zich wil bevrijden van deze dictatuur, is in de dreigingsbeelden niet terug te vinden. Het woord burgeroorlog ten aanzien van Syrië komt in 2011 en 2012 niet voor in het vocabulaire van de dienst. In 2013 en 2014 wordt de burgeroorlog in Syrië in vier van de zes dreigingsbeelden vermeld. In slechts één van alle dreigingsbeelden van de afgelopen tien jaar wordt melding gemaakt van tienduizenden doden. [DTN-33] De miljoenen vluchtelingen en de ontwrichting van een hele regio, de dienst maalt er niet om.

Oorlogsretoriek

Alles dient de oorlogsretoriek van de NCTV. Het vermelden van burgers, burgerslachtoffers en vluchtelingen is daarom niet interessant. In de drang om te scoren werkt de dienst samen op zowel bilateraal als multilateraal vlak met landen als Marokko, Algerije, Saoedi-Arabië, Egypte, Jordanië, Pakistan en andere landen die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten.

Twee dictaturen waren zelfs uitverkoren als sparringpartners in het contraterrorisme beleid: Algerije en Saoedi Arabië. De coördinator was enigszins teleurgesteld dat er wat verschillen zijn ‘in historische, culturele, religieuze en politieke context.’ De Algerijnse dictatuur doet ook nog mee aan een instituut ter bevordering van de rule of law.

Of het beleid van de NCTV effect heeft, is eigenlijk niet meer belangrijk. Analyses betreffende het eigen functioneren behoren niet tot het repertoire van de coördinator. Deze jihadistische oorlog van de NCTV heeft niets met veiligheid te maken, de neergeschoten vlucht MH-17 is daarvan het bewijs. Waarom de dienst de basisveiligheid van de burgerluchtvaart niet op orde heeft, is niet interessant. Er moet op jihadi’s worden gejaagd waarvoor het schetsen van een zo noodlottig mogelijk beeld van de moslimgemeenschap de belangrijkste voorwaarde is.

Buro Jansen & Janssen, 25 maart 2015

artikel

artikel als pdf

Het verwrongen wereldbeeld van de NCTV (I analyse Nederland)

In de internationale analyse gaat het vooral over de directe link tussen internationale gebeurtenissen en het mogelijke gevaar in Nederland. Nu blijft dat natuurlijk koffiedik kijken. Hypothetisch kan iedereen die gaat deelnemen aan de gewapende strijd in bijvoorbeeld Syrië een tegenstander worden en bij terugkeer, hier willen toeslaan. Die gedachtegang vloeit voort uit de realiteit van de oorlog tegen de terreur, waar Nederland aan deelneemt. Wij zijn in oorlog met een fictieve tegenstander, terreur. Iedereen kan daartoe worden gerekend en hoewel definities van terrorisme gepresenteerd worden als objectieve gegevens, is terreur altijd politiek en de oorlog tegen de terreur ook.

In dat licht moet niet alleen de internationale component van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) worden bekeken, maar ook de nationale component. De schutter(s) van Toulouse, Brussel, Parijs of andere plaatsen zijn niet exemplarisch voor iedere terugkeerder uit een van de zogenoemde jihadistische strijdgebieden. Dat is een versimpeling van een terrorisme plotten en als het zo zou zijn, zouden er veel vaker aanslagen worden gepleegd. Ook zijn de schutters geen voorbeelden van de haat tegen Joden of een aanval op de vrijheid van meningsuiting, ook dat zou een veel te simpele analyse zijn van de aanslagen. De schietpartijen zijn vooral een voorbeeld van een complexe samenhang van politieke groepen en individuen, inlichtingen- en opsporingsdiensten, militaire interventies in burgeroorlogen in de wereld en een polarisering van de politiek ten aanzien van de radicale islam. Europa, het westen, en Nederland presenteren zich als een redelijke entiteit, een objectieve politiek alsof zij niets misdaan heeft en het kwaad over zich is gekomen. Bij de internationale analyse wordt de analogie met de Hobbit gebruikt, met ‘Middle Earth’ uit ‘In de ban van de Ring’, het paradijs tegen het kwaad. Paradijs, ten koste van wat en wie eigenlijk, want het ‘westen’ is niet ‘Middle Earth’ in een vacuüm. En daar zit de complexiteit, helemaal in een geglobaliseerde wereld. Oorlogen in Afghanistan, Irak, Somalië, Syrië en in andere landen hebben alles met Europa en Nederland te maken, ‘ons’ handelen heeft consequenties op de lange termijn. Eerst Saddam Hoessein decennia lang steunen, vervolgens afzetten en het land aan zijn lot over laten en polariseren door bepaalde groepen te bevoordelen en anderen achter te stellen. Hetzelfde recept wordt keer op keer herhaald, in Afghanistan, Libië, Somalië, Jemen, Egypte en vervolgens speelt het westen alsof het onschuldig is. Complexiteit zit ook in de rol van inlichtingendiensten. Werkte Mohammed Merah voor de Direction centrale du renseignement intérieur (DCRI, de Franse AIVD)? Hij vroeg naar zijn contactpersoon (runner) op de laatste dag van de belegering van het appartement waar hij zich had verschanst. De observatie van Mehdi Nemmouche werd kort voor de aanslag afgebroken en de dader wist enige tijd uit handen van de politie te blijven en werd in het zuiden van Frankrijk gearresteerd. Die complexiteit is niet alleen aanwezig in Frankrijk of in de zogenoemde jihadistische gebieden, ook in Nederland. Zie de moord op Theo van Gogh en de onduidelijkheden ten aanzien van Mohammed Bouyeri. Is hij benaderd? Hoe close werd de hofstad groep geobserveerd, wat is er fout gegaan of is het niet verkeerd gegaan? Gezien de betrokkenheid van de AIVD bij de Antheunisstraat waar twee leden van de hofstad groep werden aangehouden, zat de geheime dienst dichter op de huid van de verdachten dan uit allerlei rapportages is gebleken. Terreur is politiek en terrorismebestrijding ook. Dit tekent tien jaar dreigingsbeelden. Dreiging die vooral jihadistisch wordt geportretteerd, angst die niet wordt weggenomen, maar keer op keer reëler wordt voorgesteld alsof Toulouse, Brussel, Boston, Ottawa in Nederland liggen en de verdachten/daders Nederlanders zijn of naar Nederland onderweg zijn. Probleem is dat door verhalen plat te presenteren, de dreiging niet meer imaginair is, maar werkelijkheid wordt, terwijl niet alleen fysiek veel plaatsen niet in Nederland liggen, ook de werkelijkheid van elke verdachte/dader meer lagen heeft dan de simpele terugkeerder, uitreiziger, niet-uitgereisde jihadist, het nieuwe woord voor terrorist, doet vermoeden. De wereld wordt plat voorgesteld alsof er twee partijen zijn, goed en slecht, maar de wereld, mensen ook verdachten en daders zijn complexer dan zwart-wit tekeningen. De wereld wordt in de dreigingsbeelden voorgesteld als een cartoon, een zwart-wit representatie die alleen maar kan leiden tot meer mensen die het gevoel hebben partij te moeten kiezen, tot meer polarisatie, meer dreiging, meer geweld. Tien jaar dreigingsbeeld, maar ook 14 jaar ‘War on Terror’ laten dat dagelijks zien in een zich langzaam ontwikkelende mondiale oorlog, tegen wat? Tegen terreur, maar terreur van wie, de terreur van het dreigingsbeeld. Hier vooral aandacht in vogelvlucht voor het nationale gevaar in de vorm van verdachte/daders, polariserende mensen, radicaliserende burgers en een steeds extremistischer wordende overheid en politiek. Jaar in jaar uit, van DTN op DTN is in ieder geval opvallend dat in tien jaar terreurbeleid van de NCTV weinig woorden over fatale missers van arrestaties en terreuralarmen op onder andere 22 juli 2005, 12 maart 2009, 24 december 2010, 29 augustus 2014 en over fatale aanslagen op 2 november 2004, 30 april 2009, 9 april 2011 en 17 juli 2014 worden vuil gemaakt.

2005 Met een gestrekt been erin
DTN-0 / 24 januari 2005
DTN-1 / 10 juni 2005
DTN-2 / 29 september 2005
DTN-3 / 5 december 2005
Conclusie DTN 2005

2006 jihadistische managementtraining voor de NCTb
DTN-4 / 2 maart 2006
DTN-5 / 7 juni 2006
DTN-6 / 16 oktober 2006
DTN-7 / 20 december 2006
Conclusie DTN 2006

2007 de ongekende dreiging, Joustra goes Rumsfeld
DTN-8 / 25 april 2007
DTN-9 / 4 juni 2007
DTN-10 / 9 oktober 2007
DTN-11 / 27 november 2007
Conclusie DTN 2007

2008 NCTB lijdt aan het ‘sudden jihad syndrom’
DTN-12 / 5 maart 2008
DTN-13 / 9 juni 2008
DTN-14 / 9 september 2008
DTN-15 / 19 december 2008
Conclusie DTN 2008

2009 het theater van de dreiging
DTN-16 / 6 april 2009
DTN-17 / 19 juni 2009
DTN-18 / 11 september 2009
DTN-19 / 15 december 2009
Conclusie DTN 2009

2010 de solistische dreigende dienst weet wel raad met eenlingen
DTN-20 / 7 april 2010
DTN-21 / 18 juni 2010
DTN-22 / 13 september 2010
DTN-23 / 17 december 2010
Conclusie DTN 2010

2011 Alphen aan de Rijn ligt niet in Nederland
DTN-24 / 18 maart 2011
DTN-25 / 17 juni 2011
DTN-26 / 3 oktober 2011
DTN-27 / 12 december 2011
Conclusie DTN 2011

2012 burgers, burgerslachtoffers doen er niet toe in de oorlog tegen de terreur
DTN-28 / 26 maart 2012
DTN-29 / 22 juni 2012
DTN-30 / 8 oktober 2012
DTN-31 / 17 december 2012
Conclusie DTN 2012

2013 de coördinator wil wat meer actie en geen gebrekkige extremistische activiteiten
DTN-32 / 13 maart 2013
DTN-33 / 1 juli 2013
DTN-34 / 7 november 2013
Conclusie DTN 2013

2014 welkom bij de oorlog van de terreur
DTN-35 / 24 februari 2014
DTN-36 / 30 juni 2014
DTN-37 / 12 november 2014
Conclusie DTN 2014

2005 Met een gestrekt been erin

DTN-0 / 24 januari 2005

De coördinator opent 2005, het eerste jaar dat de DTN’s verschijnen, met de moord op Theo van Gogh. Over de moord en de vele vraagtekens met betrekking tot de verdachte Mohammed Bouyeri en de rol van de AIVD geen letter. Ook rond de verwonding van politieagenten in het Laakkwartier in Den Haag bij de bestorming van een AIVD huis aan de Antheunisstraat waar twee verdachten zich ophielden. “Na de moord op de heer Van Gogh is naast de verdachte van die moord, Mohammed B, een aantal andere personen aangehouden. In het totaal gaat het om 12 personen, waar onder ook de twee mannen die op 10 november 2004 in het Laakkwartier in Den Haag zijn aangehouden.” Naast de moord op van Gogh komen de verdachten van een voorbereiding op een aanslag in het DTN aan bod. Een van de verdachten wordt genoemd, Samir Azzouz. Zijn naam komt in veel DTN’s terug, in DTN-7, 8, 11, 15, 28 en 31. De naam van Samir A. wordt zo vaak genoemd alsof de NCTb een knuffel terrorist nodig heeft voor haar bestaansrecht. Aan de andere kant wordt de naam van een stichting die vervolgd wordt, wordt niet vermeld. Volgens de NCTb wordt de stichting al Haramain Humanitarian Aid vervolgd door het OM omdat “deze stichting in verband wordt gebracht met terroristische activiteiten.” Ook vermeldt de coördinator niet dat een ambtsbericht van de AIVD aanleiding is voor de vervolging. De inhoud van dit bericht is later van belang bij de verslaglegging over de geheimzinnige stichting. De kop is eraf voor de terreurstichting en het tij zit mee. De AIVD krijgt meer geld dus de coördinator zal op termijn ook een deel van de koek krijgen.

De moord op Theo van Gogh is net als de aanslagen van 11 september 2001 op het WTC in New York een aanjager voor onderzoek en wet- en regelgeving. Terrorismebestrijding gaat hand in hand met migratie maatregelen (vreemdelingentoezicht en grensbewaking), controle op reisbewegingen (databanken van passagiersgegevens), maar ook internet surveillance (in directe relatie met de bestrijding van kinderporno), de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit (wapenhandel) en financiële controle (witwassen). In het nulnummer van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) tekent zich deze ontwikkeling meteen al af met veel overleg met de Amerikanen en op Europees niveau. Naast de ontwikkeling van veel van deze repressieve maatregelen is het aanpakken van polarisatie en radicalisering een terugkerend onderwerp. DTN-0 pakt meteen flink uit. “Radicalisering beperkt zich namelijk niet tot de islamitische gemeenschappen. Nederland is de afgelopen jaren ook geconfronteerd met gewelddadig dierenrecht activisme, rechts-extremistisch geweld en radicaal anti-globalisme.” De coördinator noemt geen details zodat onduidelijk is wat voor gevaar die radicalisering voor Nederland heeft gezorgd. De dienst wil echter onderstrepen dat deze onbekende radicalisering ook strafrechtelijk zal worden aangepakt. De NCTV heeft een onderzoek aangekondigd naar “de bruikbaarheid van het strafrechtelijk instrumentarium bij het beschermen van democratische waarden en normen, met het oog op het huidige verschijnsel van radicalisme.”

Om duidelijk te maken waar de dienst toe in staat is wordt een geheimzinnige casus beschreven. “De NCTb concludeert dat de organisatie waarom het in de pilot ging, een voorbeeld is van een organisatie waarop de in die brief uitgelegde wijze van verstoren kan worden toegepast.” Bij de ‘pilot’ gaat het om een organisatie die men wil verstoren, of lastig vallen, overheidsterreur, vergelijkbaar met de Bibob. Strafrechtelijk is er niets aan de hand, maar een bedrijf, stichting, vereniging krijgt geen vergunning vanwege ‘samengebrachte’ informatie. De coördinator omschrijft dit als volgt: “Er is evenwel onvoldoende grond voor strafrechtelijk, bestuursrechtelijk dan wel civielrechtelijk ingrijpen.” In DTN-0 is voor onvoldoende het woord vooralsnog toegevoegd, want de dienst vindt de organisatie ‘fout’. De ‘organisatie’ is een stichting en een aan deze stichting gelieerde moskee, waarschijnlijk gaat het om de Stichting As-Soennah. Volgende de NCTb “vinden activiteiten plaats onder de vlag van deze organisatie die als anti-integratief zouden kunnen worden beschouwd, leent de organisatie zich mogelijk als een broedplaats voor radicalisering, is er sprake van een potentieel aantrekkelijke omgeving voor rekruteurs en is de financiële huishouding is niet transparant.” Let op de woorden “zouden kunnen worden” in het kader van de activiteiten, “mogelijk” in het kader van broedplaats en “potentieel” bij rekruteurs. Alleen over de financiën lijkt de dienst een duidelijke positie in te nemen, die zijn “niet transparant”. Wat dat inhoudt maakt de coördinator echter niet duidelijk, het zou ook kunnen betekenen dat de dienst daar geen inzage in heeft en waarom zou zij daar inzage in moeten hebben?

De dienst schetst vervolgens een beeld van het ‘verstoren’, waaruit moet blijken dat de NCTb haar tanden kan laten zien. In ambtenarentaal stelt de dienst: “Door de NCTb is een pakket maatregelen ontwikkeld dat de overheid ter beschikking staat om zeer gericht op deze casus (“maatwerk”) te interveniëren in het radicaliseringsproces.” Vervolgens schetst de coördinator dat hij diverse andere diensten op de niet strafbare organisatie kan afsturen: “Het ministerie van Buitenlandse Zaken en de IND bij specifieke evenementen in de moskee en gerichte, risico gestuurde controles (binnenlands vreemdelingentoezicht, buitengrensbewaking en Mobiel Toezicht Vreemdelingen (MTV)) ten tijde van zo’n evenement.” Het blijft niet bij migratie maatregelen ook financiële controleurs wordt op de stichting en de moskee afgestuurd. “Het ministerie van Financiën kan relevante kredietinstellingen attenderen op een stichting in verband met het geconstateerde verhoogde risico van directe of indirecte betrokkenheid bij terrorisme/extremisme. De Belastingdienst controleert de stichting met als doel meer inzicht te verkrijgen in financiële geldstromen en huishouding van de stichting.” En de dienst laat het daar niet bij, want de ‘organisatie’ moet op de knieën worden gedwongen: “De wijkagent wordt ingezet bij preventief toezicht op wijkniveau en de lokale overheid wordt geïnformeerd over de radicaliseringsproblematiek zodat op lokaal niveau bijvoorbeeld de voorwaarden voor de vestrekking van subsidies/vergunningen verscherpt worden toegepast.” Gaat dit om Al Qa’ida? Nee, dit gaat om een ‘organisatie’ waarbij “onvoldoende grond is voor strafrechtelijk, bestuursrechtelijk dan wel civielrechtelijk ingrijpen.” Onschuldige burgers dus. In landen als Rusland en China en andere repressieve regimes gebeurt dit ook, blijkbaar ziet de dienst die landen als haar grote voorbeelden.

DTN-1 / 10 juni 2005

In het eerste ‘echte’ DTN stroopt de coördinator de mouwen verder op. In internationaal opzicht lijkt de dienst zich te willen meten met Al Qa’ida. “De islamistische-terroristische dreiging voor Nederland gaat nog steeds in belangrijke mate uit van islamistische netwerken. De grootste huidige dreiging uitgaande van het Al Qa’ida netwerk voor Nederland ligt besloten in de proliferatie van zijn gedachtegoed.” Proliferatie is een woord dat niet snel gebruikt wordt en meestal is het gebruik in samenhang met massavernietigingswapens zoals ook in DTN-5 en DTN-7. Het gebruik van proliferatie in relatie tot Al Qa’ida lijkt iets te willen aangeven. De eerste coördinator is er snel van afgestapt, de laatste coördinator heeft het in ere hersteld vooral in de laatste DTN-37 van 2014. Het is onduidelijk of er binnen de NCTb een discussie over het woord is geweest, maar proliferatie gebruiken in relatie tot radicale moslim jongeren die dan gelijk worden gesteld aan massavernietigingswapens gaat nogal ver.

Net als radicale moslim jongeren in verband brengen met proliferatie is verstoren ook een stigmatiserende maatregel, maar behoort volgens de dienst tot haar instrumentarium en past in een rechtsstaat. Dat Al Qa’ida al doorgedrongen is in de Hollandse polder blijkt volgens de coördinator uit “het ontstaan van lokale terroristische netwerken van in Nederland geboren moslims.” De coördinator geeft niet aan om hoeveel netwerken het gaat, ook niet wat de overheid met deze blijkbaar terroristische netwerken doet, want als ze al terroristisch zijn, waarom zijn er geen netwerken opgerold, behalve de al opgerolde hofstad groepen en de groep rond Samir A.? De enige arrestatie waar de coördinator wel over bericht is de “aanhouding van betrokkene verijdelde geval van ‘zelfontbranding’” wat eigenlijk in tegenspraak is met de genoemde ‘terroristische netwerken’. Op deze arrestatie wordt in de internationale analyse van de DTN’s dieper op ingegaan.

‘Zelfontbranding’ heeft alles te maken met radicalisering en die radicalisering moet verstoord worden zoals al duidelijk werd bij de geheimzinnige ‘organisatie’. Volgens de coördinator zijn de motieven voor jongeren om te radicaliseren sinds de moord op van Gogh veranderd. “In het recente verleden werden deze motieven ontleend aan de strijdgebieden waar een nationalistische of islamistische strijd plaatsvond of plaatsvindt (zoals het Midden-Oosten, Afghanistan tijdens de Sovjetbezetting, Bosnië en Tsjetsjenië). Nu lijkt de afkeer zich steeds sterker te richten tegen het Westen in zijn algemeenheid dat wordt gezien als de ‘onrechtvaardige’ macht tegenover moslims. Het recente optreden van het Westen in Afghanistan en Irak vormt een extra impuls, waarbij de afkeer zich ook specifiek tegen Nederland richt.” Het is interessant hoe de dienst doet alsof de coördinator boven de strijdende partijen staat en zelf geen onderdeel uitmaakt van de ‘War on Terror.’

Verhoudingen in het Midden-Oosten zijn in de loop der jaren niet echt veranderd. Veel landen worden geleid door dictators met steun van het ‘vrije’ westen. Afghanistan was in eerste instantie geen moslimstrijd zoals de NCTb dat tracht te definiëren. De Afghanen hebben diverse keren tegen de Engelsen gevochten, vervolgens tegen de Russen en daarna tegen de Amerikanen en hun bondgenoten. Het zou ook als antikoloniale oorlog kunnen worden gedefinieerd, een zelfbeschikkingsoorlog. De platte analyse van de verschuiving van ‘een nationalistische of islamistische strijd’ naar een ‘anti-westerse strijd’ ontbeert enige analyse van tevens zeer verschillende landen en hun geschiedenis. De tweedeling past wel in de framing van radicale moslims als tegenstanders van “het optreden van het Westen in Afghanistan en Irak.” Dit bipolaire denken versterkt zichzelf in de loop van de DTN’s.

De coördinator legt nog wel een link met het klimaat in Nederland: “Radicaliseringsprocessen binnen moslimgemeenschappen worden ook gevoed door de xenofobe soms racistische houding en gewelddaden van rechtsdenkende jongeren.” Het woord xenofoob wordt drie keer gebruikt in de DTN’s, de laatste keer in DTN-10 in 2007. Daarna lijkt het westen niet meer xenofoob, maar zijn de rollen omgedraaid, want is er “vermeende discriminatie van moslims.” In de internationale analyse van de DTN’s wordt nader op deze opmerking van de coördinator ingegaan. Het gebruik van het woord xenofoob bij Nederland sluit ook meer aan bij “een niet te onderschatten belasting voor de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen in Nederland,” zoals de NCTb schrijft. Bij vermeende discriminatie is er niets aan de hand in Nederland en ligt het aan de moslims zelf. En dat brengt de coördinator weer terug bij zijn favoriete topic, polarisatie en radicalisering.

In de afgelopen tien jaar is niet duidelijk wie de aanjagende factor is bij meer repressie, zijn het moties van politiek partijen of zijn het de ambtenaren zelf? Bij de “aanpak gebruik internet en satellietzenders voor radicale en terroristische doeleinden,” lijkt het op aandringen van politieke partijen, maar in de loop der jaren is de dienst maar al te enthousiast om een website neer te halen. Onderscheid tussen radicaal en terroristisch is bij de omschrijving van de maatregelen weggevallen en voor de NCTb gaat het al lang niet meer over uitingen, maar ook communicatie over die uitingen. “De aanpak beperkt zich overigens niet tot de bestrijding van radicale uitingen; ook communicatie die anderszins dreigend kan zijn, wordt in de totaalaanpak betrokken.” En ook al wordt er nu misschien alleen aandacht aan radicale moslim jongeren besteed, doel is dat de aanpak het hele politiek spectrum bestrijkt: “Tenslotte is het van belang dat de aanpak zich richt op uitingen vanuit zowel radicaal-islamistische, als links- en rechtsextremistische hoek.”

DTN-2 / 29 september 2005

Soms is het belangrijk te beseffen dat er weinig is gebeurd in Nederland. Dit is belangrijk omdat bij de drie maandelijkse productie van het Dreigingsbeeld de indruk bestaat dat Nederland elke keer door het oog van de naald is gekropen. Zo ook de tweede DTN. In DTN-2 worden dreigementen genoemd. Ten eerste is er de “veronderstelde dreiging” tegen Sail in Amsterdam. Op de dreigingsanalyse rond Sail wordt in het internationale deel uitvoeriger ingegaan. Joustra schrijft dat er “een tijdelijke verhoging van de dreiging was, die te maken had met het proces tegen de Hofstadverdachten.” Daarnaast schrijft hij dat er “op grond van informatie van de inlichtingendiensten, rond enkele personen beveiligingsmaatregelen worden genomen.” Bij de tweede dreiging, de rechtszaak, waren er geen inlichtingen maar is de dreiging verhoogd. In het derde geval was er informatie van geheime diensten waardoor de dreiging rond personen is verhoogd. Hoe realistisch die inlichtingen waren en of het niet allemaal met de angst voor aanslagen zoals in Londen te maken had, wordt niet duidelijk.

Het gebeurde wel allemaal in juli 2005 en het lijkt allemaal in direct verband te staan met die aanslagen. Wie de dreigingsanalyse van de coördinator leest moet ook tot die conclusie komen. Hij schrijft namelijk dat “Nederland onverminderd in de belangstelling van potentiële terroristen staat.” De dienst gaat nog even verder: “Radicaliseringsprocessen, zoals de verdachten van de aanslagen in Londen die hebben doorgemaakt, blijven ook in Nederland onveranderd een punt van grote zorg.” Twee maanden na de aanslagen in London weet de coördinator alles over de mogelijke daders en hoe zij tot hun daad kwamen. En Joustra is niet meer te stuiten: “De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) heeft een fenomeenbeschrijving van zelfmoordterrorisme opgesteld en een quick scan uitgevoerd naar mogelijkheden om barrières op te werpen tegen zelfmoordterroristen. De conclusie daarvan is dat het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.”

Let wel: de dienst die de dreiging voor Nederland moet analyseren, schrijft in het tweede dreigingsbeeld dat “het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.” Als dat zo is, is het dan misschien geen idee om de organisatie maar meteen op te heffen, want wat betekenen alle mogelijk bedreigingen dan door en voor een rechtszaak en personen? Wat voor inlichtingen en/of informatie zijn die bedreigingen gebaseerd? Dat is volstrekt onduidelijk. En dat is ook het beeld dat over het internationale deel van de DTN’s ontstaat. Er wordt niets geduid, niets geanalyseerd en vooral weinig losgelaten over de informatie achter de dreigingen. Het resultaat is een verband tussen “een toenemende polarisatie tussen moslims en niet-moslims”, “deze polarisatie blijft een voortdurende bron van zorg”, “uitval en ontsporing van met name jongeren” naar “polarisatie kan bijdragen aan radicalisering” en “de recente ontwikkelingen maken opnieuw het belang duidelijk van een kabinetsbreed beleid gericht op tegengaan van radicaliseringsprocessen.”

De coördinator noemt de aanslagen in London niet, maar recente ontwikkelingen lijken daar op te hinten. Aan de andere kant weet de coördinator niets van radicalisering want er kunnen geen barrières worden gevonden om het ontwikkelingsproces van de zelfmoordterrorist tegen te gaan. Er is een cirkelredenering ontstaan, die uiteindelijk tot meer vaagheid en minder analyse leidt. Blijkbaar is het gevaarlijk en mogen we blij zijn dat we nog niet zijn opgeblazen. En dat is ook het gevoel van veel Nederlanders omdat “ongeveer de helft van alle Nederlanders (55%) de kans «zeer groot» tot «tamelijk groot» acht dat in Nederland binnen afzienbare tijd een terroristische aanslag zal plaatsvinden.” Veel van deze burgers hebben ook behoefte aan informatie over terrorisme en het aantal mensen dat vindt dat “de overheid onvoldoende informatie verstrekt is gegroeid van 47% naar 60%” en “het vertrouwen in die informatievoorziening is gedaald.” Of daar vage berichtgeving over Sail en andere bedreigingen behulpzaam bij zijn is de grote vraag. De NCTb start daarom in 2006 een campagne ‘Nederland tegen terrorisme’ en bericht in de DTN’s 5, 7, 11, 13, 15 en 17 over die campagne.

DTN-3 / 5 december 2005

Bij gebrek aan echte dreiging lijkt de coördinator verder af te dwalen in de theoretische dreigingsanalyses. Het is pas het derde dreigingsbeeld en de dienst weet het zeker. “Wat betreft de binnenlandse factoren vallen de afgelopen periode enkele ontwikkelingen op die alleen in de context van mondiale radicaliseringsprocessen goed kunnen worden geduid. Dit houdt in dat de ontwikkelingen in Nederland onderdeel zijn van globale maatschappelijke processen die in veel westerse landen vergelijkbare patronen vertonen en slechts een zeer klein deel van de allochtonen en autochtonen betreffen.” In de internationale analyse van de DTN’s wordt meer ingegaan op de veronderstellingen dat in alle westerse landen dezelfde “globale maatschappelijke processen” plaatsvinden. Welke dat precies zijn maakt de coördinator niet helemaal duidelijk, want het zijn “vergelijkbare patronen” die “slechts een zeer klein deel van de allochtonen en autochtonen betreffen.” Waar de dienst die kennis vandaan heeft is niet duidelijk, maar het gaat natuurlijk over radicalisering en terrorismevorming.

Volgens de NCTb gaat het als volgt: “Allereerst bevinden zich in toenemende mate autochtone bekeerlingen in een overwegend individueel radicaliseringsproces. Sommigen raken zelfs betrokken bij de ondersteuning van terroristische activiteiten. De toegenomen geweldsbereidheid van dergelijke bekeerlingen is een zorgwekkende ontwikkeling. Verder ontvangt de politie inmiddels veelvuldig meldingen over personen die zich in een radicaliseringsproces lijken te bevinden. Dit heeft overigens voor een deel te maken met de toegenomen maatschappelijke alertheid ten aanzien van eventuele radicaliseringsprocessen. Veel van deze personen blijken criminele antecedenten te hebben.” Het is onduidelijk of de coördinator het in deze hier over Nederland heeft als het gaat over autochtonen die zich bekeren en individueel radicaliseren en ook nog aan terrorisme ondersteunen doen. Als dit bericht op Nederland zou slaan, zou deze zin worden gevolgd door een arrestatie, waarmee de dienst duidelijk zou maken ook daadwerkelijk alert te zijn.

In de eerste regel van de acute dreiging schrijft de coördinator dat “met de recente aanhoudingen weliswaar een acute specifieke terroristische dreiging aanzienlijk is verminderd, maar dat dit geen aanleiding is het algemene dreigingsniveau te verlagen.” De arrestatie zou ook de dreiging verminderen want de bekeerlingen zouden een “toegenomen geweldsbereidheid” hebben en met de arrestatie wordt verondersteld dat dit allemaal is afgenomen. Blijkbaar is dat niet het geval, waarom wordt niet duidelijk. De politie krijgt tevens veel radicaliseringssignalen en die radicaliserende mede-Nederlander is meestal ook nog crimineel. Nederland staat op exploderen zou je zeggen en dat blijkt ook want alle Nederlanders zijn alert en zijn de bron van die “eventuele radicaliseringsprocessen.” Twee alinea’s van analyse van het terrorisme gevaar komen uiteindelijk samen bij een angstig volk dat allerlei mensen aangeeft bij de politie. De coördinator duidt niet, lijkt de alertheid van het land geweldig te vinden en het gevaar lijkt alleen maar groter te worden dus de medelanders nog alerter. De spiraal van gevaar is eindeloos, want de radicale moslims zijn ook loverboys, trouwen en die meiden zijn ook extremistisch. De ‘loverboy’-achtige processen blijven in 2006 nog actief, dan verdwijnt die analyse van de coördinator uit de latere DTN’s.

Onderdeel van de “globale maatschappelijke processen” zijn ook de “geconstateerde toename van het aantal hoger opgeleiden onder rekruten” en “radicaliseringsprocessen binnen het onderwijs.” Of die kennis van globale processen werkelijk zijn, wordt niet duidelijk, de dienst schrijft een paar regels boven de radicalisering van het onderwijs dat er “vooralsnog geen informatie beschikbaar is over van buitenaf geregisseerde radicaliseringsprocessen in het Nederlands hoger onderwijs.” Dreigingsbeeld als middel om polarisering aan te wakkeren lijkt het recept. Datzelfde geldt voor die “recente aanhoudingen.” De coördinator licht de aanhoudingen niet toe en het zou om de volgende kunnen gaan. “In december 2005 worden twee jongens Remi D. en Melvin R. gearresteerd in Dauwendaele. De jongens zijn een film aan het opnemen waarbij een van de twee een bivakmuts draagt, een mes trekt en de ander aanvalt. De jongens staan duidelijk te filmen. Buurtbewoners bellen de politie die groots uitrukt. De jongens belanden in de cel en krijgen een taakstraf.” Of “Amal A. die op 3 november 2005 wordt gearresteerd in Rijswijk wegens mogelijke betrokkenheid bij terroristische activiteiten. Op 9 november 2005 wordt zij vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.” Man gearresteerd op 28 oktober 2005 die wordt vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Of een man die bij de Schipholbrand in de nacht van 25 en 26 oktober 2005 om het leven komt. Of de arrestatie op 14 oktober 2005 van een groep rond Samir A., maar als dat zo was dan had de coördinator zijn naam genoemd, want hij is de knuffelterrorist van de dienst. Blijft de vraag open welke aanhouding de coördinator bedoelt.

Ditzelfde geldt voor het gedeelte over het verstoren van zogenoemde radicaliseringshaarden. De coördinator komt niet meer terug op de geheimzinnige ‘organisatie’ uit DTN-0 waar eigenlijk niets mee mis was, maar mogelijk iets mis was en daarom dienden die stichting en moskee verstoord te worden. De dienst schrijft: “Een radicaliseringshaard is een organisatie of stichting die als voedingsbodem fungeert voor radicaliseringsprocessen.” Of er dergelijke organisaties bestaan is onduidelijk. Dezelfde passage komt in DTN-9 (2007) terug, daar is de zin bijgevoegd: dat “om operationele redenen geen openbare mededeling kan worden gedaan over de betreffende organisaties en de maatregelen die reeds zijn en nog worden getroffen.” Radicaliseringshaarden komen in de eerste twee jaar van de NCTb veel voor, daarna veel sporadischer. De coördinator wil nog wel even kwijt dat “de verstoringsacties uiteraard plaats vinden binnen de grenzen van de wet,” alsof hij eigenlijk ook wel beseft dat het verstoren weinig rechtsstatelijk is.

Dit wordt duidelijk uit de passage “vreemdelingrechtelijke aanpak” bij het verstoren van organisaties en mensen. De coördinator schrijft dat “de betrokken vreemdelingen veelal gebruik blijken te maken van rechtsmiddelen, zoals een verzoek om opheffing van vreemdelingenbewaring en het instellen van bezwaar en beroep tegen de beëindiging van verblijf of tegen de ongewenst verklaring.” Die vreemdelingen blijken zelfs kennis te hebben van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en dit zorgt er alleen maar voor dat deze vreemdelingen niet mogen worden uitgezet. “Dit alles leidt er toe dat de effectuering van de vreemdelingrechtelijke maatregelen vertraging oploopt,” besluit hij. Het feit dat de coördinator zelf niet naar artikel 3 van het EVRM heeft gekeken, maakt misschien de radicalisering van de coördinator zelf duidelijk.

Conclusie DTN 2005

In het nulnummer van het DTN maakt Joustra duidelijk dat terrorisme, extremisme, radicalisering, polarisatie één en hetzelfde is en dat er geen verschil is tussen de radicale islamitische, extreemrechtse of anti-globalisme gemeenschap. Verdachten worden het liefst al als veroordeelden gepresenteerd en concrete feiten wordem niet vermeld. Het lijkt alsof het allemaal vooral heel mistig moet blijven, zo vaag mogelijk als inlichtingen jaarverslagen. Het strafrecht moet worden ingezet tegen radicale stemmen en de integrale aanpak van terrorisme strekt zich uit in alle facetten van de samenleving. Geen analyse, context, onderzoek van wat er fout ging bij de moord op van Gogh, nee doorpakken nu het kan op een repressieve manier. De dienst trakteert de lezers op een spannend verhaal over een organisatie die fout is. Lees: “het Kwaad” met een hoofdletter K. Probleem is dat er niets strafrechtelijks, bestuursrechtelijks danwel civielrechtelijks mankeert aan de ‘organisatie’. De organisatie is onschuldig, maar niet voor de dienst. De coördinator stelt dat er verstoord moet worden, want de ‘organisatie’ is fout. Zie hier in het nul nummer van het DTN waar tien jaar ondermijning van de rechtsstaat mee begint. Bij DTN-1 zijn de radicale islamitische jongeren aan de beurt die vergeleken worden met massavernietigingswapens en is discriminatie van moslims alleen “vermeend”, in de hoofden van diezelfde moslims dus. In DTN-2 wordt de dreiging opgeschroefd door London, al is onduidelijk of er echt aanwijzingen zijn en het vooral een schrikreactie op de aanslagen in London is. De coördinator weet echter alles al van die aanslag en stelt dat “het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.” Let wel de dienst die de dreiging voor Nederland moet analyseren, schrijft in het tweede dreigingsbeeld dat “het tegengaan van zelfmoordaanslagen moeilijk, zo niet onmogelijk is.” Als dat zo is, is het misschien een idee om de organisatie maar meteen op te heffen, want wat betekenen alle mogelijk bedreigingen dan van een rechtszaak en voor personen? Wat voor inlichtingen en/of informatie zijn die bedreigingen gebaseerd? Dat is volstrekt onduidelijk. Het jaar wordt afgesloten met DTN-3 en globale maatschappelijke processen, mondiale radicaliseringsprocessen, niet vast te stellen geregisseerde radicaliseringsprocessen in het Nederlands hoger onderwijs en een stel arrestaties waarover de dienst niets vermeld, waardoor onduidelijk blijft wat dat voor het gevaar voor Nederland betekent. Het eerste jaar DTN van de NCTb, een dienst die met een gestrekt been de rechtsstaat intrapt. Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, de terreur van de dienst die zegt terrorisme te bestrijden, maar die vooral op allerlei fronten bezig is de rechtsorde uit te hollen. De terreur van de NCTb.

2006 jihadistische managementtraining voor de NCTb

DTN-4 / 2 maart 2006

Het eerste DTN van 2006 is een opmerkelijk document. De toon is anders, de dreiging echter hetzelfde. Het is het eerste DTN waarin het over de kans op een zelfmoordaanslag in Nederland wordt gespeculeerd: “Dit betekent dat de kans reëel is dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat een dergelijke aanslag ook de vorm van een zelfmoordaanslag kan aannemen.” In DTN-2 kwam de zelfmoordaanslag voor als een aanslag die niet voorkomen kan worden, maar niet als een mogelijke aanslag in Nederland. Waarom de coördinator nu zelfmoordaanslag als dreiging gebruikt is onduidelijk. De dienst heeft geen aanwijzingen voor een op handen zijnde aanslag. De dienst beschrijft netwerken van radicale jongeren, die in de gaten worden gehouden en tevens worden er verdachten gearresteerd. De dreiging verandert niet, niet door de arrestaties, niet door het zicht op de netwerken. “Gelukkig hebben in het verleden diverse aanhoudingen in verband met terroristische activiteiten een acute dreiging kunnen wegnemen of op zijn minst tijdelijk kunnen verminderen. Tot een duurzame verlaging van het algemene dreigingsniveau hebben de aanhoudingen echter niet geleid.”

De Hofstad groep wordt specifiek genoemd: “In Nederland doen veiligheidsautoriteiten onderzoek naar diverse terroristische netwerken. Het Hofstad-netwerk is een spraakmakend voorbeeld van een van de netwerken. De publieke aandacht voor de activiteiten van de leden van dit specifieke netwerk is begrijpelijk, maar dat mag er niet toe leiden dat het gevaar van andere netwerken genegeerd of onderschat wordt.” Gewone stervelingen begrijpen er volgens de NCTb niets van want “de dreiging voor Nederland is namelijk veel complexer en omvattender dan de dreiging die in enkele concrete zaken de afgelopen tijd een rol heeft gespeeld.” De dreiging is complexer en omvattender, er staat een zelfmoordaanslagpleger op de stoep, en dat is geen concrete zaak. Nee, het gevaar is onzichtbaar en de coördinator is de enige die het ziet en er voor waarschuwt. De toon is gezet. Wie de inleiding van DTN-4 heeft gelezen stopt met alles wat hij of zij aan het doen is en rent naar de bunker, niet alleen is er een zelfmoordaanslag in aantocht, er is potentieel iets veel ergers aan de hand, alleen niemand weet het behalve de dienst.

Wie vervolgens toch doorleest raakt verstrikt in een doolhof van rekrutering, training en ideologie. Volgens de coördinator vinden de trainingen niet meer fysiek plaats maar in de vorm van studeren op afstand met de NCOI bijvoorbeeld. “Met het verdwijnen van het gros van de fysieke trainingskampen in Afghanistan en Pakistan zijn veel jihadisten inmiddels aangewezen op deze virtuele trainingsmogelijkheden op het internet. Van de laagdrempelige beschikbaarheid van gedetailleerd en in aanleg professioneel trainingsmateriaal gaat een aanzienlijk risico uit.” Deelname aan deze online jihadistische universiteit is door zelfrekrutering. De bijpassende ideologie is de klassieke gewelddadige takfir-ideologie, een gemuteerde takfir-ideologie of de neo-takfir-ideologie. Volgens de coördinator verschuift de ideologie van de cursisten aan het virtuele jihadistencollege en door de laagdrempeligheid groeit de beweging als kool: “Hier komt bij dat radicaliseringsprocessen onder een deel van de totale moslimbevolking en sommige bekeerlingen in Nederland onverminderd voortschrijden. Tot de aanhangers behoort inmiddels een snel groeiende groep geradicaliseerde jongeren.”

De combinatie van “een deel van de totale moslimbevolking”, onduidelijke netwerken en zelfmoordaanslagen suggereert een ophanden zijnde explosie. De coördinator vist daar ook naar: “Een en ander impliceert dat het soms felle publieke debat in Nederland over de islam het risico met zich meebrengt dat ook ons land op enig moment het mikpunt kan worden van radicaal-islamitische agitatie,” schrijft hij over de boosheid onder moslims over de spotprenten van Kurt Westergaard. “Radicaal-islamitische agitatie” klinkt toch even anders dan de dreiging van een zelfmoordaanslag en lijkt dichter bij de waarheid dan ronkende berichten over onzichtbare netwerken en virtuele jihadistische soldaten. Dat de coördinator het begin 2006 niet helemaal helder meer zag blijkt uit de laatste twee zinnen van ‘ontwikkelingen in Nederland’. “Niet alleen confrontaties tussen bevolkingsgroepen maar ook een uit onzekerheid of antipathie gegroeide scheiding in de Nederlandse samenleving zou op termijn de dreiging negatief kunnen beïnvloeden. Hoewel het daar geen rassenrellen betrof, gaat van de heftigheid van de recente onlusten in Frankrijk een waarschuwing uit voor onderschatting of ontkenning van risicovolle processen die in afgescheiden groepen of door de afscheiding van groepen plaatsvinden.” Het lijkt alsof de coördinator teleurgesteld is over het gemis aan rassenrellen want “hoewel het daar geen rassenrellen” zijn, “gaat van de heftigheid een waarschuwing uit voor onderschatting of ontkenning van risicovolle processen” in groepen, lees netwerken. In de internationale analyse van de DTN’s komt Donald Rumsfeld regelmatig terug met zijn ‘unknown unknowns’, Joustra wilde heel graag in zijn voetsporen treden.

DTN-5 / 7 juni 2006

De dreiging blijft substantieel en het deel van de moslimgemeenschap dat radicaliseert, lijkt explosief toe te nemen. De redenering is als volgt: “Controversiële debatten of artistieke uitingen over de islam, … zijn een vermeende aanval op de islam.” Alleen de radicale moslims ergeren zich hieraan en zij winnen “zowel op het internet als in een steeds groter wordend aantal moskeeën snel aan invloed”. Waarom winnen zij aan invloed? Zij maken “bij voorkeur gebruik van de Nederlandse taal, waardoor een steeds grotere groep jonge moslims wordt bereikt met alle radicaliseringsrisico’s van dien.” Zie hier de potentiële netwerken. Ze zijn er nog niet, maar komen er aan. De Nederlandse taal baart de coördinator zorgen: “Op het internet speelt zich een vergelijkbare ontwikkeling af. Zowel het naar het Nederlands vertaald jihadistisch materiaal als ook het aantal Nederlandstalige websites met radicale inslag is in de afgelopen periode in aantal toegenomen.” De dienst is bang voor “de salafistische krachten die hun antiwesterse en anti-integratieve retoriek aan een breder publiek” zouden kunnen overbrengen. Wel in de Nederlandse taal, want zo gedesintegreerd zijn deze mensen ook weer niet.

Voortbordurend op die netwerken spint de coördinator een complex verhaal van nationale en internationale netwerken, agenda’s, doelwitten en professionaliteit. “Hierbij valt op dat dergelijke binnenlandse netwerken een meer internationaal georiënteerde agenda ontwikkelen. De aandacht voor potentiële doelwitten zou van het binnenland kunnen verschuiven naar het buitenland. Meer voor de hand liggend is echter, dat de internationale agenda op de korte termijn naast de nationale agenda komt te staan. Een veiligheidsrisico vormt de naar verwachting verhoogde professionaliteit van diverse netwerken door inbreng van internationaal beschikbare expertise.” Wie denkt dat dit jihadistische managementtaal is vergist zich. De coördinator ziet al een zelfmoordaanslag met een vuile bom. “Het risico dat terroristen zich in de toekomst zullen gaan bedienen van niet-conventionele wapens (chemisch, biologisch, radiologisch of nucleair, CBRN) wordt voor Nederland voor de korte termijn ingeschat als klein maar reëel.” Klein zou gering zijn, reëel een inschatting, maar reëel is werkelijk, dus waar de coördinator de aanwijzingen vandaan heeft is onduidelijk, er is potentie hoewel gering, maar hoe reëel is onduidelijk.

De dienst gaat iets dieper in op de virtuele rekrutering, training en netwerken. In tegenstelling tot maart 2006 lijkt het mee te vallen. Het zou slechts gaan om het ontwikkelen van netwerken en nog niet bestaande netwerken. “Het internet biedt ook mogelijkheden om virtuele netwerken te vormen waarbij geen of nauwelijks fysiek contact vereist is,” denk hierbij aan sociale media. “In dat geval zouden niet alleen totaal nieuwe netwerken kunnen ontstaan, maar ook interacties tussen diverse typen fysieke en virtuele netwerken kunnen toenemen.” De coördinator heeft het nu slechts over mogelijkheden, maar blijkbaar staat alles in de kinderschoenen. “Vooralsnog kent het ontstaan van zuiver virtuele netwerken echter zijn beperkingen. Leden van virtuele netwerken zullen in de regel pas tot het ontplooien van gezamenlijke activiteiten overgaan wanneer er sprake is van daadwerkelijk onderling vertrouwen.” Dit in tegenstelling tot de eerste zin van ‘Terrorisme en rekrutering’: “De aanzienlijke dreiging van binnenlandse netwerken beïnvloedt onverminderd het dreigingsbeeld.”

Waar die dreiging vandaan komt is onduidelijk, tevens of de coördinator ergens zicht op heeft. Hij schrijft: “Het aantal meldingen van de politie over personen die een radicaliseringsproces door zouden maken blijft stabiel.” Dit suggereert alsof er zicht is op aantallen, ernst, netwerkvorming en andere aspecten. Niets is minder waar want, “hierbij dient te worden opgemerkt dat het om niet nader geanalyseerde signalen gaat.” Er is geen zicht op de radicalisering, maar er is wel radicalisering. Vervolgens gaat de dienst nader in op het leger, toch niet een plek waar je een zelfmoord terrorist los wilt laten. Alsof er niets aan de hand is schrijft de NCTb: “Het aantal meldingen over mogelijke radicalisering onder personeel binnen de krijgsmacht neemt geleidelijk toe. Ook zijn er aanwijzingen dat defensiepersoneel in contact staat met radicale groeperingen en instanties, zoals enkele islamitische stichtingen en moskeeën, dan wel daarin participeren.” Netwerken, zelfmoordaanslagen, vuile bom: alles komt dichterbij en dan: “De signalering van radicalisering binnen de krijgsmacht kan overigens ook het gevolg zijn van een toenemende alertheid binnen de krijgsmacht en hoeft niet noodzakelijkerwijs het gevolg te zijn van een toename van radicalisering.” De coördinator biedt geen uitsluitsel en wil nog wel even kwijt dat hij bij het armpje drukken met de geradicaliseerde netwerken een punt heeft gescoord, al lijkt het leger al in handen van de radicale moslims. “Het vonnis inzake het Hofstadnetwerk is een tegenslag voor het netwerk, omdat leden tot celstraf zijn veroordeeld voor terroristische misdrijven.”

Het Nederlandse publiek waardeert de coördinator. Volgens de NCTb lijkt de campagne “«Nederland tegen terrorisme» gunstig uit te pakken.” Er worden meer meldingen gedaan bij Meld Misdaad Anoniem en men is niet banger geworden. Waar die meldingen over gaan, schrijft de coördinator niet, maar of dit meldingen zijn over toename van radicalisering in het leger of de onbekende radicalisering waar de politie geen zicht op heeft is onduidelijk. De coördinator is tevreden over het Nederlandse publiek. Die tevredenheid vertaalt zich ook in een leger nieuwe rekruten voor het terreurbeleid van de NCTb. “Bestuurders, gemeenten, scholen en instellingen binnen de justitiële (jeugd)keten,” in de loop der jaren worden steeds meer mensen betrokken bij het beleid van de coördinator om radicalisering op te sporen, dreiging in te schatten en allerlei andere veiligheidstaken op zicht te nemen.

Deze ontwikkeling van het terroriseren van de samenleving heeft grote gevolgen zoals de toekomstige dreigingsbeelden laten zien. De oorlog tegen de terreur vindt zijn weg in allerlei beleidsterreinen en onderdelen van de samenleving zoals internet (“monitoring, surveillance, opsporing”), media (“zenders die zich mogelijk schuldig maken aan het uitzenden van antisemitische uitspraken en/of andere radicale uitingen”), dieper in de politie-haarvaten (“taakuitbreiding van het KLPD omvat onder andere het opstellen van een criminaliteitsbeeldanalyse (CBA) terrorisme, opsporingsonderzoeken terrorisme, structureel produceren van kwalitatief goede dreigingsmeldingen, dreigingsinschattingen en dreigingsanalyses en persoonsbeveiliging”), migratie (“Grensbewaking en identiteitscontrole”/ “Internationale samenwerking bij grensbewaking”), militarisering van de veiligheid (“het project «Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking» (ICMS)”) en financiën. Of dat nog iets met de werkelijkheid te maken heeft, lijkt niet meer de vraag.

Een volgens de dienst in DTN-0 duistere stichting, Al Haramain Humanitarian Aid, werd vervolgd voor “terroristische activiteiten” en is op 5 januari 2006 vrijgesproken door het Hof Amsterdam omdat de “werkzaamheden of het doel van deze stichting niet in strijd zijn met de openbare orde.” De wens om terreur te oogsten lijkt onderdeel van de DTN’s geworden. De coördinator is blij met een veroordeling en gaat persoonlijk de strijd aan met de leden van de Hofstad groep of andere netwerken. “Bilal L. werd ten eerste schuldig bevonden aan voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven en ten tweede aan rekrutering voor de gewapende strijd.” Bilal Lamrani was duidelijk boos op de samenleving. Hij had eerder vastgezeten voor het bedreigen van Geert Wilders en “in de gevangenis had Bilal gevraagd hoe hij aan semtex kon komen en op zijn usb-stick waren handleidingen gevonden voor het maken explosieven” (NRC Handelsblad 8 september 2007). Zie ook de internationale analyse van de DTN’s.

DTN-6 / 16 oktober 2006

Dreigingsbeelden worden gepresenteerd als afwegingen. De balans tussen dreigingen, aanwijzingen en weerstand vormen de basis van een ‘complexe’ formule waaruit dan het dreigingsniveau rolt, groen, geel, oranje of rood. DTN-6 geeft aan dat een “afweging van de nationale en internationale dimensie van de dreiging afgezet tegen de weerstand op basis van de bij de NCTb aangeleverde dreigingsinformatie tot deze conclusie leidt.” De coördinator schrijft dat “dit beeld de resultante is van een aantal uiteenlopende ontwikkelingen,” alsof het om een algoritme gaat van dreigingssoftware. Conclusie is dat: “de kans op een aanslag in Nederland reëel blijft.” Wat deze dreigingsexercitie voor meerwaarde heeft is onduidelijk. Als burger moet ik rekening houden met een aanslag op mijn trein, is in wezen wat de coördinator zegt. ‘Veiliger kunnen we het niet maken, angstiger wel,’ lijkt het devies. Hoewel de kans op een aanslag reëel is en blijkbaar blijft voor een bepaalde ongedefinieerde periode, schrijft de coördinator ook dat er “geen concrete dreiging” is.

Niets aan de hand zou je zeggen, maar de dienst heeft het hier over “gekende terroristische netwerken in Nederland”. Hoewel de coördinator het niet zegt impliceert “gekende netwerken” dat er ook ongekende of onbekende netwerken zijn die omschreven worden als “onvoorspelbaar en dynamisch” met een “aanzienlijke transnationale dimensie”. Is er nu niets aan de hand, kan vandaag een bom ontploffen of weet de coördinator het eigenlijk helemaal niet en goochelt hij wat met zijn dreigingsvocabulaire? De woordkeuze is ook explosief. Er zijn “kleine kringen van radicale moslims die bijzonder licht ontvlambaar zijn” en er moet rekening worden gehouden met “spontane uitbarstingen van individuen en groepjes.” Dit explosieve mengsel wordt nog verergerd door een “steeds toenemende radicalisering onder moslims in Nederland”. Eigenlijk is het verbazingwekkend dat niet al het halve land in vlammen is opgegaan, gezien het brandbare taalgebruik van de NCTb.

De nationale dreiging is in een alinea samen te vatten volgens de dienst, met woorden als “gekende terroristische netwerken”, “licht ontvlambaar”, “spontane gewelddadige uitbarstingen” en een verwijzing naar twee bomkoffers die eind juli 2006 in Duitse treinen waren geplaatst. Twee Libanezen werden voor het bomkoffercomplot veroordeeld tot twaalf jaar en levenslang. De beide mannen zeiden dat zij met opzet de koffers hadden gebouwd om niet te ontploffen. De coördinator verwees niet naar een ‘aanslag’ met een metalen plaat op een internationale trein van Amsterdam naar Frankfurt op 29 januari 2006 of twee aanslagen in april en juni 2004 met vier metalen platen op een sneltrein bij Castrop-Rauxel. Het Duitse voorbeeld laat zien dat de relatie tussen moslims en een poging om schade toe te brengen aan een trein een aanslag is en een ongedefinieerde aanslag op een trein als incident niet de moeite van het publiceren waard is. Het jihadistische vocabulaire is alom aanwezig zodat het zelfs niet-jihadistische dreiging definieert. Voor Anders Breivik stelt de coördinator terreur in twee zinnen: “De aanhouding van 17 extreemrechtse potentiële terroristen in België laat zien dat een escalatie van politiek geweld uit niet-jihadistische hoek als risico serieus moet worden genomen.” Veel van de arrestanten kwamen kort na de aanhouding weer vrij.

Het niet-jihadistisch gevaar heeft wel degelijk iets met het jihadistisch gevaar te maken. Bij polarisatie schrijft de coördinator: “In de afgelopen periode was er sprake van diverse gevallen van interetnisch geweld. In meer dan de helft van die gevallen is duidelijk sprake van extreemrechts geweld door Lonsdale jongeren, Skinheads en de Nationale Alliantie.” Of het hierbij is gekomen tot een confrontatie tussen de jihadisten en de niet-jihadisten is onduidelijk, ook laat de dienst in het midden om hoeveel en wat voor gevallen het ging. De radicalisering vindt dus blijkbaar aan beide kanten van de medaille plaats, maar eigenlijk is het allemaal jihadisering: “Waar in het verleden incidenteel personen met een Turkse achtergrond opdoken in lokale jihadistische netwerken met vooral een Noord-Afrikaans karakter, duiken nu kleine groepen jongeren op die als geheel lijken te jihadiseren.” De coördinator is blij om weer terug te zijn bij zijn jihadistisch vijandbeeld, want in een tweepolige wereld, past niet-jihadistische dreiging alleen als moslims ook gejihadiseerd zijn. De moslims zijn een gevaar: “De aanhoudende radicalisering onder een deel van de moslimjongeren in Nederland is een zorgwekkende ontwikkeling die de dreiging ook op langere termijn aanzienlijk blijft beïnvloeden.”

DTN-7 / 20 december 2006

DTN-7 borduurt voort op DTN-5 als het om de al dan niet reële dreiging gaat. Ten eerste zijn “er geen concrete aanwijzingen dat nationale netwerken aanslagen voorbereiden,” maar het gevaar is wel reëel. Dat komt door “de voortdurende radicalisering” die zelfs ondanks de weerstand doorzet, waardoor je de indruk hebt dat half Nederland aan het radicaliseren is. Hoe dat komt verklaart de coördinator door islamitische radicalisering door jongerenpredikers die lezingen verzorgen. Daarnaast vormen de “«informele islamitische huwelijken», waardoor vrouwen onder invloed komen van radicaal-islamitische netwerken” volgens de dienst een groot gevaar. Het is volgens de NCTb namelijk “gebleken dat deze huwelijksvorm breder verspreid is binnen moslimkringen dan voorheen werd aangenomen.” Vervolgens stelt de coördinator dat “geen aanwijzingen” en “toenemende radicalisering” wel degelijk leiden tot “enkele risicovolle internationale ontwikkelingen” die uitmonden in “een materialisering van de ongekende dreiging.” Bij de internationale analyse van de DTN’s wordt aandacht besteedt aan de ‘unknown unknowns’ van Donald Rumsfeld.

De coördinator doelt op “gelijkgezinde individuen die elkaar makkelijk weten te vinden en aan de ontplooiing van terroristische activiteiten werken. Jongeren kunnen in een tijdsbestek van enkele maanden zelf een dergelijke operationele cel vormen. Dergelijke processen lijken deels buiten de tot nu toe bekende patronen van terroristische netwerken te vallen, en kunnen in potentie ook in Nederland plaatsvinden.” Of dit allemaal ook echt is, of door de coördinator uit zijn duim gezogen, blijft onduidelijk. Alles is natuurlijk mogelijk, maar om dreiging te baseren op alles wat mogelijk is, lijkt niet een beeld maar een schrikbeeld te willen opwekken. Ditzelfde lijkt ten grondslag te liggen aan de Marokkaanse netwerken die kunnen zorgen voor de “mogelijke import van jihadistische elementen.” “Niet uit te sluiten valt dat er contacten zijn tussen dergelijke Marokkaanse netwerken en geestverwanten in Nederland.” De gedachtegang lijkt te zijn: In Marokko worden verdachten aangehouden in het kader van terrorisme onderzoek. In Nederland wonen Marokkaanse Nederlanders, die hebben vast familie en vrienden daar. Misschien is een van de verdachten bevriend met iemand in Nederland, die kan ook deel zijn van het netwerk en zo is het allemaal bedreigend.

In deze wereld van onbekend gevaar en totale oorlog, ziet de coördinator ook een toenemende polarisatie en valt het hem op dat “ten opzichte van de vorige rapportageperiode meer gewelddadige interetnische incidenten bij de politie bekend zijn geworden. Bij meldingen over rechts-extremisme is vaak sprake van geweld. Ook het online rechtsradicalisme baart zorgen. Tevens bestaan er zorgen over het verschijnsel van onverdraagzaam isolationisme bij sommige groepen moslims in Nederland. In deze kringen worden intolerante opvattingen gehuldigd over andersdenkenden en andersgelovigen.” Of de dienst het nu over zichzelf heeft is onduidelijk. Worden er diverse incidenten op een hoop gegooid? Of is er werkelijk iets aan de hand. Het wordt niet duidelijk, er lijken zelfs “parallelle machtsstructuren” te zijn of te ontstaan.

Bij het tegengaan van radicalisering lijkt de coördinator de oorzaken te willen bestrijden zoals discriminatie op de arbeidsmarkt, maar tegelijkertijd blijft de inzet vooral repressief zoals bijvoorbeeld het inzetten van het maatschappelijk middenveld als anti-terreur brigades: “Hierbij valt te denken aan het opzetten van een gebiedsgerichte aanpak, het activeren en ondersteunen van professionals (agenten, leraren, jeugdwerkers, medewerkers van het Centrum voor Werk en Inkomen e.d.).” Deze multidisciplinaire verstoring van de overheid wordt ook toegepast op zogenoemde ‘radicaliseringshaarden’. In DTN-0 was de coördinator nog openhartig over de weinig rechtsstatelijke Bibob middelen om een ‘organisatie’ op de knieën te krijgen, nu kan de dienst daar niet meer zo openhartig over zijn. “Om operationele redenen kan geen openbare mededeling worden gedaan over de organisaties die als radicaliseringshaard zijn aangemerkt en de maatregelen die worden getroffen.”

Het gebrek aan respect voor de rechtsstaat bij de coördinator is ook af te lezen uit de wijze van rapportage over gerechtelijke uitspraken. De coördinator beschrijft een uitspraak van de rechtbank in de zaak van ex-verdachten uit de zogenaamde Arles-zaak. “De rechtbank heeft, evenals in een eerdere schadevergoedingszaak van een ex-verdachte van een terroristisch misdrijf, besloten tot een veel hogere schadevergoeding dan standaard wordt toegekend.” De coördinator is daar ongelukkig mee want “het risico is aanwezig dat uitgekeerde gelden gebruikt zullen worden voor ondersteuning van terroristische activiteiten.” Waar deze mening van Joustra op is gebaseerd, is onduidelijk. De verdachten zijn namelijk onschuldig en hebben onschuldig in de gevangenis gezeten en eisen daarom een schadevergoeding. Joustra steunt daarom ideeën van zijn VVD-partijgenoot Frans Weekers, later staatssecretaris van Financiën in het eerste en tweede kabinet Rutte, die een “algemene en wettelijke schadevergoedingsregeling voor ex-verdachten van terrorisme” wilde.

Conclusie DTN 2006

Dreigingsanalyse is niet eenvoudig. Hoe moeten signalen worden beoordeeld en wat kan er nu wel of niet gebeuren? Achteraf gezien, als er iets al dan niet gebeurd is, is het makkelijk praten over het al dan niet zwaar aangezette dreigingsbeeld. De dienst heeft dus een moeilijke taak, maar is dat in werkelijkheid ook zo. De coördinator krijgt informatie van verschillende opsporings- en inlichtingendiensten. Op basis van die informatie, meestal verwoordt in ontwikkelingen en aanwijzingen, wordt een inschatting van het gevaar gemaakt. Aan de andere kant van het spectrum van de enigszins concrete informatie zijn er de veronderstellingen, de mogelijkheden, de fantasieën van de dienst zelf. En die waandenkbeelden zijn eindeloos, want in een bipolaire wereld, waarbij de andere partij is verworden tot de as van het kwaad, zijn het demonen waar tegen gevochten moet worden. En demonen zijn duivels, schimmen in een verder vredige wereld. Om niet het verwijt te krijgen dat de dienst niet had gewaarschuwd is de dreiging altijd reëel en is het niveau substantieel. Zo ontstaan ook gedachten over zelfmoordaanslagen die niet alleen niet voorkomen kunnen worden (DTN-2), maar die ook echt kunnen plaatsvinden (DTN-4). We moeten voorbereid zijn en of de dienst er zicht op heeft is onduidelijk. Er zijn allerlei netwerken waar wij geen zicht op hebben, wij, het Nederlandse publiek. “De dreiging is complexer en omvattender” en alleen de coördinator is bij machte om de terroristische netwerken te doorgronden. Toch is onduidelijk of de NCTb er daadwerkelijk zicht op heeft, want veel van de netwerken zijn virtueel en niet gekend, de woorden complex en omvattender zijn daarom verhullend. Ondanks deze onduidelijkheid over de kennis van de coördinator is voor de NCTb één ding wel duidelijk. De dreiging is alleen jihadistisch, want voor een ander beeld is geen plaats in de schrikbeelden van de dienst. Twee niet werkende bomkoffers zijn een aanslag en drie keer een aanslag met metalen platen op een hoge snelheidstrein zijn incidenten, zonder noemenswaardige vermelding in het DTN. In het eerste geval zijn twee moslims aangehouden en dus is het jihadistische terreur, in het tweede geval is er misschien niet eens onderzoek gedaan, de coördinator is er niet in geïnteresseerd. Het tweede jaar van het DTN, 2006, markeert de opkomst van de ongekende netwerken die in 2007 volledig tot ontplooiing komen. Ook de terrorisering van de samenleving in zijn geheel krijgt steeds meer vorm in 2006. Iedereen wordt ingezet op zoek naar het gevaar, naast agenten worden leraren, jeugdwerkers, medewerkers van het Centrum voor Werk en Inkomen e.d. ingezet in de speurtocht naar de radicalisering. Later worden daar ook vertrouwenspersonen en anderen aan toegevoegd. En terreurbeleid wordt toegepast op steeds meer geledingen van de samenleving zoals internet, media, migratie, militarisering van de veiligheid en financiën. De dienst heeft in het derde jaar van haar bestaan haar vleugels uitgeslagen, niemand kan meer om de schrikbeelden heen.

2007 de ongekende dreiging, Joustra goes Rumsfeld

DTN-8 / 25 april 2007

Na twee jaar gespannen te hebben gewacht op de aanslag, moet Joustra bekennen dat het toch allemaal wat overdreven was. Het eerste jaar DTN’s werd gekenmerkt door de nasleep van de moord op Theo van Gogh en de spanning rond Samir A. Toch bepaalden deze twee elementen slechts een klein deel van de dreiging voor Nederland volgens de dienst. De toenemende radicalisering, rekrutering en training hadden de overhand. Begin 2007 blijkt er plots toch een ander inzicht. De coördinator stelt dat “sinds dreigingsbeelden uit oktober 2006 er sprake leek van een afname van de concrete dreiging in Nederland die zich doorzette.” Waarom hij de tekst in de verleden tijd schrijft is onduidelijk, want zijn conclusie is dat de dreiging ook echt is afgenomen, maar blijkbaar twijfelt hij zelf nog. “Naast deze afname van de concrete binnenlandse dreiging, die vermoedelijk van langere duur zou zijn, bleken potentiële dreigingen zich niet te concretiseren,” vervolgt hij alsof er een lange periode van rust aan zal komen, maar dat zal niet langer dan een jaar zijn. Hij stelt dat bij het besluit om van substantieel naar beperkt te gaan “het zwaartepunt van de dreigingsafweging naar de potentiële dreiging, onder andere vanuit de aanwezige radicalisering in Nederland, alsmede naar de internationale context en het internationaal profiel van Nederland.”

Dreiging is geen wetenschap, maar wie DTN’s van 2005 en 2006 doorneemt krijgt het idee dat de boel op ontploffen staat, terug naar beperkt lijkt een anticlimax. “De situatie rond de gekende jihadistische netwerken in Nederland is opnieuw als vrij rustig te omschrijven,” stelt de NCTb in april 2007 terwijl een paar maanden eerder nog de gehele radicale moslimgemeenschap aan het radicaliseren was. In een paar maanden blijkt het overheidsbeleid effectief in het bestrijden van het jihadisme, “bij nog bestaande netwerken is sprake van een kloof tussen het jihadistische ideaal en de praktijk.” Tevens zou er geen leiderschap zijn bij de toekomstige aanslagplegers, alsof de dienst zit te wachten op een goed geoliede bende die dood en verderf zaait.

Het is onduidelijk wat de dienst nu wil zeggen, want hoewel er geen leiderschap is, neemt het salafisme hand over hand toe in Nederland. “Het salafistische gedachtegoed heeft in 2005 en 2006 sterk aan invloed gewonnen in Nederland.” Salafisme lijkt ook hot te zijn: “Los van de verbreiding van het salafisme is er sprake van een levendige jeugd- en internetcultuur waarin vooral de polemiek tussen sympathisanten van de gewelddadige en niet-gewelddadige jihad opvalt.” Eigenlijk is er niets veranderd na 2006. Ook qua polarisatie is er niets veranderd stelt de coördinator, misschien is het zelfs verslechterd: “Het aantal interetnische conflicten is wederom toegenomen. De omvang van ongeorganiseerd extreemrechts is in deze rapportageperiode toegenomen.” Om de polarisatie nog even kracht bij te zetten stelt de coördinator dat er ook “confrontaties met antifascisten zijn”, soms zelfs heimelijk. Heimelijk is ook het optreden van de overheid in het kader van de zogenoemde ‘radicaliseringshaarden’: “In het afgelopen jaar zijn in het kader van de aanpak van enkele radicale salafistische moskeeën op zowel nationaal als lokaal niveau diverse maatregelen uitgevoerd.” Of deze weinig rechtsstatelijk druk van de overheid zin heeft gehad is onduidelijk want “Ondanks de druk op de salafistische moskeeën is in het afgelopen jaar het zelfvertrouwen van de salafistische centra en de ideologische beïnvloeding vanuit de moskeeën onverminderd toegenomen.”

DTN-9 / 4 juni 2007

Het tweede dreigingsbeeld met beperkt niveau begint met een geruststellende alinea: “De concrete dreiging is inmiddels gestabiliseerd op het niveau zoals beschreven in het vorige dreigingsbeeld.” Al was het geschetste beeld in DTN-8 niet helder, het is natuurlijk prettig dat de dreiging in werkelijkheid beperkt is, de dienst heeft niet gelogen. De alinea die volgt verstoort dit beeld volledig. Dacht Nederland net dat er niets aan de hand is, moet er wel rekening worden gehouden met een vuile bom. “De kans dat bij een eventuele aanslag in Nederland chemische, biologische, radiologische of nucleaire middelen (CBRN) worden gebruikt is net als in 2006 klein maar reëel.” Wat de coördinator met deze CBRN-dreiging wil zeggen is onduidelijk, de massavernietigingswapens komen sinds DTN-5 in de oneven DTN’s elke keer terug (DTN-5, 7, 9, 11, 13, 15, 17, 19, 21, 23, 25, meestal een DTN met een voortgangsrapportage terrorismebestrijding). Om de dreiging kracht bij te zetten stelt de NCTb dat “er dit jaar weer enkele CBRN-incidenten in het buitenland te noteren vallen, zoals het gebruik van chloor als middel voor aanslagen in Irak.” Wat dit bijdraagt aan de weging van het dreigingsniveau is onduidelijk, maar later zal blijken dat Joustra naar een substantieel niveau moet schrijven, dus kan een CBRN-dreiging daar wel een functie in vervullen.

Naast CBRN besteedt de dienst ook veel aandacht aan “explosieven”. In DTN-7 schrijft de dienst dat “op de korte termijn van zelfgemaakte explosieven een grotere dreiging uit gaat dan van CBRN-middelen”. Volgens de NCTb komt dit omdat “jonge, lokaal geradicaliseerde jihadisten in het westen roekelozer zijn en meer vanuit emotie zijn gericht op onmiddellijke gewelddadige actie.” In DTN-13 stelt de coördinator dat “het Nederlandse project zelfgemaakte explosieven is opgezet naar aanleiding van de observatie dat het merendeel van alle (pogingen tot) aanslagen in Europa plaatsvindt met explosieven op basis van vrij verkrijgbare chemicaliën.” De coördinator schrijft niet om welke aanslagen het zou gaan, maar de aanslagen in Madrid waren gepleegd met dynamiet die door een informant van de politie aan de daders was geleverd en de London metro en bus bommen zou misschien wel van huis- tuin en keuken materiaal zijn gemaakt, maar gezien de kracht stellen bomexperts dat een getrainde chemicus de bommen moet hebben geassembleerd. Het hele programma om een systeem op te zetten in het kader van verdachte chemicaliën transacties, gaat hand in hand met de CBRN-dreiging om het dreigingsniveau op te krikken.

Ditzelfde geldt voor de opmerking dat jihadisten via het internet communiceren in relatie tot een man die zich in een internetcafé in Casablanca, Marokko, heeft opgeblazen. Of dit een actie tegen het internet was, of dat de man ter plekke een bomgordel in elkaar aan het knutselen was, het blijft onduidelijk, want volgens de coördinator zou de persoon: “voor zover nu bekend, daar instructies hebben willen ‘ophalen’.” Het verhaal van het opgeblazen internetcafé, de bomgordel en de instructies is van een zelfde soort als de strijd tussen de soennieten en sjiieten. “Ook op Nederlandstalige webfora zijn vanuit soennitische hoek negatieve geluiden te horen over sji’ieten. Een verdere escalatie van het conflict tussen soennieten en sji’ieten in Irak, gecombineerd met een voortdurende agitatie uit salafistische hoek, kan op den duur negatieve gevolgen hebben voor de interreligieuze en interetnische harmonie binnen de islamitische gemeenschappen in Nederland.” Tot DTN-9 is met geen woord gerept over het al eeuwen bestaand conflict tussen de twee belangrijkste stromingen binnen de islam, nu kan het plots op den duur negatieve gevolgen hebben. Na DTN-9 komt het pas in DTN-30 weer terug, op den duur kan blijkbaar heel lang zijn bij de dienst.

Op het polarisatiefront is er ook toename, groeiend zelfbewustzijn, vergroting, confrontaties. Deze behoefte aan meer spanning leidt tot een verwrongen manier van omgaan met “moskeeën die hun orthodoxe signatuur niet ontkennen maar tegelijkertijd benadrukken niets met radicalisme te doen willen hebben.” Vanuit het perspectief van een veiliger samenleving kan de conclusie worden getrokken dat dit positief is. De moskeeën kunnen echter geen goed doen want “het risico bestaat dat de sense of urgency in de samenleving ten aanzien van de veiligheidsrisico’s die uitgaan van de salafistische geloofsleer afneemt.” Al in DTN-8 hing de coördinator op deze manier de gedachtenpolitie uit: niet radicalisering of jihadisering is gevaarlijk, de leer zelf moet verboden worden. En de coördinator wordt door de rechter op zijn wenken bediend: “Op 27 april heeft de Raad van State verklaard dat een Eindhovense imam terecht ongewenst is verklaard door de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Deze ervaring zou andere predikers kunnen ontmoedigen en nog voorzichtiger kunnen maken in het publiekelijk doen van antiwesterse of anti-integratieve uitspraken.” Een half jaar eerder had de rechtbank in Amsterdam imam Eisha Bersham nog “geen gevaar voor nationale veiligheid” genoemd. De imam was ongewenst verklaard, een manier van de overheid om van lastige mensen af te komen die geen permanente verblijfstitel hebben.

Het heet eufemistisch een bestuurlijke maatregel, maar in wezen is het een straf waar in eerste instantie geen rechter aan te pas komt. Dit geldt ook voor de geheimzinnige maatregelen tegen zogenoemde radicaliseringshaarden die ook in DTN-9 doorgaan: “Om operationele redenen kan geen openbare mededeling worden gedaan over de betreffende organisaties en de maatregelen die reeds zijn en nog worden getroffen.” De maatregelen zijn vergelijkbaar met het plaatsen van organisaties op een terreurlijst. Het Europese Hof oordeelde in december 2006 dat “de procedures voor de totstandkoming van de EU-lijst van personen en organisaties met banden met terrorisme onvoldoende beantwoorden aan de vereisten van effectieve rechtsbescherming, de motiveringsplicht en de rechten van verdediging (hoor en wederhoor).” Van de radicaliseringshaarden bestaan geen openbare lijsten en is het onduidelijk hoe organisaties zich te weer kunnen stellen tegen overheidsterreur.

Hetzelfde geldt voor het fenomeen van verstoren: “Sinds het voorjaar 2005 is een wisselend aantal subjecten (in totaliteit circa 15) persoonlijk aangepakt c.q. verstoord.” Dit verstoren vindt zijn weg ook op het internet want de coördinator is geschrokken van “de invloed van het internet op radicalisering, de rol die het speelt ter ondersteuning van terroristische activiteiten en de dreiging die hiervan uitgaat.” In het voorjaar van 2006 is er daarom een Meldpunt Cybercrime (nu opgegaan in politie.nl) gestart. Het meldpunt is er voor “radicale en terroristische uitingen” volgens de coördinator, maar of de conclusie dat het echt zo ernstig gesteld is op het internet gerechtvaardigd is, weet de dienst zelf nog niet. De meldingen moeten namelijk “het zicht van de betrokken instanties op de problematiek verbeteren.”

DTN-10 / 9 oktober 2007

In het najaar van 2007 is een aanslag op Nederland voorstelbaar, maar de dreiging beperkt en “aanwijzingen dat ook Nederland kans loopt geconfronteerd te worden met een aanslag zijn er niet.” Iets of niets aan de hand, helemaal als de dienst schrijft dat “er wel extra reden is voor oplettendheid,” hoewel er geen aanwijzingen zijn. Niet zomaar oplettendheid, maar er is blijkbaar ook echt reden voor oplettendheid. En toch zijn er geen aanwijzingen en is er een beperkt dreigingsbeeld. In de internationale analyse van de DTN’s wordt ingegaan op enkele arrestaties. Volgens de coördinator terreur van de overheid kan “de voortschrijdende internationalisering van de gewapende jihad in Afghanistan negatieve gevolgen hebben voor het internationale profiel van Nederland.” Het kan zo zijn, maar de coördinator wil het graag even gemeld hebben want wat is er aan de hand. Buitenlandse jihadisten gaan naar Afghanistan. Volgens de NCTb kan dit te maken hebben met “de hernieuwde oriëntering van kern Al Qa’ida op Afghanistan” maar zeker weet de dienst het niet. En ook andere kwesties zijn profielverhogend. Al met al een explosieve mix van mogelijkheden, fantasieën en aaneengeregen internationale en nationale gebeurtenissen.

Want nationaal draait het om toe- en afname van radicalisering en polarisatie. Daar is echter geen verandering. Hoewel de coördinator “een lichte daling in het aantal meldingen over mogelijke islamitische radicalisering” vermeldt, blijkt uit onderzoek naar de laatste twaalf maanden “dat het beeld stabiel is.” Dit in tegenstelling tot de nogal alarmerende radicaliseringsberichten van de dienst in de drie voorgaande DTN’s. Volgens het overheidsorgaan voor terreur is “het aantal meldingen van rechtsextremisme in vergelijking met de vorige rapportageperiode toegenomen.” Dit zou verontrustend kunnen zijn, maar de coördinator legt niet uit wat voor meldingen het zijn. Tegelijkertijd is er niets aan de hand want “het gebruik van geweld is redelijk stabiel gebleven.” Wat voor geweld en in wat voor omstandigheden wordt niet nader uitgelegd, het enige dat de NCTb meldt is dat de dienst het opvallend vindt dat het geweld tussen jongeren plaats vindt. Vraag is of de dienst zover van de samenleving is afgedreven dat het extremistische trekken heeft aangenomen.

DTN-11 / 27 november 2007

DTN-11 is het enige dreigingsbeeld dat begint met weerstand of weerbaarheid. Het is ook opvallend dat de coördinator een volle pagina aan het onderwerp besteedt. Hij lijkt ook inhoudelijk een onderscheid te maken tussen “moslimgemeenschappen in Duitsland, Denemarken en Oostenrijk” die in stevige bewoordingen afstand nemen van gearresteerde moslims in hun landen en moslimgemeenschappen elders die blijkbaar geen afstand nemen. Waarom de coördinator aandacht besteedt aan de reactie van moslims in de drie landen is niet duidelijk, want zij “waarschuwen er tegelijk voor alle moslims over één kam te scheren.” De zin over de moslims elders zou verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden, vandaar dat de dienst stelt dat “overigens ook in Nederland moslims na de moord op Theo van Gogh nadrukkelijker afstand namen.” De dienst laat zich er niet over uit, maar de moor dop van Gogh is toch al weer twee jaar geleden dus zou het ook als kritiek op de moslimgemeenschap kunnen worden opgevat. Het wordt bijna een dreigingsbeeld over de NCTb zelf, de tekst van de dienst kan mogelijk worden opgevat als kritiek.

Op het vreemdelingenrechtelijke vlak boekt de coördinator succes. “De rechter oordeelde op 10 oktober 2007 dat het eind 2005 uitgebrachte ambtsbericht van de AIVD inzake de Keniaanse imam (Mohamed Mahmoud van de Al Fourqaan moskee) op inhoudelijk juiste gronden is gebaseerd.” Daarnaast heeft een burgerinitiatief ervoor gezorgd dat “ruim veertig jihadistische websites door hun hostbedrijven uit de lucht zijn gehaald.” En tot slot haalt de coördinator verder een onderzoek aan van PEW Global Attitudes over het toegenomen verzet tegen zelfmoordaanslagen. Al die positieve geluiden leiden drie maanden later, begin 2008, tot een verhoging van het dreigingsniveau, niet in verband met de economische crisis, maar natuurlijk in verband met onze jihadisten.

Dat de dreiging eind 2007 gaat stijgen, wordt voelbaar bij de radicalisering en polarisatie. In DTN-10 was er op basis van de politiecijfers niet echt een toename van radicalisering in 2006 en 2007. Omdat de gegevens van de politie over radicalisering volgens de NCTb blijkbaar niet kloppen, beschrijft de coördinator het salafistische lezingencircuit in de Nederlandse moskeeën en de ‘politiek nationale’ kleur van de gebedshuizen. “Nederland telt ongeveer 550 moskeeën, waarvan ongeveer veertig procent als Marokkaans gekwalificeerd kan worden. Thans bereiken de salafisten zo’n dertig Marokkaanse moskeeën. Dit betekent dat in ten minste een kleine vijftien procent van de Marokkaanse moskeeën in Nederland salafistische predikers optreden.” De coördinator had ook kunnen schrijven dat in zes procent van de moskeeën er wel eens lezingen worden gehouden. Dat past echter niet in het dreigingsstraatje en dus schrijft de dienst alarmerend dat “het niet ongebruikelijk is dat rond de honderd jonge Nederlandse Marokkanen een dergelijke lezing bijwonen.” Allemaal potentiële terroristen lijkt de dienst te willen suggereren, ook door de jongeren neer te zetten als buitenlanders, “Nederlandse Marokkanen”, in plaats van Marokkaanse Nederlanders wat ze naar alle waarschijnlijkheid allemaal zijn.

Ook ten aanzien van extreemrechts en interetnische conflicten, lijkt de coördinator vooral de spanning te willen aandikken in tegenstelling tot het gematigde geluid in DTN-10. Dergelijke kwesties reflecteren “de zorg die momenteel leeft omtrent extreemrechts,” schrijft de coördinator naar aanleiding van een veroordeling van een groep van vijf jonge nationalistische jongens voor brandstichting en pogingen daartoe. Of er andere incidenten, aanslagen of gewelddadigheden hebben plaatsgevonden schrijft de coördinator niet. Deze scherpe veroordeling van de dienst ten aanzien van jongeren die radicaal zijn, staat in schril contrast met haar eigen enthousiasme om samen te werken met landen die op zijn zachtst gezegd de mensenrechten schenden.

Die samenwerking van Nederland met diverse landen op het terrein van terrorisme, vindt over het algemeen binnen de verbanden van de Verenigde Naties en de Europese Unie plaats. Naast deze multinationale organisaties werkt Nederland ook op multi- of bilateraal vlak samen met bepaalde landen. In december 2006 wordt er nog geheimzinnig over gedaan met welke landen Nederland nu samenwerkt: “Om hieraan verder inhoud te geven is onder meer overleg gaande met een aantal landen in Noord Afrika.” In DTN-11 is de dienst helder over haar ambities ten aanzien van samenwerken: “Marokko vormt één van de prioriteitslanden voor de samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding. Ook met Algerije wordt samenwerking in gang gezet.” Amnesty International schrijft al diverse jaren over Marokko dat de vrijheid van meningsuiting wordt onderdrukt, dat de situatie in de Westelijke Sahara zorgwekkend is en over het ’wijdverspreide’ gebruik van marteling en andere zorgwekkende zaken ten aanzien van de mensenrechten. Hetzelfde geldt voor de mensenrechtensituatie in Algerije. De dienst is echter nog niet tevreden met twee landen die de mensenrechten met voeten treden, en organiseert in 2007 een conferentie waar ook Egypte (onder dictator Mubarak), Koeweit (als het gaat over vrouwenrechten, rechten van migranten en de War on Terror), Pakistan (onder andere verdwijningen, doodseskaders) en andere landen mogen deelnemen. Nederland zal in de jaren die volgen blijven samenwerken met landen als Marokko, Algerije en andere landen met een zeer twijfelachtige mensenrechtenreputatie.

Conclusie DTN 2007

Begin 2007 schroeft de dienst de dreiging terug van substantieel naar beperkt. Waarom blijft onduidelijk, want de taal van de dienst is niet wezenlijk veranderd. Nieuw in 2007 is de aandacht voor het salafisme, het steekt op als een storm en gaat na enige jaren liggen. Eerst lijkt de coördinator moord en brand te schreeuwen over de radicale salafistische moskeeën, centra en predikers die aan ideologische beïnvloeding doen, zelfvertrouwen kweken onder de jongeren, Nederlands spreken en radicaliseringshaarden zijn. In de loop der jaren kantelt dat beeld. In 2007 echter nog niet. In het juni-nummer van de terreurbode werd nog een doorlopende lijn getrokken van radicalisering, jihadisering naar bijna salafistisering van het gevaar. Die radicaliseringshaarden, waar zelfs in 2006 het leger onder werd geschaard, gekoppeld aan CBRN-bommen (chemische, biologische, radiologische of nucleaire middelen) en huis-, tuin- en keukenexplosieven, geeft niet de indruk van een laag dreigingsniveau, maar eerder van terroristen met geïmproviseerde massavernietigingsbommen. De dienst blijft er nuchter onder, maar de taalkundige schrikexpeditie is verbazingwekkend. Wat is het doel van de vergelijking tussen een aanslag met chloor in Irak en de mogelijkheid van een aanslag met chemische stoffen in Nederland? Het één op één vergelijken van Irak met Nederland is een duidelijk teken van een totaal gebrek aan analyse en verdieping van de dienst. De ontwikkeling van het aandikken van de dreiging, het creëren van schrikbeelden en het insinueren van gevaar van bepaalde groepen, gaat hand in hand met een contraterrorismebeleid waarbij er niet geschuwd wordt om samen te werken met landen die de mensenrechten met voeten treden. Die radicalisering van de dienst is eigenlijk logisch, want het gebrek aan analyse en achtergrond van lokale, nationale en internationale ontwikkelingen gaat hand in hand met het bestempelen van andersdenkenden als radicaal, extremist, terrorist of een ander evil, terwijl de dienst zelf extremistische trekken vertoont in haar hang naar samenwerking met landen als Algerije.

2008 NCTB lijdt aan het ‘sudden jihad syndrom’

DTN-12 / 5 maart 2008

Bij terrorisme kopt de coördinator, dat er “toegenomen internationale jihadistische invloeden” zijn. Dit is een deel van zijn onderbouwing voor de verhoging van de dreiging van beperkt naar substantieel in DTN-12. Een deel van de buitenlandse arrestaties zijn beschreven in de internationale analyse van de DTN’s. Voor het terrorismedeel in DTN-12 gaat een korte introductie vooraf. De coördinator schrijft dat de “dreiging hoofdzakelijk uitgaat van door de kern van Al Qa’ida aangestuurde of beïnvloede groepen uit Pakistan en Afghanistan.” Deze dreiging hangt al drie jaar boven de markt en is dus geen verklaring voor de verhoging van het risicogehalte van Nederland. De coördinator stelt dat er ook sprake is van een toename van de ongekende dreiging, dit is dreiging die de coördinator niet kent maar blijkbaar al verhoogd inschat. De coördinator schrijft ook dat het hierbij gaat om “personen of groepen die (nog) niet in beeld zijn” of die “pas op het allerlaatste moment in beeld” komen.

Volgens de coördinator heeft het gevaar van de ongekende dreiging zich sinds DTN-10 tot begin 2008 doorgezet. In 2007 is de ongekende dreiging echter niet ter sprake gekomen in de rapporten van de dienst. Eind 2006 heeft de dienst het over “een materialisering van de ongekende dreiging”, maar die materialisering leidde tot een verlaging van de gevarencode. De coördinator probeert het nog even door te wijzen op de “radicalisering, netwerkvorming en training” die in het buitenland zou plaatsvinden, terwijl de dienst zoveel aandacht had besteed aan de online jihadi-cursussen. Een ander aspect dat de dienst aanwijst is dat de “onzichtbaarheid daarmee ook (tijdelijk) kan blijven bestaan na binnenkomst van buitenlandse terroristen en verder beïnvloed worden doordat jihadisten over het algemeen veiligheidsbewuster zijn geworden en meer vaardigheden hebben ontwikkeld om opsporing te voorkomen.”

Als voorbeeld noemt de coördinator de arrestatie van drie mannen op 31 december 2007. “Verder werden eind 2007 drie personen aangehouden in Rotterdam, waarmee voornemens voor aanslagen werden verstoord. Gezien de kenmerken van genoemde casussen kan hieruit worden opgemaakt dat ook Nederland te maken heeft met een ongekende dreiging.” De mannen zouden een “ontploffing met een terroristisch oogmerk” voor ogen hebben, maar de bewijslast is blijkbaar zo klein dat zelfs het voorarrest niet wordt verlengd. Wat de ongekende dreiging dus is, blijft onduidelijk, helemaal als de bewijslast bij mogelijke verdachten minimaal is en er geen concrete aanwijzingen zijn. De aanwijzingen die de coördinator opnoemt zijn reacties van reaguurders op “vooraanstaande internationale jihadistische webfora”, waarvan onduidelijk is wat de waarde, het waarheidsgehalte en serieusheidsindex zijn. De NCTb moet erkennen dat zelfs de anti-islamfilms van Wilders en Jami niet worden genoemd door Al Qa’ida. Blijkbaar zijn het ongekende gevaar en het “«sudden jihad syndrom»” nodig om de dreiging te verhogen, maar is er in vergelijking met 2007 niets veranderd. Het sudden jihad syndrom is volgens de coördinator een al dan niet gestoorde enkeling die voor een bedreiging zorgt. Het is onduidelijk of de enkeling ook een aanslag pleegt, want gezien de angst van de NCTb is dat niet meer nodig.

DTN-13 / 9 juni 2008

DTN-13 staat in het teken van de film van Geert Wilders, Fitna. Volgens de coördinator was het “profiel van Nederland verhoogd vanwege de aangekondigde film van de PVV-fractievoorzitter over de Koran.” In DTN-12 staat echter dat vooral de ongekende dreigementen de verhoging bepaalden en naast de film van Wilders waren er ook de film van Jami, een tentoonstelling en enkele andere zaken. DTN-13 wijt het gevaar volledig aan Wilders, de andere dreigementen zijn verdwenen, maar waarom is onduidelijk. Het is bijna alsof de coördinator teleurgesteld is dat Osama Bin Laden en al Zawahiri niets over Fitna zeggen: “Internationaal heeft de verschijning van de film van de PVV-fractievoorzitter over de Koran veel aandacht gekregen hoewel Nederland niet expliciet genoemd is in de recente verklaringen van leiders Al Qa’ida.” De coördinator heeft ook een verklaring. “Mogelijk dateren deze verklaringen echter van (vlak) voor de publicatie van Fitna.”

Er zijn wat schermutselingen, maar de reactie in de wereld op de film van Wilders is nogal lauw, iets dat de NCTb niet kan verkroppen. “Tot slot moet opgemerkt worden dat het internationale profiel ook op langere termijn kan worden beïnvloed door de film Fitna, vooral ook daar waar het mogelijke reacties betreft: de reeds in DTN12 gemelde plannen in Denemarken voor een aanslag op een van de tekenaars van de Mohammed-cartoons, twee jaar na dato, toont aan dat de dreiging lang kan blijven bestaan.” Joustra analyseert de internationale reacties niet, ook niet het verschil met de cartoons in de Deense media en de verspreiding van de cartoons in de wereld. Hij stelt dat “Nederland (film Fitna) en Denemarken (Mohammed cartoons) in sommige islamitische landen met elkaar worden verward. Voor velen in de islamitische wereld geldt dat onderscheid tussen Europese landen minder relevant is.” Welke landen dit zijn, staat niet vermeld. Toch spreekt de coördinator al twaalf dreigingsbeelden over het profiel Nederland, een profiel van mensen uit moslimlanden. Ook dit legt de coördinator niet verder uit.

In Afghanistan is het onderscheid tussen Nederland en Denemarken blijkbaar wel bekend want volgens de dienst “werden door de Taliban enkele aanslagen op Nederlandse militairen in Afghanistan geclaimd als een reactie op de film van de PVV-voorzitter.” Opvallend is dat de coördinator aangeeft dat “motivatieclaims soms aantoonbaar onjuist zijn.” Dit is de eerste en enige keer dat de NCTb twijfelt aan een claim. Of dit met de film van Wilders te maken heeft, blijft onduidelijk. Aan de andere kant twijfelt de dienst niet aan de rol van het internet bij de verspreiding van het “radicaal-islamitische gedachtegoed”. De coördinator heeft Paltalk ontdekt en stelt dat daar gepreekt zou worden. In DTN-12 vond het preken nog allemaal fysiek plaats en alleen buiten de Randstad. De dienst schrijft in DTN-12 dat de dienst “door uitlatingen op internet, waar geklaagd wordt dat er in de grote steden niets meer gebeurt aan prediking,” tot die conclusie is gekomen.

Drie maanden later zijn de jongeren voorzien van digitale predikers en op straat lijkt er niets aan de hand. Geen extreemrechts geweld, geen massale demonstraties van moslims, gewoon mensen die op het internet hun verontwaardiging tonen. Internet en de controle op radicaal dan wel terroristisch gebruik van het internet keert ook steeds terug in de DTN’s. Naast het meldpunt cybercrime is er het project surveillance op het internet, is er een “Notice-and-Take-Down-systematiek” ontwikkeld en wordt er internationaal gewerkt aan “de aanpak van het gebruik van internet voor terroristische doeleinden.” Bij al deze internet maatregelen heeft de coördinator het over “publieke en private partijen”, “internetmonitoring” door organisaties en andere vage constructies, maar niet over een rechtsstatelijke aanpak of rechtsstatelijke waarborgen waarbij zoals bij de terreurlijsten correcte procedures bestaan voor strafmaatregelen en niet ondoorzichtige bestuurlijke maatregelen worden toegepast. Bestuurlijke en vreemdelingenrechtelijke maatregelen liggen naast elkaar, zeker als het gaat om het gebrek aan toetsing door een onafhankelijk rechter.

Terrorismemaatregelen en migratiebeperking gaan vaak hand in hand. Aan grensbewaking wordt al uitgebreid gewerkt, maar nu heeft de coördinator ook de kennismigrant ontdekt. Volgens de coördinator onderstreept de verhoging van het gevaargehalte, “van beperkt naar substantieel, de noodzaak om gepaste maatregelen te treffen.” De dienst stelt dat er “aspecten van radicalisering, terrorismebestrijding en nationale veiligheid” kleven aan kennismigranten en daarom wordt er ingezet op “informatie-uitwisseling over dit onderwerp binnen en buiten de rijksoverheid.” Het onderwijsveld is in alle lagen van de terreurbestrijding betrokken, met detectie, inlichtingen verzameling, deradicalisering en andere terreurmaatregelen. En terwijl de coördinator druk bezig is met CBRN, explosieven en kennismigranten wandelt Alberto Stegeman (SBS 6-programma ‘Undercover in Nederland’) rustig de luchthaven Schiphol over en weet een imitatie semtexbom aan boord van een vliegtuig te plaatsen. Wat doet de coördinator ook alweer ten aanzien van de veiligheid en de burgerluchtvaart? In 2008 gaat het nog om journalisten die terreurgrappen uithalen. Vanaf 2009 gebeuren er incidenten waar slachtoffers bij vallen, vraag is en blijft wat de dienst nu vooral doet, schrikbeelden verspreiden over radicale moslimjongeren of werken aan een veiliger en minder angstige samenleving.

DTN-14 / 9 september 2008

Bij de internationale analyse wordt aandacht besteed aan het woord voorkeursdoelwit. In DTN-14 wordt het woord voor de eerste keer gebruikt. Het staat in de inleidende alinea van DTN-14. Het volgt op de constatering dat “de al langer gesignaleerde internationale terroristische dreiging richting Nederland, als gevolg van de film Fitna,” in dit dreigingsbeeld (DTN-14) wordt bevestigd. De film van Wilders ettert al sinds DTN-12 door, maar de moslimwereld heeft er koel op gereageerd. Joustra probeert zo goed en zo kwaad de film te koppelen aan de cartoons van Kurt Westergaard, consequent bestempeld als Deense cartoons alsof de regering van het land ze getekend had. Die koele reactie lijkt niet te passen in het denkkader van een dienst dus moet de spanning opgevoerd blijven. De NCTb erkent wel dat “de film Fitna veel minder in de publieke opinie in islamitische landen” speelt, maar blijft benadrukken dat “juist in jihadistische kringen internationaal het beeld is bevestigd dat ons land, net als bijvoorbeeld Denemarken, een actieve speler” is in de War on Terror. Het is bijna alsof de coördinator eindeloos heeft gezocht naar een blogpost van een moslim die Nederland bedreigd want “lokale autonome netwerken in Nederland zijn de afgelopen periode wederom rustig gebleven.”

Die rustige reactie in de moslimwereld staat in schril contrast met de soms extremistische reacties van de NCTb. Heel scherp is de dienst niet want na een felle campagne tegen het salafisme is deze leer plotseling de bondgenoot: “ook onder Nederlandse politieke salafisten lijkt er meer weerstand te komen tegen al te radicale standpunten.” Die salafisten moeten het echter weer bij weerbaarheid ontgelden want volgens de dienst winnen “gematigde moskeeën steeds meer terrein terug dat ze de afgelopen 20 jaar geleidelijk zijn kwijtgeraakt aan salafisten.” Ze zijn dan niet meer de bondgenoot. Dit is het vierde jaar dat de NCTb dreigingsbeelden schrijft, niet eerder is de historie van de islam in Nederland naar voren gekomen, waar het getal twintig vandaan komt is daarom onduidelijk. Ditzelfde geldt voor de totale verwarring ten aanzien van de echte en de digitale wereld.

In DTN-12 werd er live gepreekt in de provincie en niet in de Randstad. In DTN-13 waren er digitale preken en in DTN-14 is er “sprake van een heropleving van islamistisch radicalisme op het internet, waar eerder een verminderde activiteit werd geconstateerd,” terwijl drie maanden eerder al een opleving op het internet plaatsvond. Misschien is de opmerking van de coördinator te plaatsen in het licht van de NCTb-ontdekking van een “nieuwe radicaal-islamitische website die tweetalig is (Engels en Nederlands).” Helaas is niet te controleren welke website de coördinator heeft bekeken om te zien hoe strafbaar deze site al dan niet is.

Strafbaar werd Irfan Demirtas wel bevonden door Franse rechters. Volgens de NCTb was een internationaal netwerk “gericht op het ondersteunen van de jihad in de traditionele strijdgebieden” opgerold. Het zou gaan om de “Europa-brede faciliteringscel ten behoeve van de Islamic Movement of Uzbekistan (IMU).” IMU stamt uit 1998 en vocht tegen dictator Karimov van Oezbekistan, een man die in 2005 honderden vreedzame demonstranten liet doodschieten, martelt en het land met harde hand overheerst. Na 11 september 2001 werd Karimov belangrijk in de oorlog tegen de terreur en zijn vijanden werden terroristen, zo ook IMU en zijn aanhangers. Irfan Demirtas met acht anderen kreeg tien jaar voor het steunen van IMU met driehonderdduizend euro, zijn advocaten stelden dat het geld voor humanitaire doeleinden was. Voor de coördinator is er weer een slag gewonnen in de oorlog tegen de terreur, welke slag blijft onduidelijk, maar in ieder geval niet een slag tegen onderdrukkende regimes.

DTN-15 / 19 december 2008

DTN-15 laat hetzelfde beeld zien als de voorgaande dreigingsbeelden: “Binnen de meeste netwerken blijft er sprake van een relatieve rust maar enkele individuen tonen nog steeds interesse voor deelname aan de internationale jihad.” Waarom het dreigingsniveau niet wordt verlaagd is onduidelijk. Natuurlijk is er het voorkeursprofiel, maar de dienst lijkt redelijk beheerst te reageren op de arrestatie van Irfan Demirtas in mei 2008 en ook een arrestatie van een 27-jarige Turkse Nederlander in Den Haag. De man had een vuurwapen, twee volle patroonhouders en een geluidsdemper. Ook de vader en moeder van de man worden gearresteerd. De vader had een Tsjechisch halfautomatisch pistool met een zakje munitie onder zijn matras liggen. De NCTb schrijft dat de “persoon was aangehouden in verband met een ambtsbericht van de AIVD, omdat hij in zeer korte tijd was geradicaliseerd en over twee vuurwapens en een geluidsdemper beschikte.”

‘Rechtsgeleerde’ Afshin Ellian brulde in Elsevier van 23 december 2008 dat een Jihadist was opgepakt en dat de Kamer doorslaapt. Zonder de rechtszaak af te wachten weet ‘rechtsgeleerde’ Ellian alles van de verdachten en de zaak. Later worden de verdachten door de rechter voor illegaal wapenbezit veroordeeld. De NCTb schrijft dat “vooralsnog onbekend is wat deze persoon met het wapen wilde doen.” Het klopt dat deze Turkse Nederlander misschien naar Somalië wilde vertrekken, maar het lijkt erop dat de verdachte en zijn groepje van vier andere jongeren bekend was bij alle instanties in Den Haag. Deze genuanceerde berichtgeving over arrestaties is ook terug te vinden ten aanzien van gerechtelijke uitspraken in de Piranhazaak. De coördinator vermeldt netjes de uitspraak en tevens dat “daarmee er nog geen definitief oordeel is gegeven over de uitleg van de daarop betrekking hebbende wetgeving (artikel 140/140a Wetboek van Strafrecht) omdat nog cassatie kan volgen door de advocaten. In een andere zaak, tegen de zogenaamde Hofstadgroep, loopt cassatie van de zijde van het OM.” Hetzelfde geldt voor de nietigverklaring van het “bevriezen van de tegoeden van een persoon en een organisatie die verdacht worden van terrorisme” door de Europese Unie.

De beheerste manier van beschrijven van de arrestaties staat in schril contrast met het roepen over voorkeursdoelwitten, internationaal opererende jihadistische netwerken en andere zaken dat de werkelijke dreiging oppompt zodat de angst gevaarlijker wordt dan de werkelijkheid zelf. Zo schrijft de coördinator in de vierde dreigingsanalyse op rij over Fitna, maar nu alleen over de jihadisten: “De film Fitna, die door jihadisten wordt gezien als een belediging en provocatie, blijft daarvoor de belangrijkste legitimatie.” Dat een groot deel van de moslimwereld de film eigenlijk niet interessant vindt, wordt niet vermeld waardoor de context verdwijnt. Opmerkelijk is ook de opmerking dat “recent op internetsites in islamitische landen ook aandacht is voor de film over de profeet Mohammed, van de lokale politicus Jami.” Waarom Joustra dit vermeldt is onduidelijk, ook de aard van de vermelding, recensie, blogpost of bedreiging wordt niet aangegeven.

De berichtgeving over de films van Wilders en Jami zijn vergelijkbaar met de verhalen over het salafisme in Nederlandse moskeeën. In DTN-14 lijkt het tij na twintig jaar gekeerd, in DTN-15 zijn we weer terug bij af: “Ook zijn soms vanuit deze centra, waar normaal gesproken de afgelopen jaren actief extremistische geluiden worden geweerd, weer radicale geluiden te horen via bijvoorbeeld uitgezonden preken van salafistische predikers in Noord-Afrika.” Aan de andere kant stelt dezelfde coördinator dat “steeds vaker radicale jongeren met jihadistische ideeën de toegang worden geweigerd.” Wat er werkelijk aan de hand is in de radicaliseringskrochten van de Nederlandse samenleving blijft gissen. Volgens de coördinator heeft het weren van radicale jongeren te maken met het beleid van de overheid want door “de uitgebreide aandacht vanuit de overheid zijn de radicaliseringshaarden hun toon gaan matigen.” Aan de andere kant klinken er blijkbaar weer extremistische preken. Die uitgebreide aandacht van de overheid formuleert de coördinator als volgt: “De betrokken overheidsorganisaties zijn: de NCTb, AIVD, Onderwijsinspectie, IND, Belastingdienst, FIOD, het OM, politie en de besturen van de gemeenten waar de haarden zich bevinden.” Let wel: er is hier geen sprake van een overtreding of een strafbaar feit van deze zogenoemde radicaliseringshaarden en in het lijstje van de dienst komt de rechtbank niet voor.

Dezelfde bestuurlijke druk vindt plaats op het internet en op het financiële vlak. De terroristenlijsten en de Oezbeekse connectie van Irfan Demirtas maken dat duidelijk. Geld inzamelen kan niet zomaar. De coördinator schrijft dat ook andere stichtingen eraan moeten geloven: “In 2005 heeft het Kabinet aangekondigd de transparantie van stichtingen te willen verbeteren.” En de controle gaat verder. Sinds DTN-11 staan de “«Passenger Name Records» (PNR)” op de agenda. Eerst waren het de Duitsers en de Amerikanen die de PNR wilden doordrukken. In DTN-15 en toekomstige DTN’s zijn het de Fransen die de druk om tot PNR over te gaan opvoeren. Na de aanslagen op de redactielokalen van Charlie Hebdo in 2015 staan de PNR weer bovenaan de agenda.

Wat PNR precies doen aan de bestrijding van terrorisme is niet meer interessant, door het maar vaak genoeg te herhalen komt de maatregel toch van de grond. Zie hier hetzelfde recept dat gebruikt wordt bij “het programma Cameratoezicht in het openbaar vervoer (CTOV) want dat zou “een impuls aan de beveiliging van de voor terroristische aanslagen meest kwetsbare sector, de openbaar vervoerssector” geven. Iets dat ook een impuls geeft aan de bestrijding is het innig samenwerken met twijfelachtige regimes zoals Marokko en Algerije. Joustra is zo enthousiast over de dictatuur in Algerije dat hij “op 28 en 29 oktober 2008 een bezoek heeft gebracht aan de Raadsadviseur Terrorismebestrijding van de President van Algerije.” De dienst lijkt geen genoeg te krijgen van de samenwerking met dictaturen want in DTN-17 wordt hetzelfde verhaaltje herhaald.

Conclusie DTN 2008

De film van Wilders, Fitna, beheerst de dreiging van 2008, maar welke dreiging kan de coördinator niet duidelijk maken. De moslimgemeenschap reageert namelijk nogal cool op de film die zeker geen bijzondere productie is. Joustra kan het niet uitstaan dat er grote rellen zijn geweest en Nederlandse ambassade s zijn afgebrand. Zijn obsessie met de dreiging gaat zover dat hij bijna teleurgesteld is dat de kern van Al Qa’ida geen speciale aandacht aan Fitna heeft besteed. Opnieuw wordt weer duidelijk dat door het gebrek aan achtergrond en analyse het koppelen van de film van Wilders aan de cartoons van Kurt Westergaard bijna lachwekkend is. Qua medium zijn beide uitingsvormen totaal verschillend en ze hebben ook een andere impact. Zeker in landen van het Midden-Oosten waar een groot deel van de bevolking nog geen internet heeft, is een cartoon een beter propaganda middel dan een film. De koele reactie zal grotendeels met toegang te maken hebben. De coördinator is niet overtuigd en probeert de dreiging nog op te krikken door te stellen dat Nederland en Denemarken regelmatig door elkaar worden gehaald. Dat de Taliban in Afghanistan een aanval hebben uitgevoerd op Nederlandse militairen vanwege de film van Wilders wuift de dienst weg. Het is de enige keer dat de coördinator een claim van een opstandige groep als twijfelachtig bestempeld. De claim past niet in het dreigingsbeeld dus zal die waarschijnlijk niet kloppen. Zo wordt de werkelijkheid aan het schrikbeeld van de dienst aangepast. Een groep mensen die een Oezbeekse verzetsgroep steunden worden gearresteerd en geportretteerd als facilitators van de jihad. Geen woord over Oezbekistan, de mensenrechten daar en het feit dat IMU voor 2001 nog wel op enige positieve aandacht in het westen kon rekenen. Nu zijn het jihadisten en dienen zij het schrikbeeld van de dienst. Bij de arrestaties van mensen die IMU ondersteunen, stelt de dienst zich echter wel beheerster op. Ook al noemt de NCTb niet de situatie in Oezbekistan, de groep wordt niet meteen tot internationaal jihadistisch centrum verheven. Ook de arrestatie van de Turkse Nederlander en zijn ouders wordt beheerst beschreven. Nuance is de dienst blijkbaar niet vreemd, maar als dan bijvoorbeeld de salafisten om de hoek komen kijken, weet de dienst zich geen raad en ontstaat er een verwarrend verhaal van schrikbeelden, dreigementen, toename en afname van invloed van de jihadi’s en blijft het beeld hangen van een angstige wereld.

2009 het theater van de dreiging

DTN-16 / 6 april 2009

Een nieuwe coördinator, maar geen nieuwe analyse. DTN-16 drijft voort op de voorgaande DTN’s, netwerken, voorkeursprofielen, jihadi’s, het palet blijft hetzelfde. De netwerken zijn hetzelfde, al probeert de nieuwe Akerboom zijn eigen accent toe te voegen door te schrijven dat er “een nieuwe ontwikkeling is dat leden van lokale autonome netwerken meer internationale jihadistische contacten aangaan.” Helaas had zijn voorganger Joustra dit ook al een aantal keer gemeld, zelfs drie maanden eerder, alleen in andere bewoordingen: “enkele individuen tonen nog steeds interesse voor deelname aan de internationale jihad.” Om de ontwikkeling als nieuw te bestempelen is ook enigszins vreemd gezien het gehamer van de dienst op een directe link tussen de lokale Nederlandse polderjihadisten en de kern van Al Qa’ida of de internationale jihadisten.

Onder het kopje netwerken wordt ook melding gemaakt van het Ikea complot van 11 maart 2009. Buro Jansen & Janssen schreef over deze politieoperatie het artikel: ‘Meer dan 200.000 professionals doen maar wat tegen terrorisme’. Ondertitel van het artikel is “gebrek aan zelfreflectie leidt tot ondoordacht handelen van politie en inlichtingendiensten met de kans op noodlottige gevolgen.” De nieuwe Akerboom zal niet meer terugkomen op zijn alinea over een zogenaamd voorkomen terrorisme plot. “Ook heeft de politie zeven personen in Amsterdam gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij terroristische activiteiten. Deze personen werden op 13 maart 2009 vrijgelaten. Er zijn geen aanwijzingen dat zij betrokken waren bij een mogelijke terroristische aanslag.

De vermelding van het Ikea-complot en de gebrekkige gevaren analyse van de NCTb tonen veel gelijkenis met de berichtgeving over de demonstraties tegen Israël ten tijde van de operatie Cast Lead in het Palestijnse Gaza. Tijdens deze Israëlische aanval werden tussen de 1,166 en 1,417 Palestijnen gedood en kwamen dertien Israëli (vier door eigen kogels) om het leven. De coördinator schrijft dat “niet kan worden uitgesloten dat de schokkende beelden in de media uit Gaza een extra prikkel kunnen geven aan vooral jonge moslims om te radicaliseren.” Gezien de protesten en de woedende reacties tijdens de demonstratie waren al verschillende mensen heel boos. Toch concludeert de coördinator dat er “geen daaraan gerelateerde gevallen van radicalisering zijn geconstateerd.”

Waarom wordt dit in een dreigingsanalyse opgenomen? Is dat omdat Akerboom als nieuwe coördinator ook “nieuwe ontwikkelingen” moet stimuleren? Hij stelt namelijk dat die radicalisering niet zichtbaar is omdat radicalisering “een langere incubatietijd” heeft. Mensen die leiden aan een angstpsychose zullen altijd een reden vinden om een bedreiging te ontwaren ook als er helemaal niets aan de hand is. Demonstraties en protesten zijn onderdeel van een democratie, de dienst lijkt dat niet te accepteren. Misschien gaat de coördinator te veel om met regimes die wel raad weten met publiek protest?

DTN-17 / 19 juni 2009

Voor publiek protest kan beter het internet worden opgezocht. Iedereen die een leuke clip in elkaar knutselt zal in een DTN terecht komen, want dreigen loont. Zo presenteert de nieuwe Akerboom as-Sahab, de PR-afdeling van Al Qa’ida. De NCTb beschrijft een video waarin “een jihadist aan het woord komt die in het Duits een dreiging uit aan het adres van met name Nederland en Denemarken.” Hoe serieus deze video genomen moet worden of hoe waardevol het verhaal van de Duits sprekende persoon is, wordt niet duidelijk. Volgens de dienst is het gevaar groot want Nederland wordt ook in “andere ‘postings’ op het internet” genoemd. Ziedaar het profiel of beter gezegd het voorkeursprofiel van Nederland, maar “er zijn in de afgelopen rapportageperiode echter geen concrete aanwijzingen voor aanslagen tegen (belangen van) Nederland geconstateerd.” Ook niet in het buitenland dus.

Geen aanwijzingen toch gevaar zit hem in het feit dat Nederland deelneemt aan een oorlog in Afghanistan. Bij oorlog horen slachtoffers, meestal burgers, maar incidenteel ook militairen, Nederlandse militairen. Soms dringt een zekere mate van nuancering door in de dreigingsbeelden. Niet als het gaat over de dreiging zelf, maar eerder over ‘onze tegenstanders’, zoals bij IMU in DTN-14. Bij radicalisering en polarisatie wordt al sinds DTN-5 strijdt geleverd met de salafisten. Zij zouden al twintig jaar moskeeën infiltreren en de moslimwereld overnemen. In DTN-14 probeerde Joustra aan te geven dat niet de salafisten het gevaar zijn maar de ‘radicale jongeren’. Akerboom lijkt de weg van de nuance ten aanzien van salafisme door te zetten: “Dit onderzoek, waarvan de resultaten in maart 2009 zijn verschenen, laat zien dat de meeste bezoekers in meerdere of mindere mate orthodoxe denkbeelden koesteren en de strikte leef- en denktrant aan hun dagelijks bestaan aanpassen. Dit roept het beeld op van differentiatie in de salafistische beweging in Nederland, waar naast onverdraagzame puristen ook veel gelovigen zijn die de leer aanpassen aan hun dagelijks leven in een westerse samenleving.” Aan de andere kant haalt de coördinator om onduidelijke redenen uit naar Hizb ut-Tahrir. Misschien is de organisatie radicaal islamitisch, maar om de club te beschuldigen van polarisatie in het gehele Nederlandse hoger onderwijs klinkt als smaad en opruiing van de dienst. “Dat de studentenvereniging een platform biedt aan de HuT betekent dat deze laatste in potentie de gelegenheid heeft om haar polariserende en activistische boodschap ook in het Nederlandse hoger onderwijs te verspreiden.”

Over de bestrijding van grondwettelijke activiteiten van groepen en mensen schrijft Akerboom net als zijn voorganger Joustra onder de kopjes radicaliseringshaarden (komt vanaf DTN-0 regelmatig ter sprake), CBRN en zelfgemaakte explosieven (zie daarvoor het commentaar bij DTN-9 / 4 juni 2007) en migratie in de breedste zin van het woord. Controle op het internet, migratie, de verkoop van chemicaliën, passagiersgegevens en andere zaken werden gekoppeld aan terrorisme. Bij de internet monitoring is die verbreding goed zichtbaar. De dienst stelt dat “investeringen die zijn gepleegd ter blokkering van radicale uitingen en andere terroristische informatie hebben geleid tot de ontwikkeling van een Notice-and-Take-Down-systematiek op basis van een gedragscode.” Radicale uitingen zijn al verworden tot terrorisme en de notice-and-take-down is al een gedragscode, want “aanbieders van een (telecommunicatie)dienst op internet kunnen een melding voortaan altijd afdoen en zorgen dat onrechtmatige en strafbare content van internet verwijderd wordt.” Blijkbaar bepaalt de dienst wat strafbaar is, want aan een juridische procedure wordt geen woord vuil gemaakt.

Dit schimmige rechtsstatelijk optreden van de coördinator gekoppeld aan zijn nauwe samenwerking met onder andere de Algerijnse dictatuur en samenwerking op Europees niveau met weinig democratische landen als Egypte, Russische Federatie (RF) en Saoedi-Arabië lijkt in schril contrast met “de inzet van Nederland ten behoeve van een resolutie ‘Mensenrechten en het tegengaan van terrorisme’.” Het lijkt over mensenrechten te gaan, maar het gaat om terreurbestrijding als mensenrecht. Dit in combinatie met dictaturen, roept vragen op over het Nederlandse beleid. De radicaal is echter al lang terrorist geworden en de coördinator wil een dissidente tegenstem op welk front dan ook de kop indrukken. Frankrijk gaat de dienst voor. “Frankrijk heeft zijn uiterste best gedaan om het actieplan ook toe te snijden op het tegengaan van radicalisering in andere kringen, bijvoorbeeld: rechtsextremisme, dierenrechtenextremisme, linksradicalisme, of nationalistisch getint extremisme. Op Nederlands aandringen zal in de toekomst extra aandacht worden besteed aan onderzoek naar processen van deradicalisering en, indien mogelijk, aan mogelijk overheidsbeleid om deze processen te doen versnellen.”

En de coördinator kan meteen een succes melden want “de afgelopen rapportageperiode zijn enkele personen aangehouden in verband met de vrijlating van 2.500 nertsen op 15 maart 2009. De arrestaties zijn het eerste resultaat van de geïntensiveerde opsporing en vervolging van dierenrechtenextremisten; een onderdeel van de integrale aanpak zoals die wordt voorgestaan door de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie.” Opmerkelijk dat het incident of de aanslag op 30 april 2009 niet door de coördinator wordt genoemd in de eerste dreigingsanalyse na het drama. Blijkbaar was er volgens de dienst op 30 april 2009 niets aan de hand, althans geen radicalisering, extremisme, jihadisme of terrorisme. Voor Nederlandse begrippen was het ‘incident’ van 30 april 2009 met zeven doden en een dode dader en tevens twaalf gewonden fors, en ook al label je het geen terrorisme, met dreiging heeft het ‘incident’ alles te maken, zeker op een evenement als Koninginnedag.

DTN-18 / 11 september 2009

Zoek de tien verschillen met DTN-17 zou een goede opdracht zijn, want opnieuw zijn er voorkeursdoelwitten, netwerken en andere bedreigingen, maar er is iets geks aan de hand. De coördinator werkt aan een verlaging van het dreigingsniveau, maar hoe doe je dat in een omgeving waar alleen maar reële kansen op aanslagen bestaan? Dit betekent aan de ene kant de dreiging flink oppompen, de voorstelbaarheid van een aanslag neemt dan toe. “Het afgelopen jaar zijn ontwikkelingen gesignaleerd die de voorstelbaarheid van een aanslag in Europa, en daarmee ook in Nederland, bevestigen. Zoals in DTN17 is gemeld, kunnen uit deze gebieden terugkerende jihadisten opdracht krijgen om aanslagen in Europese landen uit te voeren. De voorstelbaarheid van aanslagen op doelen in Europa wordt verder gevoed door arrestaties van jihadisten in andere Europese landen die in het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden.”

Voorstelbaarheid, arrestaties die niet nader worden geanalyseerd en de bevestiging dat “internationale jihadistische groeperingen nog steeds aanslagplannen op doelen in Europa beramen.” Van deze teruggekeerde jihadisten zijn ook voorbeelden: “Eerder in deze samenvatting werd bericht dat Somalië jihadisten aantrekt uit het Westen. Dit lijkt ook te gelden voor Nederlandse jihadisten. Op 24 juli 2009 werden in Kenia vier personen aan de grens met Somalië aangehouden, omdat zij op weg zouden zijn geweest naar een jihadistisch trainingskamp in Somalië. Inmiddels zijn de jongeren vrijgelaten.” Het is allemaal reëel en het lijkt een kwestie van tijd. Aan de andere kant moet de dienst DTN op DTN bevestigen dat er “echter geen concrete aanwijzingen zijn die duiden op mogelijke voorbereidingen voor een aanslag door internationaal opererende jihadistische groeperingen tegen (belangen van) Nederland zijn.” Ook “zijn er momenteel geen indicaties dat lokale autonome netwerken een concrete bedreiging vormen voor Nederland en Nederlandse belangen.” Niets aan de hand dus en om de dreiging daadwerkelijk langzaam te kunnen afbouwen worden de salafisten van stal gehaald, de mannen die de moskeeën in Nederland overnamen de afgelopen twintig jaar. “In mei 2005 (DTN1) werd gemeld dat er signalen waren die duidden op een groeiende salafistische beïnvloeding in Nederland. Deze groei heeft zich enkele jaren doorgezet. Nu lijkt de groei van de salafistische stroming in Nederland te stagneren. De aanwas van lokale jihadistische netwerken lijkt te zijn afgenomen.” Het beleid van de dienst lijkt geen rol van betekenis te hebben gespeeld bij deze ontwikkelingen.

Een passage in DTN-18 is echter niet te plaatsen in de strategie om de dreiging naar beneden bij te stellen in het volgende dreigingsbeeld. De coördinator ziet het bekladden van het gebouw van de Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) als terreurdreiging. Bij Radicalisering en Polarisatie stelt de dienst dat de “Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) wederom doelwit is geweest. Ditmaal zijn bekladdingen op het gebouw aangetroffen die op de aanwezigheid van een bom duidden. De melding is opgeëist door het Animal Liberation Front (ALF), die in een eerder communiqué in maart 2009 dreigde met een grote bom als de WUR haar verantwoordelijkheid niet zou nemen.” De dreiging is volgens de NCTb zo groot dat ook “andere illegale dierenrechtenacties bij supermarkten en een vestiging van McDonald’s” moeten worden vermeld in de terreur uitgave. De coördinator vervolgt zelfs met “incidenten van een legaal karakter, waarbij een enkele keer een schermutseling is ontstaan tussen demonstrerende dierenrechtenactivisten van links- en rechtsextremistische signatuur.” Met moeite krijgt de dienst de woorden manifestatie, demonstratie, legaal protest uit de mond. Toch moet Akerboom erkennen dat de “acties van de dierenrechtenextremisten niet als terroristisch zijn te bestempelen.”

DTN-19 / 15 december 2009

En dan verlaagt Akerboom de dreiging van substantieel naar beperkt. Volgens de dienst heeft deze verlaging twee redenen, een internationale en een nationale. Over de internationale dreiging wordt iets meer gezegd in de internationale analyse, hier de vraag of de nationale dreiging minder is. Wie de DTN’s van de voorgaande jaren doorloopt moet tot de conclusie komen dat er al jaren geen aanwijzingen zijn. Normaal weidt de NCTb niet uit over deze aanwijzingen, maar in DTN-19 stelt zij dat er “bij deze netwerken sprake is van een afgenomen taakgerichtheid.” Met taken bedoelt de dienst “activiteiten die samenhangen met de gewelddadige jihad.” Het vreemde is dat het gebrek aan aanwijzingen, de relatieve rust en de weinige activiteiten al veel langer gaande zijn dan het afgelopen half jaar. Na de Hofstadgroep en de Samir A. groep vertoonden de netwerken al jaren een relatieve rust. Akerboom is een man van de gematigde weg, al zal het taalgebruik van zijn ambtenaren niet veranderen. Bij hem is de dreiging beperkt.

Joustra en Akerboom’s opvolger Schoof zijn rechtse hardliners die van zware dreiging leven. Akerboom lijkt qua dreigingsniveau een softe koers te varen. Hij stelt dat een deel van de verlaging van de dreiging te maken heeft met het feit dat het vijf jaar geleden is dat van Gogh werd vermoord. De coördinator opent daar zijn DTN mee. De moord op van Gogh wordt gepresenteerd als de Nederlandse elf september: “Het besef drong door dat ook Nederland zich niet veilig kon wanen van terroristische dreiging en dat bijzondere inspanningen vereist waren om nieuwe aanslagen te voorkomen.” Daar waar de Amerikanen de Patriot Act aannamen werd in Nederland de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) opgericht en het gehele land ingeschakeld als terrorismebestrijder. “Vele andere diensten en organisaties, maar ook door de oplettendheid van gewone burgers kon nieuw terroristisch onheil tot op heden afgewend worden.”

Probleem is wat alles dat de dienst in vijf jaar beschreef ten aanzien van mensen en groepen die mogelijk een gevaar voor Nederland vormden niet bijster veel is geweest. Knuffelterrorist Samir A. kwam veelvuldig aan bod in de DTN’s, maar na de Hofstadgroep was er eigenlijk geen serieuze dreiging meer. De claim dat “terrorismebestrijding in Nederland dus daadwerkelijk effect heeft gehad,” is nogal overtrokken. Vraag is eerder of de samenleving nog wel kan ontspannen, ademen en ruimte bieden aan een radicaal geluid. Wie vijf jaar later de reactie ziet op een handvol demonstranten met Sjahada-vlaggen, de Zwarte Pietdiscussie en de wijze waarop met demonstraties wordt omgesprongen en tevens de door de dienst weggemoffelde ‘incidenten’ van 30 april 2009, 9 april 2011, en 17 juli 2014 in ogenschouw neemt, kan alleen maar concluderen dat de dreiging en angst zijn vergroot en de analyse en de context nog minder is geworden.

De rest van DTN-19 bestaat uit een herhaling van de argumentatie ten aanzien van de verlaging van het dreigingsniveau en de vertrouwde onderwerpen ten aanzien van een grote verscheidenheid van terreurvelden. Zo passeren het beleid ten aanzien van radicale dan wel terroristische uitingen op het internet, dat door de coördinator het jihadistische internet is gedoopt, migratie maatregelen als grenstoezicht en toezicht op kennismigratie, CBRN-middelen, zelfgemaakte explosieven, cameratoezicht in het openbaar vervoer (CTOV) en de bodyscanners in het kader van de beveiliging van de burgerluchtvaart de revue. De coördinator noemt de aanpak radicaliseringshaarden, de stalking door de overheid van organisaties, niet specifiek, sinds DTN-17 is dit van het menu verdwenen en komt alleen nog even ter sprake in DTN-29.

Nieuw is een speciale paragraaf over “reisbewegingen naar trainingskampen en strijdgebieden.” In voorgaande DTN’s was dit onderdeel van of het internationale deel of het Nederlandse profiel. De aandacht heeft te maken met de arrestatie van vier Nederlandse jongeren in Kenia die waarschijnlijk naar Somalië wilden vertrekken en de arrestatie van een Somaliër op 8 november 2009 op verzoek van de Verenigde Staten. De man, Mahamud Said Omar wordt in 2011 aan de VS uitgeleverd en in 2013 veroordeeld voor ondersteuning van al-Shabaab. Mahamud’s broer twijfelt aan de schuld van zijn broer en denkt dat hij er is ingeluisd. Somalische clanstructuren bieden weinig helderheid ten aanzien van wat er precies is gebeurd, iets dat eind 2010 ook in Nederland duidelijk wordt bij een grote arrestatiegolf van onschuldige burgers.

En dan komt de dienst met de mensenrechtenparagraaf. In DTN-17 waren mensenrechten en terrorisme ook al ter sprake gekomen, maar toen was de illusie nog dat het om het beschermen van mensenrechten ging bij terrorismebestrijding. In DTN-19 maakt de coördinator aan die droom een eind. De dienst rept nog wel iets over de bescherming van mensenrechten bij terreurbestrijding maar het is vooral dat “het bestrijden van terrorisme noodzakelijk is ter bescherming van mensenrechten.” In dezelfde alinea schrijft de coördinator dat Nederland en de dictatuur Algerije een gedeelde visie hebben op radicalisering en dat beide landen werken aan de “integratie van mensenrechten in antiterrorismestrategieën.” Welk standpunt de NCTb heeft ten aanzien van mensenrechten wordt niet duidelijk uit de tekst, maar de samenwerking met de dictatuur Algerije zegt misschien genoeg over dat standpunt.

Conclusie DTN 2009

Een nieuwe coördinator een nieuwe wind? Helaas, met de komst van Akerboom worden er wel nieuwe accenten gesignaleerd, maar in wezen gaat het oude wijn in nieuwe zakken. Akerboom breekt niet met het vertoog van Joustra, ook al heeft Akerboom een andere ambtelijke carrière doorlopen. Zo volgt de beschrijving van het IKEA complot de lijnen van vier jaar dienst. We zijn door het oog van de naald gekropen, een bus vol explosieven was op weg naar Amsterdam, zeven brute arrestaties, Amsterdam Zuidoost ontruimd en afgesloten en niets aan de hand, een telefoontje uit Brussel was genoeg voor een mediahype en zeven getraumatiseerde en gestigmatiseerde terreurslachtoffers. Akerboom heeft zijn plek veroverd in zijn eerste DTN. Toch is duidelijk dat Akerboom een andere coördinator is. Hij zet dan wel de samenwerking met foute regimes voort en timmert verder aan het buiten rechtsstatelijk optreden van de NCTb en zijn aanverwante diensten, Akerboom is wel een politieman die meer gewend is dan de ambtenaren Joustra en Schoof. Enig gevaar is hem niet vreemd en hij komt niet uit de Haagse stolp dus daar waar zijn voorganger en opvolger reële aanslagen en grote spanningen zagen, probeert de nieuwe coördinator langzaam toe te werken naar een verlaging van de dreiging. Dit bereikt Akerboom door in DTN-17 en DTN-18 het gevaar aan te dikken en tegelijkertijd het salafistische gevaar te ontmaskeren. Alleen de dierenrechtenactivisten gooien roet in het eten, ook al worden enkele gearresteerd. Andere mensen blijven actie voeren en demonstreren. Toch gaat het te ver om de dreiging substantieel te houden met een verwijzing naar demonstrerende dierenrechtenactivisten. Akerboom verlaagt dan ook het niveau in het laatste dreigingsbeeld van 2009. Die verlaging is cosmetisch, want de taal zal in de jaren die volgen niet veranderen.

2010 de solistische dreigende dienst weet wel raad met eenlingen

DTN-20 / 7 april 2010

Na de storm van de substantiële dreigingsjaren zou je verwachten dat in de beperkte jaren de toon anders is. Voor een deel is dat zo, maar een vergelijking tussen een substantieel geschreven dreigingsanalyse en een beperkte laat een indruk van eenzelfde angst gevoel achter. De inleiding van DTN-20 draagt de titel kern-DTN20, alsof ook Akerboom zich wil meten aan de kern Al Qa’ida zoals de dienst haar tegenstander pleegt te labelen. In deze inleiding stelt de coördinator dat “de kans op een aanslag tegen Nederlandse belangen wel groter is in enkele landen en regio’s waar aan Al Qa’ida gerelateerde groeperingen opereren.” Nu is dit op twee manieren op te vatten, of het is groter dan in de vorige DTN of het is groter dan elders, bijvoorbeeld Nederland. Dit laatste is een nogal open deur, want geweld is in landen als Pakistan, Afghanistan en Irak veel meer voor de hand liggend dan in Nederland.

Rule of law is in de meeste van die landen geen staande praktijk en westerse inmenging heeft daar ofwel geen verandering in aangebracht ofwel de zaak verergert. Tuurlijk dreiging analyseren is een lastige afweging, maar feiten helpen in ieder geval om inzicht te geven in wat er werkelijk aan de hand is. Een zin als “op internationaal niveau heeft het incident ‘Detroit’ het zicht vergroot op kwetsbaarheden van de complexe keten van terrorismebestrijding en daarmee gepaard gaande beperkingen,” geeft niet alleen geen inzicht in de aard van de dreiging, maar wakkert angst juist aan. Wat is de complexe keten, en hoezo beperkingen van de terreurbestrijding van de dienst? In de internationale analyse wordt het incident ‘Detroit’ verder geanalyseerd. Naast het ‘Detroit-complot’ is er het ‘Deense spotprentencomplot’, wat ook verder geanalyseerd wordt in het internationale deel. De coördinator schrijft er wel over dat het complot de “vasthoudendheid van jihadisten” onderstreept. Hij stelt dat het complot “na een periode van relatieve rust de dreiging vrij ‘onverwacht’” opspeelde, terwijl de Denen al lang op de hoogte waren van de positie en het denken van de dader.

Ook hebben jihadisten “voor westerse begrippen een lange tijdshorizon” en “dit perspectief kan ook voor Nederland relevant zijn.” Wat de relevantie is, schrijft de coördinator niet. De dienst lijkt te willen stellen dat we altijd en overal alert moeten zijn. In wezen stelt Akerboom dat we in een oorlogsgebied leven, met bijbehorende spanning en angst. Hoe dit gekeerd gaat worden, is blijkbaar niet onderdeel van de bestrijding, want het is een complexe keten. Een keten waar Detroit, Denemarken en Nederland direct aan elkaar gekoppeld zijn. De coördinator schrijft dat “na de neergang van terrorisme van eigen bodem in Nederland, er inmiddels sprake is van een toename van home grown-terrorisme van Amerikaanse bodem.” Of de coördinator bedoelt dat de onderbroeken terrorist in Amsterdam is doorgelaten is onduidelijk.

Welk terrorisme in Nederland en de VS de coördinator bedoelt, is ook niet helder. Naast de zelfontbrander en de lone-wolf is er nu de home growner, maar hoe dit te duiden wordt ook niet helder. Akerboom stelt dat “deze verschuiving ook voor Nederland onderstreept dat er ondanks een onveranderd dreigingsniveau wel degelijk belangrijke ontwikkelingen met vergaande implicaties plaatsvinden. Tegelijkertijd gaat hiervan het signaal uit dat dergelijke accentverschuivingen in een voor sociale processen vrij korte periode ook op het dreigingsbeeld kunnen doorwerken.” Belangrijke ontwikkeling, vergaande implicaties, korte periode, de bom staat op ontploffen. En ja hoor, “de laatste tijd is er sprake geweest van een reeks – van elkaar losstaande – incidenten rondom potentiële jihadisten.” Toch is het dreigingsbeeld beperkt. Wat wil de dienst met deze driemaandelijkse prozaïsche dreigingsexercitie?

DTN-21 / 18 juni 2010

Na de complexe keten van terrorisme lijkt de coördinator te begrijpen dat een beperkt dreigingsniveau ook echt beperkt is, hoewel de ambtenaren van de dienst misschien wel vastzitten in hun taalgebruik van de afgelopen jaren. DTN-21 opent met de stelling dat er niets aan de hand is: “Ook ten tijde van dit DTN zijn geen concrete aanwijzingen voor aanslagen tegen Nederland bekend geworden.” Toch moeten we angstig blijven want er zijn “transnationale netwerken” en de dreiging “zou zich vooral kunnen manifesteren via uit trainingskampen of strijdgebieden terugkerende Nederlandse of Europese jihadisten.” Terugkeerders waren er al in 2010 en de dreiging heeft allerlei slagen om de arm, het “zou kunnen” omdat “het risico bestaat dat dreigingen uit deze hoek lang onzichtbaar zijn voor inlichtingen- & veiligheidsdiensten.” Het is eigenlijk vreemd dat de dienst al twee DTN’s stelt dat “lokale netwerken in Nederland zwak en leiderloos” zijn, er geen aanwijzingen zijn dat er aanslagen op de rol staan en dat de dreiging beperkt is, maar wel een dreigingsanalyse schrijven waarbij de indruk ontstaat dat er elk moment een bom kan ontploffen of een gewapende man al schietend de supermarkt in kan rennen.

Zo ontstaan zinnen als: “Er is wel sprake van contacten tussen Nederlandse jihadisten en professionele transnationale jihadistische netwerken elders in de wereld. Op deze wijze kunnen die transnationale netwerken voet aan de grond krijgen in Nederland.” Transnationale netwerken willen voet aan de grond krijgen in Nederland, maar de ‘Nederlandse jihadisten’ willen vooral naar “Afghanistan, Pakistan en Somalië.” Een Nederlander, de in Duitsland opgegroeide Danny R. wordt in Waziristan gedood door Pakistaanse troepen. De coördinator meldt: “Onlangs nog is een jihadist met de Nederlandse nationaliteit, die in Duitsland opgroeide, omgekomen tijdens een vuurgevecht met Pakistaanse troepen in Pakistan.” Verder geen uitleg, want in de oorlog tegen de terreur is er geen wens meer om te begrijpen wat er aan de hand is. Het verhaal van Danny R. lijkt simpel, hij is de tegenstander en nu is hij dood. Hetzelfde simplisme klinkt door in de zin over “de wens van Al Qa’ida in Irak om tijdens het WK Nederlandse en Deense teams of supporters te treffen.”

Dit zou in een niet nader omschreven document staan. Is dit echt of hoe moet dit geanalyseerd worden? Wat is de waarde, wat betekent dit? In een paragraaf boven de Nederlandse dreiging is er veel meer nuance in het verhaal aangebracht: “Op het jihadistische internet werden in de afgelopen periode diverse postings aangetroffen waaruit de belangstelling blijkt van jihadisten om een aanslag te plegen op het WK voetbal 2010 in Zuid-Afrika. Het is niet ongebruikelijk dat jihadisten speculeren over aanslagen op grote Westerse (sport)evenementen. Zo kunnen (sport-)delegaties en supporters van specifieke nationaliteiten worden getroffen en kan de media-aandacht en live-uitzending de impact van een aanslag vergroten. Dergelijke speculaties betekenen niet automatisch dat ook daadwerkelijk aanslagen te verwachten zijn. De inschatting is dat de zelfstandige slagkracht van Al Qa’ida in Irak voor een complexe aanslag in Zuid-Afrika gering is.” Het is als dreigen, trollen, soms zelfs uitgeprint en offline verspreid, maar wat betekent het in werkelijkheid? En wat is die werkelijkheid dan? Van een dienst die een dreigingsbeeld produceert verwacht je een analyse niet een veronderstelling dat er iets kan gebeuren.

De dienst ziet een verstoring van een lezing “van de Nederlandse dichter Benno Barnard” als een daad van terrorisme en vreest tevens voor besmettingsgevaar. “Gebleken is dat Nederlandstalige Belgische salafisten op het internet contact onderhouden met salafisten in Nederland. Dat contact kan in de toekomst mogelijk leiden tot een meer georganiseerd verband van activistisch-salafistische jongeren in Nederland, zoals Sharia4Belgium in België is.” Wat is het gevaar eigenlijk van deze radicale jongeren. Is hun provocatie meteen terrorisme? Vraag is of die hyper aandacht voor verstoringen, veronderstellingen, internetpostings, geruchten, het “project Illegal use of the Internet”, andere wensen/verlangens van mogelijke jihadistische groeperingen van de dienst wel enig nut heeft als basale veiligheidsmaatregelen niet in acht worden genomen. Het drama op 30 april 2009 maakt dit duidelijk en het is ook opvallend dat dit in het eerste DTN na het incident/de aanslag niet genoemd wordt.

In de laatste DTN van 2009 schrijft de dienst: “Zelfs individuen kunnen komen tot blind geweld tegen ons politieke en maatschappelijke bestel, zoals op Koninginnedag maar al te pijnlijk duidelijk is geworden. Er is dus alle reden om waakzaam te blijven.” Tot een diepere analyse komt de coördinator niet, uiteindelijk zal er een eenlingenbeleid worden ontwikkeld, maar dat zal eerder dreigingsverhogend zijn dan daadwerkelijk iets oplossen. In DTN-21 meldt de NCTb dat de viering in 2010 goed is verlopen en dat de “Coördinator Bewaken en Beveiligen aan het lokaal bevoegd gezag advies heeft gegeven.” De indruk bestaat dat de NCTb na het drama van 2009 is benaderd om het allemaal beter te coördineren want dat is haar taak.

Dit is echter vreemd aangezien vanaf DTN-0, het nulnummer van de dreigingsbode van de dienst, de coördinator het al over bewaken en beveiligen heeft. Het onderwerp komt terug in DTN-0, DTN-1, DTN-5, DTN-7, DTN-9, DTN-11, DTN-13, DTN-15, DTN-17, DTN-19 (alle voortgangsrapportages terrorismebestrijding), alsof de dienst wil zeggen dat papier geduldig is. Resultaat van dit ‘bewaken en beveiligen’ van de dienst is dat tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam op 4 mei 2010 iemand met een schreeuw een nationale paniek kan ontketenen, om vervolgens behandeld te worden als de grootste terrorist met bijgaand lang voorarrest en straf. En ondanks alle dreigingstaal en grote gevaren in de wereld van de jihad wandelt Alberto Stegeman opnieuw met een fles explosieve vloeistof Schiphol binnen. Twee jaar eerder had hij dat ook al gedaan en opnieuw houdt de dienst de “procedures voor de beveiliging op Schiphol tegen het licht.” Wie alleen naar de jihadisten kijkt en die groter maakt dan zij in werkelijkheid zijn, creëert angst voor de duivel en minacht basale veiligheid van burgers.

DTN-22 / 13 september 2010

De constructie van het dreigingsbeeld is een ideologische onderneming die twee elementen omvat. Ten eerste is er het bestempelen van bepaalde zaken als dreiging en andere niet en daarnaast is het een taalkundige exercitie. De dienst presenteert dreiging als een wetenschappelijke afweging, maar keuze van onderwerpen, woorden en het constante gebruik van de voorstelbaarheidsthese erodeert waarheid en vervormt de DTN’s tot oorlogspropaganda. DTN-22 stelt bijvoorbeeld in de derde zin dat “het profiel van Nederland nog steeds blijft passen in het internationale jihadistische vijandbeeld,” alsof Nederland een neutrale, onpartijdige entiteit is. De vijfde zin schakelt over op de creatie van een onzekere wereld, met onzekere dreiging en onzekere afloop: “Het gist steeds meer in een breed scala aan landen, waardoor het dreigingsbeeld diffuser is geworden.” Er is zelfs geen specifiek land te noemen. De inleiding vervolgt met de ideologie van Al Qa’ida en de belangen van het westen, als zou de ideologische strijd eenzijdig zijn. Heel langzaam zijn we de wereld van Tolkien in gewandeld waar de Hobbit (Nederland) strijdt tegen binnenlandse netwerken die helaas “leiderloos en weinig doelgericht zijn” waardoor ze geen bedreiging vormen en “transnationale netwerken” die Nederland “een aantrekkelijk en legitiem doelwit” vinden, maar onbestendig en diffuus zijn waardoor er ook niets gebeurd.

Regelmatig worden in de DTN’s de nar van de vrijheid van meningsuiting, Geert Wilders, opgevoerd. Ook nu weer met onder andere zijn voornemen “om Jordanië voortaan Palestina te noemen” en zijn voornemen om “op 11 september 2010 tegen de vestiging van een islamitisch cultureel centrum en moskee nabij «Ground Zero» in New York” te spreken. De wereld wordt geportretteerd als het rijk tussen goed en kwaad. De Nederlandse werkelijkheid met haar nar en de jihadistische wereld van massa’s die “op een bekende jihadistische website” Wilders bespreken zonder “concrete bedreigingen tegen Nederland of tegen de PVV-leider.” Er klinkt enige teleurstelling in de tekst door, maar “de PVV-leider en Hirsi Ali worden wel genoemd in een «hitlist» van personen in het jihadistische internetmagazine Inspire met de kop «The dust will never settle down», vergezeld van de afbeelding van een pistool.” Het intro van de nieuwe eindeloze serie van Peter Jackson eindigt een beetje onverwacht in een genuanceerde scene waarbij een ‘terugkeerder’ toch niet aan alle verwachtingen voldoet: “Tot nu toe zijn er in Nederland slechts in zeer beperkte mate «terugkeerders» gesignaleerd. Daarnaast is het niet zo dat iedere terugkeerder ook een dreiging vormt.” De spanning daalt verder naar een dieptepunt als “twee nieuwe Nederlandse jihadistische sites qua inhoud en vorm niet veel af wijken van reeds bestaande.” Opnieuw trachten ze “de jihadistische ideologie te verspreiden” en gaat het om “klassieke strijdgebieden” en niet om “Nederland (of België),” schijnbaar de stille hoop van de coördinator.

Gelukkig kan de coördinator onder het kopje ‘gewelddadige radicalisering en polarisatie’ enkele alarmerende rapporten aanhalen over de voedingsbodem die onder “Somalische, Pakistaanse, Koerdische en Molukse bevolkingsgroepen in Nederland voor radicalisering bestaat, wat bij enkelen zou kunnen uitmonden in extremisme.” Een van de onderzoeken die de coördinator als basis gebruikt voor deze stelling is een verkennend onderzoek, ‘Voedingsbodem voor radicalisering bij kleine etnische minderheden in Nederland’, dat tot conclusies is gekomen via een literatuurstudie en een niet representatieve steekproef “om zogezegd het percentage geradicaliseerde personen vast te stellen.” De dienst presenteert het onderzoek als wetenschappelijk. Tot DTN-22 werd er gesproken van “radicalisering en polarisatie”, vanaf september 2010 is het “gewelddadige radicalisering en polarisatie.” Volgens de NCTb kan een “potentieel »trigger event»” voor die gewelddadige radicalisering en polarisatie “de Israëlische militaire actie tegen een Turks schip met goederen voor Gaza” zijn. De dienst is beducht voor een aanslag want dit “leidde tot heftige reacties op het internet, maar “nog niet tot geweld.” Akerboom vergat te vermelden dat Israël het Turkse schip Mavi Marmara in internationale wateren enterde en dat daarbij negen opvarenden door de Israëlische militairen werden vermoord. Gewelddadige radicalisering in de eigen Hobbit wereld. Het extremisme heeft zich bij de dienst verdiept.

DTN-23 / 17 december 2010

In de internationale analyse wordt dieper ingegaan op het Stockholm plot, de bompakketten en andere volgens de coördinator “jihadistische intenties of voornemens om westerse doelen te treffen.” De dienst spreekt ook over een “decor van diverse, soms verwarrende berichten over terroristische dreiging tegen diverse Europese landen.” Een decor waar de NCTb blijkbaar figurant in is of deels meeschrijft aan dreigingsscenario’s, want volgens de dienst zorgen die verwarrende berichten ervoor dat “het Nederlandse dreigingsbeeld zorgelijk is.” Dit lijkt vooral door “de herfsteditie” van Inspire te komen, “het Engelstalige jihadistische webmagazine” waarin “Nederland enkele malen is genoemd als potentieel doelwit van een aanslag, door de leiders van zowel de Pakistaanse als de Afghaanse Tabilan.” Waarschijnlijk bedoelt de coördinator de Taliban, maar in het licht van de Hobbit is het een mooie verschrijving.

Inspire interviewt Wali ur Rehman, een leider van de Pakistaanse Taliban (Tehrik-i-Taliban Pakistan, TTP), die zegt Nederland “met prioriteit ‘een lesje te leren’” waarbij prioriteit niet tussen aanhalingstekens is geplaatst en lesje leren wel. Dat Wali ur Rehman niet echt haast maakt met het lesje leren blijkt uit het feit dat er “geen aanwijzingen zijn dat de TTP voorbereidingen treft voor een aanslag tegen Nederland of Nederlandse belangen.” Waarom de coördinator het Nederlandse publiek op dit interview wijst is onduidelijk. Ook een interview met een woordvoerder van de Afghaanse Taliban, Zabiullah Mujahid, in de Volkskrant passeert de revue. In de inleiding van het DTN was Inspire nog de bron, bij dreiging tegen Nederland is de Volkskrant de bron. Zabiullah Mujahid waarschuwt Nederland en “indien Wilders erin zou slagen het parlement te manipuleren tot het aannemen van “meer anti-islamitische wetgeving” zou Nederland in aanmerking komen voor een aanslag,” zou de woordvoerder hebben gezegd.

Het blijkt allemaal wat minder spontaan dan in eerste instantie is gepresenteerd, want “Mujahid werd expliciet naar zijn mening over Nederland gevraagd en kwam dus niet spontaan tot zijn waarschuwing.” Vraag is ook of de woordvoerder weet waar Nederland ligt, daar was in het verleden verwarring over, en tevens zijn er “geen indicaties die wijzen op voorbereidingen van een aanslag tegen Nederland of zijn belangen in het buitenland.” Deze twee interviews vullen de paragraaf ‘Nederland als doelwit genoemd’. Of beide heren ook daadwerkelijk enigszins belangrijk zijn in beide bewegingen en in het verleden uitspraken hebben gedaan die van belang waren, wordt niet geanalyseerd. Waarom de Taliban wordt opgevoerd als mogelijke bedreiging terwijl Nederland zich juist heeft teruggetrokken uit Afghanistan is een bewijs voor de “voor westerse begrippen lange tijdshorizon” van de jihadisten zoals door Akerboom in DTN-20 is uitgelegd.

De horizon van de dienst is niet al te lang. Drie maanden eerder schreef hij over het gevaar van radicalisering bij Molukse gemeenschappen, maar of die degenen zijn die terroriseren is de grote vraag. In DTN-23 beschrijft de dienst “bekladding, vernieling, brandstichting en met een vuurwapen op een moskeedeur schieten bij diverse gebedshuizen in Nederland (Molukse kerken, enkele moskeeën) waarbij niet kan worden vastgesteld of ideologische overwegingen een rol spelen.” En dit vernauwde bewustzijn van de NCTb herhaalt zich bij de paragraaf weerstand. Plots omarmen de dienst en haar evenknie de AIVD het Salafisme. “De studie bevestigt de visie van AIVD en NCTb, dat de salafistische gemeenschap in Nederland geen voedingsbodem voor jihadistisch terrorisme vormt,” terwijl de dienst tot zeker DTN-17 moord en brand schreeuwde en overal salafisten zag die moskeeën overnamen en radicaliseerden.

Zonder de salafisten en de leiderloze nationale netwerken moet de coördinator op zoek naar nieuwe bronnen van polarisatie en de rechter bedient hem op zijn wenken. “Verder werd de Arabisch-Europese Liga (AEL) in augustus 2010 in hoger beroep veroordeeld voor het publiceren van een cartoon die suggereert dat de Holocaust een joods verzinsel is. De veroordeling leidde tot verongelijkte reacties bij onder andere AEL zelf en de Hizb ut-Tahrir (HuT). In dezelfde periode besliste het Openbaar Ministerie om niet over te gaan tot vervolging van de cartoonist Gregorius Nekschot wegens discriminatie. AEL en HuT, maar ook veel anderen, getuige reacties op internet, zien hierin ongelijke behandeling en discriminatie van moslims.” Verongelijkte reacties en opmerkingen over discriminatie zijn geen polarisatie, ook al wil de dienst dit graag zo labelen. Het zijn eerder tekenen van een groeiend extremisme bij de dienst, een onvrede over mensen die zich kritisch opstellen ten aanzien van de Nederlandse staat.

Bij gebrek aan ‘echte terroristen en terreurgroepen’ die allemaal worden vrijgesproken (de Irakese Nederlander Wesam al Delaema, de jongeren die op weg waren naar Somalië, Stichting Al Aqsa), richt de dienst zich op de eenlingen. Die krachtmeting kan de coördinator gemakkelijk aan. Na 30 april 2009 en 4 mei 2010 volgde nog de waxinelichthoudergooier Erwin Lensink tijdens Prinsjesdag op 21 september 2010. Los van de zeer zware maatregelen van voorarrest, psychiatrisch onderzoek en andere justitiële medische maatregelen die de eenlingterroristen te verduren kregen, tuigen de coördinator en aanverwante diensten een scala van maatregelen op. “Derhalve is onlangs het project Solistische Dreigers gestart. Zo zal ten eerste vóór 1 januari 2011 binnen het KLPD een pilotteam Solistische Dreigers zijn opgestart. Er wordt wetenschappelijk onderzoek geïnitieerd naar de wijze waarop ongekende dreigers aanslagen plegen en de mogelijkheden van vroege signalering. En er wordt onderzocht of het mogelijk is de zogenaamde – vaak jongere – ‘straattaaldreigers’ door middel van een voorlichtings- en bewustwordings-campagne te ontmoedigen.”

In DTN-24 wordt het solistische dreigers-frame meteen toegepast in het terreurbeeld. Nadat in Tuscon (Arizona, de Verenigde Staten) op 8 januari 2011 een schietpartij plaats vindt, “waarbij een 22-jarige man een congreslid door het hoofd schoot, zes omstanders doodde en nog eens dertien mensen verwondde, zijn ook de Verenigde Staten weer eens pijnlijk geconfronteerd met het verschijnsel van de ‘solistische dreiger’. De dienst weet wel raad met deze eenlingterroristen en stelt dat “systeemhaat, in combinatie met een geloof in samenzweringingstheorieën, persoonlijke stoornissen of traumatische ervaringen” de oorzaken zijn. Amerika kent echter een traditie van al dan niet willekeurige schietpartijen waarvan het bloedbad op de Columbine High School van 20 april 1999 misschien wel de bekendste is.

Met de focus van de terreurdienst zelf is het vervolgens zelf slecht gesteld want, na Koninginnedag, dodenherdenking en Prinsjesdag, volgt de winkelcentrumslachting van een solistische dreiger op 9 april 2011 in Alphen aan de Rijn. De dienst rept er met geen woord over. In het eerste DTN na het drama in Alphen aan de Rijn schrijft de coördinator dat “Koninginnedag dit jaar weer veilig en bovenal feestelijk is verlopen” en dat de dienst alleen maar “personen van de limitatieve lijst” beschermd. “Nationale evenementen zijn evenementen die worden bezocht door personen van de limitatieve lijst én waarbij het nationale belang centraal staat én het karakter van het evenement een specifieke of verhoogde druk op de bewaking en beveiliging kan geven” oftewel “Koninginnedag (daar waar de koning is), de Nationale Herdenking, Veteranendag en Prinsjesdag.” De mensen die werden vermoord bij het drama van Alphen aan de Rijn stonden niet op de “limitatieve lijst” en waren dus niet belangrijk genoeg voor de dienst NCTb.

Conclusie DTN 2010

Een verlaagd dreigingsniveau wil niet zeggen een rustiger vaarwater. De elementen van een gespannen dienst blijven in het DTN hangen. Kern Al Qa’ida is er nog steeds en ook de complexe keten van terrorismebestrijding. Welke gevaarlijker is maakt de coördinator niet duidelijk, maar de complexe keten heeft in DTN-20 meer ellende aangericht dan de kern. Detroit, de onderbroekenbommenman, zou een voorbeeld zijn van de kwetsbaarheden van de keten, maar wie het spoor van Umar Farouk Abdulmutallab volgt kan alleen maar concluderen dat de man een knalrood T-shirt aan had met de tekst: ‘Ik ben een terrorist en ga zo een aanslag plegen.’ Ditzelfde geldt voor de heer Geele in Denemarken gezien de uitgebreide voorkennis van de Deense inlichtingendienst. Vraag is dan of het om kwetsbaarheden gaat of om het in gevaar brengen van de bevolking. En dat brengt weer 30 april 2009 in herinnering, een ‘incident’ dat in de dreigingsbode niet ter sprake komt, al worden Karst Tates en later de Alphense schutter, de theelicht houdergooier en de damschreeuwer wel gebruikt voor een nieuw programma ten aanzien van de solistische dreigers waar natuurlijk bierflessengooier jakhals Erik van DWDD niet bij hoort. En die eenlingterroristen of solistische dreigers moeten worden aangepakt door een “pilotteam solistische dreigers” dat “vóór 1 januari 2011” moet zijn opgestart. Drie maanden later slaat Tristan van der Vlis hard toe in Alphen aan de Rijn en toont eens te meer aan dat mensen indelen in eenlingterroristen, jihadistische netwerken en radicale moslims uitmondt in meer dreiging, meer angst en meer gevaar en niet in meer veiligheid. Basale procedures en meer transparantie hadden meer voor de veiligheid gedaan in Alphen dan een dienst. De eenlingen, netwerken, moslims en anderen zijn voorbeelden van de drang van de NCTb om de wereld in te delen in een goed en slecht deel. De dienst gaat zo ver in die bipolaire benadering dat zelfs ‘wetenschappelijk’ onderzoek wordt gepresenteerd over vermeende radicalisering van diverse bevolkingsgroepen zoals Somalische, Pakistaanse, Koerdische en Molukse Nederlanders (DTN-22). Onderzoek dat gebaseerd is op een literatuurstudie en een niet representatieve steekproef. Uiteindelijk blijft van het onderzoek weinig heel, maar het leed dat de diverse bevolkingsgroepen is aangedaan is al geschied. Dit leed is tweeledig, ten eerste wordt geïnsinueerd dat de bevolkingsgroepen aan het radicaliseren zijn en daar blijkbaar niets tegen doen. Ten tweede werd de Molukse gemeenschap in DTN-23 getroffen door “bekladding, vernieling, brandstichting en schoten op de deur.” Die ‘incidenten’ passen weer in het frame van de polarisatie van de dienst en bevestigen indirect de radicalisering van de Molukse gemeenschap. Zo draagt de terreurcoördinator bij aan de ontwrichting van de samenleving, terwijl zowel het ‘wetenschappelijk’ onderzoek als de terreurbode twijfelachtige documenten zijn. De dienst lijkt er niet om te malen. Zorgvuldig afgewogen analyse is niet aan de terreurdienst besteed.

2011 ambtenaartje in lala dreigingsland

DTN-24 / 18 maart 2011

Door alle oorlogstaal van de dienst sneeuwt het dreigingsniveau onder. Het lijkt substantieel, maar dat is alleen de gevoelsdreiging, in werkelijkheid houdt de coördinator het op beperkt. Zo start de coördinator DTN-24 met “die zorgelijke ontwikkelingen.” Dit zijn berichten op het internet en arrestaties in Europa want er is “geringe dreiging van binnenlandse jihadistische netwerken.” Het is elke keer onduidelijk of die netwerken er überhaupt zijn. Op de Europese arrestaties wordt in de internationale analyse ingegaan. Of Nederland nu actief is in Afghanistan of niet, “afnemende militaire betrokkenheid in Afghanistan en de politiemissie in Afghanistan dragen bij aan het internationale profiel van Nederland.” Dit komt tot uitdrukking in het media optreden van bijvoorbeeld de woordvoerder van de Afghaanse Taliban, die zou zich “in december en januari driemaal tot Nederland gericht” hebben. Dit is waarschijnlijk Zabiullah Mujahid die door de Volkskrant is geïnterviewd. Wat de woordvoerder naast het Volkskrant interview heeft gezegd is onduidelijk. Daarnaast haalt de dienst twee niet nadere genoemde individuen aan die op “een prominente Arabischtalige jihadistische website een posting hebben geplaatst waarin onder andere Nederland wordt genoemd als legitiem doelwit voor jihadisten.” Een analyse van de waarde van de postings geeft de coördinator niet en hij vertelt ook niet hoe serieus de dreigementen genomen moeten worden.

Die postings en de jihadisering van het internet baren de coördinator al jaren zorg. In DTN-24 stelt hij: “De rol van het internet vormt al jaren een belangrijke dimensie van de jihadistische dreiging. Het internet is immers een cruciaal middel voor jihadisten.” Accounts bij Facebook, Youtube en andere internetmultinationals worden door de coördinator gekoppeld aan “de geest van het jihadistische discours op het internet.” Die jihadisering was ook geconstateerd bij Somalische Nederlanders in DTN-22 (september 2010) en wordt in DTN-24 bevestigd door een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek: “De uitkomsten bevestigen het beeld van een voedingsbodem voor radicalisering.” Het lijkt even of de Somalische gemeenschap op ontploffen staat als op 24 december 2010 “twaalf personen van Somalische afkomst” worden gearresteerd. De eigenaar van een belwinkel ziet voor zijn ogen dat zijn winkel door het arrestatieteam aan stukken wordt geslagen alsof het hooligans van de overheid zijn. Volgens de coördinator zouden er aanwijzingen zijn dat er op 24 of 25 december 2010 een aanslag gepleegd zou gaan worden.

De AIVD had op basis van een anonieme tip een ambtsbericht getypt en het openbaar ministerie en politie arresteerden vervolgens mensen die werden verdacht van terrorisme. Het doet allemaal denken aan vele voorgaande voorbeelden zoals het Ikea plot op 12 maart 2009 (zeven mensen gearresteerd, een dag cel) of het Rotterdamse complot van juli 2005 (vijf volwassenen en een kind gearresteerd, zes dagen cel). De Somalisch Nederlandse hype die begon met een verkennend onderzoek, een zorgelijk rapport, een brute inval en arrestaties eindigde in DTN-26. Daarna keerden de geradicaliseerde Somalische Nederlanders niet meer terug in de dreigingsanalyses, de hype was over. De dienst drijft op hypes zoals de hedendaagse journalistiek van een flinke hype houdt.

En Wilders en andere parlementariërs bedienen de coördinator op zijn wenken. “Het publieke en politieke debat over kwesties als integratie, immigratie en islam kende ook in de afgelopen periode op verschillende momenten scherpe kanten. Een terugkerend thema daarbij is het verbod op gelaatsbedekkende kleding, in de volksmond het ‘boerkaverbod’ genoemd.” Volgens de NCTb is het een “gevoelig thema”. Niet voor politici, opiniemakers of de dienst zelf, maar voor “jihadistische personen en organisaties.” Volgens de coördinator schuwden jihadisten in Frankrijk “foutieve voorstellingen, manipulatie en opruiing niet.” Politici, opiniemakers of de dienst zelf maakten zich daar natuurlijk niet schuldig aan. Zoals bij de groep Shariah4Holland. De groep is nog maar net opgericht of de coördinator neemt ze op in zijn terreurbode: “Op 13 december 2010 werd op het internet ‘Shariah4Holland’ gelanceerd.” Zeker geen “foutieve voorstellingen, manipulatie en opruiing” van de dienst, alleen roept de “groep niet op tot gewelddadige activiteiten.” Waarom wordt de groep dan toch aangemerkt als terroristische organisatie?

DTN-25 / 17 juni 2011

Na ruim zes jaar dreigingsbeelden is er geen weg meer terug. Nu plots schrijven dat het beeld groen is en dat er geen dreiging meer bestaat, is ongeloofwaardig. Het is vooral ongeloofwaardig omdat de coördinator zelf de dreiging keer op keer opkrikt, terwijl de gepresenteerde feiten slechts aangeven dat er in wezen niets aan de hand is. Want keer op keer is de dreiging van de al dan niet bestaande jihadistische netwerken in Nederland gering. Wat overblijft, is een soort lala dreigingsland, waar het natuurlijk altijd gevaarlijker kan zijn en er meer maatregelen moeten worden genomen, maar waar teruggaan niet meer mogelijk is. Nederland is in DTN-25 daarom niet meer een ‘voorkeursdoelwit’ maar een “gelegenheidsdoelwit.” “Het besluit om een politiemissie naar de Afghaanse provincie Kunduz te sturen zou ertoe kunnen leiden dat in ieder geval Nederlandse belangen in Afghanistan explicieter in beeld komen als gelegenheidsdoelwit.” Wat precies de definitie van gelegenheidsdoelwit is, maakt de coördinator niet duidelijk, maar het klinkt als een drive-by shooting. De aanslagpleger is onderweg naar Parijs en pakt terloops Rotterdam er nog even bij. Of dit een positieve ontwikkeling is, wordt niet duidelijk. Voorkeursdoelwit lijkt beter omdat de gelegenheid zich altijd voor kan doen en de voorkeur waarschijnlijk niet, maar de dienst gaat verder niet in op het onderscheid. Voorkeur of gelegenheid, beide doelen zijn blijkbaar legitiem voor de jihadisten.

Voorkeursdoelwit van de dienst was lange tijd het salafisme, maar sinds DTN-23 niet meer. In DTN-25 is de Moslimbroederschap het gelegenheidsdoelwit: “Op langere termijn vormt de broederschap mogelijk wel een bedreiging van de democratische rechtsorde.” Na DTN-25 komt de Moslimbroederschap niet meer terug tot in DTN-37. De coördinator houdt ook van gelegenheidsargumenten met als voorkeursdoelwit meer controle en registratie, vandaar dat hij sinds DTN-23 naast terroristen ook criminelen noemt bij “de (zelfgemaakte) explosieven”(haakjes van de overheid). De coördinator stelt dat dat “terroristische en andere criminele organisaties de potentie en onverminderde intentie hebben om explosieven in te zetten. Bij vrijwel alle terroristische aanslagen in West-Europa is gebruik gemaakt van zelfgemaakte explosieven.” Bij de Madridaanslagen werd echter regulier dynamiet gebruikt, geleverd door een informant van de overheid. Bij London werden volgens de minimale informatie die er over de aanslagen beschikbaar is ook reguliere explosieven gebruikt. Daarnaast waren er allerlei exotische pogingen die mislukten, maar alleen Anders Breivik was in staat om genoeg kunstmest met nitraatzouten en benzine te verzamelen om een effectieve bom te bouwen. Bij veel maatregelen vindt dezelfde stoelendans rond het voorkeursdoelwit van de dienst plaats. Of het nu gaat om (zelfgemaakte) explosieven, financiën/witwassen, internetsurveillance en afsluiting (Notice and Takedown), of registratie van passagiersgegevens keer op keer wordt eerst gesteld dat de maatregelen nodig zijn voor de bestrijding van terrorisme maar gaandeweg gaat het niet meer om terrorisme maar om criminaliteit en weer later om geweldplegers en of radicale of dissidente groepen. Zo kwam het onderwerp van de Passenger Name Records (PNR) in DTN-11 op de agenda. In DTN-15 en DTN-17 werd expliciet terrorismebestrijding vermeld. In DTN21 sprak de Nederlandse overheid nog over “doelbinding, proportionaliteit en privacy van de reiziger.” In DTN-25 is het al opgerekt tot “het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en zware criminaliteit (EU PNR).”

DTN-26 / 3 oktober 2011

De obsessie van de dienst met radicalisme, extremisme en vooral jihadisme leidt tot bizarre dreigingsbeelden. In DTN-26 van 3 oktober 2011 stelt de coördinator dat “de aanslagen in Noorwegen laten zien dat de binnenlandse terroristische dreiging in westerse landen niet alleen wordt bepaald door jihadistisch terrorisme.” Alles wordt langs de jihadistische meetlat gelegd. Er is jihadistisch terrorisme en “niet-jihadistisch terrorisme,” zoals Akerboom Breivik definieert. En dan is er Alphen aan de Rijn, iets dat de coördinator over het hoofd heeft gezien en niet in zijn dreigingsbeeld heeft opgenomen, want dat past blijkbaar niet in het volledig gedichotomiseerde samenlevingsbeeld van de dienst. Bij die tweedeling is Breivik ook een lastige persoon want in principe is er de jihadistische wereld en ‘onze wereld’. Gelukkig kan Breivik wordt gedetermineerd als een “geradicaliseerde eenling”, een “verwarde eenling” of een persoon die uit is op “zijn’15 minutes of fame’.” Dader Tristan van der Vlis past zeker niet in deze wereld van de NCTV, dus wordt hij weggelaten en keert slechts een keer terug als een soort voetnoot in DTN-28.

Akerboom beert de jihadistische wereld en de Breivik wereld te laten versmelten. De jihadi’s willen naar jihadistische terreinen om te trainen. Zij zijn al radicaal en terrorist. “Nederlandse jihadisten of in Nederland wonende jihadisten blijven pogingen doen uit te reizen naar jihadistische strijdgebieden. Slechts een enkeling slaagt erin het gewenste strijdgebied te bereiken en aansluiting te vinden bij jihadistische structuren.” Zij zien Nederland als een “legitiem doelwit”. De coördinator is wel anders over de vele postings gaan denken: “Hoewel deze postings het profiel in jihadistische kringen van Nederland als vijand van de islam versterken, moeten zij vooral gezien worden als een manier om angst aan te jagen bij westerlingen.” Akerboom is echter wel blij want “de postings versterken het profiel van Nederland in het algemeen en de PVV-fractievoorzitter in het bijzonder als vijanden van de islam,” de oorlog tegen de terreur woedt gelukkig verder. Breivik onderstreept voor de dienst “ook nog eens de dreiging die kan uitgaan van geradicaliseerde eenlingen.” De dienst gebruikt niet de term extreemrechts voor Breivik, “overigens kan Breivik niet worden gekarakteriseerd als een ‘klassieke’ rechtsextremist,” ook geen woord over de toenemende polarisatie die ook door de dienst wordt aangewakkerd. Nee, de woordenschat bestaat uit “geradicaliseerde”, “verwarde”, en de analyse is simpel. “De terroristische aanslagen in Noorwegen leidden in Nederland, maar ook daarbuiten, tot een debat over in hoeverre het maatschappelijk klimaat heeft bijgedragen aan de daden van Breivik,” schrijft de coördinator als analyse en dat op “dit moment in Nederland geen concrete aanwijzingen” zijn maar het “kan echter niet worden uitgesloten dat de ideeën en daden van Breivik een inspiratie kunnen zijn voor gefixeerde dan wel verwarde eenlingen.”

Naast de jihadisten en de niet-jihadisten als Breivik heb je mensen die gebruik maken van hun democratisch recht op vrijheid van meningsuiting, manifestatie en vergadering. Zo zijn er mensen die zich inzetten voor dierenrechten, door de dienst gelabeld als “dierenrechtenextremisten”. Zij hebben de “aandacht getrokken met acties tegen de KLM, omdat deze volgens de dierenrechtenextremisten samen met partner Air France betrokken zou zijn bij het vervoeren van apen ten behoeve van de dierproefindustrie.” Niet de dienst wil aandacht, maar de dierenrechtenactivisten, en er is volgens de NCTV helemaal niets mis met proefdieren want volgens extremisten vervoeren KLM en Air France proefdieren, en extremisten zijn per definitie fout en KLM en Air France zijn gewoon goed bezig. Ook vindt de coördinator het schandalig dat er “videobeelden, die heimelijk zijn gemaakt, zijn gepubliceerd van vermeende misstanden in Nederlandse varkenshouderijen.” De misstanden zijn “vermeend” en de videobeelden “heimelijk,” allemaal zeer terroristisch volgens het denken van de dienst.

Naast de mensen die zich inzetten voor dierenrechten zijn er ook de mensen die zich inzetten voor vluchtelingen. Zij zijn de “asielrechtenactivisten en –extremisten” die “zich wederom richtten op bouwbedrijf BAM.” BAM bouwt gevangenissen voor vluchtelingen en in het verleden hebben mensen gedemonstreerd tegen BAM en zijn er enkele vernielingen aan bouwplaatsen geweest. Volgens de coördinator zijn die vernielingen door “asielrechtenactivisten en –extremisten” gepleegd, want zij gebruiken “extremistische methoden, zoals vernielingen.” In DTN-27 zijn die “extremistische methoden” al uitgebreid tot “incidenten met een extremistisch karakter, zoals (kleinschalige) brandstichtingen” die de dienst noemt in het kader van “bijeenkomsten en openbare uitingen zoals (lawaai-)demonstraties.” Tot slot zijn er nog mensen die demonstreren en volgens de politie “verharden” die demonstraties. De dienst wijdt er niet verder over uit, maar “het KLPD constateert dat de tegendemonstraties van linksextremistische actievoerders tegen rechtsextremistische demonstraties verharden en een toenemend gewelddadig karakter krijgen.” Iedereen die aandacht trekt, protesteert, zaken aan de schandpaal nagelt ofdemonstreert is extremist in de ogen van de dienst. De woorden grondwettelijke rechten en mensenrechten staan niet in het vocabulaire van de extremistische dienst NCTV.

DTN-27 / 12 december 2011

Postings op het internet zijn een voortdurende bron van radicalisering en terrorisme voor de dienst. Na alle verhandelingen over Youtube films waarin Nederland werd genoemd als voorkeursdoelwit, gelegenheidsdoelwit of in ieder geval legitiem doelwit, bleek in DTN-26 plotseling dat die postings er vooral op waren gericht ons angst aan te jagen. Dat was aardig gelukt sinds 2005, want de dienst lijkt zonder de onthoofdingsvideo’s geen angstverhaal in elkaar te kunnen zetten. In DTN-27 doet de coördinator een boekje open over de wijze waarop de vermeldingen op het “jihadistische internet” moeten worden bekeken. “Niet alleen het aantal vermeldingen, maar ook de inhoud daarvan en de invloed die de plaatser van het bericht heeft binnen de jihadistische gemeenschap wegen mee,” zo analyseert de coördinator de jihadistische GeenStijl. De dienst heeft “het jihadistisch internet” aan een grondig onderzoek onderworpen want in navolging van DTN-26 stelt de dienst dat “in algemene zin geldt dat dergelijke berichten vooral moeten worden gezien als een poging van jihadisten om angst aan te jagen bij hun vijanden, en om jihadistische medestanders te mobiliseren.”

Akerboom gaat nader in op een herhaald “ dreigement tegen de PVV-leider.” Inhoud van het dreigement maakt de coördinator niet bekend ook niet of het precies dezelfde dreiging was van enige tijd geleden. Wel stelt de dienst dat er “ten aanzien van het hierboven genoemde dreigement geen informatie is dat de plaatser daarvan kan leunen op een specifieke autoriteit of inspirerende invloed op andere jihadisten.” Onduidelijk is of dit goed of slecht nieuws is voor de heer Wilders. Of de identiteit van de “plaatser” bekend is is ook niet duidelijk en of de “plaatser” in het verleden dreigementen heeft geplaatst die werden uitgevoerd is ook niet onderzocht door de NCTV. Op dezelfde jihadistische GeenStijl vond de dienst “andere berichten over Nederland, zoals over sommige voorstellen van Nederlandse parlementariërs, die waren feitelijk van aard en bevatten geen dreigementen.” Of deze berichten van dezelfde “plaatser” kwamen wordt niet vermeld en waarover de mededelingen gingen evenmin.

De korte verhandeling over de postings, voor de dienst een serieuze analyse, beëindigt de NCTV met de opmerking dat “uit voorgaande echter (nog) niet kan worden opgemaakt dat Nederland als doelwit minder prominent in beeld komt dan voorheen.” De ‘analyse’ van de postings wordt gevolgd door een korte mijmering over de jihadreizen. Al jaren stelt de coördinator dat “jihadistische netwerken in Nederland beperkt in aantal zijn, los georganiseerd, en dat zij geen sterke leiders of duidelijke doelen hebben.” Om toch een constant gevoel van terreur in stand te houden, wordt verwezen naar jihadreizen en de terugkeerders. “Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland (soms Nederlanders woonachtig in het buitenland), is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt,” schrijft de coördinator over die mensen die afreizen naar landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. In het verleden noemde de coördinator nog specifieke bestemmingen als Afghanistan en Irak, maar met de intrede van de Arabische Lente is de gehele Arabische wereld bestemmingsgebied voor jihadreizen. “Onder deze reisdoelen scharen zich, sinds de opstanden aldaar, ook Noord-Afrikaanse landen en landen in het Midden-Oosten.”

De dienst is niet blij dat de dictators ter plaatse allemaal aan het wankelen worden gebracht, want dit zou extremisme in de hand werken. In de internationale analyse wordt daar meer op ingegaan. De NCTV ziet zich in haar denken bevestigd omdat “de onrust in de Arabische wereld tot op heden niet heeft geleid tot massale steunbetuigingen vanuit de diverse migrantengemeenschappen in Nederland (DTN-25),” Er zouden slechts “op kleinschalig niveau overwegend vreedzame demonstraties hebben plaatsgevonden van Tunesiërs, Egyptenaren, Libiërs en Syriërs.” De aanduiding ‘Arabische Lente’ komt pas in 2014 in het vocabulaire van de coördinator voor. De Lente was toen al op veel plaatsen onderdrukt of ontspoord. Die analyse van maatschappelijke onvrede als extremistisch of op zijn minst als ‘kans op extremisme’ is ook zichtbaar bij de analyse van de economische crisis van 2008.

Voor DTN-27 (eind 2011) komt de benaming economische crisis niet voor in de terreurbode, terwijl de rampspoed dan al ruim drie jaar door het land en de wereld jaagt. Het gaat de dienst goed voor de wind, hoe meer terreuraandikking hoe dikker de portemonnee van de dienst. Was het verzet tegen de toenemende ongelijkheid en de graaicultuur van de financiële wereld tot 2011 erg klein, in navolging van de Arabische Lente steekt in de ‘westerse’ wereld het verzet ook de kop op. De dienst legt elk protest meteen naast de jihadistische, extremistische terroristische meetlat: “In andere Europese landen laten gebeurtenissen zien dat een verergerende economische crisis maatschappelijke instabiliteit kan veroorzaken en de kans op ideologisch geïnspireerd geweld kan doen toenemen.” In de zin na dit protest tegen het neoliberale beleid volgt in één adem extreemrechts extremisme: “Ook worden sommige Europese landen geconfronteerd met geweldsdaden die worden toegeschreven aan extreemrechts.”

Protesteren tegen de wijze waarop politiek en bedrijfsleven de economische crisis van 2008 hebben veroorzaakt zit meteen in de extremistische hoek: “Het verdere verloop van de financieel-economische crisis kan de komende tijd van invloed zijn op vooral de links-extremistische hoek. In landen als Griekenland en Italië zijn door de schuldencrisis maatschappelijke spanningen en gewelddadigheden waarneembaar, waarbij anarchisten een belangrijke rol spelen.” Financieel economisch protest wordt direct gekoppeld aan “sabotageacties op het spoornet (Berlijn), uit kritiek op de Duitse militaire presentie in Afghanistan” en aan de “links-extremistische hoek.” Al is het in Nederland “wezenlijk anders dan in Italië en Griekenland,” het kan elk moment uit de hand lopen want er “vinden vooralsnog alleen vreedzame protestacties plaats.” Alles staat in het licht van Breivik die aantoont dat “waakzaamheid is geboden voor terroristisch geweld uit andere overwegingen dan jihadistische.” Graaiende bankiers en anderen uit de financiële wereld en wegkijkende en miskleunende politici komen niet in het vertoog van de dienst voor. In de bipolaire wereld behoren zij tot de ‘goeden’ en degenen die protesteren tegen ongelijkheid tot de extremisten, lees de slechteriken.

Conclusie DTN 2011

DTN-24, het eerste dreigingsbeeld van 2011, is het schoolvoorbeeld van de manier waarop de dienst zich langzaam heeft ontwikkeld tot een extremistische organisatie die polarisatie in de hand werkt. De dienst drijft op hypes en die werken simpel. Een literatuurstudie met een niet representatieve steekproef over radicalisering van verschillende bevolkingsgroepen in Nederland waaronder de Somalische Nederlanders, wordt gepresenteerd als ‘wetenschappelijk’ (DTN-22). Vervolgens verschijnt er een rapport van het CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek, dat het beeld zou bevestigen dat de Somalische gemeenschap een “voedingsbodem voor radicalisering” is. Ook bij dat onderzoek, moeten vraagtekens worden gezet ten aanzien van het wetenschappelijke karakter, want wat is de definitie van een voedingsbodem en van radicalisering? Vervolgens wordt de dienst op zijn wenken bediend met de arrestatie van twaalf Somalische Nederlanders die een Kerstplot zouden beramen. Uiteindelijk verdwijnt het Somalisch Nederlandse Kerstplot als sneeuw voor de zon, want alle verdachten worden vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. Ook de Somalisch Nederlandse radicaliseringshaard eindigt in DTN-26, van een explosie wordt niets meer vernomen. Het enige dat overblijft, is fysieke en emotionele schade voor de slachtoffers, stigmatisering van de arrestanten en de bevolkingsgroep en een afgenomen vertrouwen in de overheid en haar diensten. In 2015 worden twee Somalische Nederlanders verdacht van het plegen van een aanslag in Mogadishu, Somalië. De dienst zal dat zien als een bewijs van haar gelijk ten aanzien van radicalisering. Het omgekeerde kan evengoed, jihadisten hoeven niet meer te rekruteren, het brute optreden van de overheid is genoeg om mensen aan te zetten tot deelname aan de bipolaire oorlog. Slecht onderzoek leidt niet alleen tot stigmatisering en terrorisering van mensen, maar holt ook de rechtsstaat uit. Zo worden maatregelen in eerste instantie gepresenteerd als terrorisme bestrijdingsmaatregelen en lijkt er discussie over proportionaliteit en het doel-binding principe, maar gaandeweg is het niet terrorisme bestrijding, maar gewone criminaliteitsbestrijding waar de maatregelen voor zouden dienen. De volgende stap in de argumentatie ten aanzien van de noodzaak van de maatregelen zijn meestal gewelddadige voetbalsupporters en demonstranten en daarna radicale en dissidente groepen. Die verschuiving van denken is al zichtbaar in DTN-26 als het gaat om de beschrijving van mensen die protesteren tegen onrecht tegen dieren en vluchtelingen, tegen ongelijkheid, dictaturen of andere misstanden in de samenleving. Deze mensen die protesteren worden eigenlijk standaard extremisten genoemd en incidenten worden direct gekoppeld aan die extremisten die dan ook verharden. Bewijs is er meestal niet, maar dat is in de bipolaire wereld van de extremistische dienst NCTV niet nodig: ‘Either you are with us or you are with the terrorists.’

2012 burgers, burgerslachtoffers doen er niet toe in de oorlog tegen de terreur

DTN-28 / 26 maart 2012

Akerboom’s laatste jaar als coördinator kabbelt rustig verder op de jihadistische netwerken in Nederland, die eigenlijk al lange tijd geen gevaar vormen of misschien zelfs niet bestaan, het “Nederlandse profiel onder jihadisten dat onverminderd hoog is”, de jihadreizen en het jihadistische internet. De dienst gebruikt niet de termen ‘niet-jihadistische netwerken’, spreekt ook niet over een profiel onder ‘niet-jihadisten’, ook het ‘niet-jihadistische internet’ komt ter sprake of de ‘niet-jihadisten’ die op reis gaan. In voorgaande DTN’s schreef de dienst over de postings en dat die meldingen op het jihadistische GeenStijl meer angst aanjagen dan dat er daadwerkelijk een dreiging vanuit gaat. In DTN-28 geeft de dienst een voorbeeld. Eerst stelt de NCTV dat de aandacht voor Nederland geluwd zou zijn, hoewel de coördinator dit niet met zoveel woorden aangeeft.

Vervolgens spreekt de coördinator over een gerucht, niet over een melding of posting. Het gerucht zou ook al eerder hebben gespeeld, maar dat was de dienst niet opgevallen: “In de afgelopen periode leefde die echter kortstondig op toen een gerucht, ontstaan in 2008, nieuw leven werd ingeblazen: Nederland zou toestaan dat er een erotische film over de vrouwen van profeet Mohammed zou worden gepubliceerd.” Wie de “plaatser” van het gerucht, melding of posting is, wordt niet vermeld door de NCTV, ook niet zijn status. Volgens de coördinator leidde het gerucht in december 2011 “tot een bedreiging tegen Amsterdam op een belangrijk jihadistisch forum, tot dreigementen op Facebook tegen Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en tot vier demonstraties bij de ambassade in Tripoli.” In een adem met het gerucht noemt de coördinator een ontvoering in Mali en een in de Filippijnen. Andere geruchten beschrijft de coördinator niet ook niet, van niet-jihadistische fora.

Op de jihadistische fora gaat het volgens de coördinator vaak over “de vermeende discriminatie van moslims en de gepercipieerde beledigingen van de islam en de profeet Mohammed in ons land.” De vermeende discriminatie kwam voor het eerst voor in DTN-23, daarna in DTN-24 en twee andere DTN paren DTN-28/DTN-29 en DTN-33/DTN-34. Of de coördinator ooit onderzoek heeft gedaan naar zowel de discriminatie van moslims of de belediging van islam is niet duidelijk, de coördinator heeft er nooit over geschreven. Naast verhalen op het jihadistische internet zijn er de jihadreizigers. “Het is zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied in de afgelopen jaren is gegroeid en dat zij vaker hun doel weten te bereiken.” Over mogelijke niet-jihadisten die elders gaan strijden bericht de dienst niet. Hoewel de jihadistische netwerken eigenlijk niet echt bestaan, is “het jihadisme de voornaamste bron van terroristische dreiging tegen Nederland.” Hoe de coördinator dit zo zeker weet een jaar na de niet-jihadistische schietpartij in een winkelcentrum in Alphen aan de Rijn is onduidelijk. Niet-jihadistische netwerken zijn er volgens de dienst namelijk niet en vormen geen onderwerp van de terreurbode.

De NCTV beschrijft deze niet-jihadistische netwerken als “andere vormen van ideologisch gemotiveerd geweld” en stelt dat “radicale groeperingen grotendeels handelen binnen de grenzen van de wet.” “Grotendeels” betekent echter ook dat ze er “extremistische uitingen” op nahouden en “in het laatste kwartaal van 2011 werden diverse incidenten gemeld van islamistische radicalen, links-, rechts-, dierenrechten- en asielrechtenextremisten.” Ze waren echter “grotendeels legaal” en “niet van zeer ernstige aard”, waardoor de reden voor vermelding in het dreigingsbeeld onduidelijk is, maar agent Akerboom wil maar even zeggen dat er uitgekeken moet worden want “bij een Noord-Hollandse rechts-extremistische groep (Vanguard/Ulfhednar) werden wapens aangetroffen.” Het analyse niveau van de NCTV is opgeschaald, een grotendeels legaal protest kan zomaar verzanden in wapens, al kunnen die wapens gelukkig ook “voor de verkoop zijn en niet voor een aanslag.” En legaal of semilegaal, misschien zelfs ludiek kunnen de jihadisten ook zijn. Het incident van de “islamistische radicalen” is een verstoring door “Sharia4Holland, de activistische radicale islamistische groep,” van een lezing in «De Balie» te Amsterdam in november 2011.Als het jihadi’s zijn kan het niet een gewone verstoring zijn dus schrijft de dienst dat de groep “op intimiderende wijze verstoorde”, maar eigenlijk is onduidelijk waarom een verstoring in een terreuranalyse moet verschijnen. Bij Akerboom kan echter alles uit de hand lopen vooral het dreigingsbeeld zelf.

DTN-29 / 22 juni 2012

Bij een niet bestaande dreiging ontstaat zowel een taalkundige dreiging als een vermeende dreiging, de mogelijkheid van een dreiging. DTN-29 laat dat heel mooi zien door de zinnen in een andere volgorde te plaatsen. Als begonnen was met de volgende twee zinnen: “Er zijn geen aanwijzingen dat jihadisten binnen of buiten Nederland voorbereidingen voor aanslagen tegen Nederland treffen.” En: “er zijn geen aanwijzingen voor een terroristische dreiging uit andere ideologische hoeken dan vanuit het jihadisme tegen Nederland.” Dan was het dreigingsbeeld overbodig geweest. De coördinator besluit echter tot een moeilijke taalkundige dreigingsexercitie. Hij stelt dat het “zorgwekkend blijft dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied de afgelopen jaren is gegroeid, dat sommigen daarvan hun doel weten te bereiken en dat enkelen daar belangrijke posities weten in te nemen. Verder is niet uit te sluiten dat individuele personen in Nederland doorradicaliseren en tot geweld in Nederland overgaan. Relatief nieuw is dat de grenzen tussen jihadistische en radicaal islami(s)tische groepen soms poreus zijn door onderlinge contacten.”

“Al met al wordt de dreiging van binnenuit (endogene dreiging) diffuser.” Exogene dreiging had de coördinator al in DTN-15 gebruikt, maar endogene dreiging was nieuw. Het begrip diffuus had Akerboom een keer eerder gebruikt in DTN-22 om aan te geven dat hij niet meer wist in welke oorlogsgebieden Nederland niet werd bedreigd. Nu wordt het begrip diffuus gebruikt om aan te geven welke personen nu wel of niet gaan doorradicaliseren. Akerboom weet dat niet, maar suggereert wel dat het allemaal gevaarlijker is. Als voorbeeld van de endogene dreiging noemt de dienst de arrestatie van Omar H. in maart 2012. Hij werd door de rechtbank in Rotterdam tot een jaar celstraf veroordeeld en in hoger beroep tot anderhalf jaar voorbereidingshandelingen voor een terroristisch misdrijf, opruiing en het voorbereiden van een ontploffing en brandstichting. Voor de uitspraak in hoger beroep was Omar H. vertrokken. In zijn huis waren 10 meter ontstekingslont, 1 kilo aluminium en 151 jihadistische films aangetroffen. Wat Omar H. daadwerkelijk van plan was, is nooit helemaal duidelijk geworden. Hij leek niet bezig te zijn met het plegen van een aanslag, maar eerder met geweldsporno en een jihadreis.

Voor de dienst is de zaak Omar H. in 2012 blijkbaar geen goed moment voor dreigingspropaganda, de NCTV besteedt twee gelijkluidende zinnen aan zijn arrestatie. “In maart 2012 hebben de Nederlandse autoriteiten door in te grijpen mogelijke jihadistische activiteiten weten te voorkomen.” Bij jihadisten is de woordenschat aan dreiging groter dan bij de niet-jihadisten. Daar lijkt het allemaal eenvoudig: “De combinatie van het rechts-extremistische gedachtegoed en wapenbezit kan leiden tot ideologisch geweld,” schrijft de dienst bij oplettendheid ten aanzien van radicale en extremistische bewegingen. Bij jihadisten is het woord wapen niet nodig om aan te geven hoe gevaarlijk zij zijn, zij zijn al terroristen. Bijna prozaïsch stelt de dienst dat “het risico bestaat dat aanhangers uit de vaste kern of sympathisanten van Sharia4Holland de grens naar geweld oversteken.” Dit is de laatste zin van de drie over Sharia4Holland. De eerste toont verbazing van de dienst over de groep. “Opvallend is dat Sharia4Holland, de meest actieve radicale islamitische groep, zich nadrukkelijker in de openbaarheid is gaan manifesteren.” Gewoon een radicale groep die niet precies doet wat de dienst wil dus is de analyse van de NCTV dat “deze kleine groep de aanhang probeert te vergroten met een meer provocerende houding.” Volgens de dienst doet de groep “dubbelzinnige uitlatingen” ten aanzien van geweld, maar de dienst geeft hier geen voorbeelden van.

Dat de handelingen van de jihadistische bewegingen niet alleen live, maar ook op het internet intensief in de gaten worden gehouden, maakt de coördinator in de bijlage duidelijk. In de “strategische prioriteiten uit de Nationale CT-strategie” die bij DTN-29 als bijlage zit wordt door de dienst uit de doeken gedaan wat de AIVD en de MIVD zoal aan informatie en inlichtingen verzamelen. De oogst is mager want de dreiging is beperkt, maar de vraag is ook of het verzamelde materiaal in een terreurdreigingsanalyse thuis hoort. Zo verhaalt de terreurbode van “vooral feitelijke, aandacht van mainstream-media in moslimlanden voor de verschijning van het boek van Geert Wilders.” Iemand op een site noemt in “zowel februari als in april Mohammed B. een held voor moslims,” en er is “enige aandacht in Arabischtalige mainstream-media en op internationale islamistische en jihadistische websites voor een kabinetsvoorstel voor een verbod op gelaatsbedekkende kleding.” De coördinator legt niet uit wat deze berichten zeggen over de dreiging voor Nederland. Naast de AIVD komt ook de MIVD nog ter sprake. “De missie Unified Protector (de mislukte internationale missie in Libië) heeft aangetoond dat de MIVD te allen tijde de informatiepositie moet waarborgen in diverse regio’s, ook indien op dat moment geen sprake is van (in de nabije toekomst verwachte) Nederlandse militaire inzet.”

De coördinator gaat niet in op het helikopterfiasco van 28 februari 2011 in het Libische Sirte. Onduidelijk blijft of daar gebrekkige inlichtingen een rol speelden. ‘Inlichtingen en informatie’ vallen onder de pijler ‘internationaal jihadisme’ van het Contra-Terrorisme beleid. De dienst legt uit dat “de Nationale CT-strategie uit vier elementen bestaat namelijk het internationaal jihadisme, migratie en reisbewegingen, technologie en innovatie en doorontwikkeling van het stelsel bewaken en beveiligen.” Het migratiebeleid wordt steeds meer binnen het terrorismebeleid geplaatst: “Dit vraagt om verbetering van de grensbewaking, een optimaal functionerende migratieketen, veiligheidsbewustzijn bij contactfunctionarissen in binnen- en buitenland en een adequate informatiepositie van gemeenten en inlichtingendiensten over lokale ontwikkelingen.” Er worden termen gebruikt als “lokale detectie” en “internationale detectie”, een grotere rol van inlichtingendiensten bij het vreemdelingenbeleid is de rode draad bij migratie. Het terroriseren van migratie staat in schril contrast met de eigen constatering van de dienst in DTN-28: “Verder hebben personen, die zich in Nederland bezig houden met extremistische of terroristische activiteiten, meestal de Nederlandse of mede de Nederlandse nationaliteit.” Migratie en terrorisme hebben minder met elkaar te maken dan internationale en lokale detectie en verscherpte grensbewaking doen vermoeden.

Bij ‘technologie en innovatie’ gaat de coördinator in op de controle op het internet, de detectie van stoffen of personen, kennisvergaring en –uitwisseling, bewaken en beveiligen, CBRN en zelfgemaakte explosieven. Wat opvalt is de vermenging van publieke en private partijen waar de NCTV op aanstuurt. Iedereen terreurbestrijder lijkt de achterliggende gedachte. De dienst injecteert zo angst en dreiging direct in de samenleving. In principe lijkt Akerboom het goed te bedoelen, maar waar is dan de analyse van het eigen functioneren ten aanzien van Koninginnedag, Dodenherdenking en vooral Alphen aan de Rijn? Agent Akerboom kan alleen maar stellen dat “solistische dreigers personen zijn die (zonder medewerking van anderen) door middel van gedrag of woord, als gevolg van een individueel doorlopen proces richting geweld, een dreiging vormen,” alsof het een waarachtige wetenschappelijke definitie is. En hij is nog niet klaar want “geradicaliseerde eenlingen zijn eenlingen die handelen vanuit een duidelijke politieke of religieuze motivatie. Hun daden vallen onder de noemer «terrorisme».” Geen woord over Alphen aan de Rijn, waarover de coördinator in DTN-28 nog opmerkte dat “Van der Vlis niets naliet waaruit een helder motief bleek.” Hij zou dus zowel een geradicaliseerde eenling kunnen zijn als een solistische dreiger, de eigen rol van het veiligheidsapparaat is allang geen onderwerp meer. In het verlengde van de eenlingen en de dreigers wordt “bedreigingen tegen lokale politieke ambtsdragers” door de coördinator bij het stelsel bewaken en beveiligen onder de loep genomen. Natuurlijk gaat het over de “agressie en geweld” die de bestuurders tegen kunnen komen, maar zoals de casus van oud-burgemeester Jacobs van Helmond laat zien, is de werkelijkheid altijd complexer dan burgers die ambtenaren lastig vallen. De burgemeester was ten tijde van de bedreiging zelf onderwerp van een corruptie onderzoek en rond zijn zoon speelden er hardnekkige geruchten dat hij betrokken was bij de drugswereld.

Ook op internationaal terrein is de NCTV actief. Binnen EU verband, VN verband en multilateraal en bilateraal. Aan het illustere rijtje Pakistan, Marokko en Algerije voegt de NCTV nu als partner Turkije op. “Terrorismebestrijding vormde één van de gespreksthema’s tijdens de jaarlijkse bilaterale Wittenburgconferentie met Turkije.” Het Turkse leger vermoord regelmatig burgers in het oosten van het land, zo ook in december 2011 toen een Turks militair vliegtuig 38 mannen met hun ezels bombardeerden. Voor de dienst is een land dat zijn burgers bombardeert blijkbaar een goede partner in contraterrorismebeleid.

DTN-30 / 8 oktober 2012

Zo is het terreurbeleid 11 jaar na 11 september 2001 belandt op het punt dat een groep als Sharia4Holland (S4H) in korte tijd in de terrorisme top drie is doorgestoten naar plaats één in de terreurbode DTN-30. Eigenlijk is er nog niets gebeurd, maar de groep kan de “binnenlandse veiligheidssituatie verder ook negatief kan beïnvloeden door het gevaar van doorradicalisering naar geweld van personen betrokken bij” de club. Al moet de dienst zelf toegeven dat er niets aan de hand is: “Op dit moment zijn hiervoor geen aanwijzingen.” In het buitenland, de coördinator noemt later België en Duitsland, is volgens de coördinator “zichtbaar dat gelijkgestemden van S4H steeds militanter worden en zelfs in verband worden gebracht met gewelddadige incidenten.” Concreter wordt de coördinator niet, al stelt hij dat alles ook tot meer polarisatie zou kunnen leiden. Ook dat is loos alarm want er zijn “geen aanwijzingen voor een terroristische dreiging uit andere ideologische hoeken dan vanuit het jihadisme tegen Nederland.” Hoewel er ook geen gevaar uit jihadistische hoek is want er zijn “geen aanwijzingen dat teruggekeerde jihadreizigers de intentie hebben in Nederland aanslagen te plegen.” Zelfs bij de levensgevaarlijke doorradicaliserende S4H leden “zijn op dit moment geen aanwijzingen dat S4H de meer militante tactieken van gelijkgestemden in België en Duitsland wil toepassen in Nederland.” De provocerende acties van Sharia4Holland hebben volgens de dienst de nodige aandacht getrokken, in ieder geval van de NCTV zelf, maar of dat iets te maken heeft met serieuze dreigingsanalyse is de grote vraag.

Een constante bij al het jihadistisch gevaar is het “kunnen hebben.” De altijd aanwezige mogelijkheid dat er iets kan gebeuren. Volgens de coördinator is de “scheidslijn tussen niet-gewelddadig islamistisch activisme en jihadisme (volgens de NCTV: terrorisme) namelijk fluïde. Er bestaat dan ook het gevaar van doorradicalisering naar geweld.” Het punt is dat groepen als S4H niet hoeven door te radicaliseren, de dienst zelf benadert ze extremistisch, de groepen zijn al terreur voordat ze iets gedaan hebben. Elke provocatie kan omslaan in geweld al is er niets aan de hand. Dit extremistische recept van de NCTV past de dienst ook steeds meer toe op andere groepen. Breivik als de pleitbezorger voor het doorradicaliseren van extreemrechts in Nederland, Griekenland en Italië voor het extremer worden van radicaal links. Terwijl er eigenlijk niets gebeurt. “Op het terrein van dierenrechtenextremisme en links en rechts georiënteerd extremisme was het de afgelopen maanden op enkele incidenten na rustig. Radicale asielrechtengroeperingen hebben verder het ‘No border-netwerk’ opgericht, met als doel de samenwerking en coördinatie te bevorderen tussen actoren in het asielrechtenveld. De rust in Nederland op links en rechts georiënteerd extremisme staat in schril contrast met het politieke geweld in Griekenland (zowel links als rechts) en Italië (links).” Achtergrond, oorzaken, gevolgen en verdieping zijn niet aan de extremistische dienst besteed. Alles wordt in de radicaal extremistische terreurbode aaneengeregen tot een langzaam exploderende samenleving, ook al gebeurt er niets en moet de coördinator toegeven dat de dreiging beperkt is.

DTN-31 / 17 december 2012

Die exploderende samenleving kwam op 21 september 2012 tot uitdrukking bij Project X Haren. De kloof tussen ambtenaren en een bepaalde groep burgers kon niet groter zijn dan bij dit verjaardagsfeest. De NCTV maakt er geen woorden aan vuil, kenmerkend voor een organisatie die ook veiligheid in haar naam heeft opgenomen. De naamsverandering volgde op de schietpartij in een winkelcentrum in Alphen aan de Rijn en daarom besteed de coördinator ook daar maar geen aandacht aan. Akerboom heeft belangrijkere zaken aan zijn hoofd, zoals zijn toekomstig vertrek naar defensie en natuurlijk de eindeloze jihadistische netwerken die al dan niet bestaan. Voor een coördinator die al vier jaar Risk en Stratego in de oorlog tegen de terreur speelt zijn slachtoffers in Alphen aan de Rijn en Haren niet interessant en dat is tekenend voor het terreurbeleid in Nederland. Burgers, burgerslachtoffers zijn in deze derde wereldoorlog niet belangrijk, niet in Nederland en ook niet in de ongedefinieerde jihadistische strijdgebieden. Wat telt zijn “binnenlandse netwerken in Nederland” die nog steeds “relatief zwak” zijn. Relatief omdat het altijd mis kan gaan.

Relatief is ook de tekst van de dienst. In december 2011 schrijft de coördinator: “Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland (soms Nederlanders woonachtig in het buitenland), is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt.” Drie maanden later in maart 2012 is het “zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied in de afgelopen jaren is gegroeid en dat zij vaker hun doel weten te bereiken.” In juni 2012 herhaalt Akerboom deze zin: “Het blijft zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied de afgelopen jaren is gegroeid, dat sommigen daarvan hun doel weten te bereiken en dat enkelen daar belangrijke posities weten in te nemen.” In oktober 2012 zijn de zorg en de groei verdwenen: “Ook in de afgelopen periode zijn weer enkele uitreizen naar jihadistische strijdgebieden vastgesteld.” En in december zijn zowel de groei als de zorg verdwenen. “Op dit moment zijn er echter geen aanwijzingen voor een concrete dreiging van gekende teruggekeerde jihadgangers,” schrijft de coördinator in DTN-31, iets dat ook in alle voorgaande DTN’s werd gemeld.

Bij een lage dreigingsgraad lijkt de dienst alles aan te klampen dat maar enig gevaar zou kunnen opleveren. Als zelfs Sharia4Holland geen voer voor terreur oplevert moet de coördinator naar onorthodoxe middelen grijpen. “De verminderde aandacht voor islamthema’s in politiek en media wil niet zeggen dat de weerstand bij sommige burgers tegen publieke manifestaties van de religie minder wordt. De bouw van nieuwe moskeeën bijvoorbeeld blijkt op lokaal niveau geregeld gevoelig te liggen, zoals recent bleek in onder meer Groningen, Veghel en Zoetermeer.” Knuffelterrorist Samir A. wordt in zijn cel aangehouden op “verdenking van het voorbereiden van een aanslag” en de dienst heeft het meteen over een “potentiële toekomstige dreiging” die voorkomen is. En met de moed der wanhoop neemt Akerboom graffiti op in zijn terreur analyse: “Het bekladden van het huis van de bewindspersoon verantwoordelijk voor immigratie, integratie en asiel is uitdrukking van de verbreding en radicalisering van de extremistische asielrechtenbeweging en moet ook in het licht van de tentenkampen van uitgeprocedeerde asielzoekers in Nederland worden gezien.” Verbreding, radicalisering en extremisme, het terrorisme druipt van de dienst af.

Conclusie DTN 2012

Het eerste DTN van 2012 borduurt voort op het relaas over de postings op het jihadistische internet. De dienst gaat dieper in op een gerucht. Het zou een oud gerucht zijn dat al eerder in 2008 was opgedoken. De NCTV heeft daar toen geen aandacht aan besteed. De dienst gaat nu wel in op het gerucht dat “Nederland zou toestaan dat er een erotische film over de vrouwen van profeet Mohammed zou worden gepubliceerd” omdat het gerucht tot “een bedreiging tegen Amsterdam, tegen Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en tot vier demonstraties bij de ambassade in Tripoli” zou hebben geleid. Voor het vaststellen van de ernst is er meer informatie nodig, maar die geeft de coördinator niet. De demonstraties in Tripoli waren niet al te groot en hebben de internationale media niet gehaald door de beginnende burgeroorlog in Libië. Over de bedreigingen valt niets te zeggen, want de inhoud wordt door de dienst niet vrijgegeven. Bedreigingen via sociale media vinden echter elke dag in groten getale plaats. Alleen al op Twitter worden volgens de politie 35.000 bedreigingen geuit, waarvan er 200 serieus worden genomen. Op andere sociale media websites zal dat een veelvoud zijn. Wat de Facebook bedreigingen ten aanzien van de seksfilm over Mohammed’s vrouwen zo belangrijk maakte om deze te vermelden in het DTN wordt niet duidelijk uit de tekst, maar voedt in ieder geval het idee van moslims die niet tolerant zouden zijn en ook nog eens jihadistisch. Die wijzende vinger naar de jhadisten staat in schril contrast met de analyse van haar eigen werk. Neem de solistische dreigers, de eenlingterroristen: de dienst maakt geen woord vuil aan het afschuwelijke schietincident in Alphen aan de Rijn. Het leek even of niet de jihadistische oorlog naar Nederland kwam maar de regelmatig terugkerende willekeurige schietpartijen in de Verenigde Staten. De coördinator maakt er geen woorden aan vuil. Het stelsel bewaken en beveiligen gaat over een limitatief aantal mensen en dat zijn niet de Nederlandse burgers. Dat zouden bijvoorbeeld mensen als oud burgemeester Jacobs van Helmond zijn, iemand die bedreigd is, maar waarover de coördinator opnieuw niet het hele verhaal vertelt. Terreur is gedecimeerd tot een verhaal over jihadi’s in oorlogszones en dreigtweets. Zonder analyse en achtergrond verwordt dreiging echter tot angst aanjagen, helemaal als er niets aan de hand is. De groep Sharia4Holland is al een terroristische organisatie voordat de groep iets gedaan heeft en alles wat de groep doet wordt langs de jihadistische meetlat gelegd. Zelfs iets niet doen is dan een teken dat er iets staat te gebeuren. Tentenkampen voor vluchtelingen staan zo in direct verband met graffiti op “het huis van de bewindspersoon verantwoordelijk voor immigratie, integratie en asiel.” Protesten tegen de bouw van moskeeën zijn tekenen van een polariserende samenleving. De coördinator kan niet meer normaal omgaan met de samenleving. Dit is het scherpst te zien bij de jihadgangers en de passages in vier DTN’s over de toe- of afname van deze reizigers en hun gevaar. DTN-27: “Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland, is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt.” Drie maanden later in maart 2012 (DTN-28) is het “zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied in de afgelopen jaren is gegroeid en dat zij vaker hun doel weten te bereiken.” In DTN-29 (juni 2012) herhaalt Akerboom deze zin: “Het blijft zorgwekkend dat het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied de afgelopen jaren is gegroeid, dat sommigen daarvan hun doel weten te bereiken en dat enkelen daar belangrijke posities weten in te nemen.” In oktober 2012 (DTN-30) zijn de zorg en de groei verdwenen: “Ook in de afgelopen periode zijn weer enkele uitreizen naar jihadistische strijdgebieden vastgesteld.” En in DTN-31 (december 2012) zijn zowel de groei als de zorg verdwenen. “Op dit moment zijn er echter geen aanwijzingen voor een concrete dreiging van gekende teruggekeerde jihadgangers.” In heel 2012 (DTN-27 tot en met DTN-31) was er geen enkele aanwijzing voor een concrete dreiging. De dreiging is beperkt, maar de taalkundige en vermeende dreiging van de extremistische dienst is levensgroot.

2013 De coördinator wil wat meer actie en geen gebrekkige extremistische activiteiten

DTN-32 / 13 maart 2013

Een nieuwe coördinator een nieuwe terreurgraad. Met het aantreden van Schoof als coördinator werd de dreiging verhoogd van beperkt naar substantieel. Alle redenen om de dreiging beperkt te houden die Akerboom gebruikte worden door Schoof hergebruikt om de dreiging te verhogen. Volgens terreurcoördinator Schoof is “er een reële kans dat een aanslag in Nederland zal plaatsvinden.” Reëel in de zin dat de boel op springen staat. De dienst ziet drie zorgelijke ontwikkelingen. Het woord zorgelijk kwam in DTN-31 niet voor, maar in DTN-30 evenals DTN-28 één keer en in de periode van DTN-29 was de situatie zo zorgelijk (vijf keer) dat die de zorgelijkheid van DTN-32 overstijgt. Na DTN-32 is er geen dreigingsbeeld meer dat niet zorgelijk is. De aanslag komt er aan. Wat is er aan de hand?

Volgens Schoof is er een “substantiële stijging van het aantal jihadreizigers naar diverse landen in Afrika en het Midden-Oosten, met name naar Syrië.” Hij stelt verder dat “sinds eind 2012 het aantal jihadreizigers plotseling zeer snel steeg,” alsof hij het belang van zijn benoeming tot coördinator wil onderstrepen. De groei van J-reizen (Jihad-reizen) was echter al diverse keren door Akerboom op de agenda gezet, maar blijkbaar is het moeilijk om steeds maar groei aan te geven zonder getallen te noemen. Schoof doet dat anders, hij opent met “tientallen personen in Nederland reisden alleen of in kleine groepjes naar landen als Egypte en Syrië.” Tientallen is niet echt specifiek waardoor zijn claim niet te onderzoeken is. Ook het noemen van zowel Syrië waar een totale burgeroorlog woedt als Egypte waar een prille democratie probeert zijn weg te vinden, schept geen enkele duidelijkheid over aantallen en gevaar. Schoof rept met geen woord over aanwijzingen die er zouden zijn.

De coördinator filosofeert er vrolijk op los over wat allemaal kan gebeuren met die zogenaamde jihadgangers. Ze vormen mogelijk “een gevaar voor westerse belangen in de gebieden waar ze actief zijn.” Die J-reizigers kunnen “weer nieuwe jihadreizen stimuleren.” Als zij terugkeren bestaat “het gevaar dat zij met hun strijdervaring en ‘street credibility’ invloed uitoefenen op voor radicalisering vatbare jongeren.” De J-reizigers kunnen “zich richten op doelen in Nederland.” De jihad reizigers verhogen de “ongekende dreiging,” namelijk de dreiging van de mogelijkheid, van het kunnen, van de kans op mogelijk iets. Al moet Schoof onderkennen dat “niet alle terugkeerders voor dreiging zorgen.”

De derde ontwikkeling komt in de internationale analyse aan bod. De tweede ontwikkeling is de “toegenomen islamistische radicalisering van kleine groepen jongeren in Nederland.” De dienst schrijft even verderop dat “groepen als Sharia4Holland en Behind Bars in de afgelopen periode nauwelijks openlijke activiteit toonden.” Om het gevaar toch aan te dikken stelt de coördinator dat “sommige van hun leden in verband werden gebracht met jihadreizen,” maar veel duidelijker wordt het niet. Het lijkt eerder dat het radicaal jihadistisch extremistisch terrorisme minder gevaarlijk is dan de Koerden en de Turken. “De spanning tussen Turken en Koerden in Nederland steeg begin 2013,” maar helaas voor de dienst gebeurde daar ook niets.

Helemaal niets aan de hand dan? Als jihadisten zich koest houden en er geen interetnische conflicten zijn kan de NCTV altijd terugvallen op “diverse activistische en extremistische groepen in Nederland.” Er werden jachthutten kapot gemaakt, graffiti gespoten bij niet nader genoemde farmaceutische bedrijven, een tentenkamp georganiseerd voor vluchtelingen in Amsterdam en Den Haag en de extreemrechtse politieke partij de NVU demonstreerde tegen ‘kinderverkrachters en pedofielen’. Over deze laatste demonstratie schrijft Schoof dat het “een gebrekkige activiteit” is omdat in Duitsland “de dreiging van extreemrechts hoog op de politieke agenda” staat. De dienst moet het doen met wat berichten over de “vermeend discriminerende of beledigende uitspraken en acties jegens moslims in Nederland.”

Schoof treedt iets meer in detail dan Akerboom en Joustra. “Zo werd Nederland in november 2012 genoemd als voorbeeld van een islamvijandig westers land door een Somalische Al Shabaab-leider, sheikh Fu’ad Shongole, en was er in januari 2013 negatieve aandacht voor PVV-leider Wilders in Arabischtalige media.” Het glossy Inspire dat dood verklaard was na de aanslag op de hoofdredacteur bracht op 1 maart 2013 de tiende editie uit met een dodenlijst waarop onder andere Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali staan. Niet echt een explosieve mix om een werkelijke aanslag te voorspellen, maar terror Dick, zoals Schoof door zijn mede-ambtenaren wordt genoemd, laat zich niet uit het veld slaan. Het gevaar zit in de snelheid: “Er zijn ook aanwijzingen dat de doorradicalisering naar geweldsbereidheid soms zeer snel kan verlopen.”

Ondanks alle doorgeradicaliseerde woorden van de coördinator blijk het uiteindelijk alleen maar om geld te gaan. “Tegen die achtergrond is het zorgwekkend dat de aandacht van politiek, bestuur en samenleving voor radicalisering in de afgelopen jaren is afgenomen.” En geld is er nodig want terrorismebestrijding is van iedereen. De verbreding die onder Joustra en Akerboom was ingezet, neemt vastere vorm aan: “De partners in de nationale contraterrorisme strategie zijn NCTV, Openbaar Ministerie (OM), Immigratie en Naturalisatiedienst (IND), Nationale Politie, AIVD, Koninklijke Marechaussee en de Ministeries van Buitenlandse Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en van Defensie).” Jeugdzorg, maatschappelijk werk en onderwijs worden door Schoof nog niet genoemd, maar de docent was door Akerboom al benoemd tot terrorismebestrijder. De breedte van de overheidsterreur vertaalt zich ook in de maatregelen. Naast inlichtingen, onderzoek, opsporing en vervolging was er al de gehele migratietak van terrorismebestrijding. Daarnaast heeft Schoof de bestuurlijke aanpak van Joustra weer uit de kast gehaald; het verstoren, drukmiddelen, ontmoedigen en andere buitenstaatsrechtelijke maatregelen.

DTN-33 / 1 juli 2013

Wie in zijn eerste dreigingsbeeld stelt dat de aanslag er aankomt kan niet meer terug. Schoof zit echter in een moeilijk parket, want er heeft nog geen aanslag plaatsgevonden in zijn eerste half jaar bij de dienst. Vandaar dat het reële gevaar wordt opgetuigd als “de meest in het oog springende potentiële dreiging voor Nederland” en die “gaat uit van de potentiële terugkeer van jihadgangers naar Syrië.” De mogelijke dreiging is de potentiële terugkeer van iemand uit Syrië. Schoof is duidelijk op een cursus fundraising geweest, want aantallen van die mogelijke terroristen die mogelijk terugkomen moeten het werk doen. “Begin juni was er sprake van een jihadgang van tussen de vijftig en honderd personen” schrijft de dienst na de alarmerende berichten in DTN-32 van de tientallen J-reizigers. Al twee jaar reizen er mensen naar zogenoemde jihadgebieden zoals Egypte en Syrië. Begin 2012 en 2013 was er explosieve toename. Volgens de coördinator zijn het tussen de vijftig en de honderd (juni 2013) en het is onduidelijk of hier sprake is van een explosieve groei. Hij stelt zelf: “Begin juni is met een jihadgang van tussen de vijftig en honderd jihadreizigers voorlopig van een stagnatie van de groei uit te gaan.”

Naast de potentiële J-reizigers die potentieel een gevaar zijn omdat ze in potentie terug kunnen keren, is er eigenlijk niets aan de hand. De coördinator probeert het nog wel met een lijstje van groepen als “Sharia4Holland, Behind Bars, Hizb ut-Tahrir en Millatu Ibrahim (MI, Het Geloof van Abraham)”, maar kan daar niet veel over melden, hooguit dat de “Duitse tak van IM in 2012 werd verboden” en dat er in Duitsland “vrees bestaat voor een escalatie tussen extreemrechts en salafisten.” Hetzelfde probeert de coördinator met “het verzet van extreemlinkse groeperingen en individuen tegen het asielbeleid in Nederland.” Zonder namen van groepen te noemen, ook zonder een enkel concreet incident of gebeurtenis aan te duiden stelt de dienst “dat er sprake lijkt te zijn van een verharding onder het extremistische deel van de asielrechtenbeweging.” Dit zou “gepaard gaan met een gegroeide kritische aandacht voor het Nederlandse asielbeleid.” De oud-IND-ambtenaar Schoof laat even zien dat burgers niet aan het migratiebeleid van de Immigratie- en Naturalisatiedienst moeten komen.

De roep om meer extremisme in de politiek in DTN-32 is niet voor niets geweest, want “de aandacht voor vraagstukken rondom radicalisering en terrorisme in de Nederlandse samenleving is de afgelopen tijd toegenomen.” Geld is ook iets dat doorklinkt in de “tweede voortgangsrapportage contraterrorisme en –extremisme.” Na een terugblik op een jaar DTN’s passeren de vier strategische prioriteiten de revue. Migratie en internationale jihad zijn nu één prioriteit geworden, naast technologie en innovatie en bewaken en beveiligen. De prioriteit jihadistische migratie is onderverdeeld in “detectie van internationaal jihadisme en jihadistische reisbewegingen, interventie bij internationaal jihadisme en jihadistische reisbewegingen, voorkomen en voorbereiden, strafrechtelijke aanpak en aanpak Jihadistisch discours/propaganda en Internet.” Bent u er nog? Onder detectie valt ook “intensivering van de detectie van jihadgangers, reisgegevens en interventie.” Bij detectie gaat het om wat de AIVD, MIVD, Kmar en politie doen. Dit zijn reguliere taken van opsporings- en inlichtingendiensten. Bij reisgegevens gaat het vooral om de Passenger Name Record (PNR), maar ook om reisbewegingen in brede zin. De NCTV stelt dat “de diensten het nodig achten te kunnen beschikken over deze reisgegevens.” Hierbij gaat het niet alleen om terrorismebestrijding. “De behoefte om passagiers- en reserveringsgegevens te gebruiken voor het tegengaan van jihadgang, maakt deel uit van een bredere behoefte aan het gebruik hiervan in de strijd tegen zware criminaliteit, zoals mensenhandel en terrorisme.”

Al langere tijd probeert de NCTV terrorismebestrijding te koppelen aan andere criminele activiteiten, vandaar de naamsverandering in 2011 van NCTb naar NCTV. Naast de detectie is er natuurlijk de interventie (De tweede pijler) waarbij het vooral gaat om de internationale aanpak en om de terrorismefinanciering. De derde pijler van de jihadistische migratie is “voorkomen en voorbereiden” waarbij het vooral om een bestuurlijke aanpak gaat, er is strafrechtelijk nog niets gebeurd, en het maatschappelijk middenveld wordt ingezet als terrorismebestrijder. Al langer wordt het terreurbeleid in de samenleving geïnjecteerd. Bij Schoof gaan alle remmen los want “professionals werkzaam bij onder meer politie (basisteams en wijkagenten), onderwijs (decanen, mentoren, vertrouwenspersonen), jeugd- en welzijnswerk en GGZ-instellingen (psychologen)” worden aan het lijstje bestrijders van radicalisme en extremisme toegevoegd. Schoof is de eerste die ook vertrouwenspersonen toevoegt aan de lijst, zover wilden zijn voorgangers Joustra en Akerboom niet gaan. Dit tekent Schoof, de harde lijn past bij hem, hoe extremistischer hoe beter.

Ook bij de vijfde pijler van de jihadistische migratie wordt het maatschappelijk middenveld ingezet. De Dienst heeft het al jaren over het jihadistische internet en stelt in DTN-33 dat terrorisme voor een groot deel uit propaganda bestaat. Volgens de NCTV is “het aanjagen en in stand houden van angst een wezenlijk onderdeel van de jihadistische strategie.” De vraag of de coördinator zelf daar een belangrijke rol bij speelt komt niet aan de orde. Wel spreekt de dienst nu van terrorisme op het internet terwijl het in het verleden radicalisme of extremistische uitingen waren. Voor de dienst is het allemaal hetzelfde en moet de bestrijding door iedereen gedaan worden. Bij “het project Clean IT kwamen overheden, NGO’s en private partijen uit de internet industrie tot een gezamenlijk voorstel over hoe terrorisme via internet beter bestreden kan worden.” Of dit succesvol was en wat het nut was van het injecteren van bestuurlijke maatregelen zonder strafrechtelijke verdenking en tussenkomst van de rechter in het schoonmaken van het internet, legt de coördinator niet uit. Hij stelt wel dat “hoewel de verwijdering van extremistische boodschappen van het internet belangrijk blijft, de effectiviteit uiteindelijk beperkt is omdat de content snel weer opnieuw opduikt.”

De voortgangsrapportages zijn een brij aan maatregelen, initiatieven en projecten. In het licht van dramatische gebeurtenissen in 2014 zijn enkele passages interessant. Bij “technologische innovatie” staat dat de NCTV “bijzondere aandacht heeft bij technologische trends in de (burger-)luchtvaart.” Daarbij gaat het om “luchtvrachtbeveiliging, vloeistoffenregelgeving en communicatie en voorlichting.” DTN-33 stelt dat “vanuit de NCTV er doorlopend gewerkt wordt aan het ontsluiten van nuttige informatie voor professionals, bijvoorbeeld via een kennisbank, factsheets en whitepapers, alsmede aan het bieden van concreet handelingsperspectief, zoals via e-learningmodules. Het vergroten van veiligheidsbewustzijn van maatschappelijke actoren is daarbinnen een belangrijke speerpunt.” Wat het een en ander heeft opgeleverd is de grote vraag. Misschien ligt het antwoord besloten in de denkwijze van de dienst. Zij heeft het Instituut Clingendael gevraagd onderzoek te doen naar maatregelen binnen het contraterrorismebeleid in andere landen. Naast Indonesië heeft de coördinator twee dictaturen uitgekozen als sparringpartners in het contraterrorismebeleid, Algerije en Saoedi Arabië. De coördinator was enigszins teleurgesteld dat er wat verschillen zijn “in historische, culturele, religieuze en politieke context.” Een dienst die denkt dat een dictatuur bruikbare middelen kan opleveren voor terreurbeleid, is zelf een gevaar voor de rechtsorde.

DTN-34 / 7 november 2013

Bij een substantiële dreiging hoort een reëel gevaar, maar hoe ver kun je de dreiging oprekken? Schoof schuwt niet het gevaar op te blazen tot het een keer moet knappen. Hij stelt in DTN-34 dat “in sommige gevallen de situatie op dit vlak de afgelopen periode zelfs is verslechterd.” In de viermaandelijkse dreigingsbode wordt echter niet duidelijk waar die verslechtering in zit en wat de precieze afbakening van de vlakken is. Volgens de dienst zitten er vier aspecten aan de dreiging, waarvan één aspect internationaal is en in de internationale analyse aan bod komt. De drie andere aspecten zijn het profiel van Nederland, de jongeren die naar oorlogsgebieden reizen en terugkeren en de vermeende radicalisering. Het profiel heeft volgens de coördinator te maken met de “militaire missies in diverse islamitische landen, alsmede de vermeende discriminatie van moslims in ons land en de gepercipieerde beledigingen van de islam en de profeet Mohammed.” In veel van de DTN’s van de afgelopen tien jaar wordt deze stelling geponeerd, maar verder onderzoek naar achtergrond, aard of hoe de profiling van Nederland door de jihadisten werkt is niet terug te vinden in de stukken van de NCTV.

Opvallend is de constante groei van het gebruik van het woord jihadistisch, waardoor het profiel maar ook de vermeende en gepercipieerde aspecten niet meer interessant worden, want jihadistisch is synoniem aan terroristisch. Schoof wil zich graag meten met de groten der aarde en stelt teleurgesteld vast dat “ons land niet een even prominent doelwit is als landen als de VS, Israël en het Verenigd Koninkrijk.” Waarom hij die vergelijking maakt is niet duidelijk, maar de zin die volgt op deze these van de dienst laat zien dat de NCTV werkt aan het verkrijgen van een prominente rol. Toch kunnen relatief kleine incidenten snel jihadistische aandacht en zelfs bedreigingen opleveren.” Vooral het woord “toch” in deze context is interessant, wat is er namelijk aan de hand? Op 17 juli 2013 wordt “de Zoetermeerse Shukri F. (alias «Oum Usama») op verdenking van ronselen voor de jihad” gearresteerd. De dienst stelt dat “in reactie hierop op jihadistische websites werd opgeroepen aanslagen te plegen in Nederland.” Op sociale media en internetfora vinden er geregeld scheldpartijen, verwensingen en verbale exercities plaats, maar hoe serieus moeten we deze oproepen tot aanslagen nemen, wat is er precies geschreven en op welke sites? In de inleiding zijn het “internationale jihadistische websites”, bij de “dreiging tegen Nederland” gaat het om “jihadistische websites.” Blijkbaar stelde het niet veel voor want toen Shukri F. werd vrijgelaten “verstomden de online-oproepen echter weer snel.”

Vanwaar die opgeklopte gevaren analyse, wat voor dreiging zat in dat gescheld op internet? Uit de tekst van de coördinator valt niets te halen wat hier licht op werpt. Volgens de coördinator zijn die uitlatingen wel degelijk gevaarlijk. De hunkering naar een prominente rol is duidelijk te merken, want de postings “kunnen in potentie ook nadelige gevolgen hebben voor de Nederlanders die in het buitenland nog steeds door jihadisten gegijzeld worden.” Nu klopt het dat Nederland deelneemt aan een totale oorlog tegen de terreur, maar voor het verbinden van gijzelaars in de Filippijnen en Mali met Shukri F. is meer nodig dan vage opmerkingen over geroep op al dan niet jihadistische websites over aanslagen in Nederland. Angst is eenvoudig gecreëerd, daar zijn zelfs de zogenoemde jihadisten niet meer voor nodig en daar heeft Nederland zelfs een dienst voor in het leven geroepen, maar die angst wegnemen is een stuk moeilijker. Onvoorzichtigheid en oneliners die nietszeggend zijn, zonder duidelijke analyse van de dreiging, brengt mensen juist in gevaar.

De coördinator had ook in plaats van Shukri F. de strafrechtelijke procedure van Mohammed G. en Omar H. kunnen opnemen in zijn dreigingsbeeld. Dit plaatst hij echter in de beleidsopvolging. De zaken zijn minder sexy en misschien ook lastig om er allerlei bedreigingen bij te plakken, maar het blijft gissen naar de beweegredenen van de dienst. Mohammed G. werd veroordeeld, omdat hij van plan was om naar Syrië te reizen, maar hij werd “wegens ontoerekeningsvatbaarheid ontslagen van alle rechtsvervolging” en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Mohammed G. was eigenlijk een verwarde man die reliëf geeft aan zogenaamde ‘jihadgangers’ en Syrië-reizigers. Bij Omar H. gaat het om de man die in maart 2012 is aangehouden (zie uitgebreider verhaal bij DTN-29) met 10 meter ontstekingslont, 1 kilo aluminium en 151 jihadistische films. Hij werd veroordeeld tot 12 maanden cel “voor het voorbereiden van brandstichting en verspreiden van opruiende teksten.” Mohammed G. en Omar H. staan in de beleidsopvolging en niet in het eigenlijke dreigingsbeeld.

Shukri F. en de reaguurders op het jihadistische internet bepalen de dreiging die er heerst en de opgeklopte sfeer is van dezelfde orde als de “ontwikkelingen rond de jihadistische Syriëgangers.” De coördinator stelt dat “in augustus het aantal jihadistische uitreizen van Nederland naar Syrië weer toenam in vergelijking met de maanden hiervoor” (DTN-34). Om hoeveel mensen gaat het nu werkelijk? Enkelingen, tientallen, honderdtallen, duizenden? De indruk is dat het om een explosief getal gaat, maar dat lijkt keer op keer wel en niet het geval. “Hoewel er in 2011 wel meer signalen zijn over jihadreizigers uit Nederland, is het lastig vast te stellen of het aantal jihadreizigers daadwerkelijk stijgt (DTN-27, 2011).” “Het aantal jihadisten dat uitreist naar een jihadistisch strijdgebied is in de afgelopen jaren gegroeid (DTN-28, 2012).” In DTN-29 (2012) herhaalt voormalig coördinator Akerboom deze zin. “Ook in de afgelopen periode zijn weer enkele uitreizen naar jihadistische strijdgebieden vastgesteld (DTN-30, 2012).” Im DTN-31 (2012) is er geen melding van toename of bestendiging. In DTN-32 (2013) zijn het “tientallen personen in Nederland die alleen of in kleine groepjes naar landen als Egypte en Syrië reisden.” In DTN-33 zijn het tussen de vijftig en de honderd. In DTN-34 neemt het aantal weer toe. Weet u nog om hoeveel mensen het gaat en vooral wat het gevaar is?

Waar die jongens en meiden heengaan is ook onduidelijk, want de dienst schrijft in de inleiding dat ze “waarschijnlijk onder de vlag van het aan Al Qa’ida gelieerde Jabhat al-Nusra (JaN) strijden.” Bij de Nederlandse dreiging gaat het alleen over JaN want “meer Nederlandse strijders hebben zich waarschijnlijk bij JaN aangesloten.” Volgens de dienst “lijken enkele Nederlanders niet terug te deinzen voor extreem geweld.” Informatie-inwinning in Syrië is nogal lastig want daar woedt een alles verwoestende burgeroorlog, een woord dat Schoof in DTN-34 niet gebruikt. In DTN32, DTN-33, DTN-35 en DTN-37 woedde die burgeroorlog wel al was er alleen in DTN-33 sprake van tienduizenden burgerdoden. Volgens de dienst biedt de burgeroorlog jihadisten de kans om meer terrein te winnen. De coördinator stelt dat de terugkeerders “nauwlettend in de gaten worden gehouden.” Hoe nauwlettend dat is beschrijft de NCTV in de beleidsopvolging: “Na terugkomst in Nederland wordt elke terugkeerder benaderd door het veiligheidshuis of de politie. Ook probeert de politie contact te krijgen met de familie en/of sociale omgeving van de betrokkene. Per geval worden, naast mogelijk strafrechtelijk onderzoek, op dit moment ook bestuurlijke maatregelen overwogen, zoals het stopzetten van uitkeringen en maatwerktrajecten.”

Strafrechtelijke maatregelen komen natuurlijk voort uit mogelijke strafbare feiten die door de mensen zijn begaan. Dit blijkt geen eenvoudige zaak zoals procedures rond 1F vluchtelingen (mensen verdacht van oorlogsmisdadigers) laten zien. “De strafrechtelijke aanpak van vermoedelijke rekruteurs en van terugkeerders die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie en/of betrokken zijn geweest bij (oorlogs)misdaden heeft te kampen met problemen met betrekking tot de bewijsgaring.” Bestuurlijke maatregelen en het lastigvallen van familie, vrienden, kennissen en omgeving zijn natuurlijk veel gemakkelijker en van een andere orde. Bij bestuurlijke maatregelen kan de overheid veel doen en is er geen rechter die toetst of die straf wel rechtmatig is opgelegd, een ondermijning van de rechtsorde die de dienst zegt te beveiligen. Volgens de coördinator kwamen “voor het eerst Nederlandse jihadisten met strijdervaring uit Syrië terug naar Nederland.” Op basis waarvan de coördinator stelt dat zij “strijdervaring” hebben, is onduidelijk. De bewijslast is voor de dienst blijkbaar eenvoudig: een jihadist komt uit Syrië, heeft dus bij Al Qa’ida gezeten en heeft gevochten, klaar.

De NCTV is beducht voor de “jihadistische propaganda,” “via websites en sociale media voor participatie in het conflict,” maar schuwt zelf ook geen propagandistische middelen. Hierboven ging het al over de propaganda van de getallen, maar ook ten aanzien van radicalisering gebruikt de dienst angst als propagandamiddel. In deze DTN waarschuwt de dienst voor de “toenemende radicalisering van kleine groepen islamitische jongeren in Nederland, waarop in DTN32 al werd gewezen.” In DTN-32 gaat het nog om “signalen die duiden op een toegenomen islamistische radicalisering van kleine groepen jongeren in Nederland,” maar de dienst moest tevens toegeven dat “groepen als Sharia4Holland en Behind Bars in de afgelopen periode nauwelijks openlijke activiteit toonden in Nederland.” In DTN-34 zijn er plotseling wel openlijke activiteiten, want de NCTV ziet als “voorbeeld hiervan in de openbare ruimte de bijeenkomsten op sportvelden waarbij jihadvlaggen worden vertoond.” Dit is volgens de dienst “Ook verheerlijking van de jihadgang.” Over hoeveel openbare vergaderingen (een grondwettelijk recht) het hier gaat in 2013 is onduidelijk. Tevens is het onduidelijk of mensen strafrechtelijk zijn vervolgd voor het zwaaien met jihadvlaggen in 2013. In DTN-31 werd ook geen virtuele radicalisering vastgesteld door de dienst, en eind 2013 schrijft de dienst dat de “openlijke propaganda via internet en sociale media uit jihadistische kringen voor deelname aan de strijd in Syrië sterk is gestegen.” Hoe deze propaganda eruit ziet en of dit Nederlandse jongeren zijn, de dienst houdt het allemaal vaag. Vaagheid die de dreiging alleen maar aanzwengelt.

Conclusie DTN 2013

Begin 2013 treedt er een nieuwe coördinator aan. Dick Schoof is een hardliner die meteen vol inzet en zonder blikken of blozen het terreurniveau verhoogt. Daarmee haalt hij ook de media. Onduidelijk is echter of de omstandigheden in vergelijking met de periode daarvoor ook daadwerkelijk zo angstaanjagend zijn. Schoof vindt van wel, want vooral de zogenaamde ‘jihadgangers’ zijn een ongekend gevaar. Door mensen te labelen als jihadgangers zijn het al daders, voordat ze iets gedaan hebben. Jihad, jihadisering, jihadisme, het zijn allemaal synoniemen geworden voor terroristen, terroristisch, terrorisme in de totale oorlog tegen de terreur. Zelfs het woord Syrië-ganger staat al gelijk aan terrorist terwijl mensen in een land in burgeroorlog ook als arts, verpleegkundige of op een andere wijze burgers kunnen helpen. En die J-reizigers zijn niet alleen een constante vorm van zorg. maar ook een constante vorm van statistisch goochelwerk. Wie de berichten in de dreigingsbeelden van de afgelopen jaren doorneemt, krijgt de indruk dat er honderden zo niet duizenden reizigers en terugkeerders zijn. Vaak neemt het aantal toe en is er naast tientallen sprake van aantallen tussen de vijftig en honderd. Of dit het vaste aantal is, blijft onduidelijk. Wie de cijfers op een rijtje zet ziet misschien een lichte stijgende trend, maar het gaat vooral om enkele reizigers of groepjes en niet hele vliegtuigen vol. Voor Terror Dick zijn naast de J-reizigers ook de terugkeerders een groot gevaar, maar wie zijn eerste dreigingsbeeld leest, ziet geen verontrustender ontwikkelingen dan de jaren ervoor. De oorlogen in Afghanistan en Irak hebben misschien niet uitgepakt zoals het westen wilde, maar dat is al jaren duidelijk. Libië was een avontuur dat als een boemerang naar Europa terugkomt in de jaren na een mislukte NATO interventie van Unified Protector. Syrië ontwricht in enkele jaren langzaam en destabiliseert de rest van de regio, iets dat ook geldt voor Mali in Noordelijk Afrika. Wapens zijn nooit een oplossing al is Schoof dol op legergroen in de straat. Schoof bouwt ook verder aan het leger terreurbestrijders en maatregelen om mensen die anders denken lastig te vallen. In 2013 zal de dienst ook vertrouwenspersonen aan haar terrorismebestrijders toevoegen en naast de gebruikelijke repressieve maatregelen ook het bestuurlijk instrumentarium van voormalig coördinator Joustra weer uit de kast halen. Waar dat allemaal voor nodig is, is niet duidelijk. Strafrechtelijke procedures lopen spaak omdat de bewijslast van jongens en meiden die uit Syrië terugkomen lastig is. De dienst lijkt zelfs niet te weten waar de jongeren nu echt belanden, “is het waarschijnlijk JaN, of zeker Al Qa’ida.” Als dit de bewijsvoering is, voorspelt het niets goeds voor jongeren die terugkomen. Wie nog niet door had dat Terror Dick er vol ingaat wat terreurbestrijding betreft, wordt fijntjes duidelijk gemaakt dat het vernielen van jachthutten, graffiti, demonstraties en een tentenkamp extremistische middelen zijn die in een dreigingsbeeld terrorisme thuis horen. Eigenlijk gebeurt er niets in Nederland. Gelukkig zijn er nog mensen die hun stemmen durven te laten horen in een klimaat waar elk geluid als extremistisch wordt bestempeld. Groepen jongeren die zich actief bezig houden met de radicale islam moeten helemaal oppassen. Zij staan volgens de dienst in een directe verband met terrorisme, maar doen eigenlijk niets, hooguit in het openbaar vergaderen, een bijeenkomst verstoren en wat dreigementen uiten. Een aantal jaren geleden was er de AEL, de Arabisch-Europese Liga. Haar plek is ingenomen door groepen als Sharia4Holland en Behind Bars, die net als hun voorganger openlijke activiteiten organiseren of niet actief zijn. Voor de dienst is dit allemaal verdacht en is er geen bereidheid om deze groepen normaal tegemoet te treden. Zij zijn al terroristische organisaties, al is daar geen bewijs voor. Die denkwijze vertaalt zich in een beleid waar maatregelen worden gestapeld ten aanzien van potentiële verdachte groepen en mensen en de inzet van grote groepen van de samenleving wordt gemobiliseerd. Zo injecteert de dienst niet alleen terrorismebestrijding in de maatschappij maar ook dreiging, angst en schrikbeelden. Uitingen op het internet zijn al doorontwikkeld van radicale naar extremistische en nu terroristische uitingen. De dienst radicaliseert onder Schoof verder tot een extremistisch bolwerk dat vooral angst aanjaagt en op zoek is naar meer subsidie voor dat dreigingsbeleid.

2014 welkom bij de oorlog van de terreur

DTN-35 / 24 februari 2014

De dreigingspropaganda van de dienst NCTV vervolgt in 2014 rustig zijn weg. In DTN-34 was de “strafrechtelijke aanpak van vermoedelijke rekruteurs en van terugkeerders die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie en/of betrokken zijn geweest bij (oorlogs)misdaden” nog lastig omdat er weinig bewijs was te vinden. In DTN-35 is het “duidelijk dat de meeste jihadstrijders in Syrië strijdervaring opdoen, gruwelijkheden plegen en doorradicaliseren.” Op basis waarvan de coördinator dit concludeert is onduidelijk, zeker als de bewijsgaring problematisch is. Inde beleidsopvolging bij DTN-35 stelt de coördinator dat “de Nederlandse jihadgangers op dit moment voetsoldaten zijn voor de strijd.” Hoe de dienst weet dat iedereen die daar naartoe reist ook meteen voetsoldaat wordt is ook niet helder. “Voetsoldaat” zou nog kunnen worden gezien als kanonnenvoer en dus enigszins een geste van de NCTV om de jongeren een handreiking te bieden, want uiteindelijk is het merendeel niet getraind en zal het ook daadwerkelijk kanonnenvoer zijn.

De coördinator wil echter geen redelijkheid, zijn propaganda is gericht op gevaar en dreiging. Hij beeldt de jongeren af als moordenaars met voorbedachten rade en zij zouden “al voor vertrek kortere of langere periode in jihadistische kringen verkeren, zowel in de offline als de online werkelijkheid.” Terwijl de dienst aan de andere kant stelt dat de jihadisten in Syrië niets voorstellen, hoewel de dienst al ruim een jaar het grote gevaar van die ‘jihadgangers’ verkondigt. “Het gros van de gewapende oppositiegroepen streeft niet een jihadistische agenda na. Jihadistische strijdgroepen vormen een kleine minderheid,” citeert de dienst de minister van Buitenlandse Zaken. Met de opkomst van IS in de zomer van 2014 in het achterhoofd, lijkt het inlichtingen verzamelen van het overheidsapparaat ook niet veel over. Wie de oorlog in Syrië zelfs minimaal had gevolgd, was tot de conclusie gekomen dat de beter georganiseerde, getrainde en gemotiveerde radicale groepen wel degelijk met minder menskracht, meer successen boekten. Het voorbeeld voor deze groepen kwam uit de jaren negentig, Afghanistan. En het voort etteren van de burgeroorlog in Syrië, met een leider die na 11 september 2001 ruim werd gesteund door het westen en een graag geziene handelspartner was, heeft tot een humanitaire ramp van grote omvang geleid. Dat dit tot grote destabilisering leidt, is geen moeilijke conclusie.

Nederlandse jongeren die daar gaan vechten, vormen een kleine te verwaarlozen groep. Deze groter maken is geen dreigingsanalyse, maar gevaren propaganda. In de inleiding van DTN-35 stelt Schoof dat “het aantal uitreizigers vanuit Nederland nog steeds stijgt.” Ook is er een groeiend “aantal terugkeerders dat strijdervaring in Syrië heeft opgedaan,” hoewel de coördinator daar niet bij vertelt wat voor ervaring dat is. De cijferoorlog van Schoof begint met de vaststelling dat “begin februari 2014 het totaal aantal uitreizigers sinds de zomer van 2012 uit kwam op ruim honderd, waarvan er ruim zeventig zich nog steeds in Syrië bevinden. Zeker tien personen zijn inmiddels om het leven gekomen. Verder is het aantal terugkeerders sinds oktober 2013 toegenomen tot ruim twintig.” In DTN-33 was het aantal al tussen de vijftig en honderd en in DTN-34 nam dat aantal ook al toe. In DTN-34 waren ze nog waarschijnlijk allemaal bij JaN terecht gekomen nu in 2014 is dat volgens de dienst zeker.

Sommige terugkeerders zouden volgens de NCTV “een radicaliserende en rekruterende rol spelen op jihadistische fora en sociale media.” Maar “de aanhoudende openlijke jihadistische manifestatie in Nederland” vindt niet alleen plaats op het internet ook op straat. In DTN-34 waren het nog “bijeenkomsten op sportvelden waarbij jihadvlaggen worden vertoond,” in DTN-35 beschrijft de coördinator een manifestatie van veertig mensen bij de Belgische en de Marokkaanse ambassade in Den Haag. De dienst stelt dat “in werkelijkheid bij deze demonstratie het betuigen van steun en het tonen van loyaliteit aan de ISIL en JaN centraal stond. De openheid waarmee de demonstranten hun leuzen uitten, duidt erop dat zij zich weinig gelegen laten liggen aan mogelijke negatieve consequenties van hun extremistische opvattingen.” Er was weinig aandacht in de media voor de manifestatie. In 2013 werd nog veel ophef gemaakt ook door de coördinator over Sharia4Holland een van de organisatoren van de demonstratie. De NCTV rept niet over vervolging van deelnemers aan de demonstratie in verband met opruiende teksten. Blijkbaar viel het opruien tegen want “de deelnemers aan de demonstratie zetten niet direct aan tot geweld in Nederland.”

Een enkel trapveldje bijeenkomst van enkele moslims, een demonstratie van veertig mensen waaronder enkele kinderen, een tiental jongeren ergens in Syrië en twintig die terugkeerden naar Nederland, “de jihadistische dreiging blijft de dominante factor in het dreigingsbeeld,” schrijft Schoof aan de vooravond van de neergeschoten MH-17. En die ongeveer zeventig nog levende radicaal islamitische jongeren in andere landen of in Nederland en enkele jongeren die willen uitreizen krijgen de volledige macht van de Nederlandse staat over zich heen in de vorm van wetgeving (verruiming van de mogelijkheid tot ontneming en de gronden voor verlies van het Nederlanderschap), bestuurlijke maatregelen ( het paspoort vervallen verklaren, bevriezen van de financiële tegoeden van mensen (reeds in vier gevallen toegepast), uitkeringen en toelagen korten of stopzetten), strafrechtelijke maatregelen (op basis van het jeugdrecht zijn kinderen onder toezicht gesteld en/of in gesloten jeugdinrichtingen geplaatst, operationele politieonderzoeken naar ronselaars) en toezicht tot in de haarvaten van hun leven. En voor de coördinator is het nog niet genoeg.

In DTN-34 schreef de NCTV al dat “de huidige situatie eens te meer duidelijk maakt dat álle operationele diensten beter zicht moeten krijgen op de reisbewegingen van jihadisten en vooral van terugkeerders naar Europa.” Passenger Name Record (PNR) komt sinds DTN-11 (2007) elk jaar ministens een keer voor in de terreurboden van de NCTV. De dienst stelt dat “het dan ook noodzakelijk is om op korte termijn de mogelijkheden om reisgegevens te kunnen gebruiken uit te breiden en de internationale samenwerking hierop te intensiveren. Op dit moment is dat op Europees niveau niet te realiseren. Daarom ga ik het gebruik van reisgegevens nationaal mogelijk maken.” De ik-vorm slaat op minister Opstelten, maar de dienst zit duidelijk aan de knoppen. Naast die Europese samenwerking werkt de coördinator ook samen met landen als Turkije, Marokko en natuurlijk de Algerijnse dictatuur waar in juni 2013 “de Verenigde Naties, met Nederlandse steun, een driedaagse bijeenkomst in Algiers” organiseerde.

DTN-36 / 30 juni 2014

DTN-36 loopt opnieuw over van reële aanslagen en zorgelijke ontwikkelingen. Schoof roept al anderhalf jaar dat de kans reëel is en in juli wordt hij op zijn wenken bediend. In juni is de situatie echter nog hetzelfde als zijn gehele periode als coördinator. Het enige verschil met DTN-34 en DTN-35 is dat de dienst geen cijfers meer verschaft maar alleen maar alarmerende berichten. De coördinator herhaalt zich om volume te produceren in het DTN. “Intussen blijven de uitreizen van Nederlanders naar jihadistische groeperingen in Syrië doorgaan,” gaat vooraf aan “het is zorgelijk dat de uitreizen naar Syrië, twee jaar nadat deze trek begon, nog steeds plaatsvinden.” De propaganda van J-reizen werkt volgens de NCTV want “op deze wijze wordt tot op heden een continue aanwas van uitreizigers gegenereerd.” Schoof geeft geen cijfers van deze “continue aanwas.”

Nederlandse vrouwen doen volgens de coördinator niet mee aan “gevechtshandelingen” maar ook daarvan is onduidelijk hoe de dienst bij een gebrekkige bewijsgaring tot deze conclusie is gekomen even als de vaststelling die eerder waarschijnlijk was van “Nederlandse jihadisten die in Syrië betrokken waren bij ernstige gewelddaden.” Net als de aanwas van de uitreizigers en de terugkeerders, is er de “jihadistische propaganda.” Propaganda van die ‘jihadisten’ wordt “via sociale media door Nederlandse jihadisten verspreid en is daardoor openlijk en laagdrempelig beschikbaar.” De dienst wil die ‘propaganda’ bestrijden “door Flagging, Notice & Take Action procedures, Notice & Take Down, counternarratives en door het versterken van de online weerbaarheid.” De coördinator noemt als voorbeeld “radiostation Ghurabaa” en “de website dewarereligie.nl” waarbij de NCTV zonder onafhankelijke rechterlijke toetsing de hosters van de radio en de website heeft benaderd. De dienst heeft ook geen aangifte gedaan tegen de radio en/of de website.

Bij een oorlog, ook een oorlog tegen de imaginaire terreur hoort propaganda. Tegenover de propaganda van de dienst over het gevaar dat in alle uithoeken van de Nederlandse samenleving zou schuilen, is er de propaganda van de jongeren die op avontuur gaan naar Syrië en waarvan er waarschijnlijk slechts enkelen levend terugkomen. Volgens de NCTV gaat “van teruggekeerde jihadisten niet alleen een potentiële aanslagdreiging en een radicaliserende werking uit, maar zij kunnen zich in Nederland tevens op gewelddadige wijze inlaten met fondsenwerving voor de jihad.” Die gewelddadige fondswerving zou blijken uit een zwaarbewapende man Mohamed A. die gearresteerd werd, terwijl hij volgens justitie onderweg was om een overval te plegen op 15 mei 2014. Volgens het Openbaar Ministerie had Mohamed A. een half jaar gevochten in Syrië, volgens zijn advocaat is hij daar niet geweest.

Of groepen in Syrië zitten te wachten op geld uit Nederland is onduidelijk, gezien de controle van groepen als IS en JaN over de delen van de natuurlijke hulpbronnen van Syrië en de verkoop van archeologische stukken aan vooral Europeanen. Naast de 21-jarige man die op 15 mei 2014 werd gearresteerd, werd ook nog 18-jarige Haagse jongen Oussama C. aangehouden in de Brusselstraat op 24 juni 2014 voor ronselen en opruien. Ook zouden twee mannen voor het beramen van een aanslag op Geert Wilders zijn gearresteerd. Dit laatste wil coördinator noch bevestigen noch ontkennen, en het bericht komt van Geert Wilders zelf. Het Openbaar Ministerie ontkent dat er iemand vast zat voor het voorbereiden van een aanslag op Wilders. “Er zit niemand vast voor het voorbereiden van een aanslag op Wilders. Ook heeft er niemand in het verleden vastgezeten”, aldus een woordvoerder van het OM volgens RTL Nieuws. Om dreiging te kunnen inschatten zijn ten eerste feiten van belang en daarnaast kan een vergelijking met identieke dreiging uit het verleden inzicht geven in het gevaar. De coördinator laat echter niets los over het bestaan van de twee verdachten van een mogelijke aanslag op Wilders. Als ze al bestaan, lijken ze dan op Bilal Lamrani of andere mensen die Wilders iets wilden aandoen. Zijn ze daadwerkelijk in Syrië geweest, zijn ze ‘getraind’, maakten zij in het verleden deel uit van het criminele circuit en hoe serieus moeten ze worden genomen? Om op basis van enkele verdachten te stellen dat terugkeerders een gevaar zijn, waarbij het misschien niet eens om terugkeerders gaat of de verdachten niet aanwezig zijn, lijkt eerder op wensdenken dan een duidelijke analyse van het aanwezige gevaar.

Ditzelfde geldt voor de stelling in DTN-35, het eerste dreigingsbeeld van 2014, dat “de weerbaarheid binnen moslimgemeenschappen in toenemende mate onder druk komt te staan.” In DTN-35 wordt de schuld gelegd bij “het intimiderende optreden van pro-jihadistische jongeren dat hier debet aan is.” De dienst lijkt in gesprek met “salafistische voormannen” (het salafisme werd enige tijd geleden nog als het grote gevaar gezien) want die “stellen dat er sprake is van een «gevaarlijke polarisatie» binnen moslimgemeenschappen.” De coördinator verhaalt verder dat “debatten over islam en democratie en de strijd in Syrië nauwelijks meer zonder beveiliging georganiseerd zouden kunnen worden.” Details staan niet vermeld in het DTN van het voorjaar van 2014. In DTN-36 borduurt de coördinator verder op dit fenomeen. “Er zijn echter zorgen over de weerbaarheid onder de moslimbevolking over langere termijn.” De NCTV stelt dat de intimidaties van de jihadisten hebben plaatsgevonden rond de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014: “Nederlandse jihadisten voerden fel actie tegen de deelname van moslims aan de gemeenteraadsverkiezingen.” Waarom de weerstand van de moslimgemeenschap onder druk zou staan wordt niet duidelijk want de coördinator moet ook constateren dat ze geen invloed hebben gehad op deelname aan de verkiezingen. In DTN-37 is deze dreigingsstorm plots verdwenen terwijl het de boel voor “lange termijn” op stelten zou kunnen brengen.

Voor analyse van het ‘jihadistische gevaar’, maakt de coördinator gebruik van het woord sekte-achtig. In DTN-2 kwam dit woord al eerder voor in een poging radicalisering te beschrijven. In DTN-36 lijkt het een vast onderdeel van het dreigingsvocabulaire van de NCTV te worden want in DTN-37 is het gebruik van het woord sekte explosief toegenomen. En naast de jihadistische sekte zijn er ook andere radicale of extremistische bewegingen die volgens de dienst “minder zichtbaar in de media, maar relevant zijn voor de terroristische dreiging” zijn. Het niet-jihadisme heeft volgens de dienst het karakter van “asielrechtenextremisme, dierenrechtenextremisme en rechts-extremisme.”

In het kader van de terrorisme dreiging vermeldt de dienst in DTN-34 dat er “binnen het kader van asielrechtenextremisme vernielingen en bekladdingen plaats vonden, vooral in de aanloop naar en tijdens het internationale No Border Camp (NBC), dat van 2 tot en met 10 augustus 2013 in Rotterdam werd gehouden.” De NCTV verschaft geen details zodat moeilijk is vast te stellen of het hier om strafbare feiten of overtredingen gaat. Ook is onduidelijk of er proces-verbaal is opgemaakt, onderzoek gepleegd, vervolging ingesteld en andere strafrechtelijke procedures zijn georganiseerd die de claim van de dienst kunnen ondersteunen. In DTN-35 gaat het over een mislukte bezetting van “het Huis van Europa in Den Haag (december 2013),” waarna “het eilandje in de Hofvijver kort werd bezet.” Dit laatste was zeker het vermelden waard in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.

Ook “milieu-extremisten vernielden opnieuw een proefveld met genetisch gemodificeerde gewassen. Ook van belang om op te nemen in het dreigingsbeeld. Sinds 2003 gebeurde dit gemiddeld drie keer per jaar,” schrijft de coördinator in DTN-34 als steun voor bedrijven als Monsanto. Ook Groningen wordt door de coördinator genoemd in het kader van milieu terrorisme (DTN-36): “De afgelopen periode zijn de acties tegen de gaswinning in Groningen geïntensiveerd. De inmenging van de landelijk opererende, radicale milieugroepering GroenFront! in het radicale verzet tegen gaswinning zorgt vanaf januari 2014 voor een professionalisering en verharding van de acties.” In terreurbode DTN-34 wordt de oprichting van 269Life Nederland “een opvallende gebeurtenis” genoemd. Internationaal zou de beweging “buitenwettelijke acties” op zijn naam hebben staan “zoals insluipacties bij stallen en het «bevrijden» van dieren.” De coördinator treedt niet verder in details.

Van de extreemrechtse terreur vermeldt de NCTV in DTN-35 het feit dat de “rechts-extremistische (politieke red.) partij Nederlandse Volks-Unie (NVU) in drie gemeenten aan de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014 deelneemt.” Waarom een politieke partij in het terrorisme beeld belandt, verklaart de coördinator niet. Bij verschillende rechtse-extremistische incidenten is die vraag überhaupt gerechtvaardigd want volgens de NCTV hebben die groepen “nauwelijks nog organisatie- en wervingskracht.” Eigenlijk is hun situatie te vergelijken met de leiderloze al dan niet bestaande jihadistische netwerken. Toch stelt de coördinator dat de groepen inspelen op “maatschappelijke polarisatie” zoals bij de “gebeurtenissen in Deurne en de voorwaardelijke invrijheidstelling van Volkert van der G.” De dienst stelt dat het de groepen gaat om “media-aandacht, waar het de initiatiefnemers mede om te doen is,” maar groei zit er blijkbaar niet in. Media aandacht, polariserende teksten kan ook gemakkelijk gezegd worden van linkse groepen, politieke partijen, de dienst zelf en andere maatschappelijke spelers.

Zeventien dagen voor de neergeschoten vlucht MH-17 schrijft de dienst in de beleidsopvolging vooral over de “integrale aanpak” van het jihadisme. De niet-jihadisten spelen bij de integrale aanpak geen rol, al kunnen maatregelen natuurlijk voor iedereen gebruikt worden. Zonder dat er sprake is van strafbare feiten stelt de coördinator, dat “het onacceptabel is dat Nederlandse ingezetenen deelnemen aan deze jihadistische beweging en de gewelddadige jihadistische strijd ongeacht waar ze plaatsvindt of gaat plaatsvinden. Alle beschikbare middelen worden daarom aangewend om uitreis met dit doel te verhinderen, risico’s van elke terugkeerder weg te nemen en het werven van nieuwe aanhang tegen te gaan.” Ten aanzien van mensen die aan een andere gewapende strijd in hetzelfde gebied of op een andere plaats meedoen, staat in de beleidsopvolging geen woord.

Alles wordt uit de kast gehaald zowel op nationaal als Europees niveau. Op inlichtingengebied gaat het om het SIS, Schengen Informatie Systeem, reisgegevens, Europol, en informatie uitwisseling. “Het delen van gegevens en ervaringen op de domeinen preventie en repressie wordt verder geïntensiveerd.” Naast risicoreducties zijn er interventies als het “uitschrijven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (dertig keer), paspoortmaatregel (29 keer), onder toezicht en/of in een gesloten jeugdinrichting te plaatsen (zes keer), stopzetten uitkeringen en studiefinanciering (30 keer) en het bevriezen financiële tegoeden (12 keer).” Al deze maatregelen zijn bestuurlijke maatregelen en zijn voor het merendeel niet getoetst door een onafhankelijke rechter, iets dat in de lijn ligt van de verschillende landen waar de coördinator graag mee samenwerkt. Na Marokko, Algerije, Saoedi-Arabië en Turkije heeft de dienst Jordanië aan haar partners toegevoegd. Amnesty International en Human Rights Watch berichten over martelingen, slechte behandelingen in gevangenissen, oneerlijke processen, doodsstraf, onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting en andere mensenrechten schendingen in het land waar de coördinator graag mee samenwerkt.

DTN-37 / 12 november 2014

De roep om een aanslag zet zich ook in het laatste dreigingsbeeld van 2014 voort. “De tendens van een niet te onderschatten langdurige jihadistische dreiging zet door en neemt met de aanslagen in andere westerse landen steeds concretere vormen aan.” En “de recente ontwikkelingen in de wereld en in ons eigen land laten een steeds reëlere dreiging van terroristische aanslagen door jihadisten zien.” Aanslagen die concreter vorm krijgen, dreiging die diffuus wordt (net als in DTN-7 en DTN-29) en een veranderend beeld net als in DTN-36, de dienst staat in het centrum van de storm. Volgens de coördinator zijn ‘we’ klaar voor een aanslag: “De Nationale Politie is goed geprepareerd voor het direct en adequaat handelen bij een terroristische aanslag.” Gelukkig overschaduwt IS het neergeschoten vliegtuig MH-17 en kan de NCTV doorpakken met “de huidige dreiging die een mondiaal probleem is,” en een “ bestrijding die (volgens de dienst) dan ook een gedeelde internationale verantwoordelijkheid is.”

Nederland doet op alle fronten mee met de coördinator op de voorplecht. Bij “de EU Kopgroep Foreign Fighters, in het Global Counter Terrorism Forum én door de deelname aan de militaire coalitie in Irak,” Schoof wil erbij zijn. De NCTV stelt namelijk dat “niet eerder de Nederlandse deelname aan een internationale militaire missie zo direct verbonden geweest met veiligheid in ons eigen land.” Volgens de dienst bestrijden wij “groeperingen die het op ons gemunt hebben op” en komt de Nederlandse deelname aan die strijd “direct onze nationale veiligheid ten goede.” Wat de bombardementen aan menselijk leed in de zogenoemde jihadistische strijdgebieden aanrichten, daar spreekt de coördinator niet over. Ook niet over lange termijn effecten van die interventies, want ervaringen met die interventies zouden en we niet hebben in de oorlog tegen de terreur. Afghanistan (2001), Irak (2003), Libië (2011) en diverse andere avonturen zijn alweer vergeten. Nederland volgt de Verenigde Staten met oogkleppen op in een wereld die steeds meer aan het ontvlammen is.

En om hoeveel Nederlandse tegenstanders in de oorlog tegen de terreur gaat het dan? In DTN-36 ging het om “een continue aanwas van uitreizigers.” In DTN-37 heeft die “gestage toename van uitreizigers zich voortgezet zodat inmiddels in de afgelopen twee jaar rond de 160 personen zijn uitgereisd (cijfers per 1 november).”In hoeverre deze cijfers te vergelijken zijn met de cijfers uit DTN-35 is onduidelijk. In DTN-36 worden geen cijfers vermeld. In DTN-35 stelt de dienst dat “begin februari 2014 het totaal aantal uitreizigers sinds de zomer van 2012 uit kwam op ruim honderd.” Daaronder waren ruim twintig terugkeerders, zeker tien personen die zijn gestorven (zonder vermelding van de oorzaak van die sterfte) en ruim zeventig mensen die zich daar nog zouden bevinden.” Hoe het woord “ruim” moet worden geïnterpreteerd, is onduidelijk. Soms wordt zelfs een marge van dertig aangehouden bij “ruim honderd” zodat het om honderddertig mensen zou kunnen gaan. De coördinator stelt nu dat het aantal uitreizigers rond de 160 is, waarvan “zover bekend achttien zijn omgekomen,” dertig zijn teruggekeerd en “rond de honderd Nederlanders nog in het strijdgebied aanwezig zijn, onder wie zo’n dertig vrouwen.”

Over de slachtoffers stelt de dienst dat die zijn omgekomen door “luchtaanvallen door de internationale coalitie, door onderling geweld tussen jihadisten en anderszins.” De coördinator beschrijft niet of de mensen verdacht waren van een strafbaar feit, aan vijandige handelingen hebben deelgenomen, lid waren van een terroristische organisatie en de doodstraf verdienden. Daar waar de NCTV in DTN-35 er nog zeker van was dat alle Nederlanders (ruim zeventig wat dus honderd zou kunnen zijn) “bij JaN (Jabhat al Nusra) zijn terecht gekomen”, zijn de Nederlandse jihadisten (rond de honderd in DTN-37) “op dit moment actief bij minimaal drie jihadistische strijdgroepen; de meerderheid valt onder Jabhat al Nusra (JaN) en ISIS, een minderheid bevindt zich bij Jund al-Aqsa (JaA).”

En welk gevaar schuilt er dan daadwerkelijk in Nederland zelf? De dienst spreekt van “risico’s die uitgaan van jihadisten en jihadgangers,” waarbij het om uitgereisden, terugkeerders, niet-uitgereisden en verder onbekenden gaat. Maar het zijn vooral de emoties van de jihadist volgens de dienst NCTV: “De emoties van Nederlandse jihadisten in Syrië of van hun sympathisanten in Nederland over het Amerikaanse offensief en de Nederlandse deelname daaraan, kunnen zich tot een dreiging ontwikkelen tegen Nederland of Nederlandse belangen in het buitenland.” Om te onderstrepen dat het alom aanwezige jihadistische gevaar ook echt op de loer ligt schrijft de coördinator: “De arrestatie van een Marokkaanse staatsburger in Amsterdam op 15 oktober, die door ISIS geïnspireerde terroristische intenties zou hebben tegen politiemensen, bevestigt het grensoverschrijdende karakter van de jihadistische dreiging.” Het openbaar ministerie schrijft zelf: “Na de aanhouding van de man en de doorzoeking van zijn woning zijn geen wapens of concrete plannen voor aanslagen gevonden.”

Volgens de NCTV zijn daarnaast “door adequaat optreden van politie en justitie recent verschillende personen gearresteerd en zijn meerdere pogingen tot uitreis verijdeld. Op dit moment lopen er in Nederland in totaal ruim dertig ‘jihadgerelateerde’ strafrechtelijke onderzoeken naar circa zestig personen.” Hoeveel van deze zestig mensen in Nederland bevinden is onduidelijk. Hoe gevaarlijk deze mensen zijn, is ook niet vast te stellen op basis van de informatie. De dienst stelt dat het “over verdenkingen van samenspanning tot deelname aan de gewapende strijd (uitreizen), voorbereiden terroristische handelingen (onduidelijk of dat hier of ergens anders is), opruiing, bezitten en verspreiden van jihadteksten, faciliteren en bevorderen jihadgang en het voorbereiden van terroristisch handelen (ook onduidelijk hier of ergens anders is).” Voor de directe dreiging en de inschatting of personen in Nederland echt gevaar lopen zijn de voorbereidingen op terroristische handelingen en het terroristisch handelen van belang. Het feit dat de coördinator zowel handelingen als handelen gebruikt is opvallend. Handeling is een juridische term, handelen wat platter, een daad, iets dat hier en nu gaat plaatsvinden.

Wie echter de beleidsbevindingen bij DTN-37 doorneemt zal slechts “gerichte aanpak van de jihadistische beweging,” “scherp repressief en preventief optreden”, “repressieve en preventieve maatregelen,” “interventiestrategieën,” “absolute noodzaak,” “sekteachtige mechanismen,” “extra impuls,” vinden en geen duidelijke analyse, context, beschrijving van die zestig mensen die als verdachte al dan niet gearresteerd zijn. Bij de “integrale aanpak” staat dat “er in Den Haag twaalf personen zijn aangehouden die in verband kunnen worden gebracht met jihadistische activiteiten.” Wat voor “jihadistische activiteiten” en of deze jihadistische activiteiten al in het wetboek van strafrecht zijn gekomen, maakt de dienst niet duidelijk. Dat veel vervolging niet te maken heeft met het handelend optreden van de verdachten geeft de dienst ook toe: “Het OM vordert met het intensiveren en coördineren van de strafrechtelijke aanpak van (dreigend) terrorisme.” “Dreigend terrorisme”, is eigenlijk de drie-vier maandelijkse terreurbode van de NCTV, maar bij dreigend terrorisme lijkt er geen sprake van überhaupt het verzamelen van wapens en/of explosieven, iets dat voorbereidingshandelingen heet en niet dreigend terrorisme.

Wel stelt de coördinator dat “personen die zijn aangehouden of veroordeeld voor terroristische misdrijven, zijn geplaatst op de speciale terrorismeafdeling (TA).” Of dit positief is of niet, bijdraagt aan een vreedzame samenleving, het wordt niet duidelijk uit de integrale aanpak. De dienst stelt nog dat “de capaciteit op de terroristenafdelingen van de Penitentiaire Inrichting Vught is uitgebreid,” maar of dit positief moet worden opgevat of juist een teken is dat het allemaal gevaarlijker wordt in Nederland, het blijft gissen. Wie alle maatregelen die de overheid heeft genomen op een rij zet, komt tot de conclusie dat het bij alle bestuurlijke maatregelen gaat om verdachten van uitreizen of uitgereisden. Slechts een keer schrijft de dienst dat er “een uitgereisde Nederlandse jihadganger in een filmpje op Facebook opriep tot ‘een sterke, stevige daad tegen de Nederlandse overheid’.” De coördinator terreur impliceert dat de persoon een aanslag bedoelt, maar uit de stukken is niet te achterhalen of er nader onderzoek naar de persoon is gedaan.

Net als in DTN-36 volgt in DTN-37 een trots overzicht van alle bestuurlijke maatregelen die de coördinator voor elkaar heeft weten te boksen. “Van alle gekende uitreizigers zijn de sociale uitkeringen en toelagen stopgezet. Dit is inmiddels in ruim vijftig gevallen gebeurd. Tevens zijn veel uitreizigers uitgeschreven als ingezetenen in de Basisregistratie Personen (BRP). Sinds december 2013 heeft de minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de ministers van Financiën en Veiligheid en Justitie besloten om elf personen op de nationale terrorismelijst te plaatsen. Van deze elf personen zijn er vijf sinds de aanbieding van het Actieprogramma op 28 augustus op de nationale terrorismelijst geplaatst. Onderkende jihadistische reizigers worden voor Europese signalering opgevoerd in het SIS II. Zo worden personalia van onderkende uitreizigers verstrekt aan INTERPOL die deze informatie verder internationaal verspreidt.”

Ook grondwettelijke rechten als de vrijheid van meningsuiting en manifestatie worden in het terreur vertoog getrokken. De verschillende schermutselingen, vlaggen, spandoeken en leuzen tijdens demonstraties in de Schilderswijk in de zomer van 2014 zijn onderwerp van “strafrechtelijke onderzoeken inzake haatzaaien en opruiing.” De reactie van de dienst op de demonstraties in de zomer in vergelijking met de demonstratie uit DTN-35 laat zien hoe de overheid verder radicaliseert. Dit standrechtelijk optreden van de overheid ten aanzien van verdachten en demonstraties breidt zich als een inktvlek uit ook naar terreinen als de “bestrijding van radicalisering” en “jihadistische content” op het internet. “Binnen de politieorganisatie treedt dit team signalerend en coördinerend op bij de bestrijding van de verspreiding van radicaliserende, haatzaaiende jihadistische content. Producenten en verspreiders van online jihadistische propaganda en de digitale platforms die zij misbruiken, worden geïdentificeerd en aangepakt.” De woorden rechterlijke toetsing en rechtsstaat komen ten aanzien van het internet helemaal niet meer ter sprake.

Naast deze maatregelen wordt het korps terreurbestrijders opgeschaald en ‘geprofessionaliseerd’ met kennisbanken en apps. “Ook wordt de Kennisbank Terrorisme uitgebreid met een applicatie (app) waarmee eerstelijnsprofessionals (zoals wijkagenten en jongerenwerkers) vanaf hun mobiele telefoon toegang tot informatie over terroristische organisaties krijgen.” Al deze controlerende, semi-strafrechtelijke en bestuurlijke maatregelen tegen verdachten, niet veroordeelden staan in schril contrast met de “brede maatregelen die nodig zijn om de rechtsstaat te versterken,” zoals de dienst beweerd. Wat die maatregelen precies zijn, blijft gissen, het gebruik van bestuurlijke maatregelen zonder tussenkomst van een onafhankelijke rechter, tast de rechtsstaat in haar fundamenten aan, namelijk dat iedereen onschuldig is tenzij het tegendeel is bewezen. Het gebruikte instrumentarium en “brede maatregelen voor de rechtsstaat” klinken allemaal als “terrorismebestrijding ter bescherming van mensenrechten”, de “rule of law” en het samenwerken met dictaturen, regimes (zoals Marokko in het kader van het Global Counterterrorism Forum) en groepen die de mensenrechten met voeten treden. Welkom in de oorlog van de terreur.

Het dreigingsbeeld van 2014 verschilt niet van de negen voorgaande jaren. De kans op een aanslag is reëel en de dienst krijgt die ook voor zijn kiezen. Elke coördinator heeft zo zijn elf september 2001 moment gecreëerd. Joustra was nog niet begonnen aan het schrijven van de terreurbode of Theo van Gogh werd vermoord. Akerboom was net aangetreden of 30 april 2009 hakte er in. Akerboom moest ook omgaan met de schietpartij in Alphen aan de Rijn. Schoof had het in het eerste jaar iets gemakkelijker, hij verhoogde de dreiging, maar er waren geen aanwijzingen. In zijn tweede jaar als coördinator wordt een Boeing uit de lucht geschoten. Keer op keer reageert de dienst ontwijkend op deze evidente menselijke drama’s. Zelfs de moord op Van Gogh, die past in het jihadistische wereldbeeld van de dienst, is niet uitgebreid aan bod gekomen. Aan deze Nederlandse drama’s wordt geen aandacht besteed en dat is zorgwekkend voor een dienst die beweert te staan voor terrorisme bestrijding en veiligheid. Analyses van het eigen functioneren behoren dan ook niet tot het repertoire van de coördinator. Er moet op jihadi’s worden gejaagd en daarvoor is het schetsen van een zo noodlottig mogelijk beeld van de moslimgemeenschap de belangrijkste voorwaarde. De Terugkeerders en J-reizigers zijn in zijn tweede jaar als coördinator al oorlogsmisdadigers pur sang. Ook al is de bewijslast lastig de dienst weet dat de ‘jihadgangers’ “strijdervaring opdoen, gruwelijkheden plegen en doorradicaliseren.” Het zijn “voetsoldaten” in de oorlog die de NCTV graag wil voeren. De notie dat in Syrië een dictator al decennia aan de macht is en een deel van het volk zich wil bevrijden van deze dictatuur is in de dreigingsbeelden niet terug te vinden. Het woord burgeroorlog ten aanzien van Syrië komt in 2011 en 2012 niet voor in het vocabulaire van de dienst. In 2013 en 2014 komt burgeroorlog in Syrië in vier van de zes dreigingsbeelden voor. In slechts een van alle dreigingsbeelden van de afgelopen tien jaar wordt melding gemaakt van tienduizenden doden (DTN-33). De miljoenen vluchtelingen en de ontwrichting van een hele regio, de dienst maalt er niet om. Alles dient de oorlogsretoriek van de dienst. Burgers, burgerslachtoffers, vluchtelingen zijn daarom niet interessant. De terugkeerders hebben een propagandistische, radicaliserende en rekruterende en met openbare bijeenkomsten wordt volgens de NCTV een stille oorlog gevoerd om de ‘hearts and minds’ van moslims te winnen. Voorbeelden te over zou je zeggen, maar de dienst komt maar met twee magere exemplaren. Een samenloop op een sportveldje en demonstratie van veertig mannen, vrouwen en kinderen van Sahria4Holland. Het overdrijven van het gevaar zit in de genen van de dienst want In DTN-35 alarmeerde de NCTV plotseling de wereld omdat “pro-jihadistische jongeren” de moslimgemeenschappen in hun greep zouden hebben door intimidatie. Deze intimidatie hype van de coördinator duurt twee dreigingsbeelden en is vervolgens verdwenen. Hypes, de coördinator leeft er van. De ‘jihadgangers’ hype met onduidelijke aantallen en alarmerende stijgingen herhaalt zich elk dreigingsbeeld. Steeds lijkt het aantal J-reizigers explosief toe te nemen, maar wie de cijfers op een rij zet ziet steeds een lichte stijging. Dat die stijging misschien iets met het beleid van de dienst te maken heeft dringt niet door in Den Haag. De jonge Nederlandse tegenstanders van het Westen krijgen de volle sterkte van de staat over zich heen. Alles wordt uit de kast getrokken om jonge mannen en vrouwen van rond de twintig en ook minderjarigen aan te pakken. Of het beleid effect heeft, blijft onduidelijk. In de haast om een handvol sympathisanten van groepen in Syrië, Irak en andere zogenaamde jihadistische strijdgebieden onder controle te krijgen wordt samengewerkt met dictaturen en regimes die de mensenrechten op grote schaal schenden. De dienst NCTV lijkt die landen langzaam als voorbeelden van effectief beleid te zien en de rechtsstaat lijkt voor de dienst een gepasseerd station. Dat deze jihadistische oorlog van de dienst niets met veiligheid te maken heeft, blijkt uit de neergeschoten vlucht MH-17. Waarom de dienst de basisveiligheid van de burgerluchtvaart niet op orde heeft, is niet interessant. Dezelfde reflex was zichtbaar na de dodelijke schietpartij in Alphen aan de Rijn. En dat terwijl de coördinator in haar takenpakket de “zorg voor de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen met name terrorisme” en “het toezicht op de inrichting van de keten van de beveiliging van de burgerluchtvaart” heeft zitten. Daarnaast schrijft de dienst zelf in bijlagen bij DTN-33 “vanuit de NCTV wordt doorlopend gewerkt aan het ontsluiten van nuttige informatie voor professionals, bijvoorbeeld via een kennisbank, factsheets en whitepapers, alsmede aan het bieden van concreet handelingsperspectief, zoals via e-learningmodules. Het vergroten van veiligheidsbewustzijn van maatschappelijke actoren is daarbinnen een belangrijke speerpunt.” De dienst spreekt van het “vergroten van veiligheidsbewustzijn”, maar lijkt vooral geobsedeerd door een kleine groep jongeren, die wil uitreizen naar een plek die zo langzamerhand veranderd is in het inferno van Dante en daar misschien van willen terugkeren, en een oorlog tegen de terreur die de wereld alleen maar meer in brand zet. Welkom in de oorlog van de terreur.

Buro Jansen & Janssen, 25 maart 2015

artikel

artikel als pdf

Canadian military predicted Libya would descend into civil war if foreign countries helped overthrow Gaddafi (2015)

Canadian military intelligence officers predicted in 2011 that Libya could descend into a lengthy civil war if foreign countries provided assistance to rebels opposing the country’s dictator Muammar Gaddafi, according to documents obtained by the Ottawa Citizen.

The warning, made just days before several countries, including Canada, began their March 2011 bombing campaign against Gaddafi’s regime, has unfolded as predicted.

Libya has descended into chaos as rival tribes and militias continue to battle each other for control of the country.

Last week, Libyan Foreign Minister Mohamed Dayri warned that warring factions were pushing his country into a full-scale civil war. Italy has also raised concerns that Islamic extremists who now occupy parts of the country pose a threat to the region and Europe.

The Canadian government and military played key roles in overthrowing Gaddafi and highlighted those efforts as a significant victory both for Libya and Canadians.

At the time, then-foreign affairs minister John Baird reinforced Canada’s support for the rebel groups fighting Gaddafi, pointing out they had a well-developed plan that would transform the country into a democracy. “The one thing we can say categorically is that they couldn’t be any worse than Col. Gaddafi,” said Mr. Baird.

But when Gaddafi was overthrown in the fall of 2011, the various rebel groups refused to surrender their weapons and instead began fighting each other.

The uprising against Gaddafi began in February 2011. But it was NATO warplanes that destroyed large parts of Libya’s military and are now credited with allowing rag-tag militias and assorted armed groups to eventually seize control of the country.

Various nations began the military intervention in Libya on March 19, 2011. Canadian CF-18 fighter jets started their bombing runs on March 23.

Just days before, however, Canadian intelligence specialists sent a briefing report shared with senior officers. “There is the increasing possibility that the situation in Libya will transform into a long-term tribal/civil war,” they wrote in their March 15, 2011 assessment. “This is particularly probable if opposition forces received military assistance for foreign militaries.”

Some officers in the Canadian Forces tried to raise concerns early on in the war that removing Gaddafi would play into the hands of Islamic extremists, but military sources say those warnings went unheeded. Later, military members would privately joke about Canada’s CF-18s being part of “Al-Qaeda’s air force,” since their bombing runs helped to pave the way for rebel groups aligned with the terrorist group.

The Royal Canadian Air Force flew 10% of the missions during NATO’s campaign.

One can quarrel with it or not quarrel with it, but the mission was we would provide air cover for those that were initially subject to Gaddafi’s attacks and ultimately became his overthrowers

At the time of the Libyan uprising, U.S. Adm. James Stavridis, the NATO leader, acknowledged that some of the rebels benefiting from the air strikes could be linked to Islamic extremists. But he said that, overall, the opposition forces were made up of “responsible men and women.”

In September 2014, Prime Minister Stephen Harper defended Canada’s role in Libya, suggesting that neither it nor NATO can be held responsible for the chaos that has since engulfed that country. “One can quarrel with it or not quarrel with it, but the mission was we would provide air cover for those that were initially subject to Gaddafi’s attacks and ultimately became his overthrowers,” Mr. Harper explained shortly before meeting NATO leaders.

“The decision was made at the outset that we were not going to go into Libya (on the ground) per se. It was going to be up to the Libyans to then make the best of the situation.”

Gaddafi was considered a brutal dictator, but in later years he was embraced by Western leaders, who provided his forces with military training and weapons.

Analysts with the Department of National Defence also noted Gaddafi was a staunch ally of the West in the war against Al-Qaeda and Islamic extremism.

His efforts against Al-Qaeda-backed forces and his co-operation with the U.S. in providing information on terrorist networks were highlighted in a number of DND reports from 2002, 2003 and 2006 obtained by the Ottawa Citizen using the Access to Information law.

Gaddafi had his own reasons for helping the U.S. and Western nations in fighting Islamic extremists, since they also represented a threat to his own power.

POSTMEDIA NEWS 03.01.2015

Find this story at 3 January 2015

© 2015 Postmedia Network Inc.

The Killing of Osama bin Laden (2015)

It’s been four years since a group of US Navy Seals assassinated Osama bin Laden in a night raid on a high-walled compound in Abbottabad, Pakistan. The killing was the high point of Obama’s first term, and a major factor in his re-election. The White House still maintains that the mission was an all-American affair, and that the senior generals of Pakistan’s army and Inter-Services Intelligence agency (ISI) were not told of the raid in advance. This is false, as are many other elements of the Obama administration’s account. The White House’s story might have been written by Lewis Carroll: would bin Laden, target of a massive international manhunt, really decide that a resort town forty miles from Islamabad would be the safest place to live and command al-Qaida’s operations? He was hiding in the open. So America said.

The most blatant lie was that Pakistan’s two most senior military leaders – General Ashfaq Parvez Kayani, chief of the army staff, and General Ahmed Shuja Pasha, director general of the ISI – were never informed of the US mission. This remains the White House position despite an array of reports that have raised questions, including one by Carlotta Gall in the New York Times Magazine of 19 March 2014. Gall, who spent 12 years as the Times correspondent in Afghanistan, wrote that she’d been told by a ‘Pakistani official’ that Pasha had known before the raid that bin Laden was in Abbottabad. The story was denied by US and Pakistani officials, and went no further. In his book Pakistan: Before and after Osama (2012), Imtiaz Gul, executive director of the Centre for Research and Security Studies, a think tank in Islamabad, wrote that he’d spoken to four undercover intelligence officers who – reflecting a widely held local view – asserted that the Pakistani military must have had knowledge of the operation. The issue was raised again in February, when a retired general, Asad Durrani, who was head of the ISI in the early 1990s, told an al-Jazeera interviewer that it was ‘quite possible’ that the senior officers of the ISI did not know where bin Laden had been hiding, ‘but it was more probable that they did [know]. And the idea was that, at the right time, his location would be revealed. And the right time would have been when you can get the necessary quid pro quo – if you have someone like Osama bin Laden, you are not going to simply hand him over to the United States.’

This spring I contacted Durrani and told him in detail what I had learned about the bin Laden assault from American sources: that bin Laden had been a prisoner of the ISI at the Abbottabad compound since 2006; that Kayani and Pasha knew of the raid in advance and had made sure that the two helicopters delivering the Seals to Abbottabad could cross Pakistani airspace without triggering any alarms; that the CIA did not learn of bin Laden’s whereabouts by tracking his couriers, as the White House has claimed since May 2011, but from a former senior Pakistani intelligence officer who betrayed the secret in return for much of the $25 million reward offered by the US, and that, while Obama did order the raid and the Seal team did carry it out, many other aspects of the administration’s account were false.

‘When your version comes out – if you do it – people in Pakistan will be tremendously grateful,’ Durrani told me. ‘For a long time people have stopped trusting what comes out about bin Laden from the official mouths. There will be some negative political comment and some anger, but people like to be told the truth, and what you’ve told me is essentially what I have heard from former colleagues who have been on a fact-finding mission since this episode.’ As a former ISI head, he said, he had been told shortly after the raid by ‘people in the “strategic community” who would know’ that there had been an informant who had alerted the US to bin Laden’s presence in Abbottabad, and that after his killing the US’s betrayed promises left Kayani and Pasha exposed.

The major US source for the account that follows is a retired senior intelligence official who was knowledgeable about the initial intelligence about bin Laden’s presence in Abbottabad. He also was privy to many aspects of the Seals’ training for the raid, and to the various after-action reports. Two other US sources, who had access to corroborating information, have been longtime consultants to the Special Operations Command. I also received information from inside Pakistan about widespread dismay among the senior ISI and military leadership – echoed later by Durrani – over Obama’s decision to go public immediately with news of bin Laden’s death. The White House did not respond to requests for comment.

*

It began with a walk-in. In August 2010 a former senior Pakistani intelligence officer approached Jonathan Bank, then the CIA’s station chief at the US embassy in Islamabad. He offered to tell the CIA where to find bin Laden in return for the reward that Washington had offered in 2001. Walk-ins are assumed by the CIA to be unreliable, and the response from the agency’s headquarters was to fly in a polygraph team. The walk-in passed the test. ‘So now we’ve got a lead on bin Laden living in a compound in Abbottabad, but how do we really know who it is?’ was the CIA’s worry at the time, the retired senior US intelligence official told me.

The US initially kept what it knew from the Pakistanis. ‘The fear was that if the existence of the source was made known, the Pakistanis themselves would move bin Laden to another location. So only a very small number of people were read into the source and his story,’ the retired official said. ‘The CIA’s first goal was to check out the quality of the informant’s information.’ The compound was put under satellite surveillance. The CIA rented a house in Abbottabad to use as a forward observation base and staffed it with Pakistani employees and foreign nationals. Later on, the base would serve as a contact point with the ISI; it attracted little attention because Abbottabad is a holiday spot full of houses rented on short leases. A psychological profile of the informant was prepared. (The informant and his family were smuggled out of Pakistan and relocated in the Washington area. He is now a consultant for the CIA.)

‘By October the military and intelligence community were discussing the possible military options. Do we drop a bunker buster on the compound or take him out with a drone strike? Perhaps send someone to kill him, single assassin style? But then we’d have no proof of who he was,’ the retired official said. ‘We could see some guy is walking around at night, but we have no intercepts because there’s no commo coming from the compound.’

In October, Obama was briefed on the intelligence. His response was cautious, the retired official said. ‘It just made no sense that bin Laden was living in Abbottabad. It was just too crazy. The president’s position was emphatic: “Don’t talk to me about this any more unless you have proof that it really is bin Laden.”’ The immediate goal of the CIA leadership and the Joint Special Operations Command was to get Obama’s support. They believed they would get this if they got DNA evidence, and if they could assure him that a night assault of the compound would carry no risk. The only way to accomplish both things, the retired official said, ‘was to get the Pakistanis on board’.

During the late autumn of 2010, the US continued to keep quiet about the walk-in, and Kayani and Pasha continued to insist to their American counterparts that they had no information about bin Laden’s whereabouts. ‘The next step was to figure out how to ease Kayani and Pasha into it – to tell them that we’ve got intelligence showing that there is a high-value target in the compound, and to ask them what they know about the target,’ the retired official said. ‘The compound was not an armed enclave – no machine guns around, because it was under ISI control.’ The walk-in had told the US that bin Laden had lived undetected from 2001 to 2006 with some of his wives and children in the Hindu Kush mountains, and that ‘the ISI got to him by paying some of the local tribal people to betray him.’ (Reports after the raid placed him elsewhere in Pakistan during this period.) Bank was also told by the walk-in that bin Laden was very ill, and that early on in his confinement at Abbottabad, the ISI had ordered Amir Aziz, a doctor and a major in the Pakistani army, to move nearby to provide treatment. ‘The truth is that bin Laden was an invalid, but we cannot say that,’ the retired official said. ‘“You mean you guys shot a cripple? Who was about to grab his AK-47?”’

‘It didn’t take long to get the co-operation we needed, because the Pakistanis wanted to ensure the continued release of American military aid, a good percentage of which was anti-terrorism funding that finances personal security, such as bullet-proof limousines and security guards and housing for the ISI leadership,’ the retired official said. He added that there were also under-the-table personal ‘incentives’ that were financed by off-the-books Pentagon contingency funds. ‘The intelligence community knew what the Pakistanis needed to agree – there was the carrot. And they chose the carrot. It was a win-win. We also did a little blackmail. We told them we would leak the fact that you’ve got bin Laden in your backyard. We knew their friends and enemies’ – the Taliban and jihadist groups in Pakistan and Afghanistan – ‘would not like it.’

A worrying factor at this early point, according to the retired official, was Saudi Arabia, which had been financing bin Laden’s upkeep since his seizure by the Pakistanis. ‘The Saudis didn’t want bin Laden’s presence revealed to us because he was a Saudi, and so they told the Pakistanis to keep him out of the picture. The Saudis feared if we knew we would pressure the Pakistanis to let bin Laden start talking to us about what the Saudis had been doing with al-Qaida. And they were dropping money – lots of it. The Pakistanis, in turn, were concerned that the Saudis might spill the beans about their control of bin Laden. The fear was that if the US found out about bin Laden from Riyadh, all hell would break out. The Americans learning about bin Laden’s imprisonment from a walk-in was not the worst thing.’

Despite their constant public feuding, American and Pakistani military and intelligence services have worked together closely for decades on counterterrorism in South Asia. Both services often find it useful to engage in public feuds ‘to cover their asses’, as the retired official put it, but they continually share intelligence used for drone attacks, and co-operate on covert operations. At the same time, it’s understood in Washington that elements of the ISI believe that maintaining a relationship with the Taliban leadership inside Afghanistan is essential to national security. The ISI’s strategic aim is to balance Indian influence in Kabul; the Taliban is also seen in Pakistan as a source of jihadist shock troops who would back Pakistan against India in a confrontation over Kashmir.

Adding to the tension was the Pakistani nuclear arsenal, often depicted in the Western press as an ‘Islamic bomb’ that might be transferred by Pakistan to an embattled nation in the Middle East in the event of a crisis with Israel. The US looked the other way when Pakistan began building its weapons system in the 1970s and it’s widely believed it now has more than a hundred nuclear warheads. It’s understood in Washington that US security depends on the maintenance of strong military and intelligence ties to Pakistan. The belief is mirrored in Pakistan.

‘The Pakistani army sees itself as family,’ the retired official said. ‘Officers call soldiers their sons and all officers are “brothers”. The attitude is different in the American military. The senior Pakistani officers believe they are the elite and have got to look out for all of the people, as keepers of the flame against Muslim fundamentalism. The Pakistanis also know that their trump card against aggression from India is a strong relationship with the United States. They will never cut their person-to-person ties with us.’

Like all CIA station chiefs, Bank was working undercover, but that ended in early December 2010 when he was publicly accused of murder in a criminal complaint filed in Islamabad by Karim Khan, a Pakistani journalist whose son and brother, according to local news reports, had been killed by a US drone strike. Allowing Bank to be named was a violation of diplomatic protocol on the part of the Pakistani authorities, and it brought a wave of unwanted publicity. Bank was ordered to leave Pakistan by the CIA, whose officials subsequently told the Associated Press he was transferred because of concerns for his safety. The New York Times reported that there was ‘strong suspicion’ the ISI had played a role in leaking Bank’s name to Khan. There was speculation that he was outed as payback for the publication in a New York lawsuit a month earlier of the names of ISI chiefs in connection with the Mumbai terrorist attacks of 2008. But there was a collateral reason, the retired official said, for the CIA’s willingness to send Bank back to America. The Pakistanis needed cover in case their co-operation with the Americans in getting rid of bin Laden became known. The Pakistanis could say: “You’re talking about me? We just kicked out your station chief.”’

*

The bin Laden compound was less than two miles from the Pakistan Military Academy, and a Pakistani army combat battalion headquarters was another mile or so away. Abbottabad is less than 15 minutes by helicopter from Tarbela Ghazi, an important base for ISI covert operations and the facility where those who guard Pakistan’s nuclear weapons arsenal are trained. ‘Ghazi is why the ISI put bin Laden in Abbottabad in the first place,’ the retired official said, ‘to keep him under constant supervision.’

The risks for Obama were high at this early stage, especially because there was a troubling precedent: the failed 1980 attempt to rescue the American hostages in Tehran. That failure was a factor in Jimmy Carter’s loss to Ronald Reagan. Obama’s worries were realistic, the retired official said. ‘Was bin Laden ever there? Was the whole story a product of Pakistani deception? What about political blowback in case of failure?’ After all, as the retired official said, ‘If the mission fails, Obama’s just a black Jimmy Carter and it’s all over for re-election.’

Obama was anxious for reassurance that the US was going to get the right man. The proof was to come in the form of bin Laden’s DNA. The planners turned for help to Kayani and Pasha, who asked Aziz to obtain the specimens. Soon after the raid the press found out that Aziz had been living in a house near the bin Laden compound: local reporters discovered his name in Urdu on a plate on the door. Pakistani officials denied that Aziz had any connection to bin Laden, but the retired official told me that Aziz had been rewarded with a share of the $25 million reward the US had put up because the DNA sample had showed conclusively that it was bin Laden in Abbottabad. (In his subsequent testimony to a Pakistani commission investigating the bin Laden raid, Aziz said that he had witnessed the attack on Abbottabad, but had no knowledge of who was living in the compound and had been ordered by a superior officer to stay away from the scene.)

Bargaining continued over the way the mission would be executed. ‘Kayani eventually tells us yes, but he says you can’t have a big strike force. You have to come in lean and mean. And you have to kill him, or there is no deal,’ the retired official said. The agreement was struck by the end of January 2011, and Joint Special Operations Command prepared a list of questions to be answered by the Pakistanis: ‘How can we be assured of no outside intervention? What are the defences inside the compound and its exact dimensions? Where are bin Laden’s rooms and exactly how big are they? How many steps in the stairway? Where are the doors to his rooms, and are they reinforced with steel? How thick?’ The Pakistanis agreed to permit a four-man American cell – a Navy Seal, a CIA case officer and two communications specialists – to set up a liaison office at Tarbela Ghazi for the coming assault. By then, the military had constructed a mock-up of the compound in Abbottabad at a secret former nuclear test site in Nevada, and an elite Seal team had begun rehearsing for the attack.

The US had begun to cut back on aid to Pakistan – to ‘turn off the spigot’, in the retired official’s words. The provision of 18 new F-16 fighter aircraft was delayed, and under-the-table cash payments to the senior leaders were suspended. In April 2011 Pasha met the CIA director, Leon Panetta, at agency headquarters. ‘Pasha got a commitment that the United States would turn the money back on, and we got a guarantee that there would be no Pakistani opposition during the mission,’ the retired official said. ‘Pasha also insisted that Washington stop complaining about Pakistan’s lack of co-operation with the American war on terrorism.’ At one point that spring, Pasha offered the Americans a blunt explanation of the reason Pakistan kept bin Laden’s capture a secret, and why it was imperative for the ISI role to remain secret: ‘We needed a hostage to keep tabs on al-Qaida and the Taliban,’ Pasha said, according to the retired official. ‘The ISI was using bin Laden as leverage against Taliban and al-Qaida activities inside Afghanistan and Pakistan. They let the Taliban and al-Qaida leadership know that if they ran operations that clashed with the interests of the ISI, they would turn bin Laden over to us. So if it became known that the Pakistanis had worked with us to get bin Laden at Abbottabad, there would be hell to pay.’

At one of his meetings with Panetta, according to the retired official and a source within the CIA, Pasha was asked by a senior CIA official whether he saw himself as acting in essence as an agent for al-Qaida and the Taliban. ‘He answered no, but said the ISI needed to have some control.’ The message, as the CIA saw it, according to the retired official, was that Kayani and Pasha viewed bin Laden ‘as a resource, and they were more interested in their [own] survival than they were in the United States’.

A Pakistani with close ties to the senior leadership of the ISI told me that ‘there was a deal with your top guys. We were very reluctant, but it had to be done – not because of personal enrichment, but because all of the American aid programmes would be cut off. Your guys said we will starve you out if you don’t do it, and the okay was given while Pasha was in Washington. The deal was not only to keep the taps open, but Pasha was told there would be more goodies for us.’ The Pakistani said that Pasha’s visit also resulted in a commitment from the US to give Pakistan ‘a freer hand’ in Afghanistan as it began its military draw-down there. ‘And so our top dogs justified the deal by saying this is for our country.’

*

Pasha and Kayani were responsible for ensuring that Pakistan’s army and air defence command would not track or engage with the US helicopters used on the mission. The American cell at Tarbela Ghazi was charged with co-ordinating communications between the ISI, the senior US officers at their command post in Afghanistan, and the two Black Hawk helicopters; the goal was to ensure that no stray Pakistani fighter plane on border patrol spotted the intruders and took action to stop them. The initial plan said that news of the raid shouldn’t be announced straightaway. All units in the Joint Special Operations Command operate under stringent secrecy and the JSOC leadership believed, as did Kayani and Pasha, that the killing of bin Laden would not be made public for as long as seven days, maybe longer. Then a carefully constructed cover story would be issued: Obama would announce that DNA analysis confirmed that bin Laden had been killed in a drone raid in the Hindu Kush, on Afghanistan’s side of the border. The Americans who planned the mission assured Kayani and Pasha that their co-operation would never be made public. It was understood by all that if the Pakistani role became known, there would be violent protests – bin Laden was considered a hero by many Pakistanis – and Pasha and Kayani and their families would be in danger, and the Pakistani army publicly disgraced.

It was clear to all by this point, the retired official said, that bin Laden would not survive: ‘Pasha told us at a meeting in April that he could not risk leaving bin Laden in the compound now that we know he’s there. Too many people in the Pakistani chain of command know about the mission. He and Kayani had to tell the whole story to the directors of the air defence command and to a few local commanders.

‘Of course the guys knew the target was bin Laden and he was there under Pakistani control,’ the retired official said. ‘Otherwise, they would not have done the mission without air cover. It was clearly and absolutely a premeditated murder.’ A former Seal commander, who has led and participated in dozens of similar missions over the past decade, assured me that ‘we were not going to keep bin Laden alive – to allow the terrorist to live. By law, we know what we’re doing inside Pakistan is a homicide. We’ve come to grips with that. Each one of us, when we do these missions, say to ourselves, “Let’s face it. We’re going to commit a murder.”’ The White House’s initial account claimed that bin Laden had been brandishing a weapon; the story was aimed at deflecting those who questioned the legality of the US administration’s targeted assassination programme. The US has consistently maintained, despite widely reported remarks by people involved with the mission, that bin Laden would have been taken alive if he had immediately surrendered.

*

At the Abbottabad compound ISI guards were posted around the clock to keep watch over bin Laden and his wives and children. They were under orders to leave as soon as they heard the rotors of the US helicopters. The town was dark: the electricity supply had been cut off on the orders of the ISI hours before the raid began. One of the Black Hawks crashed inside the walls of the compound, injuring many on board. ‘The guys knew the TOT [time on target] had to be tight because they would wake up the whole town going in,’ the retired official said. The cockpit of the crashed Black Hawk, with its communication and navigational gear, had to be destroyed by concussion grenades, and this would create a series of explosions and a fire visible for miles. Two Chinook helicopters had flown from Afghanistan to a nearby Pakistani intelligence base to provide logistical support, and one of them was immediately dispatched to Abbottabad. But because the helicopter had been equipped with a bladder loaded with extra fuel for the two Black Hawks, it first had to be reconfigured as a troop carrier. The crash of the Black Hawk and the need to fly in a replacement were nerve-wracking and time-consuming setbacks, but the Seals continued with their mission. There was no firefight as they moved into the compound; the ISI guards had gone. ‘Everyone in Pakistan has a gun and high-profile, wealthy folks like those who live in Abbottabad have armed bodyguards, and yet there were no weapons in the compound,’ the retired official pointed out. Had there been any opposition, the team would have been highly vulnerable. Instead, the retired official said, an ISI liaison officer flying with the Seals guided them into the darkened house and up a staircase to bin Laden’s quarters. The Seals had been warned by the Pakistanis that heavy steel doors blocked the stairwell on the first and second-floor landings; bin Laden’s rooms were on the third floor. The Seal squad used explosives to blow the doors open, without injuring anyone. One of bin Laden’s wives was screaming hysterically and a bullet – perhaps a stray round – struck her knee. Aside from those that hit bin Laden, no other shots were fired. (The Obama administration’s account would hold otherwise.)

‘They knew where the target was – third floor, second door on the right,’ the retired official said. ‘Go straight there. Osama was cowering and retreated into the bedroom. Two shooters followed him and opened up. Very simple, very straightforward, very professional hit.’ Some of the Seals were appalled later at the White House’s initial insistence that they had shot bin Laden in self-defence, the retired official said. ‘Six of the Seals’ finest, most experienced NCOs, faced with an unarmed elderly civilian, had to kill him in self-defence? The house was shabby and bin Laden was living in a cell with bars on the window and barbed wire on the roof. The rules of engagement were that if bin Laden put up any opposition they were authorised to take lethal action. But if they suspected he might have some means of opposition, like an explosive vest under his robe, they could also kill him. So here’s this guy in a mystery robe and they shot him. It’s not because he was reaching for a weapon. The rules gave them absolute authority to kill the guy.’ The later White House claim that only one or two bullets were fired into his head was ‘bullshit’, the retired official said. ‘The squad came through the door and obliterated him. As the Seals say, “We kicked his ass and took his gas.”’

After they killed bin Laden, ‘the Seals were just there, some with physical injuries from the crash, waiting for the relief chopper,’ the retired official said. ‘Twenty tense minutes. The Black Hawk is still burning. There are no city lights. No electricity. No police. No fire trucks. They have no prisoners.’ Bin Laden’s wives and children were left for the ISI to interrogate and relocate. ‘Despite all the talk,’ the retired official continued, there were ‘no garbage bags full of computers and storage devices. The guys just stuffed some books and papers they found in his room in their backpacks. The Seals weren’t there because they thought bin Laden was running a command centre for al-Qaida operations, as the White House would later tell the media. And they were not intelligence experts gathering information inside that house.’

On a normal assault mission, the retired official said, there would be no waiting around if a chopper went down. ‘The Seals would have finished the mission, thrown off their guns and gear, and jammed into the remaining Black Hawk and di-di-maued’ – Vietnamese slang for leaving in a rush – ‘out of there, with guys hanging out of the doors. They would not have blown the chopper – no commo gear is worth a dozen lives – unless they knew they were safe. Instead they stood around outside the compound, waiting for the bus to arrive.’ Pasha and Kayani had delivered on all their promises.

*

The backroom argument inside the White House began as soon as it was clear that the mission had succeeded. Bin Laden’s body was presumed to be on its way to Afghanistan. Should Obama stand by the agreement with Kayani and Pasha and pretend a week or so later that bin Laden had been killed in a drone attack in the mountains, or should he go public immediately? The downed helicopter made it easy for Obama’s political advisers to urge the latter plan. The explosion and fireball would be impossible to hide, and word of what had happened was bound to leak. Obama had to ‘get out in front of the story’ before someone in the Pentagon did: waiting would diminish the political impact.

Not everyone agreed. Robert Gates, the secretary of defence, was the most outspoken of those who insisted that the agreements with Pakistan had to be honoured. In his memoir, Duty, Gates did not mask his anger:

Before we broke up and the president headed upstairs to tell the American people what had just happened, I reminded everyone that the techniques, tactics and procedures the Seals had used in the bin Laden operation were used every night in Afghanistan … it was therefore essential that we agree not to release any operational details of the raid. That we killed him, I said, is all we needed to say. Everybody in that room agreed to keep mum on details. That commitment lasted about five hours. The initial leaks came from the White House and CIA. They just couldn’t wait to brag and to claim credit. The facts were often wrong … Nonetheless the information just kept pouring out. I was outraged and at one point, told [the national security adviser, Tom] Donilon, ‘Why doesn’t everybody just shut the fuck up?’ To no avail.

Obama’s speech was put together in a rush, the retired official said, and was viewed by his advisers as a political document, not a message that needed to be submitted for clearance to the national security bureaucracy. This series of self-serving and inaccurate statements would create chaos in the weeks following. Obama said that his administration had discovered that bin Laden was in Pakistan through ‘a possible lead’ the previous August; to many in the CIA the statement suggested a specific event, such as a walk-in. The remark led to a new cover story claiming that the CIA’s brilliant analysts had unmasked a courier network handling bin Laden’s continuing flow of operational orders to al-Qaida. Obama also praised ‘a small team of Americans’ for their care in avoiding civilian deaths and said: ‘After a firefight, they killed Osama bin Laden and took custody of his body.’ Two more details now had to be supplied for the cover story: a description of the firefight that never happened, and a story about what happened to the corpse. Obama went on to praise the Pakistanis: ‘It’s important to note that our counterterrorism co-operation with Pakistan helped lead us to bin Laden and the compound where he was hiding.’ That statement risked exposing Kayani and Pasha. The White House’s solution was to ignore what Obama had said and order anyone talking to the press to insist that the Pakistanis had played no role in killing bin Laden. Obama left the clear impression that he and his advisers hadn’t known for sure that bin Laden was in Abbottabad, but only had information ‘about the possibility’. This led first to the story that the Seals had determined they’d killed the right man by having a six-foot-tall Seal lie next to the corpse for comparison (bin Laden was known to be six foot four); and then to the claim that a DNA test had been performed on the corpse and demonstrated conclusively that the Seals had killed bin Laden. But, according to the retired official, it wasn’t clear from the Seals’ early reports whether all of bin Laden’s body, or any of it, made it back to Afghanistan.

Gates wasn’t the only official who was distressed by Obama’s decision to speak without clearing his remarks in advance, the retired official said, ‘but he was the only one protesting. Obama didn’t just double-cross Gates, he double-crossed everyone. This was not the fog of war. The fact that there was an agreement with the Pakistanis and no contingency analysis of what was to be disclosed if something went wrong – that wasn’t even discussed. And once it went wrong, they had to make up a new cover story on the fly.’ There was a legitimate reason for some deception: the role of the Pakistani walk-in had to be protected.

The White House press corps was told in a briefing shortly after Obama’s announcement that the death of bin Laden was ‘the culmination of years of careful and highly advanced intelligence work’ that focused on tracking a group of couriers, including one who was known to be close to bin Laden. Reporters were told that a team of specially assembled CIA and National Security Agency analysts had traced the courier to a highly secure million-dollar compound in Abbottabad. After months of observation, the American intelligence community had ‘high confidence’ that a high-value target was living in the compound, and it was ‘assessed that there was a strong probability that [it] was Osama bin Laden’. The US assault team ran into a firefight on entering the compound and three adult males – two of them believed to be the couriers – were slain, along with bin Laden. Asked if bin Laden had defended himself, one of the briefers said yes: ‘He did resist the assault force. And he was killed in a firefight.’

The next day John Brennan, then Obama’s senior adviser for counterterrorism, had the task of talking up Obama’s valour while trying to smooth over the misstatements in his speech. He provided a more detailed but equally misleading account of the raid and its planning. Speaking on the record, which he rarely does, Brennan said that the mission was carried out by a group of Navy Seals who had been instructed to take bin Laden alive, if possible. He said the US had no information suggesting that anyone in the Pakistani government or military knew bin Laden’s whereabouts: ‘We didn’t contact the Pakistanis until after all of our people, all of our aircraft were out of Pakistani airspace.’ He emphasised the courage of Obama’s decision to order the strike, and said that the White House had no information ‘that confirmed that bin Laden was at the compound’ before the raid began. Obama, he said, ‘made what I believe was one of the gutsiest calls of any president in recent memory’. Brennan increased the number killed by the Seals inside the compound to five: bin Laden, a courier, his brother, a bin Laden son, and one of the women said to be shielding bin Laden.

Asked whether bin Laden had fired on the Seals, as some reporters had been told, Brennan repeated what would become a White House mantra: ‘He was engaged in a firefight with those that entered the area of the house he was in. And whether or not he got off any rounds, I quite frankly don’t know … Here is bin Laden, who has been calling for these attacks … living in an area that is far removed from the front, hiding behind women who were put in front of him as a shield … [It] just speaks to I think the nature of the individual he was.’

Gates also objected to the idea, pushed by Brennan and Leon Panetta, that US intelligence had learned of bin Laden’s whereabouts from information acquired by waterboarding and other forms of torture. ‘All of this is going on as the Seals are flying home from their mission. The agency guys know the whole story,’ the retired official said. ‘It was a group of annuitants who did it.’ (Annuitants are retired CIA officers who remain active on contract.) ‘They had been called in by some of the mission planners in the agency to help with the cover story. So the old-timers come in and say why not admit that we got some of the information about bin Laden from enhanced interrogation?’ At the time, there was still talk in Washington about the possible prosecution of CIA agents who had conducted torture.

‘Gates told them this was not going to work,’ the retired official said. ‘He was never on the team. He knew at the eleventh hour of his career not to be a party to this nonsense. But State, the agency and the Pentagon had bought in on the cover story. None of the Seals thought that Obama was going to get on national TV and announce the raid. The Special Forces command was apoplectic. They prided themselves on keeping operational security.’ There was fear in Special Operations, the retired official said, that ‘if the true story of the missions leaked out, the White House bureaucracy was going to blame it on the Seals.’

The White House’s solution was to silence the Seals. On 5 May, every member of the Seal hit team – they had returned to their base in southern Virginia – and some members of the Joint Special Operations Command leadership were presented with a nondisclosure form drafted by the White House’s legal office; it promised civil penalties and a lawsuit for anyone who discussed the mission, in public or private. ‘The Seals were not happy,’ the retired official said. But most of them kept quiet, as did Admiral William McRaven, who was then in charge of JSOC. ‘McRaven was apoplectic. He knew he was fucked by the White House, but he’s a dyed-in-the-wool Seal, and not then a political operator, and he knew there’s no glory in blowing the whistle on the president. When Obama went public with bin Laden’s death, everyone had to scramble around for a new story that made sense, and the planners were stuck holding the bag.’

Within days, some of the early exaggerations and distortions had become obvious and the Pentagon issued a series of clarifying statements. No, bin Laden was not armed when he was shot and killed. And no, bin Laden did not use one of his wives as a shield. The press by and large accepted the explanation that the errors were the inevitable by-product of the White House’s desire to accommodate reporters frantic for details of the mission.

One lie that has endured is that the Seals had to fight their way to their target. Only two Seals have made any public statement: No Easy Day, a first-hand account of the raid by Matt Bissonnette, was published in September 2012; and two years later Rob O’Neill was interviewed by Fox News. Both men had resigned from the navy; both had fired at bin Laden. Their accounts contradicted each other on many details, but their stories generally supported the White House version, especially when it came to the need to kill or be killed as the Seals fought their way to bin Laden. O’Neill even told Fox News that he and his fellow Seals thought ‘We were going to die.’ ‘The more we trained on it, the more we realised … this is going to be a one-way mission.’

But the retired official told me that in their initial debriefings the Seals made no mention of a firefight, or indeed of any opposition. The drama and danger portrayed by Bissonnette and O’Neill met a deep-seated need, the retired official said: ‘Seals cannot live with the fact that they killed bin Laden totally unopposed, and so there has to be an account of their courage in the face of danger. The guys are going to sit around the bar and say it was an easy day? That’s not going to happen.’

There was another reason to claim there had been a firefight inside the compound, the retired official said: to avoid the inevitable question that would arise from an uncontested assault. Where were bin Laden’s guards? Surely, the most sought-after terrorist in the world would have around-the-clock protection. ‘And one of those killed had to be the courier, because he didn’t exist and we couldn’t produce him. The Pakistanis had no choice but to play along with it.’ (Two days after the raid, Reuters published photographs of three dead men that it said it had purchased from an ISI official. Two of the men were later identified by an ISI spokesman as being the alleged courier and his brother.)

*

Five days after the raid the Pentagon press corps was provided with a series of videotapes that were said by US officials to have been taken from a large collection the Seals had removed from the compound, along with as many as 15 computers. Snippets from one of the videos showed a solitary bin Laden looking wan and wrapped in a blanket, watching what appeared to be a video of himself on television. An unnamed official told reporters that the raid produced a ‘treasure trove … the single largest collection of senior terrorist materials ever’, which would provide vital insights into al-Qaida’s plans. The official said the material showed that bin Laden ‘remained an active leader in al-Qaida, providing strategic, operational and tactical instructions to the group … He was far from a figurehead [and] continued to direct even tactical details of the group’s management and to encourage plotting’ from what was described as a command-and-control centre in Abbottabad. ‘He was an active player, making the recent operation even more essential for our nation’s security,’ the official said. The information was so vital, he added, that the administration was setting up an inter-agency task force to process it: ‘He was not simply someone who was penning al-Qaida strategy. He was throwing operational ideas out there and he was also specifically directing other al-Qaida members.’

These claims were fabrications: there wasn’t much activity for bin Laden to exercise command and control over. The retired intelligence official said that the CIA’s internal reporting shows that since bin Laden moved to Abbottabad in 2006 only a handful of terrorist attacks could be linked to the remnants of bin Laden’s al-Qaida. ‘We were told at first,’ the retired official said, ‘that the Seals produced garbage bags of stuff and that the community is generating daily intelligence reports out of this stuff. And then we were told that the community is gathering everything together and needs to translate it. But nothing has come of it. Every single thing they have created turns out not to be true. It’s a great hoax – like the Piltdown man.’ The retired official said that most of the materials from Abbottabad were turned over to the US by the Pakistanis, who later razed the building. The ISI took responsibility for the wives and children of bin Laden, none of whom was made available to the US for questioning.

‘Why create the treasure trove story?’ the retired official said. ‘The White House had to give the impression that bin Laden was still operationally important. Otherwise, why kill him? A cover story was created – that there was a network of couriers coming and going with memory sticks and instructions. All to show that bin Laden remained important.’

In July 2011, the Washington Post published what purported to be a summary of some of these materials. The story’s contradictions were glaring. It said the documents had resulted in more than four hundred intelligence reports within six weeks; it warned of unspecified al-Qaida plots; and it mentioned arrests of suspects ‘who are named or described in emails that bin Laden received’. The Post didn’t identify the suspects or reconcile that detail with the administration’s previous assertions that the Abbottabad compound had no internet connection. Despite their claims that the documents had produced hundreds of reports, the Post also quoted officials saying that their main value wasn’t the actionable intelligence they contained, but that they enabled ‘analysts to construct a more comprehensive portrait of al-Qaida’.

In May 2012, the Combating Terrorism Centre at West Point, a private research group, released translations it had made under a federal government contract of 175 pages of bin Laden documents. Reporters found none of the drama that had been touted in the days after the raid. Patrick Cockburn wrote about the contrast between the administration’s initial claims that bin Laden was the ‘spider at the centre of a conspiratorial web’ and what the translations actually showed: that bin Laden was ‘delusional’ and had ‘limited contact with the outside world outside his compound’.

The retired official disputed the authenticity of the West Point materials: ‘There is no linkage between these documents and the counterterrorism centre at the agency. No intelligence community analysis. When was the last time the CIA: 1) announced it had a significant intelligence find; 2) revealed the source; 3) described the method for processing the materials; 4) revealed the time-line for production; 5) described by whom and where the analysis was taking place, and 6) published the sensitive results before the information had been acted on? No agency professional would support this fairy tale.’

*

In June 2011, it was reported in the New York Times, the Washington Post and all over the Pakistani press that Amir Aziz had been held for questioning in Pakistan; he was, it was said, a CIA informant who had been spying on the comings and goings at the bin Laden compound. Aziz was released, but the retired official said that US intelligence was unable to learn who leaked the highly classified information about his involvement with the mission. Officials in Washington decided they ‘could not take a chance that Aziz’s role in obtaining bin Laden’s DNA also would become known’. A sacrificial lamb was needed, and the one chosen was Shakil Afridi, a 48-year-old Pakistani doctor and sometime CIA asset, who had been arrested by the Pakistanis in late May and accused of assisting the agency. ‘We went to the Pakistanis and said go after Afridi,’ the retired official said. ‘We had to cover the whole issue of how we got the DNA.’ It was soon reported that the CIA had organised a fake vaccination programme in Abbottabad with Afridi’s help in a failed attempt to obtain bin Laden’s DNA. Afridi’s legitimate medical operation was run independently of local health authorities, was well financed and offered free vaccinations against hepatitis B. Posters advertising the programme were displayed throughout the area. Afridi was later accused of treason and sentenced to 33 years in prison because of his ties to an extremist. News of the CIA-sponsored programme created widespread anger in Pakistan, and led to the cancellation of other international vaccination programmes that were now seen as cover for American spying.

The retired official said that Afridi had been recruited long before the bin Laden mission as part of a separate intelligence effort to get information about suspected terrorists in Abbottabad and the surrounding area. ‘The plan was to use vaccinations as a way to get the blood of terrorism suspects in the villages.’ Afridi made no attempt to obtain DNA from the residents of the bin Laden compound. The report that he did so was a hurriedly put together ‘CIA cover story creating “facts”’ in a clumsy attempt to protect Aziz and his real mission. ‘Now we have the consequences,’ the retired official said. ‘A great humanitarian project to do something meaningful for the peasants has been compromised as a cynical hoax.’ Afridi’s conviction was overturned, but he remains in prison on a murder charge.

*

In his address announcing the raid, Obama said that after killing bin Laden the Seals ‘took custody of his body’. The statement created a problem. In the initial plan it was to be announced a week or so after the fact that bin Laden was killed in a drone strike somewhere in the mountains on the Pakistan/Afghanistan border and that his remains had been identified by DNA testing. But with Obama’s announcement of his killing by the Seals everyone now expected a body to be produced. Instead, reporters were told that bin Laden’s body had been flown by the Seals to an American military airfield in Jalalabad, Afghanistan, and then straight to the USS Carl Vinson, a supercarrier on routine patrol in the North Arabian Sea. Bin Laden had then been buried at sea, just hours after his death. The press corps’s only sceptical moments at John Brennan’s briefing on 2 May were to do with the burial. The questions were short, to the point, and rarely answered. ‘When was the decision made that he would be buried at sea if killed?’ ‘Was this part of the plan all along?’ ‘Can you just tell us why that was a good idea?’ ‘John, did you consult a Muslim expert on that?’ ‘Is there a visual recording of this burial?’ When this last question was asked, Jay Carney, Obama’s press secretary, came to Brennan’s rescue: ‘We’ve got to give other people a chance here.’

‘We thought the best way to ensure that his body was given an appropriate Islamic burial,’ Brennan said, ‘was to take those actions that would allow us to do that burial at sea.’ He said ‘appropriate specialists and experts’ were consulted, and that the US military was fully capable of carrying out the burial ‘consistent with Islamic law’. Brennan didn’t mention that Muslim law calls for the burial service to be conducted in the presence of an imam, and there was no suggestion that one happened to be on board the Carl Vinson.

In a reconstruction of the bin Laden operation for Vanity Fair, Mark Bowden, who spoke to many senior administration officials, wrote that bin Laden’s body was cleaned and photographed at Jalalabad. Further procedures necessary for a Muslim burial were performed on the carrier, he wrote, ‘with bin Laden’s body being washed again and wrapped in a white shroud. A navy photographer recorded the burial in full sunlight, Monday morning, May 2.’ Bowden described the photos:

One frame shows the body wrapped in a weighted shroud. The next shows it lying diagonally on a chute, feet overboard. In the next frame the body is hitting the water. In the next it is visible just below the surface, ripples spreading outward. In the last frame there are only circular ripples on the surface. The mortal remains of Osama bin Laden were gone for good.

Bowden was careful not to claim that he had actually seen the photographs he described, and he recently told me he hadn’t seen them: ‘I’m always disappointed when I can’t look at something myself, but I spoke with someone I trusted who said he had seen them himself and described them in detail.’ Bowden’s statement adds to the questions about the alleged burial at sea, which has provoked a flood of Freedom of Information Act requests, most of which produced no information. One of them sought access to the photographs. The Pentagon responded that a search of all available records had found no evidence that any photographs had been taken of the burial. Requests on other issues related to the raid were equally unproductive. The reason for the lack of response became clear after the Pentagon held an inquiry into allegations that the Obama administration had provided access to classified materials to the makers of the film Zero Dark Thirty. The Pentagon report, which was put online in June 2013, noted that Admiral McRaven had ordered the files on the raid to be deleted from all military computers and moved to the CIA, where they would be shielded from FOIA requests by the agency’s ‘operational exemption’.

McRaven’s action meant that outsiders could not get access to the Carl Vinson’s unclassified logs. Logs are sacrosanct in the navy, and separate ones are kept for air operations, the deck, the engineering department, the medical office, and for command information and control. They show the sequence of events day by day aboard the ship; if there has been a burial at sea aboard the Carl Vinson, it would have been recorded.

There wasn’t any gossip about a burial among the Carl Vinson’s sailors. The carrier concluded its six-month deployment in June 2011. When the ship docked at its home base in Coronado, California, Rear Admiral Samuel Perez, commander of the Carl Vinson carrier strike group, told reporters that the crew had been ordered not to talk about the burial. Captain Bruce Lindsey, skipper of the Carl Vinson, told reporters he was unable to discuss it. Cameron Short, one of the crew of the Carl Vinson, told the Commercial-News of Danville, Illinois, that the crew had not been told anything about the burial. ‘All he knows is what he’s seen on the news,’ the newspaper reported.

The Pentagon did release a series of emails to the Associated Press. In one of them, Rear Admiral Charles Gaouette reported that the service followed ‘traditional procedures for Islamic burial’, and said none of the sailors on board had been permitted to observe the proceedings. But there was no indication of who washed and wrapped the body, or of which Arabic speaker conducted the service.

Within weeks of the raid, I had been told by two longtime consultants to Special Operations Command, who have access to current intelligence, that the funeral aboard the Carl Vinson didn’t take place. One consultant told me that bin Laden’s remains were photographed and identified after being flown back to Afghanistan. The consultant added: ‘At that point, the CIA took control of the body. The cover story was that it had been flown to the Carl Vinson.’ The second consultant agreed that there had been ‘no burial at sea’. He added that ‘the killing of bin Laden was political theatre designed to burnish Obama’s military credentials … The Seals should have expected the political grandstanding. It’s irresistible to a politician. Bin Laden became a working asset.’ Early this year, speaking again to the second consultant, I returned to the burial at sea. The consultant laughed and said: ‘You mean, he didn’t make it to the water?’

The retired official said there had been another complication: some members of the Seal team had bragged to colleagues and others that they had torn bin Laden’s body to pieces with rifle fire. The remains, including his head, which had only a few bullet holes in it, were thrown into a body bag and, during the helicopter flight back to Jalalabad, some body parts were tossed out over the Hindu Kush mountains – or so the Seals claimed. At the time, the retired official said, the Seals did not think their mission would be made public by Obama within a few hours: ‘If the president had gone ahead with the cover story, there would have been no need to have a funeral within hours of the killing. Once the cover story was blown, and the death was made public, the White House had a serious “Where’s the body?” problem. The world knew US forces had killed bin Laden in Abbottabad. Panic city. What to do? We need a “functional body” because we have to be able to say we identified bin Laden via a DNA analysis. It would be navy officers who came up with the “burial at sea” idea. Perfect. No body. Honourable burial following sharia law. Burial is made public in great detail, but Freedom of Information documents confirming the burial are denied for reasons of “national security”. It’s the classic unravelling of a poorly constructed cover story – it solves an immediate problem but, given the slightest inspection, there is no back-up support. There never was a plan, initially, to take the body to sea, and no burial of bin Laden at sea took place.’ The retired official said that if the Seals’ first accounts are to be believed, there wouldn’t have been much left of bin Laden to put into the sea in any case.

*

It was inevitable that the Obama administration’s lies, misstatements and betrayals would create a backlash. ‘We’ve had a four-year lapse in co-operation,’ the retired official said. ‘It’s taken that long for the Pakistanis to trust us again in the military-to-military counterterrorism relationship – while terrorism was rising all over the world … They felt Obama sold them down the river. They’re just now coming back because the threat from Isis, which is now showing up there, is a lot greater and the bin Laden event is far enough away to enable someone like General Durrani to come out and talk about it.’ Generals Pasha and Kayani have retired and both are reported to be under investigation for corruption during their time in office.

The Senate Intelligence Committee’s long-delayed report on CIA torture, released last December, documented repeated instances of official lying, and suggested that the CIA’s knowledge of bin Laden’s courier was sketchy at best and predated its use of waterboarding and other forms of torture. The report led to international headlines about brutality and waterboarding, along with gruesome details about rectal feeding tubes, ice baths and threats to rape or murder family members of detainees who were believed to be withholding information. Despite the bad publicity, the report was a victory for the CIA. Its major finding – that the use of torture didn’t lead to discovering the truth – had already been the subject of public debate for more than a decade. Another key finding – that the torture conducted was more brutal than Congress had been told – was risible, given the extent of public reporting and published exposés by former interrogators and retired CIA officers. The report depicted tortures that were obviously contrary to international law as violations of rules or ‘inappropriate activities’ or, in some cases, ‘management failures’. Whether the actions described constitute war crimes was not discussed, and the report did not suggest that any of the CIA interrogators or their superiors should be investigated for criminal activity. The agency faced no meaningful consequences as a result of the report.

The retired official told me that the CIA leadership had become experts in derailing serious threats from Congress: ‘They create something that is horrible but not that bad. Give them something that sounds terrible. “Oh my God, we were shoving food up a prisoner’s ass!” Meanwhile, they’re not telling the committee about murders, other war crimes, and secret prisons like we still have in Diego Garcia. The goal also was to stall it as long as possible, which they did.’

The main theme of the committee’s 499-page executive summary is that the CIA lied systematically about the effectiveness of its torture programme in gaining intelligence that would stop future terrorist attacks in the US. The lies included some vital details about the uncovering of an al-Qaida operative called Abu Ahmed al-Kuwaiti, who was said to be the key al-Qaida courier, and the subsequent tracking of him to Abbottabad in early 2011. The agency’s alleged intelligence, patience and skill in finding al-Kuwaiti became legend after it was dramatised in Zero Dark Thirty.

The Senate report repeatedly raised questions about the quality and reliability of the CIA’s intelligence about al-Kuwaiti. In 2005 an internal CIA report on the hunt for bin Laden noted that ‘detainees provide few actionable leads, and we have to consider the possibility that they are creating fictitious characters to distract us or to absolve themselves of direct knowledge about bin Ladin [sic].’ A CIA cable a year later stated that ‘we have had no success in eliciting actionable intelligence on bin Laden’s location from any detainees.’ The report also highlighted several instances of CIA officers, including Panetta, making false statements to Congress and the public about the value of ‘enhanced interrogation techniques’ in the search for bin Laden’s couriers.

Obama today is not facing re-election as he was in the spring of 2011. His principled stand on behalf of the proposed nuclear agreement with Iran says much, as does his decision to operate without the support of the conservative Republicans in Congress. High-level lying nevertheless remains the modus operandi of US policy, along with secret prisons, drone attacks, Special Forces night raids, bypassing the chain of command, and cutting out those who might say no.

Seymour M. Hersh
21 May 2015

Find this story at 21 May 2015

Copyright © LRB Limited 2015

Seymour Hersh’s 10,000-word bin Laden story — told four years ago in 640 words by Larry Johnson (2011 – 2015)

When Seymour Hersh releases each of his blockbuster reports, what supposedly makes his claims authoritative is, more than anything else, the mere fact that they come from Seymour Hersh.

The reader is meant to trust the word of retired intelligence officials, consultants, and other unnamed experts, because Hersh trusts them. And we are meant to trust Hersh because of his stature as a veteran investigative journalist.

We are being invited to join a circle of confidence. Which is to say, we are being hooked by a confidence trick. Hersh is the confidant of (mostly) anonymous sources of inside information of inestimable quality, and we then become confidants of Hersh when he lets us in on the secrets.

To say this is not to imply that everything Hersh reports should be doubted, but simply to note that his egotistical investment in his own work — the fact that Hersh’s stories invariably end up being in part stories about Hersh — inevitably clouds the picture.

As a result, ensuing debate about the credibility of Hersh’s reports tends to devolve into polarized contests of allegiance. Each side sees the other as having been duped — either duped by a conspiracy theorist (Hersh) or duped by government officials and the mainstream media.

*

A week after Osama bin Laden was killed, Larry Johnson wrote a blog post that reads like an outline draft of Hersh’s latest report. Johnson is a retired senior intelligence official who claims to be knowledgeable about the initial intelligence about bin Laden’s presence in Abbottabad. Maybe he was the “major U.S. source” on whom Hersh relied.

On May 9, 2011, Johnson wrote:

I’ve learned some things from friends who are still active that dramatically alter the picture the White House is desperately trying to paint. Here is what really happened. The U.S. Government learned of Bin Laden’s whereabouts last August when a person walked into a U.S. Embassy and claimed that Pakistan’s intelligence service (ISI) had Bin Laden under control in Abottabad, Pakistan. Naturally the CIA personnel who received this information were skeptical. That’s why the CIA set up a safehouse in Abottabad in September 2010 as reported yesterday in the Washington Post.

The claim that we found Bin Laden because of a courier and the use of enhanced interrogation is simply a cover story. It appears to be an effective cover story because it has many Bush supporters pressing the case that enhanced interrogation worked. The Obama operatives in the White House are quite content to let the Bushies share in this part of the “credit.” Why? It keeps most folks from looking at the claims that don’t add up.

Anyway, the intel collection at the safe house escalated and the CIA began pressing Pakistan’s ISI to come clean on Osama.

As Pakistan’s Dawn notes in an editorial, the Pakistani version of events — the Abbottabad Commission report — has yet to be officially released.

Buried after initial promises that it would be made public, one version of the report has already seen the light of day via a leaked copy to Al Jazeera. That version alone contains a deep, systematic, even fundamental critique of the manner in which the ISI operates.

Surely, it is morally and legally indefensible of the state to hide from the public the only systematic inquiry into the events surrounding perhaps the most humiliating incident in decades here. National security will not be undermined by the publication of a report; national security was undermined by the presence of Osama bin Laden on Pakistani soil.

PAUL WOODWARD 05/12/2015

Find this story at 12 May 2015

Copyright © 2015

Bin Ladin’s Bookshelf

On May 20, 2015, the ODNI released a sizeable tranche of documents recovered during the raid on the compound used to hide Usama bin Ladin. The release, which followed a rigorous interagency review, aligns with the President’s call for increased transparency–consistent with national security prerogatives–and the 2014 Intelligence Authorization Act, which required the ODNI to conduct a review of the documents for release.

The release contains two sections. The first is a list of non-classified, English-language material found in and around the compound. The second is a selection of now-declassified documents.

The Intelligence Community will be reviewing hundreds more documents in the near future for possible declassification and release. An interagency taskforce under the auspices of the White House and with the agreement of the DNI is reviewing all documents which supported disseminated intelligence cables, as well as other relevant material found around the compound. All documents whose publication will not hurt ongoing operations against al-Qa‘ida or their affiliates will be released.

Pointer Now Declassified Material (103 items)

06 Ramadan (Arabic Language Version) *
A Letter to the Sunnah people in Syria (Arabic Language Version)
Afghani Opportunity (Arabic Language Version)
CALL FOR GUIDANCE AND REFORM 13 April 1994 (Arabic Language Version)
Despotism of Big Money (VIDEO: Arabic Language Version)
German Economy (Arabic Language Version)
Gist of conversation Oct 11 (Arabic Language Version) *
Ideas as discussion with the sons of the Peninsula (Arabic Language Version)
Instructions to Applicants (Arabic Language Version)
Jihad and Reform Front 22 May 2007 (Arabic Language Version)
Lessons learned following the fall of the Islamic Emirate (Arabic Language Version)
Letter about revolutions (Arabic Language Version)
Letter Addressed to Atiyah (Arabic Language Version)
Letter addressed to Shaykh (Arabic Language Version)
Letter Ansar Al-Sunnah Group (Arabic Language Version)
Letter dtd 07 August 2010 (Arabic Language Version) *
Letter dtd 09 August 2010 (Arabic Language Version)
Letter dtd 13 Oct 2010 (Arabic Language Version) *
Letter dtd 16 December 2007 (Arabic Language Version)
Letter dtd 18 JUL 2010 (Arabic Language Version) *
Letter dtd 21 May 2007 (Arabic Language Version)
Letter dtd 30 October 2010 (Arabic Language Version)
Letter dtd 5 April 2011 (Arabic Language Version) *
Letter dtd March 2008 (Arabic Language Version)
Letter dtd November 24 2010 (Arabic Language Version) *
Letter from Abu Abdallah to his mother 2 (Arabic Language Version)
Letter from Abu Abdullah to his mother (Arabic Language Version)
Letter from Al-Zawahiri dtd August 2003 (Arabic Language Version)
Letter from Hafiz (Arabic Language Version)
Letter from Hamzah to father dtd July 2009 (Arabic Language Version)
Letter from Khalid to ‘Abd-al-Latif (Arabic Language Version)
Letter from Khalid to Abdullah and Abu al-Harish (Arabic Language Version)
Letter from Khalid to his son (Arabic Language Version)
Letter from Qari, early April (Arabic Language Version)
Letter from UBL to Atiyah (Arabic Language Version) *
Letter from Zamray dtd 07 August 2010 (Arabic Language Version)
Letter Implications of Climate Change (Arabic Language Version)
Letter re Fatwas of the Permanent Committee (Arabic Language Version)
Letter regarding Abu al-Hasan (Arabic Language Version)
Letter to ‘Abd Al-Latif dtd 29 December 2009 (Arabic Language Version)
Letter to Abdallah (Arabic Language Version)
Letter to ‘Abd-al-Rahman (Arabic Language Version)
Letter to Abu ‘Abdallah al-Hajj (Arabic Language Version)
Letter to Abu Sulayman (Arabic Language Version)
Letter to Aunt (Arabic Language Version)
Letter to Aunt Umm-Khalid (Arabic Language Version)
Letter to Badr Khan 3 Dec 2002 (Arabic Language Version)
Letter to Brother Fatimah (Arabic Language Version)
Letter to Brother from Abu Abdallah (Arabic Language Version)
Letter to brother Hamzah (Arabic Language Version)
Letter to Brother Ilyas al- (Arabic Language Version)
Letter to brother Yahya (Arabic Language Version)
Letter to daughter Umm-Mu’adh (Arabic Language Version)
Letter to Hakimullah Mahsud, Leader of the Taliban Movement (Arabic Language Version)
Letter to Hamza (Arabic Language Version)
Letter to Islamic Emirate of Afghanistan (Arabic Language Version)
Letter to Muhammad Aslam dtd 22 April 2011 (Arabic Language Version)
Letter to Mujahidin in Somalia dtd 28 December 2006 (Arabic Language Version)
Letter to my beloved Brother (Arabic Language Version)
Letter to Shaykh Abu Abdallah dtd 17 July 2010 (Arabic Language Version) *
Letter to Shaykh Abu Abdallah dtd 2 September 2009 (Arabic Language Version)
Letter to Shaykh Abu Yahya (Arabic Language Version) *
Letter to Shaykh Abu Yahya 2 (Arabic Language Version)
Letter to Shaykh Abu-al-Layth, Shaykh Abu-Yahya, Shaykh ‘Abdallah Sa’id (Arabic Language Version)
Letter to Shaykh Azmaray dtd 4 February 2008 (Arabic Language Version)
Letter to Shaykh from Abu Abdallah (Arabic Language Version)
Letter to Shaykh Mahmud (Arabic Language Version) *
Letter to Shaykh Mahmud 26 September 2010 (Arabic Language Version) *
Letter to Shaykh Mahmud and Shaykh Abu Yahya (Arabic Language Version)
Letter to sister Um-‘Abd-al-Rahman (Arabic Language Version)
Letter to sons ‘Uthman, Muhammad, Hamzah, wife Um Hamzah (Arabic Language Version)
Letter to Special Committee of al-Jihad’s Qa’ida of the Mujahidin Affairs in Iraq and to the Ansar al-Sunnah Army (Arabic Language Version)
Letter to the American people (Arabic Language Version)
Letter to UBL from daughter Khadijah (Arabic Language Version)
Letter to Um ‘Abd-al-Rahman dtd 26 April 2011 (Arabic Language Version)
Letter to Um Abid al-Rahman (Arabic Language Version)
Letter to Um Sa’ad from aunt Um Khalid (Arabic Language Version)
Letter to Umm Khalid from Sarah (Arabic Language Version)
Letter to Uthman (Arabic Language Version) *
Letter to wife (VIDEO: Arabic Language Version)
Message for all Muslims following US State of Union Address (Arabic Language Version)
Message for general Islamic nation (Arabic Language Version)
Message for Islamic Ummah in general (Arabic Language Version)
Message from Abu Hammam al-Ghurayb (Arabic Language Version)
Message to Muslim brothers in Iraq and to the Islamic nation (Arabic Language Version)
Report on External Operations (Arabic Language Version) *
Request for Documents from CTC (Arabic Language Version)
Spreadsheet (Arabic Language Version)
Study Paper about the Kampala Raid in Uganda (Arabic Language Version)
Suggestion to end the Yemen Revolution (Arabic Language Version)
Summary on situation in Afghanistan and Pakistan (Arabic Language Version)
Terror Franchise (No Arabic Version) *
Undated letter (Arabic Language Version)
Undated letter 2 (Arabic Language Version)
Undated Letter 3 (Arabic Language Version)
Undated letter from Khalid Habib (Arabic Language Version)
Undated letter re Afghanistan (Arabic Language Version)
Undated message re Egypt demonstrations (Arabic Language Version)
Undated statement (Arabic Language Version)
Undated statement 2 (Arabic Language Version)
Undated statement re American conversions to Islam (Arabic Language Version)
Verbally released document for the Naseer trial (Arabic Language Version) *
VIDEO: Capture of handwritten note
Zamrai (UBL) letter to Unis (Arabic Language Version) *
* Previously declassified for federal prosecutions.

| HIDE SECTION |

Pointer Publicly Available U.S. Government Documents (75 items)

Pointer English Language Books (39 items)

Pointer Material Published by Violent Extremists & Terror Groups (35 items)

Pointer Materials Regarding France (19 items)

Pointer Media Articles (33 items)

Pointer Other Religious Documents (11 items)

Pointer Think Tank & Other Studies (40 items)

Pointer Software & Technical Manuals (30 items)

Pointer Other Miscellaneous Documents (14 items)

Pointer Documents Probably Used by Other Compound Residents (10 items)

This list contains U.S. person information that is being released in accordance with the Fiscal Year 2014 Intelligence Authorization Act (section 309) requirement that the Director of National Intelligence conduct a declassification review of certain items collected during the mission that killed Usama bin Ladin on May 1, 2011, and make publicly available any information declassified as a result of such review.

All publications are unclassified and available commercially or in the public domain.

The U.S. Intelligence Community does not endorse any of the publications on this list.

Find this story at May 2015

Bin Laden Turned in by Informant — Courier Was Cover Story (2011)

Forget the cover story of waterboarding-leads-to-courier-leads-to bin Laden (not to deny the effectiveness of waterboarding, but it’s just not applicable in this case.) Sources in the intelligence community tell me that after years of trying and one bureaucratically insane near-miss in Yemen, the US government killed OBL because a Pakistani intelligence officer came forward to collect the approximately $25 million reward from the State Department’s Rewards for Justice program.

The informant was a walk-in.

The ISI officer came forward to claim the substantial reward and to broker US citizenship for his family. My sources tell me that the informant claimed that the Saudis were paying off the Pakistani military and intelligence (ISI) to essentially shelter and keep bin Laden under house arrest in Abbottabad, a city with such a high concentration of military that I’m told there’s no equivalent in the US.

The CIA and friends then set about proving that OBL was indeed there. And they did.

Next they approached the chiefs of the Pakistani military and the ISI. The US was going to come in with or without them. The CIA offered them a deal they couldn’t refuse: they would double what the Saudis were paying them to keep bin Laden if they cooperated with the US. Or they could refuse the deal and live with the consequences: the Saudis would stop paying and there would be the international embarassment…

The ISI and Pakistani military were cooperating with the US on the raid.

The cooperation was why there were no troops in Abottabad. They were all pulled out. It had always seemed very far-fetched to me that a helicopter could crash and later destroyed in an area with such high military concentration without the Pakistanis noticing. But then it seemed even wilder to believe that a US Navy SEAL (DEVGRU) actually shot a woman who rushed them in the leg. Yeah, right. I know these guys. They only way they’ll shoot a woman in the leg is if they are double tapping a head or chest and that leg got in the way.

DEVGRU shoots to kill.

The cover story was going to be a drone strike in Pakistan. Things went south when the helicopter crashed. The White House freaked and the cooperating Pakistanis were thrown under the bus.

Splat.

Obama Shaka

Although the White House really pissed off the intel and DEVGRU guys with their knee-jerk reaction that tossed the Pakistanis under the proverbial bus, ironically it did have the same outcome as the original CIA cover story: the way they were treated, no one believes Generals Kiyani and Pasha were cooperating with the US.

Big shaka for that, Barry!

August 07, 2011

by R J Hillhouse

Find this story at 7 August 2011

© Copyright 2006, 2007, 2008 by R J Hillhouse

Why Seymour Hersh’s story on Osama bin Laden’s death rings true (2015)

Adnan Khan explains why Hersh’s controversial story about the al Qaeda leader’s killing could be true—and demands our attention

This week, Seymour Hersh, America’s most famous and controversial investigative journalist, caused an uproar with his allegations that the U.S. government account of the 2011 killing of Osama bin Laden in Pakistan was a lie. According to his version of events, published in the London Review of Books, bin Laden was not only living under the protection of the Pakistani military but the raid that nabbed him was planned and executed with Pakistani consent.

Critics, White House officials in particular, have strongly condemned the allegations, accusing Hersh of conspiratorial excess. Hersh relies on anonymous sources and unnamed insiders, they say, and builds a narrative of events that are impossible to verify. Nonetheless, based on my own experiences reporting in Pakistan, his story does ring true.

And here’s why:

In November 2009, one and half years before the Navy SEAL operation that killed him, I was told by a Pakistani militant that Osama bin Laden was in a safehouse in Abbottabad, a garrison city 100 km north of the Pakistani capital Islamabad. The militant, a former member of the Lashkar e Taiba (LeT), one of Pakistan’s most powerful jihadi groups with close ties to the Pakistani military, was absolutely certain.

“Osama bin Laden is here,” he told me while we were driving through the town on our way to the capital. “The ISI are protecting him. The senior LeT commanders are close with the ISI. They all know he’s here.”

I didn’t believe him. Abbottabad is one of Pakistan’s most important military cities, home to the Pakistan Military Academy, the equivalent of West Point. Much of its population is made up of retired military officers.

But nine months later, according to Hersh’s account, a former senior Pakistani intelligence officer would walk into the U.S. Embassy in Islamabad and tell the CIA station chief more or less the same thing: Osama bin Laden was in Abbottabad.

I’ve kept that bit of information to myself these past few years. Even while I was back in Abbottabad covering the killing of bin Laden in May 2011, I said nothing about it, partly because by then my source, the former LeT fighter, had disappeared.

So why am I revealing this now?

I think it’s important, after Seymour Hersh’s revelations, to revisit what happened in the lead-up to an event that possibly changed the course of history.

At the time, the event certainly felt like theatre. There was a great deal of circumstantial evidence that clashed with the official narrative being put forth. The Pakistani military denied they had any knowledge of bin Laden’s presence in Abbottabad; the Americans denied they had carried out the raid with Pakistani consent. According to President Barack Obama’s version of events, detailed in a press conference hours after the operation, this was a monumental act of derring-do, carried out by the world’s premier military using elite soldiers and top-secret technology. It was a Hollywood script (and would later become one, the 2013 Academy Award-nominated Zero Dark Thirty) complete with easily identifiable heroes and villains. None of it sat very well with me.

This is what I knew: a mid-level militant from a group with known ties to Pakistan’s intelligence services knew bin Laden was in Abbottabad. If he knew, it’s fair to say the Pakistani military knew. Locals I spoke to in the neighbourhood of the compound where bin Laden was staying all told me it was an ISI facility. The white Potohar jeeps they saw almost daily were a dead giveaway: “The ISI bought thousands of those cars in the late 1990s for its officers,” an ISI insider told me at the time. “It’s a running joke in Pakistan: if you see a white Potohar in your rearview mirror, be careful, the ISI is on your tail.”

Other ISI contacts were dumbfounded: how could a U.S. Navy Seal team manage to fly into one of the most heavily guarded garrison cities in Pakistan, carry out an assault lasting nearly an hour—in a quiet residential neighbourhood two kilometres from an elite military college—and then fly out without any response from the Pakistani military?

Someone had to have known, I was told repeatedly, and that someone had to be at the highest level of the military command. The U.S. had to have had Pakistani blessing for the operation.

What Hersh provides is more detail. More importantly, he offers us the opportunity to question the widening gap between what our leaders are doing and what they tell us they are doing. According to his view, we are living through an era of scripted events, engineered realities designed to achieve political goals. If his view is true – and there is mounting evidence that it is – then it deserves our attention.

Adnan R. Khan
May 15, 2015

Find this story at 15 May 2015

© 2001-2015 Rogers Media.

Osama bin Laden ‘protected by Pakistan in return for Saudi cash’ (2011)

Osama bin Laden was protected by elements of Pakistan’s security apparatus in return for millions of dollars of Saudi cash, according to a controversial new account of the operation to kill the world’s most wanted man.

Raelynn Hillhouse, an American security analyst, claims his whereabouts were finally revealed when a Pakistani intelligence officer came forward to claim the $25m (£15 million) bounty on the al-Qaeda leader’s head.
Her version, based on evidence from sources in what she calls the “intelligence community”, contradicts the official account that bin Laden was tracked down through his trusted courier.
Pakistani officials have always denied that bin Laden was sheltered or that Islamabad had any knowledge of the secret mission that killed him.
But Dr Hillhouse, who is known for her links to private military contractors that work extensively with the CIA, says Pakistan gave permission for a covert mission which would then be covered up by claiming bin Laden had been killed in a drone strike.
“The [Inter-Services Intelligence] officer came forward to claim the substantial reward and to broker US citizenship for his family,” she writes on her intelligence blog, The Spy Who Billed Me.
Related Articles
Pakistan: 20 militants killed in drone strike 10 Aug 2011
Osama bin Laden raid: top 10 discoveries 24 Jun 2011
“My sources tell me that the informant claimed that the Saudis were paying off the Pakistani military and intelligence (ISI) to essentially shelter and keep bin Laden under house arrest in Abbottabad, a city with such a high concentration of military that I’m told there’s no equivalent in the US.” After confirming bin Laden’s presence in the military town, the US approached Pakistan’s military leaders securing their co-operation in return for cash and a chance to avoid public humiliation.
The theory, if true, would explain how American black hawk helicopters were then able to fly deep into Pakistan territory in May without encountering resistance.
The plan only unravelled when one of the helicopters crash-landed, blowing the cover story.
“The co-operation was why there were no troops in Abottabad,” writes Dr Hillhouse. “It had always seemed very far-fetched to me that a helicopter could crash and later be destroyed in an area with such high military concentration without the Pakistanis noticing.” In the immediate aftermath of the raid, some residents of Abbottabad, where bin Laden had lived for five years, said they had received mysterious visits a night earlier warning them to stay inside with their lights off.
However, a senior Pakistani security official denied that the ISI had sheltered bin Laden.
“We don’t use toilet paper – we wash,” he said. “But toilet paper is all this theory is good for.”
A spokesman for the US department of defense said: “We have no additional operational details, or comments on operational details, to make at this time.”

Rob Crilly By Rob Crilly, Islamabad12:35PM BST 10 Aug 2011

Find this story at 10 August 2011

© Copyright of Telegraph Media Group Limited 2015

Questions Raised by Real Story of How US Found Bin Laden (2011)

The real story of how the US found bin Laden raises some key questions, namely:

August 11, 2011

by R J Hillhouse

Find this story at 11 August 2011

© Copyright 2006, 2007, 2008 by R J Hillhouse

Pakistan ‘paid’ to protect bin Laden (2011)

OSAMA bin Laden was protected by elements of Pakistan’s security apparatus in return for millions of dollars of Saudi cash, according to an account of the operation to kill the world’s most wanted man.

Raelynn Hillhouse, an American security analyst, claimed that bin Laden’s whereabouts were revealed when a Pakistani intelligence officer came forward to claim the long-standing $US25 million ($A24.2 million) bounty on the al-Qaeda leader’s head.

Her version, based on information from ”intelligence community” sources, contradicts the official account that bin Laden was tracked down through surveillance of his courier.

Pakistani officials have always denied that bin Laden was sheltered in the country, or that Islamabad had any prior knowledge of the secret mission in which he was killed. ”The [Inter-Services Intelligence] officer came forward to claim the substantial reward and to broker US citizenship for his family,” she writes on her intelligence blog, The Spy Who Billed Me.

”My sources tell me that the informant claimed that the Saudis were paying off the Pakistani military and intelligence to essentially shelter and keep bin Laden under house arrest in Abbottabad.”

August 12, 2011

Find this story at 12 August 2011

Copyright © 2015 Fairfax Media

BND soll CIA angeblich Hinweis auf Bin­Laden­Versteckgegeben haben ­

Mitten in der BND­Affäre verbreitet sich diese Nachricht: Der Bundesnachrichtendienst soll
den Amerikanern einen entscheidenden Hinweis gegeben haben, der zur Ergreifung von
Osama Bin Laden führte. Ist das plausibel?
Hat der deutsche Geheimdienst BND den Amerikanern bei der Ergreifung von Osama Bin Laden
entscheidend geholfen? Das berichtet die “Bild am Sonntag” (BamS) unter Berufung auf USGeheimdienstkreise.
Demnach soll ein Agent des Bundesnachrichtendienstes angeblich den
Hinweis auf das Versteck des Terroristen in Pakistan gegeben haben.
Die Nachricht kommt zu einer Zeit, in der der BND erheblich in der Kritik steht: Der Dienst hat der
amerikanischen NSA beim massenhaften Ausspionieren von Zielen in Deutschland und Europa
geholfen, der Verdacht der Wirtschaftsspionage steht im Raum. Ausgerechnet jetzt verbreitet sich
die Nachricht von der angeblichen Heldentat des BND im Fall Bin Laden. Kann man das glauben?
Laut “BamS” gibt es einen Insider in US­Geheimdienstkreisen, der die “grundsätzliche Bedeutung”
des Bin­Laden­Hinweises der deutschen Kollegen betone und die Zusammenarbeit der Deutschen
und Amerikaner in dem Fall lobe. “Es gibt eine Menge zu kritisieren an der Zusammenarbeit
zwischen deutschen und US­Geheimdiensten”, schreibt die Zeitung in ihrer Online­Ausgabe. “Aber
es gab durchaus auch Erfolge im Kampf gegen den Terror.”
Bemerkenswert: Bislang war nie etwas von einer entscheidenden deutschen Rolle bei der
Ergreifung Bin Ladens bekannt geworden. Im Gegenteil: Experten halten den BND in Pakistan für
relativ ahnungslos, Erkenntnisse hat der Dienst dort fast nur über deutsche Dschihadisten.
Hinweis von pakistanisch­deutschem Doppelagenten?
Die offizielle Version der US­Regierung zur Tötung des Qaida­Chefs in der Nacht auf den 2. Mai
2011 besagt, dass ein Team von US­Navy­Seals per Hubschrauber von Afghanistan im Tiefflug
nach Abbottabad eilte, einer Bergstadt etwa 60 Kilometer nördlich der Hauptstadt Islamabad.
Dort seilten sich Soldaten ab und fanden Bin Laden in einer hoch ummauerten Villa.
Sie töteten den Terrorfürsten, nahmen den Leichnam mit und bestatteten den meistgesuchten
Mann der Welt noch am selben Tag von einem Flugzeugträger aus im Arabischen Meer. Die
pakistanische Regierung wurde ­ so die offizielle Version ­ über den Einsatz erst informiert, als die
Helikopter schon in pakistanischen Luftraum eingedrungen waren.
Den Hinweis auf das Versteck haben die Amerikaner nach eigenen Angaben von Bin Ladens Kurier
al­Kuwaiti bekommen. Die “BamS” hingegen berichtet nun: Der Hinweis zu Bin Ladens
Aufenthaltsort sei damals von einem Agenten des pakistanischen Geheimdienstes Inter­Services
Intelligence gekommen ­ und dieser Agent habe seit Jahren auch für den BND gearbeitet. Die
Information des Doppelagenten soll dann an die USA weitergeleitet worden sein und habe einen
­ ohnehin bereits bestehenden ­ Verdacht der CIA erhärtet.
Bleibt die Frage: Warum hat der Doppelagent nicht direkt die Amerikaner informiert? In diesem
Fall hätte er eine dicke Belohnung einstreichen können. Warum also sollte die Information erst an
den ­ eher trägen, nicht übermäßig zahlungswilligen ­ BND gegangen sein?
Zweifel an der offiziellen Version im Fall Bin Laden gibt es immer wieder. Erst in der vergangenen
Woche hatte Pulitzer­Preisträger Seymour M. Hersh die Darstellung des Weißen Hauses kritisiert ­
und eine eigene Theorie vorgelegt. In der “London Review of Books” schreibt Hersh, US­Präsident
Barack Obama habe gelogen. Washington habe Islamabad viel früher in die geplante Aktion
eingeweiht. Beweise legte er für seine Theorie nicht vor.

brk/kaz/wal

16. Mai 2015, 23:52 Uhr

Find this story at 16 May 2015

© SPIEGEL ONLINE 2015

BND half bei der Jagd auf Osama bin Laden BamS erklärt die Operation „Neptune’s Spear“

Es gibt eine Menge zu kritisieren an der Zusammenarbeit zwischen deutschen und US-Geheimdiensten. Aber es gab durchaus auch Erfolge im Kampf gegen den Terror…
Seit Wochen steht der Bundesnachrichtendienst (BND) unter Beschuss, weil er an illegalen Abhöraktionen der Amerikaner beteiligt gewesen sein soll. Es geht um den Verdacht der Wirtschaftsspionage.
Den Geheimdiensten beider Länder kommt wohl nicht ungelegen, dass ausgerechnet jetzt ihre Zusammenarbeit bei einer der spektakulärsten Anti-Terror-Operationen bekannt wird – der Jagd auf Osama bin Laden!
Nach BamS-Informationen leistete der BND wichtige Hilfe bei der Suche nach dem damals meist­- gesuchten Terroristen der Welt. US-Geheimdienstkreise betonen, die Hinweise der Deutschen hätten für die Operation eine „grundsätzliche Bedeutung“ gehabt.
Bin Laden (Codename: Geronimo), Gründer und Anführer des Terrornetzwerks al-Qaida, war am 2. Mai 2011 von einer US-Spezialeinheit getötet worden – fast zehn Jahre nach den Anschlägen vom 11. September in Amerika, die er befohlen hatte.
VergrößernOsama bin Laden
Osama bin Laden wurde am 2. Mai 2011 von US-Spezialeinheiten in Abbottabad (Pakistan) erschossen. Der BND gab wichtige Hinweise
Foto: dpa Picture-Alliance
Jahrelang jagte Amerika den Terrorfürsten vergeblich, bin Laden schien vom Erdboden verschluckt. Bis der BND den US-Geheimdienst CIA darüber informierte, dass sich Osama bin Laden mit Wissen pakistanischer Sicherheitsbehörden in Pakistan versteckt. Der Hinweis kam von einem Agenten des pakistanischen Geheimdienstes Inter-Services Intelligence (ISI), der seit Jahren für den BND arbeitete.
Jetzt wussten die Amerikaner, wo sie suchen mussten. Der Tipp des BND hatte einen Verdacht der CIA erhärtet, dem der Geheimdienst nun mit größtem technischen und personellen Aufwand nachging. Denn seit 2007 waren die US-Geheimdienstler der Spur eines Bin-Laden-Kuriers gefolgt, der unter dem Decknamen al-Kuwaiti („Der Kuwaiter“) von Pakistan aus operierte.
Im August 2010 führte der Mann, den die Amerikaner überwachten, die Fahnder schließlich zu bin Ladens Versteck: einem stark befestigten Anwesen im nordpakistanischen Städtchen Abbottabad – knapp einen Kilometer entfernt von einer pakistanischen Militärakademie.
VergrößernLogo vom Bundesnachrichtendienst BND
Das Logo des Bundesnachrichtendienstes
Weitere sieben Monate sammelte die CIA Informationen. Dann stand fest: Bin Laden lebt in dem dreistöckigen Gebäudekomplex. Unter größter Geheimhaltung begannen die Vorbereitungen für die Militäroperation „Neptune’s Spear“ (Neptuns Dreizack), bei der Osama bin Laden getötet wurde.
Auch in dieser Phase gab der BND den Amerikanern wichtige Unterstützung. Deren größte Sorge war, dass Osama bin Laden oder die pakistanischen Sicherheitsbehörden von den Vorbereitungen der Geheimoperation etwas mitbekommen könnten. Dann hätte die Aktion wohl abgeblasen werden müssen.
Deshalb überwachte die Abhörstation im bayerischen Bad Aibling rund um die Uhr den Telefon- und Mailverkehr in Nordpakistan. Dadurch konnten die Amerikaner sicher sein, dass „Neptune’s Spear“ nicht aufgeflogen war. In der Nacht zum 2. Mai 2011 starteten dann vier Hubschrauber mit Elitekämpfern der „Navy Seals Team 6“ Richtung Abbottabad.

16.05.2015 – 22:21 Uhr
BILD am Sonntag
Von KAYHAN ÖZGENC, ALEXANDER RACKOW, JAN C. WEHMEYER UND OLAF WILKE

Find this story at 16 May 2015

Copyright www.bild.de

The Misfire in Hersh’s Big Bin Laden Story

Seymour Hersh’s story on the raid that killed Osama bin Laden has exposed a series of Obama administration claims about the raid, including the lie that it was not intended from the first to kill bin Laden and its fanciful story about Islamic burial of his body at sea. Hersh confirms the fact that the Obama administration – and the CIA – were not truthful in claiming that they learned about bin Laden’s whereabouts from a combination of enhanced interrogation techniques and signals intelligence interception of a phone conversation by bin Laden’s courier.

But Hersh’s account of a Pakistani “walk-in,” who tipped off the CIA about bin Laden’s location in Abbottabad, corrects one official deception about how the CIA discovered bin Laden’s location, only to give credence to a new one.

Hersh’s account accepts his source’s claim that Pakistan’s intelligence agency ISI had captured bin Laden in 2006 by buying off some of his tribal allies and that ISI had moved him to the Abbottabad compound under a kind of house arrest. But there are good reasons for doubting the veracity of that claim. Retired Pakistani Brigadier General Shaukat Qadir, who spent months investigating the bin Laden raid and the bin Ladens’ relocation to Abbottabad, interviewed a number of people in the neighborhood of the bin Laden compound and found no evidence whatever of any ISI presence in guarding or maintaining surveillance of the compound, such as described by Hersh’s source.

This writer published a detailed account of the background of bin Laden’s move to Abbottabad at Truthout in May 2012, based on months of painstaking research by Qadir, which showed that it was the result of a political decision by the al-Qaeda shura itself.

Qadir, who has never had any affiliation with ISI, was able to contact Mehsud tribal sources he had known from his service in South Waziristan many years earlier who introduced him to Mehsud tribal couriers for a leading tribal militant allied with al-Qaeda before and after 9/11. He was able to explain why a key al-Qaeda official in charge of relocating bin Laden actually considered Abbottabad, a military cantonment where the Pakistani military academy is located, a better hiding place than a city closer to the northwest Pakistan base area of al-Qaeda.

Qadir also learned that the secrecy of bin Laden’s new location was based on the fact that no one outside the al-Qaeda inner circle knew the real identity of bin Laden’s courier, who ordered the construction of the compound in 2004. That whole history, which Qadir was able to reconstruct in painstaking detail, belies the story that Hersh’s source, the “retired senior intelligence official,” told him about bin Laden being held captive by ISI in Abottabad.

The story has provoked pushback from the deputy director of the CIA at the time, as well as from Qadir. Michael Morell, the former deputy director, has called the story “completely false” and added, “No walk-in ever provided any information that was significant in the hunt for Osama bin Laden.”

Qadir had picked up the walk-in story – complete with the detail that the Pakistani in question was a retired ISI officer who had been resettled from Pakistan – from American contacts in 2011. In his own book, Operation Geronimo, Qadir comments, “There is no way a Pakistani Brigadier, albeit retired, could receive this kind of money and disappear …”

Qadir also learned from interviewing ISI officials that, by mid-2010, they had become suspicious about the owner of the Abbottabad compound, of a possible terrorism connection, as a result of what began as a routine investigation, although they did not know that bin Laden was there. Five different junior and mid-level ISI officers told Qadir they understood Pakistan’s Counter Terrorism Wing (CTW) had decided to forward a request to the CIA for surveillance of the Abbottabad compound in July 2010.

So CTW’s provision of that crucial information to the CIA would have occurred just about the time Hersh’s source says the walk-in took place.

Hersh’s account of the walk-in, offering to tell the CIA where bin Laden was in return for the $25 million reward, is problematic for other reasons. If the walk-in source had been able to provide a reasonably detailed explanation for how he knew bin Laden, was in that compound and had passed a polygraph test, as the source claims, President Obama would certainly have been informed.

But the former senior intelligence official told Hersh that Obama was not informed about the information from the walk-in until October 2010 – two months after the CIA allegedly had gotten the information from the walk-in.

Furthermore both Obama and the “senior intelligence official” who briefed the press on the issue on May 2, 2011, made statements that clearly suggested the information that had helped them was much more indirect than a tip that bin Laden was there. And both indicated that it was a result of Pakistani government cooperation.

The senior intelligence official told reporters that “The Pakistanis … provided us information attached to [the compound] to help us complete the robust intelligence case that … eventually carried the day.” That is very different from telling the CIA that bin Laden had been taken captive by the ISI and deposited in Abbottabad.

And Obama was explicit about the information coming through Pakistani institutional channels in his remarks on the night of the raid. “It is important here to note,” Obama said, “that our counterterrorism cooperation with Pakistan helped lead us to bin Laden and the compound he was hiding in.”

No plausible reason can be offered for those remarks, except that ISI’s counter-terrorism wing (CTW) actually did provide specific information related to the Abbottabad compound that led the CIA to begin intensive satellite surveillance of the compound.

Finally the story of the “walk-in” and the $25 million reward going to the individual is a story line that serves the interests of some high-ranking CIA officials – including then-CIA Director Leon Panetta – who had come to view ISI as the enemy because of a cluster of conflicts that involved suspicions about its protecting bin Laden, as well as ISI restrictions on CIA spying in Pakistan; the detention of CIA contractor Raymond Davis for shooting two Pakistanis; and finally, ISI complaints about US drone strikes. The CIA had increased its unilateral intelligence presence in Pakistan tremendously in 2010-11, and ISI demanded that the increase be rolled back.

In January 2011, CIA operative Raymond Davis had been arrested for killing two Pakistanis who had apparently been tailing him, and the CIA had put intense pressure on the ISI to have him released. Then on March 17, one day after Davis had been released thanks to the intervention of ISI chief Shuja Pasha, the CIA had carried out a drone strike on what was supposedly a gathering of Haqqani network officials, but it actually killed dozens of tribal and sub-tribal elders who had gathered from all over North Waziristan to discuss an economic issue. A former US official later suggested that the strike, which had been opposed by then-Ambassador to Pakistan, Cameron Munter, had been carried out then because the CIA had been “angry” over the detention of Davis for several weeks.

The Pakistani military had been angered, in turn, by the March 17 drone strike, and Pasha had then gone to Washington in April 2011 with a demand for a Pakistani veto over US drone strikes in the country.

That summer, as tensions with the Pakistani military continued to simmer, someone began talking privately about ISI’s complicity in bin Laden’s presence in Abbotabad. The story was first published on the blog of R. J. Hillhouse on August 8, 2011, which cited “sources in the intelligence community.”

Monday, 18 May 2015 00:00
By Gareth Porter, Truthout | News Analysis

Find this story at 18 May 2015

Copyright, Truthout.

Brig Usman Khalid informed CIA of Osama’s presence in Abbottabad

ISLAMABAD: Pulitzer prize winning American journalist Seymour Hersh’s most recent claim that a former Pakistani intelligence official had actually informed the Americans about the Abbottabad hideout of al-Qaeda chief Osama bin Laden (OBL), has given credence to the notion that a former ISI official provided the information about Osama’s location in exchange of US$ 25 million bounty as well as the US citizenship with a new identity.

Well-informed intelligence circles in the garrison town of Rawalpindi concede that the vital information about the bin Laden compound was actually provided to the Americans by none other than an ISI official – Brigadier Usman Khalid. The retired Brigadier, who has already been granted American citizenship along with his entire family members, persuaded Dr Shakil Afridi, a Pakistani physician, to conduct a fake polio campaign in the Bilal Town area of Abbottabad to help the Central Intelligence Agency hunt down Osama.

A February 18, 2012 Washington Post article by David Ignatius said

“Army Chief General Ashfaq Kayani was ISI chief at the time, but the dominant figure was President Pervez Musharraf”. Ignatius referred to former ISI chief General Ziauddin Butt and noted that a report in the Pakistani press in December had quoted him as saying that Osama’s stay at Abbottabad was arranged by Brigadier (R) Ijaz Shah on Musharraf’s orders. General Ziauddin Butt repeated his claim in the February 2012 issue of the Newsweek magazine, in an online interview conducted by Bruce Riedel. Riedel quoted Lt Gen Butt as saying: “General Musharraf knew that Osama bin Laden was in Abbottabad.” Ziauddin Butt claimed that Ijaz Shah was responsible for setting up bin Laden in Abbottabad, ensuring his safety and keeping him hidden from the outside. On the other hand, Musharraf has refuted having any knowledge about Osama living in Pakistan during his tenure.

It may be recalled that the New York Times had claimed in a March 2014 report that the US had direct evidence about former ISI chief Lt Gen Ahmed Shuja Pasha knowing Bin Laden’s presence in Abbottabad at the time. The newspaper also quoted former ISI chief Lt Gen Ziauddun Butt, saying Musharraf had arranged to hide Bin Laden in Abbottabad. While the military circles had strongly refuted the NYT report as a pack of lies, it was hard for the international community to believe that the world’s most wanted terrorist was living unnoticed for five years in a vast compound in Abbottabad without any support system.

Amir Mir
Tuesday, May 12, 2015

Find this story at 12 May 2015

The News International – Copyright @ 2010-2015

The Detail in Seymour Hersh’s Bin Laden Story That Rings True

From the moment it was announced to the public, the tale of how Osama bin Laden met his death in a Pakistani hill town in May 2011 has been a changeable feast. In the immediate aftermath of the Navy SEAL team’s assault on his Abbottabad compound, American and Pakistani government accounts contradicted themselves and each other. In his speech announcing the operation’s success, President Obama said that “our counterterrorism cooperation with Pakistan helped lead us to Bin Laden and the compound where he was hiding.”

But others, including top Pakistani generals, insisted that this was not the case. American officials at first said Bin Laden resisted the SEALs; the Pakistanis promptly leaked that he wasn’t armed. Then came differing stories from the SEALs who carried out the raid, followed by a widening stream of new details from government reports — including the 336-page Abbottabad Commission report requested by the Pakistani Parliament — and from books and interviews. All of the accounts were incomplete in some way.

The latest contribution is the journalist Seymour Hersh’s 10,000-word article in The London Review of Books, which attempts to punch yet more holes — very big ones — in both the Obama administration’s narrative and the Pakistani government’s narrative. Among other things, Hersh contends that the Inter-Services Intelligence directorate, Pakistan’s military-intelligence agency, held Bin Laden prisoner in the Abbottabad compound since 2006, and that “the C.I.A. did not learn of Bin Laden’s whereabouts by tracking his couriers, as the White House has claimed since May 2011, but from a former senior Pakistani intelligence officer who betrayed the secret in return for much of the $25 million reward offered by the U.S.”

On this count, my own reporting tracks with Hersh’s. Beginning in 2001, I spent nearly 12 years covering Pakistan and Afghanistan for The Times. (In his article, Hersh cites an article I wrote for The Times Magazine last year, an excerpt from a book drawn from this reporting.) The story of the Pakistani informer was circulating in the rumor mill within days of the Abbottabad raid, but at the time, no one could or would corroborate the claim. Such is the difficulty of reporting on covert operations and intelligence matters; there are no official documents to draw on, few officials who will talk and few ways to check the details they give you when they do.

Two years later, when I was researching my book, I learned from a high-level member of the Pakistani intelligence service that the ISI had been hiding Bin Laden and ran a desk specifically to handle him as an intelligence asset. After the book came out, I learned more: that it was indeed a Pakistani Army brigadier — all the senior officers of the ISI are in the military — who told the C.I.A. where Bin Laden was hiding, and that Bin Laden was living there with the knowledge and protection of the ISI.

I trusted my source — I did not speak with him, and his information came to me through a friend, but he was high enough in the intelligence apparatus to know what he was talking about. I was confident the information was true, but I held off publishing it. It was going to be extremely difficult to corroborate in the United States, not least because the informant was presumably in witness protection.

I do not recall ever corresponding with Hersh, but he is following up on a story that many of us assembled parts of. The former C.I.A. officer Larry Johnson aired the theory of the informant — credited to “friends who are still active” — on his blog within days of the raid. And Hersh appears to have succeeded in getting both American and Pakistani sources to corroborate it. His sources remain anonymous, but other outlets such as NBC News have since come forward with similar accounts. Finally, the Pakistani daily newspaper The News reported Tuesday that Pakistani intelligence officials have conceded that it was indeed a walk-in who provided the information on Bin Laden. The newspaper names the officer as Brigadier Usman Khalid; the reporter is sufficiently well connected that he should be taken seriously.

This development is hugely important —it is the strongest indication to date that the Pakistani military knew of Bin Laden’s whereabouts and that it was complicit in hiding a man charged with international terrorism and on the United Nations sanctions list.

I cannot confirm Hersh’s bolder claims — for example, that two of Pakistan’s top generals, Ashfaq Parvez Kayani, the former army chief, and Ahmed Shuja Pasha, the director of the ISI, had advance knowledge of the raid. But I would not necessarily dismiss the claims immediately. Hersh’s scenario explains one detail that has always nagged me about the night of Bin Laden’s death.

After one of the SEALs’ Black Hawk helicopters crashed in Bin Laden’s Abbottabad compound, neighbors called the police and reported hearing both the crash and the subsequent explosions. The local police told me that they received the calls and could have been at the compound within minutes, but army commanders ordered them to stand down and leave the response to the military. Yet despite being barracked nearby, members of the Pakistani Army appear to have arrived only after the SEALs — who spent 40 minutes on the ground without encountering any soldiers — left.

Hersh’s claim that there was little or no treasure trove of evidence retrieved from Bin Laden’s home rings less true to me. But he has raised the need for more openness from the Obama administration about what was found there.

Carlotta Gall is the North Africa correspondent for The New York Times and the author of “The Wrong Enemy: America in Afghanistan 2001-2004.”

By CARLOTTA GALLMAY 12, 2015

Find this story at 12 May 2015

© 2015 The New York Times Company

Pakistani Asset Helped in Hunt for Bin Laden, Sources Say

Editor’s Note: This story has been updated since it was first published. The original version of this story said that a Pakistani asset told the U.S. where bin Laden was hiding. Sources say that while the asset provided information vital to the hunt for bin Laden, he was not the source of his whereabouts.

Intelligence sources tell NBC News that in the year before the U.S. raid that killed Osama bin Laden, a retired Pakistani military intelligence officer helped the CIA track him down.

While the Pakistani intelligence asset provided vital information in the hunt for bin Laden, he did not provide the location of the al Qaeda leader’s Abottabad, Pakistan compound, sources said.

Three sources also said that some officials in the Pakistani government knew where bin Laden was hiding all along.

The asset was evacuated from Pakistan and paid reward money by the CIA, sources said. U.S. officials took pains to note he was one of many sources who provided help along the way, and said that the al Qaeda courier who unwittingly led them to bin Laden, Ahmed al-Kuwaiti, remained the linchpin of the operation.

The U.S. government has always characterized the heroic raid by Seal Team Six that killed bin Laden as a unilateral U.S. operation, and has maintained that the CIA found him by tracking the courier.

The new revelations do not cast doubt on the overall narrative that the White House began circulating within hours of the May 2011 operation. The official story about how bin Laden was found was constructed in a way that protected the identity and existence of the asset, who also knew who inside the Pakistani government was aware of the Pakistani intelligence agency’s operation to hide bin Laden, according to a special operations officer with prior knowledge of the bin Laden mission.

While NBC News has long been pursuing leads about a “walk in” intelligence asset and about what Pakistani intelligence knew, both assertions were made public in a London Review of Books article by investigative reporter Seymour Hersh. Hersh’s story, published over the weekend, raises numerous questions about the White House account of the SEAL operation. It has been strongly disputed both on and off the record by the Obama administration and current and former national security officials.

The Hersh story says that a “walk in” asset, a former Pakistani military intelligence official, contacted U.S. authorities in 2010 and told them bin Laden was hiding in Abbottabad; that elements of ISI, the Pakistani intelligence agency, knew of bin Laden’s whereabouts; and that the U.S. told the Pakistanis about the bin Laden raid before it launched. The U.S. has maintained that it did not tell the Pakistani government about the raid before it launched.

On Monday, Pentagon spokesman Col. Steve Warren called Hersh’s piece “largely a fabrication” and said there were “too many inaccuracies” to detail each one. Col Warren said the raid to kill bin Laden was a “unilateral action.” Both the National Security Council and the Pentagon denied that Pakistan had played any role in the raid.

Pakistani media personnel and local resi AAMIR QURESHI / AFP/GETTY IMAGES
Pakistani media personnel and local residents gather outside the hideout of al Qaeda leader Osama bin Laden in Abbottabad, Pakistan after the U.S. raid that killed him.
“The notion that the operation that killed Osama Bin Laden was anything but a unilateral U.S. mission is patently false,” said NSC spokesman Ned Price. “As we said at the time, knowledge of this operation was confined to a very small circle of senior U.S. officials.”

Sen. John McCain, chairman of the Senate Armed Services Committee, dismissed Hersh’s account. “I simply have never heard of anything like this and I’ve been briefed several times,” said McCain, R.-Arizona. “This was a great success on the part of the administration and something that we all admire the president’s decision to do. ”

The NBC News sources who confirm that a former Pakistani military intelligence official became a U.S. intelligence asset include a special operations officer and a CIA officer who had served in Pakistan. These two sources and a third source, a very senior former U.S. intelligence official, also say that elements of the ISI were aware of bin Laden’s presence in Abbottabad. The former official was emphatic about the ISI’s awareness, saying twice, “They knew.”

Another top official acknowledged to NBC News that the U.S. government had long harbored “deep suspicions” that ISI and al Qaeda were “cooperating.” And a book by former acting CIA director Mike Morrell that will be published tomorrow says that U.S. officials could not dismiss the possibility of such cooperation.

None of the sources characterized how high up in ISI the knowledge might have gone. Said one former senior official, “We were suspicious that someone inside ISI … knew where bin Laden was, but we did not have intelligence about specific individuals having specific knowledge.”

Multiple U.S. officials, however, denied or cast doubt on the assertion that the U.S. told the Pakistanis about the bin Laden raid ahead of time.

BY MATTHEW COLE, RICHARD ESPOSITO, ROBERT WINDREM AND ANDREA MITCHELL

Find this story at 11 May 2015

Copyright www.nbcnews.com

How Was Bin Laden Killed? Seymour Hersh’s sources tell a more believable story than the self-serving official White House narrative.

Some might argue that knowing exactly how Osama bin Laden was killed really doesn’t matter. Some might even argue that he is still alive, which, if nothing else, would demonstrate the persistence of urban legends relating to conspiracies allegedly involving the U.S. government. JFK’s assassination has the grassy knoll and second gunman, plus Mafia, CIA, and Cuban connections as well as a possible Vietnamese angle. 9/11 had the mystery of the collapse of Building 7. More recently still, the Texas State Guard was mobilized to monitor a military training exercise because it was rumored to be a ploy to impose martial law. Demonizing Washington as one large conspiracy is good business all around.

The death of bin Laden has been memorialized by a CIA-sponsored film “Zero Dark Thirty” and a book by Peter Bergen, by numerous White House leaks and press releases, and by memoranda of participants, including the CIA’s female officer who tracked bin Laden and the Navy SEAL who allegedly fired the fatal shots. The most recent contribution to the oeuvre is an account by the former CIA Deputy Director and torture apologist Michael Morell, The Great War of Our Time: the CIA’s Fight against Terrorism from al-Qai’da to ISIS.

Inevitably, great stories that don’t quite hang together are often revised as memory grows weak and, in the manner of Rashomon, frequently take on the coloration of where the narrator was sitting when events unfolded. And then there are the skeptics, who focus on the inconsistencies and pull together their own explanations. A number of articles and blogs have questioned details of the standard narrative on bin Laden. One compelling account by R.J. Hillhouse in August 2011 challenged central aspects of the prevailing story, and there has been corroborative reporting from highly respected New York Times correspondent Carlotta Gall.

A more recent skeptic about bin Laden is America’s top investigative reporter, Seymour Hersh. In a lengthy article published in the current London Review of Books, Hersh provides a fascinating narrative regarding the killing of bin Laden, which contradicts the account provided by the government. A White House spokesman immediately weighed in to describe Hersh’s account as “baseless,” while Morell has called it “all wrong” and Bergen has dubbed it a “farrago of nonsense.”

Sy Hersh believes the official account, that bin Laden was discovered in Abbottabad after one of his couriers was tracked, is wrong. Instead, he claims, the source of the information was a Pakistani intelligence officer who was paid as much as $25 million. Hersh also claims that the heads of the Pakistani Army and its intelligence service (ISI) knew about the raid in advance and were able to facilitate the U.S. incursion. A Pakistani intelligence officer participated in the operation after a Pakistani army doctor obtained DNA evidence proving the presence of bin Laden, convincing the White House to authorize the attack. The Obama administration, however, claims that the assault was completely unilateral and Pakistan knew nothing about it.

The Hersh account also states that bin Laden had been under house arrest by the Pakistani intelligence service for five years and was unarmed when the U.S. team arrived with instructions from Washington to kill him. His stay in Pakistan was being secretly funded by the Saudi government, which did not want him released. There was no shooting apart from that done by the Navy SEALs. An after-the-fact cover story prepared by the White House and Pakistani officials, that bin Laden had been killed in a drone strike in Afghanistan, was abandoned when Obama, for various reasons, decided to instead go public on the night of the killing, betraying the trust of the Pakistani generals.

The Hersh account and the government response together raise a number of questions which can be examined based on plausibility of the respective accounts and the possible security considerations that might have influenced an official narrative that milked the event for political gain while also protecting sources and methods. Interestingly, NBC News came out with its own report one day after Hersh’s article was published, confirming it from its own sources that a Pakistani official “helped the U.S. find Osama bin Laden, not a courier.” The article, subsequently retracted, also cited a New York Times Magazine report by Carlotta Gall that the Pakistani intelligence service ISI actually had a special desk tasked with hiding bin Laden.

For what it’s worth, I have known Sy Hersh for more than 15 years and have a great deal of respect for him as a journalist. I am aware of how carefully he vets his information, using multiple sourcing for many of his articles, and I also know that he has a network of high-level contacts in key positions scattered throughout the defense, intelligence, and national security communities. For this article he cites three anonymous U.S. special ops and intelligence sources, three named Pakistani sources, and a number of unnamed Pakistanis. I think I know the identities of at least two of his American sources, both of whom are reliable and have access, while one of his other anonymous sources might well be Jonathan Bank, the former CIA station chief in Islamabad. If Sy says that someone revealed something to him either on background or anonymously, I am sure that he accurately conveys what was said, though that does not necessarily rule out the possibility that the source might be intentionally misleading him or somehow be mistaken.

Against that, the government has hardly been a reliable source of accurate information, even regarding this past weekend’s Delta Force raid in Syria in which the Pentagon account and the report of a British monitoring group vary considerably. Some of those who are most aggressively attacking Hersh know nothing about the death of bin Laden except what the White House and its various spokesmen have provided. Several have a vested interest in parroting the official line, to include books they want to sell and white lies they would prefer remain somewhere in the shadows. Nevertheless, the bin Laden killing was a story that benefited the White House politically, making it important to get the details right lest it be discredited from the get-go.

Hersh’s first assertion, that the source of the information was a Pakistani intelligence officer who walked-in with the information is quite plausible and it actually makes more sense than the courier story, which is inconsistent in terms of who, what, when, and where. Walk-ins are mistrusted, but they also provide many breakthroughs in intelligence operations. In this case, the walk-in passed a polygraph examination and provided significant corroborating information. If the man was indeed paid and he wished to keep the connection secret, a cover story would be needed to explain how the U.S. came by the information. That is where the courier story would come in.

The presumed role of the Pakistani intelligence officer leads naturally to the plausible assumption that Pakistan had bin Laden under control as a prisoner. Among retired intelligence officers that I know no one believes that the Pakistanis were unaware of bin Laden’s presence among them though there are varying degrees of disagreement regarding exactly why he was being held and what Islamabad intended to do with him. Some speculate, as Hersh asserts, that the Paks were seeking a mechanism both to get rid of bin Laden and obtain a satisfactory quid pro quo for turning him over to Washington. Per Hersh, they considered bin Laden a “resource” to be cashed in at the right time, which makes sense.

That several senior Pakistani military officers were informed of the impending raid is also not exactly surprising. The billions that Washington has provided to the Pakistani military was largely controlled by the head of the army and the chief of ISI. That did not exactly make them paid agents of the United States, but it certainly would create a compelling self-interest in keeping the relationship functional. They could be relied upon to be discreet and they were certainly well-placed enough to mitigate the risk to incoming American helicopters if called upon to do so.

Hersh notes that due to the delay caused by the crashed helicopter the SEAL team was on the ground for 40 minutes “waiting for the bus” without any police, military, or fire department response to the noise and explosions. The public lighting in that area had also been turned off. And, indeed, the White House could still claim that it was a wholly U.S. operation because the civilian government in Islamabad, out of the loop on what was occurring, could plausibly deny any deal with Washington. Hersh notes that in Obama’s press conference on the killing, the president nevertheless acknowledged that the “counterterrorism cooperation with Pakistan helped lead us to bin Laden and the compound where he was hiding,” a statement that may have been true enough but also exposed the assistance that had been received and put at risk the generals who had cooperated.

And then there is the Saudi role. Hersh claims that Riyadh was footing the bill for holding bin Laden because they did not want him to reveal to the Americans what he knew about Saudi funding of al-Qaeda. The Pakistanis for their part wanted bin Laden dead as part of the deal so he would not talk about their holding him for five years without revealing that fact to Washington.

Other claims by Sy Hersh include his debunking of the “garbage bags of computers and storage devices” seized by the team, used to support the contention that bin Laden was still in charge of a vast terrorist network. But there is little evidence to suggest that anything at all was picked up during the raid. Documents turned over by the Pakistanis afterwards were examined but found to be useful mostly for background on al-Qaeda.

Concerning the firefight that may not have occurred, the government account started with a claim that bin Laden was armed and resisted using his wife as a shield, a wild west fantasy concocted by then-White House terrorism chief John Brennan, but it eventually conceded that the terrorist leader was unarmed and alone. In the initial debriefing the SEAL team reportedly did not mention any resistance in the compound. The military participants in the raid were subsequently forced to sign nondisclosure forms threatening civil penalties and a lawsuit for anyone who discussed the operation either publicly or privately.

Finally, what happened to bin Laden’s body? The original plan was to wait a week and announce that bin Laden had been literally blown to bits by drone, but that was preempted by President Obama, who saw an opportunity to score some political points. There is no evidence that bin Laden was buried at sea, as was alleged, no photos, no eyewitness testimony by sailors on board the USS Carl Vinson, and no ship’s log confirming the burial. Two of Hersh’s sources are convinced the burial never took place and that what remained after being torn apart by bullets was instead turned over to the CIA for disposal. They regard the burial at sea as a poorly designed cover story to get rid of the body and avoid any embarrassing questions over possible misidentification.

So what do I think is true? I believe that a walk-in Pakistani intelligence officer provided the information on bin Laden and that the Pakistanis were indeed holding him under house arrest, possibly with the connivance of the Saudis. I am not completely convinced that senior Pakistani generals colluded with the U.S. in the attack, though Hersh makes a carefully nuanced case and Obama’s indiscreet comment is suggestive. I do not believe any material of serious intelligence value was collected from the site and I think accounts of the shootout were exaggerated. The burial at sea does indeed appear to be a quickly contrived cover story. And yes, I do think Osama bin Laden is dead.

Philip Giraldi, a former CIA officer, is executive director of the Council for the National Interest.

By PHILIP GIRALDI • May 20, 2015

Find this story at 20 May 2015

copyright theamericanconservative.com

WATCH: How the CIA Helped Make “Zero Dark Thirty”

When Zero Dark Thirty premiered in 2012, the Hollywood film about the hunt for Osama bin Laden became a blockbuster hit.

Behind the scenes, the CIA secretly worked with the filmmakers, and the movie portrayed the agency’s controversial “enhanced interrogation techniques” — widely described as torture — as a key to uncovering information that led to the finding and killing of bin Laden.

Secrets, Politics and Torture airs Tuesday, May 19 at 10 p.m. EST on PBS (check local listings) and will stream in full, for free, online at pbs.org/frontline.
But in Secrets, Politics and Torture, premiering this Tuesday, May 19 on PBS, FRONTLINE reveals the many challenges to that narrative, and the inside story of how it came to be.

The documentary unspools the dueling versions of history laid out by the CIA, which maintains that its now officially-shuttered program was effective in combating terrorism, and the massive Senate torture report released in December 2014, which found that the program was brutal, mismanaged and — most importantly — didn’t work.

Watch the dramatic opening sequence of Secrets, Politics and Torture:

And that’s just the beginning.

Drawing on recently declassified documents and interviews with prominent political leaders and CIA insiders, Tuesday’s film goes on to examine how the secret interrogation program began, what it accomplished and the bitter fight in Washington over the public outing of its existence.

“We’ve found that, faced with 9/11 and the fear of a second attack, everybody from the head of the CIA, to the Justice Department, to the president asked ‘Can we do it?’ — meaning, can we do it legally — not, ‘Should we do it?’ says veteran FRONTLINE filmmaker Michael Kirk.

Secrets, Politics and Torture is the latest in Kirk’s acclaimed line of documentaries examining counterterrorism programs and government secrecy in the wake of 9/11: He traveled to the infamous Abu Ghraib prison in Iraq to make The Torture Question in 2005, and he just won a Peabody Award for United States of Secrets, FRONTLINE’s 2014 examination of the National Security Agency’s mass surveillance program.

“As the debate over how far the U.S. should be willing to go in the fight against terrorism continues, we felt it was important to tell the story of this CIA program, comprehensively, in documentary form,” Kirk says. “What we’ve found raises some very tough questions.”

Watch Secrets, Politics and Torture Tuesday, May 19 at 10 p.m. EST on PBS (check local listings) and online at pbs.org/frontline.

May 15, 2015, 2:45 pm ET by Patrice Taddonio

Find this story at 15 May 2015

Watch secrets, politics and torture

Web Site Copyright ©1995-2015 WGBH Educational Foundation

‘Zero Dark Thirty’ Was Filled With CIA Lies

A new documentary from Frontline doesn’t want to let the CIA off the hook for providing a false narrative to an Oscar-winning blockbuster and presenting it as a true story.
In the days leading up to the nationwide release of Zero Dark Thirty, the 2012 blockbuster movie about the U.S. raid that killed Osama bin Laden, Senator Dianne Feinstein was given an advanced screening. How did the then-chairman of the Senate Intelligence Committee, whose investigators were working on their own story about the hunt for bin Laden and the role that torture may have played, react to Hollywood’s depiction?

“I walked out of Zero Dark Thirty, candidly,” Feinstein says. “We were having a showing and I got into it about 15, 20 minutes and left. I couldn’t handle it. Because it’s so false.”

False, in Feinstein’s estimation, because she says the film inaccurately portrays torture as a key tool in obtaining information about bin Laden’s whereabouts. Feinstein recounts her revulsion in a new documentary from Frontline, airing Tuesday night on PBS, about the CIA’s torture program and whether brutal interrogations of detainees helped surface intelligence that led to bin Laden’s compound in Pakistan, where U.S. special operations forces killed him in 2011.

The documentary portrays the Kathryn Bigelow movie, which purports to be a definitive account, as a skewed view that was heavily influenced by the CIA and its press office. The agency had given the filmmakers extraordinary access to classified details about the operation that they didn’t otherwise hand out to journalists.

“A lot of other people who covered the beat like I did in that search for bin Laden—we didn’t get close to that kind of cooperation from the agency on telling the inside story,” veteran Washington Post intelligence reporter Greg Miller told Frontline.

The documentary is short on news and revelations. But it concisely lays out the the dueling narratives between the CIA’s version of its so-called “rendition, detention, and interrogation” program, and the Senate Intelligence Commitee’s years-long investigation of the same. The committee’s findings conclude that the agency tortured detainees and failed to come up with useful intelligence about terrorist attacks. If you haven’t been following the minutiae of this now-decade-long controversy, the documentary will bring you up to speed.

Investigative journalist Michael Isikoff told Frontline that many more people will see Zero Dark Thirty than will read the countless newspaper articles about the CIA’s interrogation techniques. The movie, he thinks, will stand as the dominant narrative for what really happened in the search for bin Laden.

The Frontline producers seem conscious of that fact, and perhaps in the hopes that more people will watch a TV piece about the CIA program than read about it, they set out to poke holes in Langley’s version of events—and in Hollywood’s.

If there’s a central narrator to the piece, it’s former CIA general counsel John Rizzo, who seems less interested in defending his former employer than in settling a few scores. While Rizzo has told many of these stories already in his memoir, there are a few dramatic scenes—notably around a senior CIA official’s decision to destroy videotapes that interrogators had shot, illustrating the agency’s brutal work.

Rizzo recounts his reaction in 2005, upon receiving a cable from an overseas “black site” where prisoners were tortured, informing him that “pursuant to headquarters directions, the videotapes have been destroyed.”

Rizzo says that “after 25 years at [the] CIA, I didn’t think too much could flabbergast me, but reading that cable did.”

“I walked out of Zero Dark Thirty, candidly. We were having a showing and I got into it about 15, 20 minutes and left. I couldn’t handle it. Because it’s so false.”
Two years later, The New York Times broke the story that the agency had destroyed the footage. Rizzo says he immediately feared a “nightmare scenario” for the CIA if Congress suspected that the agency had tried to cover up the destruction. But he remembered that Porter Goss, the ex-CIA director and longtime congressman, had agreed back in 2005 to notify the heads of the congressional intelligence committees about what had happened.

Rizzo says he called Goss, who by then had left the CIA, and reminded him how they’d “divided up responsibility,” with Rizzo agreeing to tell the White House and Goss calling the Hill.

“I’ll never forget this,” Rizzo told Frontline. “There was a pause on the other end of the line, and Porter said, responded, ‘Well, actually, actually, I don’t think I ever really told the heads of the Intelligence Committee.’ The words he used was, ‘There just didn’t seem to be the right time to do it.’”

Ultimately, the documentary tells a story not so much of a full-fledged coverup, but of a series of obfuscations and spin jobs by various elements of the CIA. It was all in an effort to put the torture program in the best possible light and keep embarrassing facts out of the public eye.

That’s not a new story either, and one could be forgiven for watching the hour-long documentary and wondering, “What was the point of making it?”

The filmmakers answer that question in a parting shot from Times reporter Peter Baker, who correctly notes that there will probably be no more official investigations of the torture program, no further legal consequences for those involved, and no policy debate, since the torture program was shut down years ago.

“The fight right now is for history,” Baker says. “Why did it happen? Was it the right thing? Was it the wrong thing? And how should we look at it in generations to come?”

On those questions, Zero Dark Thirty won’t be the last word.

JUSTIFYING TORTURE05.19.1512:41 PM ET
By Shane Harris

Find this story at 19 May 2015

© 2014 The Daily Beast Company LLC